LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 35 DE MAN, DIE VEERTIG DRAKEN DOODDE.
DE MAN DIE VEERTIG DRAKEN DOODDE.
EERSTE HOOFDSTUK.
EEN AFGODENFEEST.
Tsai-Soi, de lentegod van China, hield zijn intocht in Peking.
Zijn plomp afgodsbeeld, uit hout vervaardigd en zoo hoog als een huis,
werd op een grooten wagen rondgereden en lachte met breeden grijns naar
de joelende scharen aan zijn voeten.
In de rechterhand droeg het beeld een zak, gevuld met het kostelijkste,
grofkorrelige graan, de linkerhand werd zegenend uitgestrekt naar de
volksmenigte, die den God omvangrijke hoeveelheden groenten, schapen en
varkens offerde.
Tsai-Soi nam alles in ontvangst met den breeden grijnslach en zijn
priesters dreven de schapen en varkens weg— — —
Tsai-Soi is een machtig God!
De keizer en de prinsen, gevolgd door de voornaamste
hoogwaardigheidsbekleeders, komen hem offers brengen.
Peking is als een krioelende mierenhoop, als Tsai-Soi zijn intocht
houdt.
Alles spreekt slechts van Tsai-Soi en tracht in zijn gunst te komen.
Een smeekschrift aan dezen God wordt door den voornaamsten mandarijn
van het keizerlijk ministerie geschreven. Daarin wordt op bevel van den
keizer het weer voorgeschreven: zoo en zooveel regen, zoo en zooveel
zonneschijn, en dit verzoekschrift wordt het beeld om den hals
gehangen.
Tweemaal leest men het, in tegenwoordigheid van den keizer voor, opdat
de datums van den regenval goed mogen doordringen in zijn goddelijke
hersens.
Gerustgesteld keert de keizer dan terug en het volk offerde verder en
verbrandde papieren ossen, terwijl Tsai-Soi grijnsde en stom en dom
bleef kijken met zijn gelaat van hout.
Te midden van de vroolijke feestvreugde, het krijschen der
muziekinstrumenten en het knallen van het vuurwerk, wandelden een jonge
man en een jong meisje.
Hij heet Win-Seng en zijn kleeding is zoo armoedig dat iedere voorname
Chinees hem ontwijkt als een verworpeling. Maar hij is krachtig en goed
gebouwd en hij is niet ouder dan hoogstens twintig jaren.
Een slanke vrouwengestalte gaat aan zijn zijde. Zij is diep gesluierd
en haar tunica is van een sneeuwwitte kleur, doch zonder eenig
versiersel van zijde en goud. Win-Seng dringt door de menigte heen.
„Kunnen wij geen zijstraat inslaan?” vraagt het meisje, „ik ben
vermoeid en mijn voeten kunnen mij niet meer door de groote stad
dragen. Win-Seng, moest je je zwarte roos van Han-strom naar hier
voeren—Win-Seng, ik heb honger.”
„Wij moeten naar de gezantschapstraat”, antwoordde Win-Seng, „daar
woont de broeder van onze moeder, I-lai-ko genaamd. Hoe zouden wij
zonder geld een onderdak kunnen vinden, wij moeten naar I-lai-ko, mijn
duifje. Wat zegt Confucius—zonder geld, moet je voor den tempel bidden.
Met geld kun je in den tempel bidden. Wil je dezen nacht hongerig en
verkleumd op straat blijven?”
Zijn woorden werden onderbroken door de begeleiders van een machtig
Mandarijn, die met luid geschreeuw de lieden uit elkander joegen.
„Maakt plaats, ellendige honden die in het stof kruipt, maakt plaats
voor Kwo-Saing, den man die veertig draken doodde, de ster der
gerechtigheid! Maakt plaats, gij bedelaars, die het leven niet waard
zijn.”
Op deze wijze schreeuwden zij voort en hunne zwaarden baanden een weg
door de volksmenigte.
Vermoeid, met onverschillig gebaar lag de geweldige op zijn zijden
kussen, dat met muskusgeur was doortrokken. Zijn witharig hoofd knikte
slaperig de maat waarin de dragers liepen, die zijn baldakijn torsten.
