aflegt, snel dan tot mij. Hier zal ik op u wachten en u uw
beschermeling door Boeddha’s goedheid teruggeven.
„Ga heen met den zegen van het licht. Gij zijt een uitverkorene. Haast
u nu en keer terug, zooals ik u zeide!”
John Raffles boog diep voor den machtigen priester en legde eenige
rollen goudstukken op den steenen vloer.
Daarop ging hij langs denzelfden weg terug.
De gasten van het theehuis keken hem weer met blikken vol haat aan. Hij
besteeg zijn paard en keerde naar de stad terug.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
EEN SCHOT.
Zware, sleepende voetstappen naderden de kamer, waarin Anitai zich
bevond.
De met goud gestikte gordijnen werden op zij geschoven door een magere
hand en een kleine man met roofvogelachtige, maar slaperige
gelaatsuitdrukking trad het vertrek binnen.
Het was prins Tuan, de keizerlijke tyran.
Langzaam en traag sloop hij naar de slaapster, langzaam hief hij de
oogleden op. Maar wat hij zag, maakte een eind aan zijn slaperigheid.
Het oude bloed stroomde sneller door zijn aderen en verwarmde zijn
hart.
Anitai voelde zijn blikken, onrustig bewoog zij het hoofd heen en weer,
zuchtte en werd wakker.
Verbaasd en verlegen keek zij naar den ouden man met zijn grijze
haarvlecht en schrikte van zijn leelijk uiterlijk.
Prins Tuan vatte haar hand.
Maar zij stiet hem terug en richtte zich op.
„Wie zijt gij? Wat wilt gij? Ga weg, ik wil naar huis!” riep zij op
angstigen toen.
De prins glimlachte en sprak op vriendelijken toon:
„Gij zijt thuis en ik kan niet heengaan, want ik ben bij jou thuis. Ik
ben de keizerlijke prins Tuan en jouw slaaf.”
„In het keizerlijk paleis ben ik? Je bent een schurk, want je liegt.
Een keizerlijk prins rooft niet!” antwoordde Anitai, hem met vonkelende
oogen aanziende.
Kwo-Saing, die naderbij geslopen was om te luisteren, verdraaide zijn
oogen en veegde zich het angstzweet van het voorhoofd.
De prins echter amuseerde zich over de openhartigheid. Het meisje bezat
werkelijk de gave om zijn verveling te verdrijven.
„Zeg mij, waar ik ben, of de straf van Boeddha zal je treffen, als je
liegt!” dreigde de kleine, van den divan opspringend.
„Bij mij ben je, bij den broeder van de zon en de maan,” antwoordde
prins Tuan, „en bij mij zal je blijven, roos van Peking en heerscheres
worden. Een koningin van de zon. Want je bent schoon als de zon. Kijk,
mijn kostbare bloem van Paiho, hoe bevalt je dat?”
Hij haalde een met goud beslagen étui uit zijn kleed te voorschijn en
gaf het Anitai.
Als verblind staarde het meisje op kostbare, schitterende en vonkelende
edelsteenen, die in heerlijke kleuren, als een vuurwerk, straalden.
„Gij zijt dus toch de keizerlijke prins? Ik geloof het. Maar gij zijt
oud en leelijk en mijn heer, de Engelsche mandarijn, is jong en schoon,
al is hij ook niet zoo rijk en machtig als gij zijt. Ik tooi mij veel
liever met geurige bloemen.”
De luisterende Kwo-Saing wentelde zich van schrik op den grond. Hij
dacht, dat nu prins Tuan in de handen zou klappen, dat de eunuchen
zouden komen om Anitai naar het roode blok in den zwarten toren te
sleepen.
Hij zelf zou het zijden koord om den hals krijgen.
Hij geloofde zijn ooren niet, toen hij den prins op goedigen toon
hoorde zeggen:
„Roos van Peking, ik wil je de kostbaarste bloemen bezorgen, als ik je
handen mag kussen. Ik zal de keizerin, de vertegenwoordigster van
moeder aarde, roepen, opdat zij je ziet en je zegent!”
