„Er is China een groot ongeluk overkomen. De keizerin-moeder is

overleden”, begon hij, voor den troonzetel staan blijvend, waarop de

keizer had plaats genomen.

„Is mijne moeder dood?” vroeg Kwang-Hsu.

Hij was niet zoo onnoozel, om geen begrip van den dood te hebben.

Ja, hij was er zelfs bang voor, en zijne sprookjesvertellers had hij

verboden, daarvan te verhalen.

Eenige seconden bewaarde de keizer het stilzwijgen en staarde den

opper-eunuch aan.

Daarop verborg hij zijn gelaat in zijn tunica en begon te schreien.

De opper-eunuch verbaasde zich, dat de keizer tot deze gevoelsuiting in

staat was.

Nu hief de heerscher het hoofd omhoog, keek den opper-eunuch met

beweende oogen aan en vroeg:

„Kan ik mijne moeder zien?”

„Neen”, antwoordde Li. „Gij zult haar niet zien, doch het is de wensch

van de overledene, dat gij uwe moeder volgt.”

„Volgen?—Moet ik mijne moeder volgen?—Hoe kan ik dat?”

„De keizerin-moeder”, sprak de opper-eunuch met zalvende stem, „bevindt

zich nu in het eeuwige rijk van Boeddha. Zij gaf mij opdracht, u den

weg te wijzen om bij haar te komen. Ziet hier.”

De opper-eunuch haalde een dun zijde-papiertje te voorschijn, opende

het voorzichtig en legde twee zeer dun geplette stukjes bladgoud, ter

grootte van een gulden, op zijn hand.

„Wat beduidt dat?” vroeg Kwang-Hsu.

„Dat beduidt de weg naar de keizerin-moeder.”

„Deze blaadjes goud?”

„Jawel! Gij neemt ze in de holte van uwe hand, houdt uwen mond er boven

en haalt diep adem. Dan zal het blaadje goud in uwen mond vliegen, op

uwe luchtpijp gaan liggen, en binnen een paar minuten zult gij bij uwe

moeder zijn.”

De keizer sidderde.

Hij zette groote, verschrikte oogen op en keek met eene uitdrukking van

ontzetting naar de blaadjes goud.

Hij zag niet den spottenden glimlach, die op het gelaat van den

opper-eunuch kwam.

„Indien gij dezen weg niet wenscht”, zei Li, „dan heb ik hier nog een

zijden koord. Ook dit zal u den weg wijzen. Gij legt het om uwen hals

en worgt u. (Zie titelplaat).

„Gij hebt dus de keuze van den dood tusschen den strop en het blaadje

goud, neem eene beslissing.”

De keizer liet een luiden kreet hooren: „Moet ik sterven?”

„De keizerin-moeder wenscht het.”

„Neen!” riep Kwang-Hsu, „dat kan zij niet willen, ik wil niet sterven,

ik wil leven!”

Opnieuw kwam er een spottend lachje op het gelaat van den opper-eunuch.

„Wat de keizerin-moeder zegt moet gebeuren. Verberg uwe wenschen,

Kwang-Hsu, en onderwerp u aan den wil der keizerin-moeder.”

Het koude angstzweet stond den keizer op het voorhoofd, zijne handen

hielden krampachtig, als zochten zij hulp, de leuning van den stoel

vast.

„Ik ben de keizer. Ik zal u niet gehoorzamen. Ik zal prins Thun en

mijne soldaten roepen, opdat zij mij helpen.”

Een blik vol haat trof den keizer.

„Spaar uwe woorden, Kwang-Hsu, noch de prins, noch soldaten zullen te

hulp snellen. Mijn wacht houdt de deuren naar uw vertrek bezet. Over

een uur kom ik terug en hebt gij alsdan niet aan den wensch der

keizerin voldaan, dan leg ik u zelf het zijden koord om den hals. Ik

raad u aan, wees gehoorzaam.”