Hij was gekleed in een met goud bestikte kaftan en groote, kostbare
paarlsnoeren waren door zijn grijze haarvlecht geslingerd. Gouden
banden, met edelsteenen bezet, hielden de vilten sandalen aan zijn voet
en zijn hand, waaraan kostbare ringen prijkten, bewoog een
schitterenden waaier van pauwenveeren waarin smaragden en robijnen
fonkelden.
De lange nagels flikkerden van diamantpoeder en toonden aan de macht en
het aanzien van dezen man.
Af en toe greep hij in een kleinen buidel die ter rechter- en ter
linkerzijde was geplaatst en dan wierp hij een regen van glinsterende
koperen munten in de volksmenigte.
Dat deed hij ook op het oogenblik, toen hij bij Win-Seng was
aangekomen.
Onder luid geschreeuw wierp het volk zich op de rollende goudstukken.
Alleen Win-Seng deed het niet. Door het gedrang werd het meisje de
sluier afgerukt en juist in dit oogenblik keek de machtige Kwo-Saing
naar haar om.
Zijn verveeld lachje verdween van zijn gelaat en in zijn oogen schoten
lichtsprankels.
Het meisje was schoon, zoo schoon, als hij nog nooit een in Peking had
gezien.
Hij zag, hoe de jongeling den sluier weer bevestigde en haar uit het
gedrang voerde.
Zachtjes riep hij den naam van een van zijn lijfwachten. Als een
afgerichte tijger kroop de slaaf naar zijn heer toe en luisterde
sprakeloos naar diens bevel.
Terstond wenkte hij twee wachters aan zijn zijde en verdween met hen
onder de volksmenigte, terwijl Kwo-Saing den weg naar zijn paleis
vervolgde, thans niet meer vermoeid en onverschillig, maar met volle
handen en opgewonden gebaren zijn muntstukken onder het volk strooiend.
Kwo-Saing lachte als een plomp en dik afgodsbeeld.
„Maakt plaats, maakt plaats daar, honden”, schreeuwden zijn slaven. „De
machtige Kwo-Saing, de man die veertig draken doodde.”
Zijn paleis lag dicht bij het hotel van den Franschen gezant.
Men zei in Peking: „Kwo-Saing is de voornaamste onderdaan van den
keizer. Kwo-Saing is het duurste en slechtste geld van de Russen en
Engelschen. Want Kwo-Saing is valsch!”
„Boeddha is groot en machtig!” sprak Kwo-Saing luide en op
fluisterenden toon vervolgde hij: „Als hij verstand en macht geeft.”
Win-Seng en Anitai waren kinderen van een deugniet, die alles
verspeelde.
Toen hij geen land en huis meer bezat, verkocht hij zijn veertienjarige
dochter Anitai aan Ma-leng-sadok, een ouden theehandelaar in
Tsien-tsin, die van den keizer, voor bewezen diensten, gedecoreerd was.
Veertig dollar was de koopsom voor Anitai.
Haar broeder Win-Seng hoorde van een getrouwen slaaf, dat zijn zuster
verkocht was en bij nacht en ontij vluchtte hij met Anitai naar Peking,
terwijl hun vader in een opiumroes lag.
Ma-leng-sadok liet den oude daarom een kop kleiner maken.
Win-Seng wist het, maar Anitai’s vrijheid was het hoofd van den vader
waard, want Confucius leert:
„Een speler is slechter dan een moordenaar!”
Met groote moeite gelukte het den jongen man, zijn zuster en zichzelf
buiten het volksgewoel te brengen en de stille Gezantschapstraat in te
slaan.
Deze straat stak gunstig af bij de vuile, morsige buurten der
hoofdstad.
Diepe rust heerschte hier. Het gejoel van het volk was slechts op
verren afstand hoorbaar, als de branding der zee.
De geelzijden draagstoel van Kwo-Saing was juist in het paleis
verdwenen. Behalve Win-Seng en zijn begeleidster was er niemand te
zien.
Met onderzoekende blikken liep de jonge Chinees voorwaarts.
Tien jaren waren voorbijgegaan, sinds hij als knaap met zijn moeder
zijn oom bezocht.
Slechts vaag kon hij zich het groote steenen gebouw met de
blauw-wit-roode vlag herinneren. Zijn oom was portier van het Fransche
gezantschap.
Het was al acht uur in den avond en hij moest zich haasten om een
onderdak te vinden.
Anitai kon zich, vermoeid door de lange wandeling, nauwelijks meer op
de been houden.
