mijn hart.
„De priesters zijn vrienden van de keizerin, daaraan heb ik niet
gedacht en de keizerin haat mijn echtgenoot, prins Thun.”
„Ik ken de duivelsche streken der priesters, maar beloof mij, prinses,
dat gij dien ongelukkige en uzelf geen leed zult doen, voordat ik met
uw echtgenoot heb gesproken. Wijs mij den weg naar hem!”
Wandé sprak:
„Ga de gang links door. Daar zult gij een gewapenden slaaf op een
rieten mat voor het slaapvertrek van mijn heer vinden. Zeg hem, dat gij
den prins wenscht te spreken.”
De vreemdeling dankte en verliet het vertrek.
Als een groote hond sprong de slaaf op, toen hij den vreemdeling zag
aankomen en met opgeheven zwaard wilde hij zich op hem werpen.
De vreemdeling echter maakte een gebiedende handbeweging en sprak:
„Wek prins Thun, ik moet hem dringend spreken.”
Hierop verdween de slaaf om eenige oogenblikken later den bezoeker in
het slaapvertrek van den prins te brengen.
Prins Thun had zich van zijn legerstede opgericht en keek den
binnenkomende verbaasd aan.
Hij herkende hem dadelijk.
„Wat wenscht gij, Lord Cheekman, dat gij mij op dit ongewone uur
bezoekt?”
„Ja”, antwoordde Raffles, „iets zeer buitengewoons. Ik zal u een
vreemde geschiedenis vertellen.”
Met een handbeweging noodigde de prins den grooten onbekende om plaats
te nemen en Raffles begon de geschiedenis van Anitai en Win-Seng te
vertellen.
„Mijn kostheer, Huen-Schang, een goudsmid, heeft een broeder, die
tempelwachter in den tempel van Tsai-Soi is. Hij vertelde mijn gastheer
de geschiedenis van de intrigue der keizerin tegen uw echtgenoote. Een
zeldzaam toeval bracht den broeder van de door mij geredde Anitai in
nauw verband tot de gebeurtenissen.
„Kwo-Saing, de man, die veertig draken doodde, de machtige politiechef
van Peking, heeft Win-Seng overgeleverd aan de priesters van Tsai-Soi,
deze hebben hem in een toestand van opgewondenheid gebruikt om de
misdaad tegen uw echtgenoote te plegen en hem daarna voor eeuwig stom
gemaakt.
„Eenige uren geleden vernam ik, dat deze ongelukkige in uw huis is
gebracht als vrouwenbewaker. Verdere onheilen voor u, prins Thun,
vreezend, snelde ik hierheen om u alles mede te deelen en het toeval
was mij gunstig.—
„Toen ik eenige minuten geleden zonder uw huis te kennen hier kwam en
de kamer van uw echtgenoote binnentrad, kon ik nog juist verhinderen,
dat zij zichzelf en den ongelukkige doodde.
„Troost uw echtgenoote, prins Thun, laat haar niet aan haar wanhoop
over, dat offer zou te groot zijn!”
De edele Chinees sprong op.
Hij vatte de hand van John Raffles, drukte deze en riep uit:
„Ik dank u, Lord Cheekman, gij zijt de eerste ware vriend, dien ik in
mijn leven heb leeren kennen. Gij hebt gelijk, mijn echtgenoote mag
niet het slachtoffer van die schurken worden, maar die ellendelingen
zullen mijn wraak voelen.”
„Haat de keizerin u?” vroeg de Groote Onbekende.
Een bitter lachje speelde om den mond van den prins.
„Ja, omdat ik vriendelijk ben tegen de vreemdelingen en mijn best doe
om zooveel mogelijk om mij heen te verbeteren. Zij vreezen, dat ik hun
gunsteling, prins Tuan, denzelfden prins, door wiens toedoen de
Duitsche gezant werd vermoord, dat ik dezen wreeden, tyrannieken mensch
met mijn aanhangers zal doen vallen om den troon te veroveren voor mijn
zoon, Pu-Yi.
„Daarom haat de keizerin mij als haar ergsten vijand en meer dan eens
ben ik ternauwernood aan haar sluipmoordenaars ontkomen.”