Daarop wierp de ongelukkige keizer zich aan de voeten van den

opper-eunuch, greep zijn zijden gewaad vast en smeekte om erbarmen.

Doch hij zou beter een steen om medelijden hebben kunnen smeeken. Het

hart van den opper-eunuch bleef koud als erts. Hij weerde den keizer af

en zei op harden toon:

„Uwe woorden zijn vergeefsch, Kwang-Hsu, doe wat ik u zei. Neem deze

opiumsigaretten, mogen deze u bedwelmen en u den weg gemakkelijker

maken.”

Daarop verliet hij met de wacht het vertrek.

Weenend wierp de heerscher van het Hemelsche Rijk zich in de kussens en

krabde in zijn angst voor den dood de zijden met goud geborduurde

overtrekken stuk.

Even later richtte hij zich op en dacht na over een middel tot redding.

Hij opende het raam en keek in den tuin.

Twee met schilden en speren gewapende eunuchen liepen voor het raam op

en neer.

Daarop liep hij naar de deur en opende haar.

In het voorportaal zat Kwo-Saing, de dooder van de veertig draken en

chef van politie te Peking, met eenige beambten en keek den

ongelukkigen keizer met een grijnslach aan.

Kwo-Saing was de vertrouweling van den opper-eunuch Li, en aan hem was

de bewaking van den keizer opgedragen.

„Wie zijt gij?” vroeg de keizer.

Kwo-Saing wierp zich op den grond, raakte den vloer met zijn voorhoofd

aan en antwoordde:

„Zoon des hemels, ik ben Kwo-Saing, uw politiechef van Peking.”

„Roep prins Thun bij mij”, beval de keizer, „en laat soldaten komen.”

„Zoon des hemels”, zei Kwo-Saing, „ik zal uw bevel meedeelen aan Zijne

Excellentie opper-eunuch Li.”

De keizer stampte op den grond en riep:

„Ik wensch niet, dat Li iets van mijn bevel verneemt. Zend een slaaf

naar de wacht en laat soldaten komen.”

Kwo-Saing zag in, dat hij den keizer moest geruststellen en antwoordde:

„Zoon des hemels, ik zal uw bevel ten uitvoer brengen.”

Zooals de hofétikette voorschrijft, verliet hij op zijn knieën

voortschuivend het vertrek.

De keizer keek hem na, totdat hij verdwenen was, waarna hij haar zijne

kamer terugging en rusteloos op en neer wandelde.

De hoop, die de ten doode gewijde nog koesterde, was vergeefsch.

Kwo-Saing was naar den opper-eunuch gesneld om dezen den wensch des

keizers mee te deelen.

„Ik zie wel in”, zei Li, „dat die man niet de hand aan zichzelf zal

slaan.

„Volg mij, Kwo-Saing, ik zal hem het zijden koord om den hals knoopen.”

Toen spoedig daarop de deur van het keizerlijk vertrek werd geopend,

keek de keizer blij verschrikt op, want hij dacht, dat de redding

naderde.

Hij week sidderend terug, toen hij de vormlooze, logge gestalte

ontdekte van den opper-eunuch, vergezeld van Kwo-Saing.

„Wat wilt gij?” vroeg hij met van angst sidderende stem.

„Gij weet, waarvoor ik kom”, antwoordde de opper-eunuch, „ik zie, dat

gij het bevel der keizerin-moeder niet opvolgt. Maak u gereed, opdat ik

u helpe.”

Om zich te redden sprong de keizer achter een tafel en schoof deze

tusschen hem en zijn beul.

„Ik wil niet sterven”, snikte hij, „verlaat het vertrek, anders zullen

mijne soldaten u gevangen nemen.”

„Houd hem vast, Kwo-Saing”, beval de opper-eunuch en nam het koord in

de hand.

Nu schreeuwde de keizer in zijn wanhoop luid om hulp.