Op dit oogenblik kwamen eenige krijgslieden in snellen draf aangereden.
Win-Seng naderde hen en vroeg naar het huis met de blauw-wit-roode
vlag.
De grootste en zwaarst-gewapende van hen antwoordde:
„Volg ons, wij gaan naar dat gebouw.”
„Ik ben een bloedverwant van I-lai-ko, gij zult hem wel kennen”, sprak
Win-Seng.
„Ik ken hem en ben er trotsch op een stofje te zijn, dat hij met zijn
voeten mag betreden. [1]
„Volg mij, ik zal u geleiden, als gij een bloedverwant van I-lai-ko
zijt”, antwoordde de soldaat en ging met zijn makkers vooraan.
Win-Seng en Anitai volgden en stonden eenige oogenblikken later voor
het paleis. De ijzeren deur werd geopend, Win-Seng zag een hal, die van
goud schitterde.
Plotseling kreeg hij een geweldigen klap op het hoofd, zoodat hij
bewusteloos neerviel. Het laatste wat hij hoorde, was een kreet van
Anitai.
De ijzeren deur werd achter haar gesloten, twee slaven kwamen te
voorschijn, namen den levenloozen Win-Seng op en droegen hem weg.
Voor den tempel van den grijnzenden Tsai-Soi legden zij hem neer. De
laatste stralen der ondergaande zon beschenen hem, toen de priesters
kwamen om den slaven hun last af te nemen.
„Kwo-Saing zendt u dit offer. Hij heeft een Eunuch (vrouwenbewaker)
noodig voor den keizerlijken harem. Tsai-Soi moge zijn genade
schenken.”
Zoo spraken de slaven tot de priesters. De priesters grijnsden en
sleepten het levenlooze lichaam van Win-Seng in den donkeren tempel.
Tsai-Soi echter hurkte als een grijnzend ondier voor den ingang en
bewaakte zijn diepste geheimen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
EEN VERIJDELDE MEISJESROOF.
Nacht en duisternis heerschten in Peking. De maan was weer verdwenen.
Koud woei de wind door de straten en bijna geen leven was in Peking te
bespeuren.
Alleen daar, waar het gebouw van het Engelsche gezantschap lag, was de
straat door magnesia-fakkels verlicht en een hoop bedelaars en gepeupel
van allerlei soort hurkte rondom de wachtende draagstoelen.
Bij den Engelschen gezant was een groote avondpartij. Alle voorname
Europeanen en andere vreemdelingen waren uitgenoodigd.
Juist traden twee heeren, gevolgd door bedienden van het gezantschap,
buiten de deur.
Een van hen was een rijzige, breedgeschouderde man in zijn beste
levensjaren, terwijl de ander klein en dierlijk gebouwd en van weinig
opvallend uiterlijk was.
Deze laatste was de Italiaansche groothandelaar Saltorelli en de ander:
John C. Raffles, die onder den naam van een zekeren Lord Cheekman een
pleizierreis naar China had gemaakt.
Eigenlijk was het een studiereis, zooals hij, voor zijn vertrek uit
Londen, tot zijn vriend en helper Charly Brand had gezegd.
Hij wilde het terrein bestudeeren voor het uitvoeren van eenige
meesterstukjes en nu eens de Chineesche politie in al haar
eigenaardigheden leeren kennen.—
„Wilt gij werkelijk te voet gaan, mijn beste Lord?” vroeg de koopman.
„Maar waarom niet, Signor Saltorelli. Ik denk, dat de wijn en de
gerechten zoo voortreffelijk zijn geweest, dat men een dergelijke
kleine wandeling noodig heeft voor de spijsvertering. Ik loop dus. Het
is niet de eerste keer en Peking is voor ons, Europeanen, veiliger dan
Londen en Parijs.”
„En toch—en toch—ik waarschuw u, mijn waarde Lord. Menigeen is hier
verdwenen, zonder dat ooit een knoop van hem weer te voorschijn kwam.”
„Kom, Signor, zoo gauw raakt men niet verloren.—Wel thuis. Morgenavond
zal ik zoo vrij zijn, gevolg te geven aan uw uitnoodiging. Goeden
nacht—mijn groeten aan de dames—tot weerziens!”
„Wel thuis, Lord Cheekman”, riep Saltorelli hem toe van uit zijn riksha
(tweewielig rijtuig) en bij vervolgde: „Neem in elk geval een
fakkeldrager mee!”