„De keizerin?” riep Anitai rillend. „In Peking zegt men, dat zij wreed
en tyranniek is. De dood en martelingen zijn haar vrienden en zij
mishandelt de vrouwen van den keizer—en uw vrouwen.”
Opnieuw kromde Kwo-Saing zich van angst en weer lachte prins Tuan. Zoo
vroolijk was hij in jaren niet geweest. Openhartigheid was hem nieuw.
„Jou zal zij geen kwaad doen, roos van Peking, ik zweer het op mijn
keizerlijk woord. Morgen hoop ik weer van je schoonheid te genieten. De
zon zij met je!”
De prins ging heen. Het juweelenkastje echter liet hij achter.
Anitai wierp zich weenend op den divan. Zij smeekte alle goden om hulp
en bijstand.
Plotseling voelde haar hand de kleine revolver, die Raffles haar had
gegeven.
Daar trad de keizerin binnen, vergezeld door den opper-eunuch Li.
Waggelend—want de kleine omwonden voeten waren nauwelijks in staat om
het vette lichaam te dragen—naderde zij Anitai en wierp een blik vol
haat op de schoone mededingster. Zij had eenmaal prins Tuan bemind,
doch haatte hem nu. Slechts door haar sluwheid kon zij haar ware
gevoelens voor den prins verborgen houden.
„Wie ben je?” vroeg zij met harde stem.
„Ik heet Anitai, ben een wees en de slavin van een Engelschman,” luidde
het antwoord.
Een ironisch glimlachje vloog over het gelaat der keizerin.
„De witte duivels houden er geen slaven op na, je ben een domme gans!
Je behoort nu tot het huishouden van prins Tuan en moet aan al zijn
wenschen gehoorzamen.”
„Nooit” riep Anitai. „Liever dood ik mij zelf!”
„Je waagt het, ons te trotseeren? Weet je, wie ik ben?”
„Jawel!” riep het jonge meisje, „een vrouw zonder erbarmen of
medelijden. Men noemt u in Peking wreed en harteloos.”
De keizerin werd bleek van woede.
Zij was zeer fijngevoelig als iemand het durfde wagen om haar de
waarheid te zeggen.
„Ik zal je laten dooden! Geef haar zweepslagen!”
Met wijdgeopende oogen van angst staarde Anitai naar de dikke,
wanstaltige gedaante van den dienaar, die een leeren zweep uit zijn
rijkversierden gordel te voorschijn haalde en zich gereed maakte om
Anitai te slaan.
„Heb medelijden!” smeekte het jonge meisje. „Spaar mij!”
Met kracht viel een klap op haar schouders neer en ontlokte haar een
luiden gil van pijn.
„Sla haar opnieuw!” beval de keizerin. „De tong van deze slang zal aan
banden worden gelegd.
„Vooruit!”
Opnieuw hief de eunuch de zweep op.
Zonder te weten wat zij deed, haalde Anitai het wapen, dat Raffles haar
had gegeven, te voorschijn en drukte af met gesloten oogen, zonder te
weten waarop zij schoot.
Een knal weerklonk—een woeste gil volgde, daarop viel een lichaam met
dof geluid neer.—
Nu opende Anitai haar oogen en zag de keizerin op den grond liggen.
De opper-eunuch had van ontsteltenis de zweep laten vallen, hij riep
slaven en beval hen, de keizerin naar haar slaapvertrek te dragen.
Binnen een paar minuten was het vertrek, waarin Anitai zich bevond,
leeg. Niemand bekommerde zich om haar. Zij zat als wezenloos op den
divan en had nauwelijks de kracht om te denken.
Werktuigelijk speelde haar hand met het kleine wapen, dat, zonder dat
zij het wist, een groot woord had gesproken in de geschiedenis van
China.
Zij kon zich geen voorstelling maken over de gevolgen van hare
handeling.
Zij wist niet, dat de misdaad die zij had begaan, met den dood werd
gestraft.
Waarom sloeg men haar! Zij had niemand kwaad gedaan. Zij had recht zich
te verdedigen.
Hoe kwamen deze menschen er toe om haar in het paleis op te sluiten en
haar te willen dwingen prins Tuan lief te hebben?