Eene woeste worsteling tusschen hem en de beide mannen begon.

Doch hij was tegen de lichaamskracht van den opper-eunuch Li niet

opgewassen.

Die man was gewend de meest weerspannige slaven te ketenen en te

ranselen.

Na eene korte worsteling hielden zij den keizer vast en de opper-eunuch

Li wierp hem met een wreeden lach den gevreesden zijden strop om den

hals.

De keizer viel op den grond, de opper-eunuch zette zijn knie op hem en

trok den strik dicht.

Een laatste, half-gesmoorde kreet om hulp weerklonk, de oogen puilden

den ongelukkige uit het hoofd, het gelaat werd blauwrood, nog eene

laatste wanhopige poging met gebroken kracht werd gedaan, om zijnen

beul af te weren, daarop verloor hij het bewustzijn en stierf.

Doch niet eerder liet Li zijn slachtoffer los dan toen alle

levensteekenen waren geweken.

Toen stond hij op en zei tot Kwo-Saing:

„Eigenlijk hebben wij den troon van China verdiend. Het was een zwaar

werk.”

„Wij zullen ons als loon aan de zon warmen”, gaf Kwo-Saing ten

antwoord, „en eene eerste plaats innemen bij prins Tuan.”

Op dit oogenblik klonken buiten wapengekletter en commando’s.

Verschrikt keken de beide beulen elkaar aan.

Wat zou dat beduiden?

„Ga naar het park”, sprak de opper-eunuch tot den chef van politie, „en

overtuig u wat de soldaten op dezen tijd hier te zoeken hebben.”

Hij zou het antwoord spoedig vernemen.

De deur werd opengeduwd en een Chineesch generaal trad met den sabel in

de hand en door een dozijn officieren gevolgd, het vertrek binnen en

overzag met één blik het treurspel, dat zich hier had afgespeeld.

„Te laat!” mompelde hij in zichzelf.

„Wat wilt ge?” vroeg de opper-eunuch, „waaraan ontleent gij het recht

om hier binnen te dringen?”

De generaal nam den opper-eunuch met een verachtelijken blik op, wees

op den chef van politie en sprak tot zijn officieren:

„Neem dien man gevangen en breng hem naar buiten!”

Dadelijk wierpen zich verscheiden officieren op den sidderenden

Kwo-Saing, pakten hem bij de armen en sleepten hem weg.

Met een snellen blik zag de opper-eunuch wat er met hem zou gebeuren.

„Gij zijt generaal Fung-wo”, riep hij met gebiedende stem, „en gij zult

wel weten, dat gij u met het binnendringen in het keizerlijk paleis aan

het hoofd van keizerlijke soldaten hebt schuldig gemaakt aan een

vergrijp, dat u den dood moest kosten!”

Generaal Fung-wo glimlachte weer met minachting en mat den opper-eunuch

met een ironischen blik van het hoofd tot de voeten.

Toen antwoordde hij kortaf:

„Geweld gaat boven recht!”

Met een kleine handbeweging wendde hij zich tot de officieren en er

volgde een nieuw bevel:

„Neem ook hem gevangen!”

Nu zag de opper-eunuch wel in, dat hij een verloren man was.

Bliksemsnel greep hij in zijn tunica, haalde een kleine vergiftigde pil

te voorschijn en wilde deze inslikken.

Maar generaal Fung-wo was sneller dan hij.

Voordat de opper-eunuch het vergif naar den mond kon brengen, had de

generaal het hem ontrukt.

Nu ontstond een wanhopige worsteling tusschen Li en de officieren.

De geheele kracht van vijf manschappen was noodig om den reuzensterken

eunuch te ketenen.

Hierop werd hij door generaal Fung-wo gefouilleerd.

Tandenknarsend en vreeselijke vloeken uitbrakend, moest de opper-eunuch

zich dit laten welgevallen.