„Mijn sigaar geeft licht genoeg”, antwoordde Raffles.
„Voorwaarts!” riep Saltorelli tot zijn dragers, „die Engelschen zijn
eigenaardige stijf koppen.”
John Raffles liep door de bedelende Chineezen door zonder notitie van
hen te nemen. Langzaam slenterde hij de straat langs en eerst toen
eenige bijzonder brutale kerels onder heftige bewegingen hem kash-kash
(geld-geld) naschreeuwden en hem met een troepje volgden, zoodat de
vieze lucht van het gepeupel hem hinderlijk werd, maakte hij een kort
proces en deelde met zijn wandelstok eenige gevoelige slagen uit naar
links en rechts.
Dat hielp.
Schreeuwend en krijschend gingen zij naar de anderen terug en John
Raffles liep alleen de stille Gezantschapstraat verder door, om in de
Chineesche wijk te komen.
De groote onbekende had zijn intrek genomen midden in Peking. Hij wilde
de stad en de bevolking nauwkeurig bestudeeren en dacht, dat dit in het
Europeesche gedeelte moeilijk zou gaan.
Hij woonde bij een zekeren Huen-Schang, een goudsmid. Het huis, dat hij
bewoonde, was uiterst zindelijk.
Lord Lister had op al zijn reizen nog nergens een dergelijke
zindelijkheid aangetroffen. Het gebouw lag achter een grooten muur te
midden van een bloeienden tuin onder oranje- en pereboomen.
De ingang was langzamerhand een soort marktplaats geworden en achter
den muur lagen werkplaatsen.
Des avonds werd de bronzen poort dichtgegrendeld en het huis in den
tuin was dan van de geheele wereld afgesloten. Een beter verblijf kon
John Raffles zich niet wenschen. Weinig Europeanen woonden in Peking
zoo goed als hij.
Peinzend liep de groote onbekende de Gezantschapstraat door.
Bij het Fransche paleis stak hij een nieuwe sigaar aan en terwijl hij
stil stond, hoorde hij plotseling de verstikte kreten van een meisje
uit het aangrenzende paleis van een Chinees.
Een oogenblik luisterde hij—de kreten klonken als in grootsten
doodsangst, toen werd alles weer stil.
Daar klonk het weer—duidelijk hoorde hij het roepen van een naam:
Win-Seng!—Win-Seng!—daartusschen vernam hij een scheldende, twistende
stem.
John Raffles dacht een oogenblik na, wat hij zou doen, toen ging hij,
zonder aan het gevaar, dat misschien dreigde, te denken, naar de deur
van het paleis en klopte daarop luid met zijn stok.
Oplettend luisterend, hoorde hij, hoe daarbinnen sloffende schreden
naderden.
Hij greep naar zijn revolver en hield die gereed om te schieten.
Een luikje werd geopend in de groote deur, waardoor een lichtstraal in
de duisternis viel.
In de Chineesche taal, die Raffles niet verstond, vroeg iemand, wat hij
wenschte. Onbevreesd stelde Lord Lister onmiddellijk een wedervraag in
het Engelsch, wat het geschreeuw te beteekenen had?
„Frankenhond!” schold de portier.
Geprikkeld door dezen Chineeschen vloek naderde de groote onbekende met
een sprong het venstertje en voordat de portier het kon vermoeden,
sloeg Raffles hem met zijn stok in het gelaat.
Het gevolg hiervan was een vreeselijk geschreeuw van den portier en het
afvuren van een pistool op Raffles.
Tengevolge van de duisternis miste het schot, maar het werd nu levendig
in het gebouw van het Fransche gezantschap en gewapende dienaren met
lantarens snelden naar buiten.
Ook in het paleis van den Chinees was alles in oproer. Kleine vensters
werden geopend, papieren lantarens ontstoken en gewapenden snelden heen
en weer.
Meermalen werd op Raffles geschoten, maar geen enkele kogel trof hem,
alleen een der Fransche soldaten kreeg een schampschot.
De paleisbewaarder van het Fransche gezantschap trad nu naar Raffles
toe en vroeg hem naar de oorzaak van het tumult.
De groote onbekende noemde zijn naam en vertelde de reden van het
rumoer.
