I.

Het kasteel van "meneer den b'ron" stond boven op een mooi-begroeiden

heuvel, vlak tegenover het kasteel van "meneer de groave" dat zich

insgelijks verhief boven op een mooi-begroeiden heuvel. Daaronder

en daartusschen lag het dal, met het dorpje en de zacht door groene

weilanden heen kronkelende rivier.

Het kasteel van "meneer de groave" was grooter en grootscher dan

het kasteel van "meneer den b'ron". Het had ouderwetsche koepels en

torens met kanteelen en spiegelde zijn statige schoonheid in een der

breede bochten van het stille water. Maar het minder grandioos kasteel

van "meneer den b'ron" was toch pittoresker gelegen: het heuveltje

waarop het stond was ietwat hooger dan de andere heuvel; het zicht

van daar uit ontvouwde zich ruimer en mooier over de gansche streek;

en vrij dicht bij, als 't ware er bij behoorend, stond een oude, oude,

houten molen: een molen uit de middeleeuwen, gansch grijs en gansch

verweerd, en die bij gunstig weer nog werkte, als een aartsvader die

zijn knokkelige ledematen in beweging houdt om frisch te blijven.

Daaronder lag het dorpje, en 't heette "Meulegem". Heel héél oude

papieren, die vergeeld en half vergaan lagen op den zolder van 't

gemeentehuis getuigden ervan, dat de molen al lange jaren bestond vóór

het dorpje, waaraan hij zijn naam had gegeven. De huizen, het kerkje,

de kasteelen, dat was alles veel later gekomen. Maar de bewoners

wisten daar niets of slechts weinig van af. Meulegem veranderde niet:

wat hun ouders en hun voorouders gekend hadden bestond nog als vroeger

en niets noemenswaard was er ooit bijgekomen. 't Leek wel of Meulegem

zoo ineens, op één dag, kant en klaar was neergezet en voorbestemd

om altijd zoo te blijven.

Er was maar één straat. Zij kwam, als steenweg, kronkelend uit de

velden en de bosschen en werd eerst dorpskom tusschen twee herbergen:

het "Vosken" en de "Nachtegaal". Het Vosken en de Nachtegaal waren als

twee vooruitgeschoven posten, die, elk op zijn manier, sprekend door

hun uithangbord, den vreemden bezoeker begroetten. De bruingekleurde

vos met zijn enormen staart en schittervalsche oogen, scheen je toe

te roepen "Pas op, 't is hier niet pluis!" Maar de nachtegaal, die

kweelend, met fijn, open bekje op een larixboompje zat geschilderd,

deed duidelijk zijn best om den ongunstigen indruk van zijn overbuurman

uit te wisschen en zong den vreemdeling zoet-streelend toe: "Kom maar

gerust, het is hier aller-liefelijkst."

En de nachtegaal had gelijk. Rechts en links vertoonden zich weldra

pittoreske huisjes, met bloementuintjes langs de lichtgekleurde

geveltjes: hier een klein boerderijtje, lachend in de zon, daar

een oud geveltje met overhangend stroodak en gekleurde luikjes: en

zoo geraakte men tot aan de kleine dorpplaats, die eigenlijk niets

anders was dan een verbreeding van den straatweg: het witgekalkt,

ouderwetsch kerkje met zijn kerkhof, enkele winkeltjes en herbergjes,

een popperig gemeentehuisje, een nog al mooie pastorie, en daarachter

't park en het kasteel van den "b'ron" en den ouden, houten molen op

den liefelijk-begroeiden heuvel. Even voorbij de kerk ontrolde zich

een prachtig vergezicht van weiland en rivier, met als achtergrond

het kasteel van meneer de "groave". En 't was alsof de twee mooie

buitens, met hun uitgestrekte tuinen ieder op een heuvel, elkaar als

twee bezielde, solidaire wezens over die wijde ruimte aankeken.