Een zegevierende uitdrukking verscheen in de oogen van generaal

Fung-wo, toen hij uit den borstzak van den opper-eunuch verscheidene

geheime waardevolle staatsdocumenten te voorschijn haalde.

De opper-eunuch begon, toen hij dit bemerkte, luid om hulp te roepen.

Generaal Fung-wo liet hem een prop in den mond duwen. Daarop werd de

onmensch weggebracht.

In de kamer moesten eenige officieren den vermoorden keizer op een

divan leggen en twee van hen als eerewacht bij den doode blijven.

Hierop verliet de generaal het paleis, stelde posten van zijn soldaten

voor de deuren op, loste de wachten bij de poorten der verboden stad af

en bezette ze eveneens met zijn militairen. Toen marcheerde hij naar

het paleis van prins Thun.

Zwijgend trokken de colonnes door de verlaten straten, toen zij

plotseling werden opgeschrikt door verwijderd schieten en geschreeuw.

De generaal, die aan het hoofd liep, luisterde eenige seconden om zich

op de hoogte te stellen.

Hij hoorde, dat de schoten uit de richting van het paleis van prins

Thun kwamen.

Dadelijk beval hij looppas, om den nog tamelijk langen weg sneller af

te leggen.

Met kolfslagen dreven de soldaten den meegenomen opper-eunuch Li en den

man, die veertig draken doodde, Kwo-Saing, voorwaarts.

Prins Tuan had denzelfden avond al zijn vertrouwde raadgevers om zich

verzameld en hun de mededeeling gedaan, dat de keizerin was gestorven.

„Nu komt het er op aan!” sprak hij, „mandarijnen, generaals, vrienden

van de goede zaak, gij hebt mij tot uw aanvoerder gekozen en mij trouw

gezworen tot in den dood.

„Gij weet, dat het mijn voornaamste plicht is, China tegen de hebzucht

der vreemde blanke duivels te beschermen en dat het mijn lijfspreuk is:

China voor de Chineezen!

„Wij willen niets te maken hebben met de duivelsche kunsten der

Europeanen. Ons volk heeft geen opheffing, geen beschaving noodig.

Zoodra het volk denkt, heeft de giftplant der revolutie wortel

geschoten aan de treden van den troon.

„Deze vreemdelingen beijveren zich om ons volk met helsche kunsten te

vergiftigen: en het met minachting voor den drager van het drakengewaad

te vervullen.

„Prins Thun en keizer Kwang-Hsu ondersteunen de vreemdelingen en zien

niet in, dat zij daarmee een zeer verachtelijk misdrijf begaan.

„De vreemde honden moeten uit China weg en ons land moet weer rein

worden.

„Wilt gij mij daarbij helpen?”

Een geestdriftig „Ay-ay!” klonk uit de menigte.

Trotsch keek prins Tuan op hen neer.

Zijn roofzuchtig gelaat verwrong zich tot een voldaan glimlachje.

Hij vervolgde:

„Thans, nu de keizerin dood is, is eindelijk de dag gekomen, die ons

vrijheid en wraak brengt. Verzamel u om de vanen van den rooden draak,

die ik in mijn hand houd. Het bloed van alle vreemdelingen moge

eindelijk de straten van Peking kleuren—niemand worde ontzien! Het gele

gevaar moge de wereld zoo doen sidderen, dat geen vreemde duivel het

ooit weer waagt, ons land te betreden!”

Prins Tuan ging op het tapijt zitten en een luid gemompel van bijval

werd vernomen.

Daarop stond generaal Poh-Loh op.

Hij was gekleed in de oude dracht der Tartaarsche veldheeren.

Het blanke kromzwaard en het schild op de borst, in den gordel een

dozijn kostbare dolken en in zijn hand de zweep met looden kogels,

waarmee de Tartaar zelfs den Siberischen tijger kan dooden.

