II.

Aan dat leven-van-Meulegem konden slechts dezen ontsnappen, welke er

zich van verwijderden, en daartoe behoorden de jonge koewachtertjes,

die den ganschen dag met hun beesten in de vrije weide waren.

De koeien graasden rustig alom in het groen, en van verre waren 't

als groote, langzaam zich groepeerende en voortbewegende bloemen, nu

eens helder verlicht in de zon, dan weer verkleurloosd en verwazigd,

wanneer wolken-schaduwen zich wijd over de wei uitspreidden. Als

groote, witte schepen dreven die wolken in de blauwe lucht. Van

hoog en verre kwamen zij uit het azuren zuiden aangewaaid en 't

was alsof enorme grauwe zeilen meteen over de groene weiland-zee

neerstreken. Het gras werd dof, de boomen versomberden, de koetjes

smolten weg in nevelgrijs. Maar ginds laag aan den einder tintelde

weldra een goudzoom op, het werd een vlek, een plas, een meer, een

oceaan van goud; de logge, grauwe wolkenzeilen schenen er, als bang,

voor weg te vluchten, de even uitgewischte koetjes fleurden opnieuw

als eigenaardige, groote bloemen op en spoedig was 't weer alles licht

en leven, wijd over het blijde, groene zomerland, onder den wijden,

blijden, blauwen hemel.

In de koele schaduw, onder het zacht wuivend en suizend bladerengewelf

van een trosje hooge populieren, die daar als een eilandje van veilige

gezelligheid, midden in de uitgestrekte weilanden tusschen de twee

kasteelen stonden, speelden de jonge koewachtertjes een groot gedeelte

van den dag allerlei koewachtersspelletjes, slechts met verstrooide

oogen wakend op hun wijze, kalme beesten, die aldoor, áldoor graasden

en hun waakzaamheid bijna niet noodig hadden.

Zij klauterden in de populieren en roofden er de vogelnesten;

zij liepen in de wei en vingen er kikkers, die zij dan vilden en

in houtvuur lieten braden; of zij speelden gewoon met knikkers en

dobbelden om centen, wat wel eens gekrakeel en ruzie gaf. 't Was soms

net een bende jonge spreeuwen, die zich kwetterend en kwebbelend

ergens laat neervallen. Andermalen, bij mooi, warm weer, als er

niemand van de kasteelbewoners in aantocht was, kleedden zij zich

spiernaakt uit en gingen zwemmen in de rivier, en dikwijls zongen

zij hun jubelend opgalmend "alahoe! alahoe!" onder het luid klappen

met hun "dzjakken." Hun eten en drinken hadden zij in een zakje en

een kruikje met zich mee en feitelijk bestond hun eenige ernstige

en verantwoordelijke taak in het dagelijks heen en weer loodsen der

koeien, die 's ochtends en 's avonds moesten overzwemmen, bij den

overzet van 't dorpje.

Dat was telkens een druk-levendig gedoe en 't ging gepaard met heel

wat zweepgeklap en schrille kreten. Ze konden ook zoo teuten, die

koeien, voornamelijk bij het terugkeeren. Altijd hadden zij nog op

't laatste oogenblik wat langs den oever op te knabbelen, terwijl ze

toch den ganschen dag niets anders deden dan zich dik grazen. Ware 't

niet geweest dat Blesse, boer Galle's wijze, bonte koe, toch eindelijk

het goede voorbeeld gaf, nooit waren zij erover gekomen. Want eerst

nadat Blesse met een weerspannig gebulk 't water was ingegaan,

wilden de andere, allen te gelijk dan, volgen. De koewachtertjes

dreven met het overzetbootje mee over, en van daaruit schreeuwden en

zweepklapten zij naar hun zwemmende beesten: "Bloare, gie deugeniete,

wilt-e ne kier op ou ploatse blijven! Sterre, gie vuilkonte, goat ou

muil hêwen!" tot zij er mee aan den overkant kwamen, waar de troep

dan moest gescheiden worden. Er waren steeds enkele achterblijvers, de

koewachtertjes gilden zich heesch en gooiden er naar met aardkluiten,

maar eindelijk zwommen ook de laatsten over, het zware lijf gansch

onder, den snuivenden snoet boven 't water, de oogen wreed blikkerend,

de horens als twee scherpe, dorre takken uit de kolken opgeprikt. 't

Bootje werd tot den volgenden ochtend vastgemeerd en met hun druipende

beesten vertrokken de koewachtertjes zingend, roepend, fluitend en

zweepklappend, elk naar zijn afzonderlijke hoeve.

Van hoog en laag Het eerste levensboek · 第 7 / 28 题