Met sombere blikken, de armen gekruist over de borst, stond de prins
eenige oogenblikken voor Raffles, daarop rekte hij zijn hooge, breede
gestalte uit, stak Raffles zijn hand toe en sprak:
„Laat ons vrienden zijn. En mocht het geluk willen, dat ik den troon
van dit Rijk voor mijn zoon verover, dan staat al mijn macht tot uw
dienst.”
Beide mannen reikten elkaar de handen en bezegelden hun
vriendschapsverbond door een stevigen handdruk. Daarop kuste de prins
Raffles op het voorhoofd en liet hem door zijn slaven naar de
logeervertrekken van het paleis brengen.
Prins Thun echter begaf zich naar Wandé en troostte haar.
In dezen nacht werd over het lot van China beslist.
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE HEKS VAN PEKING.
Prins Tuan, de eerste onderkoning en plaatsvervanger van den keizer,
had vele vrouwen, maar geen harer vond hij werkelijk schoon en
begeerlijk.
De machthebber was het geheime oog, het oor en de mond van de
keizerin-regentes Tsi-si, voor den jongen, minderjarigen keizer.
Het leven in het paleis ging zijn eentonigen gang, de verveling drukte
den prins, hij verlangde naar nieuwe, vreemde emoties.
Daarom verzamelde hij zijn eunuchen en mandarijnen om zich heen, die,
op den grond liggend, naar zijn bevelen luisterden.
Ademlooze stilte heerschte in den kring, toen hij sprak:
„Ik beveel u, mij de meest volmaakte schoonheid van het geheele Rijk te
brengen. Toont gehoorzaamheid en handelt. Wie van u mijn bevel
uitvoert, zal een rijke belooning krijgen, wie ongehoorzaam is, dien
geef ik het zijden koord.”
De onderdanige mannen wreven met hun hoofd over den grond als teeken
van gehoorzaamheid en de prins ging naar zijn vertrekken.
Toen de mandarijnen alleen waren, schudden zij zwijgend de
gladgeschoren hoofden en bekeken zenuwachtig hun lange, spitse nagels.
Zij meenden reeds het zijden koord om den hals te voelen.
Alleen de oude Kwo-Saing, de verrader, liep opgewonden heen en weer en
fluisterde bij zichzelf:
„Ik weet, waar de schoonste vrouw van Peking is, welke mijn heer, de
broeder van de zon en de maan, zich wenscht. Ik zal zijn hart jonger
maken en nieuwe roem zal mijn deel zijn. Mijn wraak echter zal dan
dubbel groot zijn. Ik zal hen trappen, die mij met voeten hebben
getreden.”
„Waarover peinst gij, Kwo-Saing, kom!” riepen de anderen.
„Gaat naar huis, kinderen van het geluk, ik volg u weldra. Veel geluk
voor de toekomst,” lachte hij hoonend en bleef alleen.
Hij legde zijn vleezige vingers tegen de ingezonken slapen en keek
peinzend naar de rozen en slingerplanten van het dikke tapijt waarop
hij zat.
Eindelijk werden zijn trekken levendig. Met jeugdig vuur sprong hij op
en riep:
„Ik heb het—ik heb het!—Bali, Bali, de heks moet mij helpen om het
meisje van den vreemdeling te rooven.
„Vervloekt die vreemdelingen! Mogen de tempelpriesters hen eindelijk
vernietigen, zooals de vlam dit stroo!”
Daarop stond hij op en verliet het paleis van prins Tuan.
De wachten knielden neer toen hij in zijn draagstoel plaats nam.
Juist reden eenige elegante rikshas voorbij, de straat in tot aan het
gebouw van het Londensche gezantschap.
Kwo-Saing herkende den Europeaan, die in een der voertuigen zat.
Het was Raffles.
Woedend balde de Chinees de vuisten en zond hem een vloek na, daarop
leunde hij met een duivelschen grijnslach achterover in de naar muskus
riekende kussens van zijn draagstoel en riep zijn slaven toe:
„Naar Hwang-sse!”