De oogen van den generaal schitterden, toen hij sprak:

„Verheven zoon der zon! Wanneer gij de meening van uw onderdanige

dienaren wilt vernemen, zoo luister: Voordat prins Thun met zijn

generaals en vertrouwelingen gedood zijn, kunnen wij ons plan niet

uitvoeren. Prins Thun is een vriend der vreemden en van hunne zeden.

Met het eenvoudige volk in Peking gaat hij om als met zijns gelijken.

„Hij is Europeesch gekleed, bezoekt de koffiehuizen en richt scholen

op, waarin hij ons volk de kunst van het lezen bijbrengt, zoodat ze de

duivelswoorden van de vreemdelingen in hunne couranten leeren verstaan.

Prins Thun moet gedood worden!”

Opnieuw betuigde de verzamelde menigte luide haar bijval.

Daarop stond prins Tuan op en vroeg nogmaals gehoor:

„Generaal Poh-Loh heeft gelijk. Nog dezen nacht moeten wij dat werk

beginnen. Neem onze soldaten mee om prins Thun te overvallen. Zijn dood

moge het fundament worden van onze heerschappij.

„Tot alle vice-koningen, generaals, mandarijnen en gouverneurs wordt

hiermede mijn keizerlijk bevel gericht, het volk ter bescherming van

China te wapenen en alle vijanden van het Hemelsche Rijk te

vernietigen.

„Dood aan prins Thun en zijne vrienden.”

Prins Tuan had zijne rede geëindigd.

Juichende, brullende bijvalsbetuigingen klonken opwaarts uit de kelen

van zijn aanhangers.

De zwaarden werden getrokken en vol geestdrift tegen elkaar geslagen.

Daarop zond de prins zijn adjudant naar de kazerne der Tartaarsche

garde, met bevel haar te alarmeeren.

Na verloop van een half uur waren de compagnieën voor het paleis van

prins Tuan aangekomen.

Het waren wilde, drieste gezellen, eene teugellooze bende zonder

Europeeschen dril.

Alleen de soldaten, die onder bevel stonden van prins Thun en generaal

Fung-wo, waren op Europeesche wijze gedrild en konden doorgaan voor een

geregelden troep.

Prins Tuan geleidde de troepen persoonlijk naar het paleis van zijnen

vijand.

Dit lag tamelijk afgelegen van Peking in eene kleine voorstad en

omgeven door een groot park.

De wachten van den prins bemerkten direct het gevaar en openden niet,

toen prins Tuan verlangde binnengelaten te worden.

In plaats hiervan alarmeerden zij de soldaten, en na een paar minuten

waren de ramen van het prinselijk paleis met manschappen bezet.

Doch in verhouding tot de troepen der Tartaren was het slechts een

klein hoopje te noemen.

Prins Thun stapte naar het raam en vroeg, wat die overval beteekende.

„Geef u over”, luidde het antwoord, „gij zijt wegens hoogverraad

aangeklaagd, en den dood schuldig.”

Toen rukte prins Thun de revolver uit den gordel en schoot haar in de

duisternis af.

Dat was het signaal tot den strijd.

Het viel de Tartaarsche benden niet gemakkelijk het paleis binnen te

dringen.

Met bewonderenswaardige dapperheid sloegen de tegenstanders den aanval

af.

Doch de Tartaren namen hun toevlucht tot eene andere strijdwijze, zij

staken het paleis in brand.

Daar dit op Chineesche wijze van hout was gebouwd, breidde het vuur

zich snel uit en noodzaakte de verdedigers hunne posten te verlaten.

Krakend stortte de voormuur van het gebouw in en weldra ontstond een

woedend gevecht tusschen de roofgierige horden.

Ieder der soldaten van prins Thun had zich tegen vijf of zes man te

verdedigen. De aanvoerder zelf vocht als een leeuw.

Hij bloedde reeds uit verscheiden wonden. Naast hem streed generaal

Fung-wo. Zij stonden voor de deur van het vrouwenverblijf en aan hun

voeten lagen een zestal gesneuvelde vijanden. Plotseling kreeg de

generaal een schot in de borst en zonk ter aarde.