Zij verafschuwde dien leelijken man.
Hij kwam haar voor als een griezelige vogelspin.
Daarop dacht zij aan Raffles, aan zijn fiere mannelijke schoonheid.
Zonder dat zij het wist beminde Anitai hem. Zij zou zich voor den
gehaten vreemden blanken duivel laten dooden. Haar gansche leven lang
wilde zij hem als een slavin dienen.
Zij zou er mee tevreden zijn als een hond op den drempel van zijn kamer
te mogen liggen.
Ook nu weer had zij hare redding aan hem te danken.
Glimlachend keek zij naar het wapen, dat hij haar had gegeven en zij
herhaalde de woorden die hij tot haar had gesproken:
„Wanneer men u aanvalt hebt ge het recht u te verdedigen. Niemand mag
zijn medemensen ongestraft kwaad doen.”
Liefkoozend gleden haar slanke vingers over den zilveren loop van de
revolver.
Daarop kuste zij het wapen en stak het in haar zak.
Droomerig staarde zij naar de deur. Daar ontwaarde zij het kistje met
de edelsteenen; zij nam eenige van de schitterende juweelen in haar
hand en speelde ermee.
Zoo verliep wel een kwartier, toen een geluid haar deed opkijken.
Zij hoorde, hoe een sleutel in het slot van een verborgen deur werd
gestoken en met een zacht geknars werd omgedraaid.
Angstig keek Anitai in de richting van het geluid.
Plotseling werd een deur in het behang geopend. Een koude luchtstroom
kwam het vertrek binnen en een man, gehuld in een wit golvend gewaad,
stond vóór haar.
„Schrik niet, dochter des Hemels. Ik zoek u om u te bevrijden. De
priesters van de zon zijn machtiger dan de keizer en zijn dienaren.
Volg mij, opdat ik u geleide.”
Als verdoofd door deze woorden, die haar de vrijheid beloofden, snelde
Anitai op den priester toe, keek hem in het goedige gelaat en stamelde
woorden van innige dankbaarheid.
Deze echter fluisterde haar toe:
„Spreek zacht. De vreemde mandarijn wacht u in onzen tempel. Den
priesters der zon blijft niets verborgen, vraag niet verder, volg mij!”
Gebiedend strekte de priester de hand uit en wees op de deur.
Anitai snelde er heen.
De priester echter legde midden in het vertrek een eigenaardigen
zwarten steen neer, waarop met gouden letters geschreven stond: „De
Zon!”
Daarop ontstak hij poeder, dat met een scherpe, doordringende lucht het
vertrek vulde, ging naar de deur, sloot deze zorgvuldig achter zich
dicht, ontstak een kleine kaars en ging de innig-verheugde Anitai voor
als gids door vele donkere lange gangen.
De weg kwam de vluchtelinge eindeloos voor, de tocht duurde wel twee
uur.
Eindelijk werd het al lichter en lichter om hen heen, en nadat de
priester een deur had ontsloten, stond Anitai in de zonnige ruimte van
een kleinen tempel.
Als verblind sloot ze haar oogen.
Zij hoorde hoe de priester sprak:
„Gij zijt gered. Sluier uw gelaat, want gij staat in de stralen van de
grootste aller koninginnen, de zon.”
Daarop werd zij voor den tempel gebracht en met een luiden vreugdekreet
snelde zij naar Raffles, die met een draagstoel op haar wachtte.
Eenige uren later bevond Anitai zich weer in het rustige huis van den
goudsmid Huen-Schang en vertelde Raffles, nadat zij haar groote
ontroering in een stroom van tranen had lucht gegeven, het vreeselijke
avontuur, dat zij met de keizerin had beleefd.
Met de grootste belangstelling luisterde Lord Lister naar haar verhaal.
Hij kon nauwelijks afwachten, dat zij had uitgesproken, en opnieuw
moest zij zich gereed maken om uit te gaan. In een riksa, die Raffles
veel te langzaam ging, spoedde hij zich naar het paleis van prins Thun.
Vol verbazing keek deze naar den grooten onbekende, die met het jonge
meisje bij hem kwam, en volgens Chineesch gebruik wilde hij een ontbijt
aanbieden.
