Het kasteel van "meneer den b'ron" stond boven op een mooi-begroeiden
heuvel, vlak tegenover het kasteel van "meneer de groave" dat zich
insgelijks verhief boven op een mooi-begroeiden heuvel. Daaronder
en daartusschen lag het dal, met het dorpje en de zacht door groene
weilanden heen kronkelende rivier.
Het kasteel van "meneer de groave" was grooter en grootscher dan
het kasteel van "meneer den b'ron". Het had ouderwetsche koepels en
torens met kanteelen en spiegelde zijn statige schoonheid in een der
breede bochten van het stille water. Maar het minder grandioos kasteel
van "meneer den b'ron" was toch pittoresker gelegen: het heuveltje
waarop het stond was ietwat hooger dan de andere heuvel; het zicht
van daar uit ontvouwde zich ruimer en mooier over de gansche streek;
en vrij dicht bij, als 't ware er bij behoorend, stond een oude, oude,
houten molen: een molen uit de middeleeuwen, gansch grijs en gansch
verweerd, en die bij gunstig weer nog werkte, als een aartsvader die
zijn knokkelige ledematen in beweging houdt om frisch te blijven.
Daaronder lag het dorpje, en 't heette "Meulegem". Heel héél oude
papieren, die vergeeld en half vergaan lagen op den zolder van 't
gemeentehuis getuigden ervan, dat de molen al lange jaren bestond vóór
het dorpje, waaraan hij zijn naam had gegeven. De huizen, het kerkje,
de kasteelen, dat was alles veel later gekomen. Maar de bewoners
wisten daar niets of slechts weinig van af. Meulegem veranderde niet:
wat hun ouders en hun voorouders gekend hadden bestond nog als vroeger
en niets noemenswaard was er ooit bijgekomen. 't Leek wel of Meulegem
zoo ineens, op één dag, kant en klaar was neergezet en voorbestemd
om altijd zoo te blijven.
Er was maar één straat. Zij kwam, als steenweg, kronkelend uit de
velden en de bosschen en werd eerst dorpskom tusschen twee herbergen:
het "Vosken" en de "Nachtegaal". Het Vosken en de Nachtegaal waren als
twee vooruitgeschoven posten, die, elk op zijn manier, sprekend door
hun uithangbord, den vreemden bezoeker begroetten. De bruingekleurde
vos met zijn enormen staart en schittervalsche oogen, scheen je toe
te roepen "Pas op, 't is hier niet pluis!" Maar de nachtegaal, die
kweelend, met fijn, open bekje op een larixboompje zat geschilderd,
deed duidelijk zijn best om den ongunstigen indruk van zijn overbuurman
uit te wisschen en zong den vreemdeling zoet-streelend toe: "Kom maar
gerust, het is hier aller-liefelijkst."
En de nachtegaal had gelijk. Rechts en links vertoonden zich weldra
pittoreske huisjes, met bloementuintjes langs de lichtgekleurde
geveltjes: hier een klein boerderijtje, lachend in de zon, daar
een oud geveltje met overhangend stroodak en gekleurde luikjes: en
zoo geraakte men tot aan de kleine dorpplaats, die eigenlijk niets
anders was dan een verbreeding van den straatweg: het witgekalkt,
ouderwetsch kerkje met zijn kerkhof, enkele winkeltjes en herbergjes,
een popperig gemeentehuisje, een nog al mooie pastorie, en daarachter
't park en het kasteel van den "b'ron" en den ouden, houten molen op
den liefelijk-begroeiden heuvel. Even voorbij de kerk ontrolde zich
een prachtig vergezicht van weiland en rivier, met als achtergrond
het kasteel van meneer de "groave". En 't was alsof de twee mooie
buitens, met hun uitgestrekte tuinen ieder op een heuvel, elkaar als
twee bezielde, solidaire wezens over die wijde ruimte aankeken.