Dit was een voorstad in het Noorden van Peking.
Daar woonde in een oude pagode Bali, de heks van Peking. Zij had jaren
geleden veel van Kwo-Saing gehouden.
Heimelijk, bijna kruipend, als een afschuwelijke duizendpoot, sloop de
Mandarijn naar haar woning.
De oude vrouw zat juist bij een haardvuur en roosterde rijst.
Een lichtstraal gleed over haar sluw gelaat, toen zij haar ouden
minnaar zag.
Glimlachend beantwoordde zij den groet van Kwo-Saing, die zijn
rechterhand op de plaats legde, waar andere menschen een hart hebben.
„Wat wenscht gij, Kwo-Saing?”
„Hulp en raad van jou, Bali, de verstandige!”
Met fluisterende stem vertelde hij van den wensch van prins Tuan, van
Anitai’s schoonheid, van haar roof, van de bevrijding door den
vreemdeling, van zijn haat jegens den blanken duivel, van den broeder
van het meisje, de priesters van Tsai-Soi en prins Thun.
Kwo-Saing wist alles.
Zijn spionnen hadden hem uitstekend ingelicht.
Hij eindigde met de woorden:
„De vreemde duivel reed zooeven naar het gezantschapshotel. Haast je nu
in mijn draagstoel naar Huen-Schang, den goudsmid, bij wien hij in de
Yanlingstraat woont. Vraag Anitai te spreken en zeg haar, dat haar
broeder Win-Seng op haar wacht. Breng haar dan hierheen.”
Bali knikte en sloeg een doek om de schouders.
Kwo-Saing gaf zijn slaven de noodige bevelen en zij snelden naar de
Chineesche wijk.
Verscheiden uren verliepen, voordat de draagstoel terugkeerde.
Achter een scherm verborgen zat Kwo-Saing geduldig te wachten tot
Anitai uitstapte.
Een woeste vreugde maakte zich van hem meester. De schurkenstreek was
gelukt.
Hij hoorde, hoe het jonge meisje zei:
„Het is heel ver, goede moeder, waarheen gij mij hebt gebracht. Mijn
heer zal schrikken, als hij mij niet vindt. Ik bid u, mij spoedig weer
naar huis terug te brengen.—Waar is mijn broeder Win-Seng?”
„Ik ben vroom en Boeddha onderdanig,” antwoordde de heks.
„Voordat gij uw broeder ziet, moet ik een offer brengen aan de maan,
opdat hij ons beschermt.”
Behendig had zij haar kassawaika losgemaakt en op een versleten altaar,
dat voor het morsige beeld van een afgod stond, een offerschaal
neergezet, met reukwerk gevuld en dit door middel van een gloeiende
kool aangestoken.
Een blauwachtige damp steeg op en vulde het vertrek met een zoetigen
geur.
Daarop wierp de heks zich op de knieën en mompelde onverstaanbare
woorden.
Een onbehaaglijk gevoel maakte zich van Anitai meester. Rillend schudde
zij het schoone hoofd, zoodat de gouden oorringen rinkelden als de
zilveren bruiloftsklokjes van den Boeddhatempel.
Kwo-Saing echter, die achter het scherm verborgen stond, knarsetandde
van verrukking over de schoonheid van Anitai.
Nu hief de heks het hoofd op en sprak:
„Anitai. De geest van Punkuwong heeft mij geantwoord. Uw broeder
Win-Seng wacht u in het paleis van prins Tuan; daar is hij, sinds gij
hem ontstolen zijt.
„Klim in den draagstoel en snel naar hem toe.”
Beangst hulde Anitai zich in haar sluier en volgde de heks naar buiten.
Daar greep Bali haar arm en naar den hemel wijzend, sprak zij:
„Zie daar boven de duizend lampen van Boeddha vonkelen. Zulk een licht
zult ook gij worden, als gij niet meer naar den vreemdeling terugkeert.
Je zult machtig worden en als het noodlot je gunstig is geweest, zal ik
tot je komen om mijn loon te halen, goud en glinsterende edelsteenen!”
„Waarvan spreekt gij, goede moeder?” vroeg het jonge meisje sidderend.