Maar Lord Lister bedankte hiervoor.
„Het is nu geen geschikte tijd, prins Thun, om ons met beleefdheden op
te houden. Hoor, wat er gebeurd is. Het toeval heeft Anitai, de zuster
van den ongelukkigen Win-Seng, als werktuig der wraak uitverkoren.
„De keizerin is door haar hand gevallen.”
Prins Thun dacht, dat Raffles krankzinnig was geworden. Hij hield van
verbazing den adem in.
John Raffles zag de uitwerking, die zijn woorden hadden teweeggebracht,
en herhaalde:
„Ik spreek de zuivere waarheid, Prins Thun, de keizerin is
doodgeschoten!”
Nog steeds kon de Prins deze woorden niet gelooven.
Daar trad een keizerlijke bode binnen en berichtte, dat de audiëntie,
die de keizerin den prins dien middag zou toestaan, ten gevolge van
plotselinge ziekte der keizerin, niet kon plaats vinden.
Raffles en de prins wisselden een snellen blik.
„Als het waar is, wat gij mij hebt medegedeeld, dan hebt gij er het
grootste aandeel aan, als ik den keizerstroon bestijg”, sprak prins
Thun, „want gij hebt dit meisje uit de handen van den schurk Kwo-Saing
gered en zij is daardoor de kleine oorzaak geworden, die zulke groote
gevolgen had.
„Ik zal haar nu naar mijn gemalin brengen, daar is zij veilig. Daarna
verzoek ik u, met mij in het paleis der keizerin te gaan.”
Hij ging met Anitai en Raffles naar de vrouwenvertrekken en gaf het
jonge meisje aan de hoede zijner echtgenoote over.
Met tact zorgde hij ervoor, dat Anitai niets van Win-Seng te zien
kreeg. Hij had den ongelukkige eene woning aangewezen in het afgelegen
gedeelte van het paleis.
Nu begaf hij zich met Raffles naar de verboden stad.
Slechts bij groote plechtigheden is het den Europeanen veroorloofd een
deel der verboden stad, zooals het reusachtige paleis wordt genoemd, te
betreden.
Geen enkele Europeaan heeft nog ooit zijn voet in het inwendige van dit
gebouw gezet. Zoo was Raffles de eerste, die onder geleide van den
prins het paleis mocht binnengaan.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
BIJ DEN OPPER-EUNUCH.
De verboden stad is eigenlijk geen aaneengesloten complex van gebouwen,
maar wordt gevormd door dozijnen grillige bouwwerken en sierlijke
paleizen.
Een torenhooge muur omsloot haar aan alle kanten en honderden gewapende
soldaten beletten iederen vreemdeling er binnen te dringen.
Achter den muur strekten zich groote, prachtvolle tuinen uit en bijna
in het midden van het schoone park verhief zich het kleine paleis, dat
de keizerin bewoonde.
De wachters van het paleis beletten hun het verdere binnendringen, toen
zij de inwendige gebouwen naderden.
„Ik wensch den opper-eunuch Li te spreken,” sprak prins Thun.
Hij moest bijna een half uur wachten alvorens de almachtige
vertegenwoordiger der keizerin verscheen.
Met een onderdanigen glimlach begroette hij den prins en vroeg naar
diens verlangen.
„Men heeft mij een zeer gewichtige audiëntie afgezegd,” begon prins
Thun, „ik moet de keizerin beslist spreken.”
„Het spijt mij zeer,” luidde het antwoord van den opper-eunuch, „doch
de keizerin heeft bevolen, dat niemand haar mocht storen. U moet uw
verzoek schriftelijk indienen.”
Vergeefs zocht prins Thun en ook Raffles op het gelaat van den eunuch
een aanwijzing te vinden, dat er iets buitengewoons moest zijn gebeurd.
Reeds wilde prins Thun afscheid nemen, toen Raffles hem te hulp kwam.
Hij wendde zich tot den opper-eunuch en vroeg:
„Spreekt gij Engelsch?”
Li knikte bevestigend.
„All-right!” zei Raffles. „Dan zullen wij beide spoedig tot eenig
resultaat komen.