Soms zei de baron tot den graaf: "Wat staat je kasteel daar toch mooi,

met zijn koepels en torens en boomen weerspiegeld in 't water!" Maar

de graaf kon niet anders dan antwoorden: "Je weet niet hoe poëtisch

en hoe schilderachtig dat oud molentje daar boven 't kerkje op zijn

heuvel staat te draaien!"

De graaf en de baron kenden elkaar om zoo te zeggen sinds zij op

de wereld kwamen en hun beide familiën waren intiem met elkander

bevriend. Vóór het kasteel van den graaf lag aan beide oevers der

rivier een schuitje, en daarmee staken de familiën over om elkaar

te bezoeken en gingen verder te voet door de weiden. De graaf had

een dochter en de baron had een zoon, en samen speelden zij veel

spelletjes waarvoor twee kinderen noodig waren.

De graaf en de baron waren de machtig-rijke, maar niet hardvochtige

heerschers over 't nederig dorpje. Alles was van hen: de landen, de

boerderijen, de huizen; doch zij waren geen tyrannen: zij heerschten

rustig en beschermend zelfs, tevreden als alles goed ging in de

gemeente en niemand hen dwarsboomde.

Alles ging goed wanneer eenieder bijtijds zijn pachten betaalde, geen

politieken strijd in 't dorp verwekte, geregeld naar de kerk ging en

verder aan beide voorname families den noodigen eerbied bewees. De

baron was burgemeester der gemeente, omdat hij meer verstand had van

bestuurszaken dan de graaf, maar ware de baron dat niet geweest, dan

zou de graaf het wel geworden zijn, omdat het nu eenmaal wenschelijk

is, dat òf een graaf, òf een baron, als die er zijn, deze waardigheid

op een dorp bekleedt.

De menschen leefden klein en nederig, maar niet ongelukkig, onder die

heerschappij, en als het ware in de schaduw van de twee regeerende

kasteelen. Misschien hadden zij wel, diep in hun binnenste, een

vagen drang naar meer vrijheid; misschien voelden zij, onbewust,

een benauwende drukking, welke uitging van die machtige kasteelen en

kregen zij ook wel den indruk, dat men ruimer ademde in dorpen waar

er geen kasteelen waren; maar dat uitte zich toch nooit in klachten

of verzuchtingen, dat lag stil in hen, als iets dat bij hun leven

hoorde en niet kon veranderd worden. Feitelijk was er op Meulegem

een andere atmosfeer en zagen de menschen er ook anders uit, dan

in dorpen die geen kasteelen hadden. Het was als iets onzichtbaars

en toch alomtegenwoordigs, dat in voortdurende drukking over alles

hing. De brouwer, de stoker, de steenkoolhandelaar en kruidenier

waren er andere menschen dan hun confraters uit 't omliggende. De

dorpsschoolmeester was een ander mensch en ook de gemeente-secretaris

was een ander mensch. Zelfs de kleine kinderen waren anders. Het

uitgaan van de school te Meulegem was verschillend met het uitgaan

van de school in andere dorpen; en iets wat de gansche bevolking

kenmerkte en algemeen bekend was in den omtrek, was dat zij allen,

jong en oud, er eenigszins gebogen liepen, alsof een last hen op de

schouders drukte. Het was spreekwoordelijk in de streek: wanneer iemand

zich niet goed recht hield, zei men, ietwat geringschattend-spottend:

--Komt ge misschien van Meulegem?

En de eenige, behalve de leden der twee adellijke families, die daar

niet van Meulegem kwam, was meneer de pastoor, die er glunderde en

tierde en regeerde, één met den graaf en den baron, de geestelijke

almacht naast en zelfs boven de wereldlijke, want èn de graaf, èn de

baron behandelden hem als een gelijke en wel eens als een meerdere,

die altijd met hen samenwerkte tot het vast-onwankelbaar instandhouden

van wat door lange jaren van overgeleverde traditie "het" leven zelf

van Meulegem geworden was.

Van hoog en laag Het eerste levensboek · 第 6 / 28 题