„Zal ik niet meer tot mijn heer en meester terugkeeren? Laat mij, ik
wil mijn broeder niet terugzien, als ik weer zonder bescherming moet
zijn.—Laat mij naar huis gaan—naar huis. Wat heb ik gedaan?”
Bange vrees maakte zich meester van de bloem van Pai-ho; eerst nu
vermoedde haar kinderlijke onschuld het gevaar, waarin zij zich had
begeven.
De oude vrouw met haar verlangende oogen maakte haar zoo angstig. Zij
trok zich met kracht los en wilde vluchten.
Maar de bevelende stem van een man deed haar nog meer schrikken.
Verschillende slaven snelden naderbij, grepen de vluchtelinge,
knevelden haar en sleepten haar in den draagstoel.
Anitai’s wijdgeopende oogen zagen in het maanlicht de vreeselijke
gestalte van Kwo-Saing.
Hij nam naast haar plaats en zoo snel zij konden liepen de dragers op
zijn bevel voorwaarts.
Bali echter keek den palankijn met een boos gelaat na en sprak, terwijl
zij de magere schouders ophaalde:
„Hij is reeds oud, slecht en gierig geworden. Zijn zilvergeld is mager,
evenals de armoede. Ik zal mij door den vreemdeling met goud laten
betalen.”— —
Half onder den grond aan een zijweg der verboden stad bevond zich een
kleine metalen deur. Deze leidde naar het keizerlijk paleis.
Kwo-Saing opende haar en dwong de weerstrevende Anitai met behulp van
zijn slaven om er door te gaan. Daarop droegen zij het meisje, dat
bewusteloos was geworden, door de nauwe donkere gangen, totdat zij
opnieuw voor een deur halt moesten houden.
Op deze deur klopte de mandarijn met regelmatige slagen. De poort werd
geopend en een reusachtige, geharnaste wachter stond in de deuropening.
Nauwelijks herkende hij den machtigen Kwo-Saing, of hij wierp zich op
de knieën en liet hem met zijn begeleiders en Anitai binnentreden.
In een geheim vertrek aangekomen, wierp Kwo-Saing de ongelukkige op de
zijden kussens, haalde een fleschje uit zijn kaftan te voorschijn,
opende het en goot een paar droppels in den mond der bewustelooze.
De scherpe reuk der vloeistof deed Anitai weer tot zichzelf komen.
Dadelijk verdween Kwo-Saing met zijn lijfslaven, om den prins mee te
deelen, dat diens bevel ten uitvoer was gebracht.
Langzaam opende Anitai de oogen, maar voor de fabelachtige pracht, die
in het vertrek heerschte, moest zij ze weer sluiten. Het was haar,
alsof zij droomde.
Daar vernam zij de zachte stem eener vrouw, die tot haar sprak:
„Richt u op, ik zal u bedienen.”
Anitai keek met een schuwen blik naar de spreekster.
Het was een vrouw van ruim veertig jaar. Zij droeg doorzichtige gewaden
over den arm: in de handen hield zij een gouden blad met een theebeker
van hetzelfde metaal en een halve schaal vol confituren, die gevuld
waren met den zoeten, bedwelmenden haschis.
Doordringend rustte haar blik op het jonge meisje.
„Anitai, sta op en laat u tooien, zooals het een vorstin betaamt,”
sprak zij, naderbij komend.
„Waarom?” vroeg de gevangene met trillende lippen.
„Om een machtig heerscher te ontvangen! Als gij de liefde van zijn hart
en de genegenheid zijner ziel hebt veroverd, zal alle geluk, alle
denkbare pracht uw deel zijn.”
„Maar mijn heer, mijn blanke meester?” vroeg Anitai met droomerigen
blik, met beide handen haar hoofd grijpend.
De welriekende, bedwelmende geuren, die uit de stoffen stroomden,
maakten haar het denken moeilijk. Maar de vrouw antwoordde glimlachend:
„Laat u tooien! De tijd vliegt. Denk niet meer aan den blanken heer!”