„Uit mijn woning is gisteren door een chef van politie in Peking, den
man, die veertig draken doodde, Kwo-Saing, een jong meisje geroofd, dat
aan mijn bijzondere hoede is toevertrouwd. Het is naar prins Tuan
gebracht en nu zou ik gaarne willen weten, wat gij mij omtrent het
gebeurde weet mee te deelen.”
De eunuch vertrok zijn gelaat tot een breeden lach en gaf ten antwoord:
„Ik bekommer mij niet om de privaat-aangelegenheden van prins Tuan.”
„Dat is een leugen!” kwam prins Thun tusschenbeide. „De harem van prins
Tuan staat onder uw hoede. Gij weet dus precies, wat daarin voorvalt.”
Nu verdween voor het eerst van het gelaat van den opper-eunuch de
gewone uitdrukking en een woedende blik, zooals een tijger op zijn
temmer werpt, trof den prins.
„Mij is niets bekend van een jong meisje, dat in den harem van prins
Tuan is gekomen,” zei de eunuch.
„Dat is wederom een leugen!” riep prins Thun op scherpen toon. „Maar
het zou immers ook een wonder zijn, wanneer zulk tuig eens de waarheid
sprak.”
Toen greep Raffles in zijn zak en haalde de revolver te voorschijn,
waarmee Anitai het noodlottige schot had toegebracht.
„Kent gij dit wapen?” vroeg hij en duwde het den opper-eunuch onder den
neus.
Onmiddellijk trad de man achteruit en werd doodsbleek. Zijn waterige
oogen wendden zich vol schrik naar het kleine wapen van den blanken
duivel.
Hij begon in te zien, dat hem het liegen niet meer hielp en zich aan de
voeten van den prins werpend, stamelde hij:
„Vergiffenis, keizerlijke heer! Ik zal u de waarheid vertellen. In den
harem van prins Tuan is gisternacht een vreeselijk ongeluk gebeurd. Een
vreemde, een geschenk van den politiechef Kwo-Saing, schoot met zulk
een wapen op de keizerin.”
Eenige minuten heerschte er een angstig stilzwijgen, daarop vroeg prins
Thun:
„Leeft de keizerin nog?”
„Ja!” antwoordde de opper-eunuch. „Maar ieder oogenblik is haar sterven
te verwachten.”
„Waar is de keizer?” vroeg prins Thun verder. „Heeft hij reeds bericht
gehad?”
„Neen,” gaf de opper-eunuch ten antwoord, „overeenkomstig het bevel van
de keizerin mochten wij hem niets mededeelen.”
„Het is goed”, met een koelen groet nam prins Thun afscheid en verliet
met Raffles het paleis.
Toen zij in den voor het paleis wachtenden draagstoel zaten en naar de
woning van den prins terugkeerden, sprak deze tot Raffles:
„Gij zijt een merkwaardig mensch. Ik zou u bijna voor een werktuig van
den Hemel houden. Gij hebt hier een verdorven dynastie omvergeworpen,
en misschien China een beter lot doen toekomen, dat wil zeggen, als het
mij gelukt prins Tuan voor te zijn en den keizer te redden.”
„Den keizer? Dreigt er gevaar voor hem?”
„Ja zeker, Lord Cheekman. Prins Tuan zal hem uit den weg willen ruimen
om den troon te bestijgen. Ik hoop maar, dat ik zijne plannen kan
verijdelen. Het Rijk zou anders een onmetelijk ongeluk te gemoet gaan.”
„Wat wilt ge doen, prins Thun, misschien kan ik u helpen?” vroeg de
Groote Onbekende.
Prins Thun dacht een oogenblik na en antwoordde toen:
„Wanneer het mij mocht gelukken, het testament van den overleden keizer
in handen te krijgen, dan was voor prins Tuan de kans verkeken. In dat
document werd hij uitdrukkelijk van elke troonsopvolging uitgesloten.”
„Waar ligt dat schriftuur?”
„In eene geheime kast van den opper-eunuch Li. Niemand, behalve hij
zelf, weet waar het verborgen is.”
