Zoo zat Fonske op een zachten zomermiddag eens alleen te schilderen. De
andere koewachtertjes waren verder in de wei, bezig met kikkers vangen
en niets stoorde hem in het vlijtig genot, waarin hij gansch verdiept
zat. Fonske schilderde het landschap: het weiland met de koeien,
een hooibergje, en in de verte het kasteel met 't molentje.
Het was een volmaakt-mooie dag, zoo rustig-vast in zijn glansrijke
schoonheid, alsof het nooit anders geweest was en altijd zoo zou
blijven. 't Was of de gansche natuur in haar eigen rijke innigheid lag
te genieten. De kort-gegraasde wei strekte zich tengergroen ver-uit
achter de lange schaduwstreep der hooge populieren, in den blauwen
hemel hingen witte wolkjes, die nauwelijks schenen voort te drijven en
't diepe water sliep tusschen zijn bloeiende oevers, waar de fijne
karrekiet zoo landelijk en zoo zoet in het riet zat te kweelen.
Fonske werkte. Zijn hoofdje stond scheef en zijn wenkbrauwen fronsten
zich van de inspanning. Hij voelde dat het stuk karton waarop hij
schilderde te klein was voor het vele dat hij erop weer wou geven
en 't speet hem zoo dat hij geen grooter had genomen. Het molentje,
dat nu zoo rustig met gekruiste wieken op zijn heuvel stond, kon er
beslist niet bij, en dat maakte Fonske verdrietig, want juist het
molentje was wel het mooiste van het gansche tafereel. Zou hij er
morgen nog geen stuk langs boven kunnen aanplakken? Hij bewoog het
schilderij op en neer, hield het met gestrekte armen vóór zich uit,
keek in de verte naar het molentje en praktizeerde en peinsde: hij kon
het met zichzelf niet eens worden en aarzelde en tobde; hij lei het
ding eindelijk zuchtend neer en wilde opstaan, toen iets ongewoons,
dat hij als 't ware achter zich had voelen naderen, hem plotseling
het hoofd deed omwenden.
Hij schrikte hevig en zijn rechterhand ging in instinctmatig groeten
naar de plaats waar op zijn verkleurd stoppelhoofd zijn pet had moeten
zitten. Vlak naast hem waren, ongemerkt, twee jonge dames verschenen:
mejonkvrouw Elvire, het dochtertje van den graaf, met haar engelsche
gouvernante.
--Doe moar veurt; woarom 'n doeje nie veurt? zei het jong meisje
aanmoedigend, met een zoeten glimlach.
Zij stond voor Fonske, geheel in 't wit gekleed, het zacht gezicht
met levendige, donkere oogen warmbruin-verbrand van zonnegloed onder
een gelen, strooien hoed met roode en blauwe bloemen en haar blikken
weken niet van 't schilderij, dat Fonske in zijn ontzetting scheef
over het gras had neergegooid. Fonske kende haar wel, hij wist dat
zij ook schilderde, onder de leiding van een meester; en nu bleef
hij daar met neergeslagen oogen roerloos van ontroering staan alsof
hij iets misdreven had, dat niet meer goed te maken was. Maar zacht
en lief klonk weer haar stem: "Mag ik het ne keer zien?" en Fonske
bukte zich sprakeloos, raapte zijn schilderij op, en gaf het haar.
Zij ging er enkele passen mee op zij staan, door haar gouvernante
gevolgd. Samen spraken zij even vlug in een voor Fonske onverstaanbare
taal. Toen kwam het meisje met het schilderij weer naar hem toe en
vroeg heel ernstig, met naïef-groote oogen:
--Wie het er ou da geleerd?
--Niemand, fluisterde Fonske, de oogen ten gronde.
--Hèt-e gij dat amoal uit ou eigen gedoan?
--Joajik, schuchterde Fonske.
--Hoe heet-e gij?
--Fonske.
--Fonske wie?
--Fonske Vermoare.
--Van woar zij-de?
--Van Meulegem.
--Hèt-e nog meer van die schilderijtjes?
Fonske knikte.
--Hoevele nog wel?
--'n Stik of zeven of achte.
--Woar zijn ze?
--Thuis.
--Keunt-e ze mij nie ne keer teugen?
Fonske zweeg, wist niets te antwoorden.
--Zoe-de ze morgen nie ne keer willen meebrijngen?
Fonske knikte.
--En zoe 'k dit nou ne keer meugen meenemen, om aan mijne meester te
loate zien?
Fonske knikte. Hij knikte herhaaldelijk en zijn benauwd gezichtje
scheen weer op te leven.
Opnieuw wisselde het jong meisje vlug eenige woorden in een vreemde
taal met haar gouvernante, aan wie ze 't schilderij overhandigde. De
gouvernante tastte in een zakje, dat zij aan den arm droeg, haalde
er een zilverstukje uit, stak het Fonske toe.
--O nie nie, ieffreiwe, schudde Fonske doodsverlegen het hoofd.
--Toe toe, ge moet! drong het kasteelmeisje aan. En Fonske
gehoorzaamde.
--Tot morgen, nie woar, hier aan dezelfde ure, mee al 't geen da ge
geschilderd hèt! 'K zal vroagen of de miester meekomt, riep ze nog
onder het weggaan.
En Fonske knikte sprakeloos-toestemmend.
Hij zag ze vertrekken. De gouvernante, in 't groen gekleed, droeg zijn
schilderij onder den arm. En mejonkvrouw Elvire, gansch in 't wit,
de losse bruine haren glanzend-golvend onder den bloemenhoed over haar
schouders, had den vrijen arm der gouvernante vastgegrepen en scheen
te jubelen en te juichen, alsof haar een buitengewoon groot pleizier
was overkomen. Zij gingen naar 't kasteel van den baron toe, slank
als twee jeugdige, slank-stengelige bloemen: een groene en een witte,
in de weelde-harmonie van 't zomerlandschap. En Fonske, roerloos op
den grasrand, in de schaduw der zacht-suizelende populieren, begreep
vagelijk, dat er iets gewichtigs in zijn leven was gebeurd, zonder
dat hij ook kon voorgevoelen of het iets goeds of iets ongunstigs was
voor hem. Alleen dìt voelde hij: dat een van de almachtige kasteelen,
die daar al de menschen en de gansche streek beheerschten, zich iets
van zijn levenslot had aangetrokken, en er mee doen kon wat het wilde.
De andere koewachtertjes, die van verre de ontmoeting zagen, hadden hun
spelen gestaakt en wachtten, roerloos in een groepje, tot de jonkvrouw
met haar gouvernante onder de hooge boomen van 't kasteel verdwenen
was. Toen namen zij allen te gelijk hun aanloop en bestormden Fonske
met hartstochtelijke vragen.