Of het was omdat de paleisbewaarder Kwo-Saing haatte, in elk geval hij
begaf zich naar de poort en verlangde, dat men hem en zijn bedienden
onmiddellijk huiszoeking zouden toestaan, bij weigering waarvan
Kwo-Saing de gevolgen voor zijn rekening had te nemen.
Raffles wist, dat dit verlangen niet gewettigd was, maar hier in dit
land gold het steeds, zichzelf te helpen, vooral voor de Europeanen.
Eenige seconden verliepen, zonder dat zich iets in het paleis bewoog,
daarop vernam men een bevel en de poort werd geopend.
Een hoop tot de tanden gewapende Chineezen stond in de vestibule.
Lord Lister hield het daarom niet voor raadzaam, zich onder hen te
begeven en sprak tot den paleisbewaarder, die tevens tolk was:
„Zou het niet beter zijn, als wij die gele schurken buiten lieten
komen?”
„Volkomen mijn idee, uwe Lordschap!” antwoordde de tolk.
„Naar buiten, duivelsche honden, of mijn Russische knoet zal je een
handje helpen. Waar is Kwo-Saing, het hoofd der Pekingsche politie, de
man, die veertig draken doodde, de grootste schurk?—Haalt hem hier! Wat
voor een schanddaad bedrijft hij weer? Komt naar buiten!”
Hij liet zijn zweep eenige keeren met forschen slag door de lucht
zwiepen en bracht zoodoende de slaven in beweging. Mismoedig kwamen zij
naar buiten. Hun oogen fonkelden wraaklustig tegen de gehate
vreemdelingen. Zij gehoorzaamden slechts aan de macht en het geweld van
de Europeanen.
Op dit oogenblik verscheen ook Kwo-Saing.
Met een glimlach ging hij naar den tolk en sprak in slecht Engelsch:
„O, Excellentie—o, Excellentie! Welk een eer, welk een groote eer
bewijst gij mijn nederig dak, deel te willen nemen aan mijn eenvoudig
avondmaal! O, Excellentie, de eer zal te groot zijn; Boeddha zal er
jaloersch op worden!”
Bij die woorden hief hij beide armen op, alsof hij Boeddha wilde
aanroepen.
„Ik ben gaarne bereid, u niet verder lastig te vallen, als gij mij
vertelt, wat de kreten, die uit uw huis weerklonken, te beteekenen
hadden”, antwoordde Raffles.
De tolk echter sneed den Chinees elk antwoord af en sprak:
„Uwe Excellentie kan haar leugens wel voor zich houden en ons brengen
waar wij moeten zijn en waar wij het verlangde kunnen vaststellen.
Anders zal Uwe Excellentie morgen een zijden koord krijgen van den
keizer!”
Hij wenkte bij die woorden eenige Fransche soldaten en trad met hen het
paleis binnen, terwijl hij zijn knoet dreigend voor het gelaat van den
verschrikten Kwo-Saing hield.
„Uwe Lordschap, dit is het eenige middel om iets bij dit boevenpak te
bereiken”, riep hij tot Raffles, die buiten wachtte.—„En avant,
vadertje mandarijn, wijs ons den weg!”
Kwo-Saing strompelde onder veel buigingen en een stroom van woorden
over de hooge eer vooruit, en Raffles zag hem in het donker van het
paleis verdwijnen.
Er verliep wel een half uur, voordat de indringers terugkwamen.
Raffles hoorde het luide lachen en de schertsende woorden van den tolk.
Nu was deze weer bij de poort gekomen en de bedienden sleepten een
gesluierde vrouwengestalte met zich mede.
„Hahaha, Uwe Lordschap, dat was een grap, zooals als ik er zelden een
in Peking heb beleefd. Dien ouden vrek heb ik flink gestraft.
„Eerst noodigde hij mij in zijn eetzaal, drong mij een glas saki op en
legde daar een rol blanke dollars naast. Ik nam en sprak:
„„Kwo-Saing, de plaats is leeg.”
„Hij begreep—haalde een tweede—een derde—vierde—de plaats is telkens
weer leeg.
„Halt, denk ik, nu ben je er zeker van, dat de kerel een misdaad heeft
begaan. Bij duizend dollar houdt hij op, rolt zich als een egel in zijn
tunica en is niet meer te spreken.
„Nu ga ik dus zoeken.