„Ik zal het u bezorgen, prins Thun, ik mag gaarne dergelijke opdrachten
uitvoeren. Ik zal den troon van China voor u stelen.”
Prins Thun moest even lachen.
Deze woorden klonken te lachwekkend.
„Twijfelt gij aan mijn voornemen en de uitvoering er van, prins Thun?”
„Openhartig gesproken, ja,” gaf de prins ten antwoord, „dat kunststuk
zou zelfs de bij u in Londen zoo beroemde Raffles niet klaar spelen.”
„Wie weet,” antwoordde de Groote Onbekende, met een zeldzamen,
geheimzinnigen klemtoon op deze woorden.
NEGENDE HOOFDSTUK.
RAFFLES AAN HET WERK.
De keizerin-moeder, de heerscheres van China, was gestorven.
Aan haar doodsbed bevonden zich de opper-eunuch en prins Tuan.
Beiden spraken fluisterend met elkaar.
„De dood moet zoolang geheim worden gehouden, totdat de keizer zijn
moeder gevolgd is,” zei prins Tuan. „Begeef u nog heden naar den
onnoozele en maak hem duidelijk, dat het de wensch, neen het bevel van
zijn moeder is, dat hij zich doodt en haar volgt. Laat hem de keuze
tusschen den strop en het bladgoud. Morgenavond mag hij niet meer
leven. Mocht hij te laf zijn, help hem dan.”
„Hij zal het niet doen, Keizerlijke Hoogheid.”
„Leg hem zelf den strik om den hals en worg hem. Voordat prins Thun den
dood der keizerin verneemt, moet het gebeurd zijn, of wij hebben
verloren, want dan zal hij het regentschap overnemen en den
zwakhoofdige tegen ons beschermen. Wij hebben geen tijd te verliezen.”
„Neen, geen seconde, Keizerlijke Hoogheid. Prins Thun is omtrent alles
ingelicht.”
„Wat? Wie deelde hem dat mee?”
„Een Engelschman, een der vreemde blanke duivels! Boeddha moge hem
vernietigen!”
„Hoe weet de Engelschman het?”
„Hij bevrijdde het meisje, de slavin, die Kwo-Saing u zond, met behulp
van de priesters der zon.”
„Hoe heet die hond?”
„Lord Cheekman.”
„Woont?”
„Bij den goudsmid Huen-Schang, midden in de stad.”
„En leeft hij nog?”
Prins Tuan keek den opper-eunuch met minachting aan.
„Je wordt oud, Li, je laat onze vijanden in leven”.
Hij stampte op den grond van nijd.
„Vooruit, breng den hond in het paleis. Hij moet verdwijnen.”
„Hij is de vriend van prins Thun”, waagde de opper-eunuch tegen te
werpen.
„De hel moge Thun en zijne vrienden verslinden. Het geldt den troon. Li
wat talm je? Zend gewapende macht naar den Engelschman. Met prins Thun
zal ik wel afrekenen. Hij moet den Engelschman tot morgen volgen. Haast
je!”
Het was tegen middernacht, toen Raffles van de Engelsche Club naar huis
ging.
Toen hij zijne woning naderde, zag hij de straat vol gewapende macht.
Dadelijk bleef hij staan en trad, om zich rekenschap te geven van de
aanwezigheid der soldaten, in het volslagen donker voorportaal van een
huis.
Nu herkende hij, bij het onzeker licht van eenige lampions, zijnen
gastheer Huen-Schang geketend midden tusschen de gewapende macht.
Haastig overlegde hij, of hij te voorschijn zou komen om te vragen, wat
dat beduidde.
Opeens kwam Kwo-Saing, de chef van politie, dicht langs zijne
schuilplaats.
Raffles had al zooveel Chineesch geleerd, dat hij verstond, wat
Kwo-Saing zei.
Van uit zijn draagstoel onderhield hij zich met een naastbijzijnden
politie-beambte.
„De blanke duivel is nog niet thuis?”
„Neen, Excellentie, de soldaten verwachten hem elke minuut.”
Nu wist Raffles genoeg. De aanwezigheid der soldaten gold hem dus.
Geluidloos als een schaduw sloop hij uit zijne schuilplaats langs de
huizen en kwam in veiligheid.