Zij nam den sluier van het gelaat der jonkvrouw. Onmiddellijk week zij
achteruit, viel op de knieën en kuste de Turksche muiltjes van Anitai.
Maar deze wrong de handen en smeekte:
„Laat mij sterven, als onheil mij bedreigt. Ik behoor aan een
Engelschen Mandarijn. Wat doet gij? Waarom kust gij mijn schoenen?”
„Omdat gij schoon zijt, zoo schoon, dat gij een dochter van Boeddha
zoudt kunnen zijn en elk schepsel u moet aanbidden.
„Maar kleed u nu! Nog schooner is de bloem, getooid door bladeren en de
edelsteen in den zachten glans van het goud. Drink en eet van dat, wat
ik u geef.”
De zinnen der kleine Chineesche werden door de zware, zoetige geuren
hoe langer hoe meer verward. Zij proefde de thee en at een stukje van
de haschis-confituren.
Vermoeider en zwaarder werden haar oogleden, zij had geen kracht meer
om zich te verzetten en liet het geduldig toe, dat de vrouw haar
ontkleedde en haar met de kostbare, doorzichtige stoffen omhulde, die
haar schoonheid bijna bovenaardsch maakten.
„De roos van Peking!” riep de dienares met onverholen verrukking uit,
toen zij haar werk beschouwde.
Anitai hoorde het niet meer, zij was op de zijden kussens van den divan
neergezonken en ingesluimerd.
Het zijachtige, blauwzwarte haar hing van den divan af tot op den
vloer; het was met paarlen en diamanten doorvlochten. Het
wonderschoone, blanke gelaat scheen als uit marmer gebeeldhouwd— ——
Diepe stilte heerschte rondom, als uitgestorven was het groote paleis.
Alleen de zachte ademhaling der sluimerende verbrak de doodelijke
stilte.
ZESDE HOOFDSTUK.
IN DEN TEMPEL DER ZON.
Toen John Raffles des avonds thuis kwam, kwam de goudsmid hem met
ontsteld gelaat tegemoet en deelde hem mede, dat Anitai in gezelschap
van een vreemde vrouw het huis des middags had verlaten en nog niet was
teruggekeerd.
Onmiddellijk herinnerde Raffles zich het hoonende lachje op het gelaat
van Kwo-Saing, toen hij dezen dien dag had ontmoet.
De groote onbekende besloot, eenige uren te wachten om te zien of
Anitai niet terug zou komen.
Toen het tien uur was geworden, gaf hij de hoop op.
Hij riep zijn gastheer om met hem te overleggen, wat er te doen stond.
Wanhopig schudde de goede man het hoofd.
„Heer,” sprak hij, „ik heb liever met roovers en moordenaars te doen
dan met onze politie.
„De politiechef Kwo-Saing en zijn lieden zijn de grootste schurken, die
Peking bezit. Als ik de keizer was, ik zou hen met elkaar laten
onthoofden. Zij persen ons, armen menschen, elk oogenblik groote sommen
geld af en dreigen ons, als wij niet betalen, met de gevangenis.”
„Een mooie handelwijze!” sprak Raffles.
Hij nam zijn hoed, om het huis te verlaten.
Hij wilde naar den Engelschen gezant gaan, om met diens hulp het
verdwenen meisje terug te vinden. Toen hij op straat kwam, die door de
maan beschenen werd, kwam uit de schaduw van een huis een jongen naar
hem toe en vroeg:
„Zijt gij de blanke man, die het jonge meisje uit de handen van den
politiechef redde?”
„Ja,” antwoordde Raffles verbaasd, „wat wil je?”
„Heer,” fluisterde de jongen, „men heeft haar u ontstolen. Maar als gij
mij een handvol gouden Kash wilt geven, dan zal ik u ergens brengen,
waar gij kunt vernemen, waarheen men haar heeft gebracht.”
Lord Lister dacht eenige seconden na.
Het kon een val zijn, waarin men hem wilde lokken!
Maar daar hij steeds op avonturen belust was, sprak hij tot den knaap:
„Ik zal je volgen. Geleid mij.”
Met snelle schreden ging de jongen hem voor en bracht Raffles door een
doolhof van ontzettend vuile straten.