Met een zegevierend geschreeuw stortten de Tartaren zich als eene bende

bloedhonden op prins Thun, die zich nog slechts met het zwaard in de

vuist kon verdedigen.

Prins Tuan stond achter de aanvallers en beval den Tartaren den prins

levend gevangen te nemen.

Maar het gelukte niemand den dapperen strijder in handen te krijgen,

daar diens zwaard als een bliksemstraal neerkwam op ieder, die hem

durfde naderen.

Toen alle moeite vruchteloos scheen, greep generaal Poh-Loh zijn zweep

met looden kogels en slingerde die den prins als eene lasso om het

lichaam.

Tevergeefs trachtte de dappere prins zich te bevrijden.

Met een duivelschen lach trok Poh-Loh met een ruk den prins op den

grond. De Tartaren sprongen naderbij en ontrukten hem het zwaard.

„Terug”, schreeuwde prins Tuan, „het leven van den prins behoort mij

toe!”

Hij had een dolk in de hand en sprong op den prins toe om hem het staal

in het hart te stooten.

„Vervloekte hond”, schreeuwde hij tot den prins, „aan jou hebben wij

het ongeluk van China te danken, maar ik zal het Hemelsche Rijk van je

bevrijden. Sterf!”

Prins Thun keek hem koud en rustig in de oogen, die van haat fonkelden.

Hij kende geen doodsangst.

Prins Tuan hief zijn hand reeds op. Generaal Poh-Loh en de Tartaren

keken in gespannen aandacht. Plotseling gingen de gordijnen voor den

ingang van het vrouwenvertrek uiteen, Win-Seng snelde naar buiten en

sprong als een hond op prins Tuan toe, smeet hem op den grond en beet

hem de keel door.

Het volgende oogenblik verpletterde de strijdbijl van generaal Poh-Loh

den schedel van Win-Seng, maar nog in den doodstrijd liet de dappere

man het schokkende lichaam van prins Tuan niet los en bleef zoo op zijn

slachtoffer liggen.

Prins Thun had zich met een krachtigen ruk weten te bevrijden, greep

een zwaard van een der Tartaren en schoot op den generaal toe. Deze

rukte zijn revolver te voorschijn en vuurde.

Prins Thun, in den bovenarm getroffen, wankelde een oogenblik, doch

greep met zijn linkerhand het zwaard en met een meesterlijken houw

sloeg hij den generaal neer.

Woedend beantwoordden de Tartaren den val van den aanvoerder en een

laatste wanhopige strijd begon.

Plotseling klonken voor het paleis commando’s, de Tartaren keken

verbaasd op, een goedgemikt salvo weerklonk, een hoerageroep werd

vernomen en voordat de Tartaren konden vluchten, wierpen soldaten met

gevelde bajonet zich op hen, aangevoerd door een Chineesch generaal.

Kolfslagen vielen op de kale hoofden der Tartaren, schreeuwend namen

zij de vlucht en op het volgende oogenblik salueerde voor den

uitgeputten prins Thun generaal Fung-wo, alias John C. Raffles. Hij

meldde zich aldus:

„Majesteit, ik heb den troon van China voor u veroverd.”

Prins Thun kon nog juist met een moeilijk lachje den redder in den nood

danken, daarop zonk hij uitgeput op den grond.

Raffles droeg hem met eenige officieren op een divan en zond boden naar

den geneesheer van het Engelsche gezantschap, opdat deze zou komen om

den prins te verbinden.

Weldra verscheen de geroepene en na een rusttijd van twee uur was prins

Thun in zooverre hersteld, dat hij het bericht kon aanhooren van Lord

Lister, die nog steeds in de kleedij van generaal Fung-wo bij zijn

legerstede vertoefde.

