Er waren in 't geheel zeven koewachtertjes, en onder die zeven was
er een, zeer verschillend van de anderen.
Dat was Fonske, het koeiertje van boer Monteyne.
Hij was elf jaar oud en had een eigenaardig snoetje, mager, stil
en schuchter, met kleine, weemoedige oogjes. Hij deed niet mee aan
't ruwe vogelnesten-rooven noch aan 't wreede kikkers-villen, maar
in zijn lange, vrije uren zat hij graag alleen onder het lommer van
de populieren en krabbelde daar teekeningjes, met een potlood op een
stuk papier. Hij teekende de koeien uit, hij teekende de boomen, den
ouden molen en de twee kasteelen; hij probeerde zelfs zijn kameraadjes
uit te teekenen, als deze maar even voor hem wilden stilzitten.
Maar dit was moeilijk te verkrijgen. De andere koewachtertjes
lachten hem uit met zijn teekenmanie en beschouwden hem zoowat
als een half-onnoozele suffer. Zij kwamen gekscherend om hem staan,
duwden elkaar in de zij, hadden dolle pret bij iedere spot-bemerking,
die de een of ander waagde. Toch molesteerden zij hem niet bepaald;
en naarmate Fonske handiger werd in zijn oefeningen, ontwaakte zelfs
een zekere belangstelling bij hen en vonden zij er een opgewekt
genoegen in de voorwerpen, beesten of wezens die Fonske geteekend
had naar de werkelijkheid te herkennen. Met den molen, 't kasteel van
meneer den baron of 't kasteel van meneer den graaf gaf dat natuurlijk
geen moeite; maar toen zij op een middag duidelijk Blesse herkenden,
die altijd vóór de anderen in 't water ging, en, naast Blesse, al
zoo duidelijk herkenbaar, Rietje Koarelkes, die er met zijn zweep
achterna zat, toen voelden zij voor 't eerst een soort ontzag voor
Fonske en was het als om strijd dat zij nu allen hun portret door
hem wilden laten maken.
Erger nog was het, toen Fonske eens met een kleurendoosje,--een
zoogenaamd "virfbaksken"--, dat hij in een winkeltje van 't dorp
gekocht had, kwam aanzetten, en me daar waarachtig, als een echte
schilder, zijn teekeningen begon te kleuren. Nu gold het heelemaal geen
lachen of spotten meer: de wei werd prachtig groen, de hemel glanzend
blauw en op zijn heuvel stond het rood-gewiekte molentje te draaien,
terwijl 't kasteel van den baron zóó duidelijk onder zijn hooge
boomen uitkwam, dat men iedere deur en ieder raam en in ieder raam elk
vensterruitje kon tellen. Ook Rietje Koarelkes en zijn Blesse werden
gekleurd; en dàt meesterstuk vestigde wel beslist Fonske's roem onder
de koewachtertjes: Rietje had een scheel oog en veel gele sproeten in
't gezicht, die er allemaal op gestippeld stonden; en de bruine en
witte vlekken op Blesse's huid waren precies uitgemeten en uitgerekend,
terwijl haar linker horen, een weinig afgeknot, juist zooveel korter
en stomper op de schilderij leek als dat in werkelijkheid het geval
was. Alle handen te gelijk strekten zich gretig naar de schilderijtjes
uit, al de koewachtertjes smeekten om die te mogen hebben; en Fonske,
die Rietje Koarelkes 't zijne cadeau gaf, beloofde ook aan al de
andere makkertjes hun schilderij te zullen maken.