Eenige Chineezen, vijandig gezind tegenover vreemdelingen en juist uit
een der opiumholen komend, traden Raffles in den weg en dreigden hem.
Lord Lister was genoodzaakt, zijn Browningpistool te voorschijn te
halen en in de lucht te schieten.
Gillend sloegen de Chineezen op de vlucht.
Steeds verder bracht de knaap hem en reeds waren zij buiten Peking
gekomen.
Velden en tuinen lagen aan weerszijden van den weg, dien zij langs
gingen.
Raffles wist niet meer, waar zij zich bevonden.
Eindelijk bleef de knaap voor den ruwen muur van een bouwvalligen
tempel staan.
Een geheimzinnig licht scheen uit het vervallen gebouw.
Voorzichtig om zich heen kijkend ging de groote onbekende stap voor
stap voorwaarts.
Eindelijk zag hij een vertrek, dat gevuld was met vreemd opgezette
dieren en skeletten.
Voor een kolenvuur hurkte Bali, de heks van Peking, geheimzinnige
woorden mompelend.
Verbaasd keek Lord Lister naar het vreemde tooneel, dat hem als een
theaterdecoratief voorkwam.
Plotseling richtte de oude heks haar afschuwelijk hoofd op en keek den
vreemdeling aan met haar spookachtige oogen.
„Het is goed, dat gij gekomen zijt,” sprak zij, „er is u een ongeluk
overkomen.”
„Wat weet gij daarvan?” vroeg Raffles.
„Ik weet alles,” pochte de oude, „niets is mij verborgen. De geesten
der lucht verkondigen mij alle geheimen. Ik zal het u bewijzen: gij
zoekt een jong meisje.”
„Gij hebt gelijk,” antwoordde Raffles, „kunt gij mij vertellen waar zij
is?”
De heks glimlachte veelbeteekenend.
„Ik zal het u vertellen, als gij mijn hand vult met het roode goud der
blanke duivels.”
John Raffles haalde een handvol goudstukken uit zijn zak.
Hij wierp die in den schoot der oude vrouw en deze verborg ze met een
voldaan grijnslachje in haar schoen.
Daarop begon zij met een stok in het kolenvuur te roeren, wierp er een
wit poeder in, zoodat dikke rookwolken opstegen en de gestalte der heks
in een nevel hulden.
Nu mompelde zij onverstaanbare spreuken en toen die geëindigd waren,
sprak zij:
„De gestolene bevindt zich in het paleis van prins Tuan.
„Zeg tot Huen-Schang, bij wien gij woont, dat hij u den weg wijst naar
den tempel van de priesters der zon, zij alleen kunnen u helpen.
„Snel nu heen, want gij hebt nog een verren weg af te leggen, anders is
de ontvoerde voor eeuwig voor u verloren.”
Weer kwam de knaap, die Raffles had geleid, naar voren en bracht hem na
een wandeling van een uur naar zijn huis terug.
Hij gaf den jongen een belooning en wekte Huen-Schang.
Slaapdronken luisterde deze naar het verhaal van zijn gast en naar
diens verzoek om hem naar den Zonnetempel te brengen.
Eerst begreep hij niet, wat Raffles wilde, eindelijk echter was hij er
achter.
„Gij kunt niet verdwalen, Excellentie,” sprak hij, „de Pai-ho-straat
leidt in een rechte lijn naar den tempel. Ik zal u een paard geven.”
Het was reeds na middernacht, toen Raffles den weg insloeg naar den
tempel der zon.
Spoedig had hij de stad achter zich liggen en bevond zich in het open
veld.
Donkere wolken bedekten den hemel. Een klein, donker beekje stroomde
langzaam door de velden naar de groote moederrivier, de Paiho. Raffles
sloeg den weg in langs den oever.
Riet en maisschoven begrensden den smallen weg, zacht, bijna weemoedig
suisde de nachtwind door de slanke, buigzame halmen en in de bladeren
der boomen zong hij zijn droefgeestig lied.