Soms zei de baron tot den graaf: "Wat staat je kasteel daar toch mooi,
met zijn koepels en torens en boomen weerspiegeld in 't water!" Maar
de graaf kon niet anders dan antwoorden: "Je weet niet hoe poëtisch
en hoe schilderachtig dat oud molentje daar boven 't kerkje op zijn
heuvel staat te draaien!"
De graaf en de baron kenden elkaar om zoo te zeggen sinds zij op
de wereld kwamen en hun beide familiën waren intiem met elkander
bevriend. Vóór het kasteel van den graaf lag aan beide oevers der
rivier een schuitje, en daarmee staken de familiën over om elkaar
te bezoeken en gingen verder te voet door de weiden. De graaf had
een dochter en de baron had een zoon, en samen speelden zij veel
spelletjes waarvoor twee kinderen noodig waren.
De graaf en de baron waren de machtig-rijke, maar niet hardvochtige
heerschers over 't nederig dorpje. Alles was van hen: de landen, de
boerderijen, de huizen; doch zij waren geen tyrannen: zij heerschten
rustig en beschermend zelfs, tevreden als alles goed ging in de
gemeente en niemand hen dwarsboomde.
Alles ging goed wanneer eenieder bijtijds zijn pachten betaalde, geen
politieken strijd in 't dorp verwekte, geregeld naar de kerk ging en
verder aan beide voorname families den noodigen eerbied bewees. De
baron was burgemeester der gemeente, omdat hij meer verstand had van
bestuurszaken dan de graaf, maar ware de baron dat niet geweest, dan
zou de graaf het wel geworden zijn, omdat het nu eenmaal wenschelijk
is, dat òf een graaf, òf een baron, als die er zijn, deze waardigheid
op een dorp bekleedt.
De menschen leefden klein en nederig, maar niet ongelukkig, onder die
heerschappij, en als het ware in de schaduw van de twee regeerende
kasteelen. Misschien hadden zij wel, diep in hun binnenste, een
vagen drang naar meer vrijheid; misschien voelden zij, onbewust,
een benauwende drukking, welke uitging van die machtige kasteelen en
kregen zij ook wel den indruk, dat men ruimer ademde in dorpen waar
er geen kasteelen waren; maar dat uitte zich toch nooit in klachten
of verzuchtingen, dat lag stil in hen, als iets dat bij hun leven
hoorde en niet kon veranderd worden. Feitelijk was er op Meulegem
een andere atmosfeer en zagen de menschen er ook anders uit, dan
in dorpen die geen kasteelen hadden. Het was als iets onzichtbaars
en toch alomtegenwoordigs, dat in voortdurende drukking over alles
hing. De brouwer, de stoker, de steenkoolhandelaar en kruidenier
waren er andere menschen dan hun confraters uit 't omliggende. De
dorpsschoolmeester was een ander mensch en ook de gemeente-secretaris
was een ander mensch. Zelfs de kleine kinderen waren anders. Het
uitgaan van de school te Meulegem was verschillend met het uitgaan
van de school in andere dorpen; en iets wat de gansche bevolking
kenmerkte en algemeen bekend was in den omtrek, was dat zij allen,
jong en oud, er eenigszins gebogen liepen, alsof een last hen op de
schouders drukte. Het was spreekwoordelijk in de streek: wanneer iemand
zich niet goed recht hield, zei men, ietwat geringschattend-spottend:
--Komt ge misschien van Meulegem?
En de eenige, behalve de leden der twee adellijke families, die daar
niet van Meulegem kwam, was meneer de pastoor, die er glunderde en
tierde en regeerde, één met den graaf en den baron, de geestelijke
almacht naast en zelfs boven de wereldlijke, want èn de graaf, èn de
baron behandelden hem als een gelijke en wel eens als een meerdere,
die altijd met hen samenwerkte tot het vast-onwankelbaar instandhouden
van wat door lange jaren van overgeleverde traditie "het" leven zelf
van Meulegem geworden was.