Een half uur later vroeg hij binnengelaten te worden in het paleis van
prins Thun.
Op het groote binnenplein van het paleis stonden honderden soldaten
gereed. Niemand wist hier wat van.
Raffles schreed tusschen de lange rijen slapende krijgslieden door en
kwam bij prins Thun, die, nog wakker, met zijne vertrouwelingen op
berichten wachtte.
Toen de Groote Onbekende binnentrad, kwam er een vroolijke glimlach op
het ernstige gelaat van den troonopvolger.
Hij stak hem beide handen toe en sprak tot zijne vertrouwelingen:
„Deze man is het werktuig der Voorzienigheid voor het welzijn van China
geworden. Boeddha beschermt hem!”
De mandarijnen en generaals maakten na deze woorden een buiging voor
Raffles, dien zij met belangstelling opnamen.
„Wat brengt u voor berichten?” vroeg prins Thun.
Lord Lister wees naar een voornaam generaal en zei:
„Ik verzoek Uwe Keizerlijke Hoogheid, den generaal te bevelen mij zijn
uniform te leenen.”
Verbaasd keken de prins en de andere aanwezigen den spreker aan.
„Ik begrijp wel niet, welk doel gij beoogt, doch, daar ik aanneem dat
het voor mijn goede zaak is, verzoek ik generaal Fung-wo, u zijn
uniform af te staan.”
De generaal volgde Raffles naar een zijvertrek.
De Groote Onbekende had weinig tijd te verliezen. Hij had een dolzinnig
plan opgevat.
Slechts tien minuten verliepen, toen Raffles alweer op den prins
toetrad.
Maar deze herkende hem niet.
Was dat Raffles of generaal Fung-wo?
Met behulp van schmink en was had Lord Lister zijn gelaat zoo goed
veranderd, dat hij een dubbelganger leek van den generaal.
Toen prins Thun hem eindelijk herkende, slaakte hij een kreet van
verbazing.
Raffles lette er niet op.
Haastig nam hij afscheid en verliet het paleis.
Weer ging hij naar zijn woning.
Hij haalde verlicht adem, toen hij de soldaten nog wachtend zag staan.
Kwo-Saing, de dooder van de veertig draken, onderhield zich met de
officieren van den troep, toen Raffles naar hen toe stapte.
Diep bogen de aan slaafsche onderwerping gewende menschen voor de met
goud bestikte uniform.
„De keizer beveelt, mij te volgen.”
Dadelijk sprongen de soldaten overeind en stelden zich op. Niemand
waagde het naar het gebruikelijk schriftelijk bevel te vragen.
Gehoorzaam zette de colonne zich in beweging en volgde den Grooten
Onbekende naar het paleis van den keizer.
Zwijgend ging het voorwaarts. Geen woord werd er gesproken. Slechts de
officieren vroegen onderling, wie de generaal was, die voorop liep.
„Generaal Fung-wo”, fluisterde een van hen, „de vriend van den
vice-koning Li-hung-schang en van prins Thun.”
Kwang-Hsu, de ongelukkige keizer van China, zat in zijn klein vertrek
en speelde met looden soldaten.
Nu en dan kwam er een vermoeid glimlachje op het gelaat van den geheel
ontzenuwden, zwakhoofdigen man.
Slechts in naam was hij jarenlang de keizer van het machtige rijk
geweest, dat zijne moeder voor hem geregeerd had.
Hij wist misschien niet eens, welke gewichtige rol hij in de
wereldgeschiedenis speelde. Hij was volkomen tevreden, wanneer de
opper-eunuch Li hem nieuw Europeesch speelgoed bracht of hem een
penseel gaf, waarmee hij onder allerlei staatsdocumenten zijn naam
schilderde.
De ongelukkige wist niet eens, wat dat alles beteekende. Het kon een
doodvonnis, eene benoeming of ontslag van een ambtenaar zijn. Het kon
den oorlog beteekenen en duizenden het leven kosten. Kwang-Hsu
schilderde zijn naam onder alles, wat de opper-eunuch hem voorlegde.
Juist trad deze binnen.