Het meest waardevolle waren de aan den opper-eunuch Li ontnomen

staatspapieren, die het laatste edict der keizerin bevatten.

Hierin wees de keizerin Pu-Yi, den zoon van prins Thun, na den dood van

den keizer Kwang-Hsu, als diens opvolger aan.

Prins Thun echter zou tot aan zijn meerderjarigheid het regentschap op

zich nemen.

Nog denzelfden dag vertrok prins Thun naar de verboden stad en

verzamelde de Mandarijnen en andere grooten van het rijk om zich heen

tot het beleggen van een kabinetsraad.

Toen Raffles den volgenden dag in Europeesche kleedij bij den keizer

zijn opwachting maakte, nam hij op een binnenplein het schouwspel waar

van de afranseling van Kwo-Saing, den veertig drakendooder.

Hij kon een glimlach niet onderdrukken, toen de uitvoerder der straf

voordat hij deze toediende aan den politiechef dit schrijven voorlas:

„Op bevel van Pu-Yi, onzen almachtigen heerscher en zoon der zon,

ontvangt Kwo-Saing, de man, die veertig draken doodde, veertig

zweepslagen en wordt van al zijn waardigheden vervallen verklaard.”

De opper-eunuch Li evenwel werd tot levenslange gevangenisstraf

veroordeeld.

Lord Lister schreef denzelfden avond aan Charly Brand een brief, die

aldus luidde:

„Mijn beste Charly!

Ik ben in China tot opper-mandarijn benoemd met den titel van

honderd-draken-dooder. Wanneer ik onder draak moet verstaan al het

gepeupel, dat hier de menschen geknecht en onderdrukt heeft, dan

kreeg ik dezen titel met het volste recht. Ik geloof dat ik er toe

heb bijgedragen, China te bevrijden van de machten, die het volk

dom houden.

Met de eerstvolgende stoomboot keer ik terug, want ik verlang erg

naar den politie-inspecteur Baxter.

Je EDWARD.”

Voordat Raffles China verliet, bood de prins-regent hem een schitterend

afscheidsdiner aan.

De voornaamste grooten van China zagen met verbazing voor de eerste

maal aan de zijde van den heerscher een vreemdeling.

Toen het diner ten einde liep, stond de prins-regent op en sprak aldus:

„Gij zult u misschien verbazen, dat ik aan mijn zijde aan een

vreemdeling de eer der voornaamste plaats heb gegeven. Doch aan hem heb

ik mijn positie te danken en van hem heb ik de wijze les geleerd, die

ik u allen als richtsnoer wil voorhouden. Ze luidt:

„Aan den dappere behoort de wereld! Het is tot nu toe een fout van

China geweest, dat wij niet den moed bezaten, koen en doortastend te

handelen.”

Hij omhelsde Raffles en kuste hem als een broeder.

Daarna hief hij de tafel op.

Voordat de groote onbekende het paleis verliet, nam hij afscheid van

Anitai, die bitter weende.

Zij wilde haar meester beslist volgen. Lord Lister had al zijn

overredingskracht noodig om haar duidelijk te maken, dat hij aan haar

wensch niet kon voldoen.

Een zusterlijke vriendin had zij gevonden aan Wandé, de vrouw van den

prins-regent.

Toen Raffles Peking verliet, zond hij nog een brief aan den

prins-regent; bij opening las deze het volgende:

„Mijn waarde prins Thun!

Gij verteldet mij voor eenigen tijd, dat het zelfs Raffles niet

gelukken zou, u te helpen. Thans, na mijn vertrek, wil ik u een

geheim openbaren: John Raffles hielp u den troon van China

bestijgen!

Wees gegroet door uw

Lord LISTER,

die zich noemt John C. Raffles,

de groote onbekende.”

AANTEEKENING

[1] De Chineezen houden van beeldspraak.

Lord Lister No. 0035: De man, die veertig draken doodde · 第 4 / 4 段