De hoeven van het paard kleefden bijna aan den modderbodem vast, de
ruiter gaf het de sporen, totdat zich in het donker de onzekere
omtrekken van een tempel vertoonden, hooge, slanke zuilen, waarop
afschuwelijke, spookachtige wezens troonden. Als spoken kwamen zij den
nachtelijken reiziger voor.
Kleine, onoogelijke houten huizen doken eveneens voor den blik van
Raffles op. Als om steun vragend leunden zij tegen den kolossalen
tempel aan.
John Raffles hield zijn paard een oogenblik in en keek om zich heen.
Daarop sprong hij van het paard, nam het bij den teugel en liep naar
het huisje, waaruit het matte licht van eenige papieren lantarens viel
en menschenstemmen zich deden hooren.
Het was een theehuis.
Vol verbazing keken de gasten naar den laten bezoeker en sloegen daarna
schuw hun blik neer, want het was een blanke, die hen naderde.
De waard maakte een onderdanige buiging en vroeg naar zijn wenschen.
John Raffles verzocht zijn paard te mogen stallen, totdat hij uit den
tempel zou zijn teruggekeerd.
Daarop ging hij heen en begaf zich door het mulle, witte zand naar den
tempel.
Toen hij dezen had bereikt en de marmeren trappen beklommen, trad een
priester der zon in een golvend, wit gewaad naar hem toe en vroeg hem,
wat hij in den nacht in den tempel van het licht kwam doen.
Het spookachtig licht van een onzichtbare vlam bescheen hen.
„Ik ben een vreemdeling,” antwoordde Raffles, „en kom tot u, priester
van het licht, om een werk der duisternis te verijdelen. Mijn macht is
te gering, mijn kracht ontoereikend in uw land. Maar ik wil u met het
goud der zon beloonen, als gij mij helpt.
„Hoor mijn naam, ik heet Lord Lister en in mijn geboorteland rekent men
mij tot een mandarijn van de eerste klasse.”
De priester boog diep en antwoordde:
„Wie het licht ziet, zal niet in duisternis blijven! De zon is de
machtigste heerscheres en zij zal u hulp verleenen. Verlangt gij
gastvrijheid en bescherming, zoo volg mij!”
„Neen, priester der zon, ik moet heden nog verder, want ik zoek, wat ik
door roof heb verloren.”
„Heeft het zoo hooge waarde voor u, dat gij de wereld er voor zoudt
willen doorreizen, vreemdeling?”
„Ja, priester, het is meer waard dan alle schatten, want het is een
onschuldig meisje.”
„Boeddha is groot en almachtig, vreemdeling. Antwoord mij nog op één
ding: hoe hebt gij den weg gevonden naar den tempel der zon, om hulp te
vragen?”
„Mijn gastheer is Huen-Schang, de goudsmid, die voor uw tempel het goud
der zon verwerkt tot heilige versierselen. Hij gaf mij den raad en
sprak: „Niemand ter wereld is machtiger dan de keizer en hij regelt
zijn wil naar den priester der zon!”
„Priester, niemand kan mij helpen dan gij, want ik wil niet met behulp
van mijn landgenooten de gestolene zoeken, het zou vergeefsche moeite
zijn. Help mij, priester!”
„Boeddha is hulpvaardig jegens hem, die verzoekt, onwillig echter
jegens hem, die eischt. Weet, vreemdeling, dat gij de eerste en eenige
vreemdeling zijt, dien ik wil helpen, want gij zijt edel en goed. Uw
gedachten zijn verlicht door de zon van Boeddha, terwijl de gedachten
uwer broeders donker zijn van wreedheid, haat en dwingelandij.
„O, dat zij toch de waarde der menschen en van de liefde kenden! Uw
broeders zijn duivels; zij lachen met de overoude wijsheid van Boeddha
en bespotten de leer van Confucius.
„Gij echter zijt anders. Gij helpt de zwakken. Wie anderen helpt, heeft
een goddelijke kracht in zich, die hem onoverwinnelijk maakt.
„Boeddha is met u en zijn dienaren zullen u helpen.
„Hoort gij den doodenvogel in het Westen schreeuwen? Ik zal hem
plechtig bezweren!