„Bij het vrouwenvertrek wil mij een walgelijk schepsel naar de keel
vliegen, ik sla den kerel neer, dring het vertrek binnen en vind twee
oude vrouwen. Reeds wil ik gaan, toen ik onder de zijden kussens een
onderdrukt snikken hoor. Ik slinger ze uit elkaar en vind dit meisje
geboeid en met een prop in den mond.
„Dat is dus de reden van het rumoer, Uw Lordschap, en daar gij bij dit
tafereel mijn helper zijt geweest, verzoek ik u, mij het geld af te
staan en zelf het meisje mee te nemen.
„En avant! Gaat naar uw holen terug, roovers en dieven!” riep hij tot
de Chineesche dienaren, die het bevel dadelijk opvolgden en de deur
achter zich sloten.
John Raffles dacht een paar minuten na, daarop besloot hij, het meisje
mee te nemen naar zijn kosthuis.
Hij wenschte den tolk en diens bedienden goeden nacht en legde den arm
van het gesluierde meisje in den zijne.
Hij voelde, hoe zij sidderde en beefde. Langzaam liep zij naast hem
voort.
De Franschen keken hen eenigen tijd na, opdat het tweetal niet door de
bedienden van Kwo-Saing achtervolgd kon worden, daarop begaven ook zij
zich weer in hun paleis terug.
De straat was nu weer stil en leeg.
In de reuzenstad Peking had niemand iets van het nachtelijke avontuur
gemerkt.
DERDE HOOFDSTUK.
DE ZWARTE ROOS VAN PAI-HO.
Raffles was met zijn beschermeling dien nacht ongehinderd thuis
gekomen.
Hij had de menschen, waar hij in huis was, gewekt en hun het meisje
toevertrouwd, zonder dat hij haar sluier had opgelicht en haar gelaat
had gezien.
Toen hij zich omdraaide om naar zijn kamer te gaan, voelde hij, hoe
zijn handen werden gegrepen en met heete kussen en tranen bedekt.
Haastig trok hij zich terug en eerst nu kwam hij tot het besef, dat hij
meer had gedaan dan een menschenleven gered, dat hij een ziel voor den
zedelijken ondergang had behoed.
Gekweld door onrustige droomen, sliep hij dien nacht slecht en tegen
den morgen ontwaakte hij met het vage bewustzijn van alles wat er dien
nacht was gebeurd.
Hij had geruimen tijd noodig om zich het nachtelijk tooneel, dat voor
hem als Europeaan zoo vreemd was, weer te binnen te roepen.
Snel stond hij op, kleedde zich in een lichte tunica en klapte in de
handen.
Dadelijk werd de deur geopend en zijn huisbaas, Huen-Schang, een dikke
Chinees in een lange, lichtblauwe kaftan, violette zijden broek en
vreemd gevormde gele puntschoenen verscheen op den drempel, een buiging
voor hem makende.
„Wil de genadige heer, die de armoedige hut van zijn slaaf tot zijn
woning heeft verkozen, een arm koopman de eer bewijzen het ontbijt te
nuttigen, dat zijn karig huishouden hem kan verschaffen?” vroeg
Huen-Schang op onderdanigen toon.
John Raffles moest telkens om de bloemrijke taal van zijn gastheer
lachen, hoewel hij de uitdrukkingen bijna uit het hoofd kende.
„Graag!” antwoordde hij, een sigaar aanstekende.
„O, Excellentie., ik dank u, ik zal onmiddellijk bevel geven om u te
bedienen. De eer, die Mylord mijn ellendig dak bewijst, zal u
duizendvoudig vergolden worden! Ik hoop, dat gij ook heden over den
slechtsten uwer knechts tevreden zult zijn.”
Hierop ging de beleefde man heen.
Eenige minuten verstreken, daarop werd de deur opnieuw geopend. De
Groote Onbekende had reeds aan zijn schrijftafel plaats genomen om te
gaan werken.
Hij hoorde, hoe het porselein op de bamboetafel klaar werd gezet, de
aangename geur der thee prikkelde zijn reukorganen en een weeke stem
sprak:
„Heer, ik wacht op uw hooge bevelen!”
Haastig keek Raffles om.
Dat was niet de stem van Huen-Schang. Hij zag bij de deur in deemoedige
houding het meisje staan, dat hij dien nacht Kwo-Saing, den chef der
politie, had ontstolen.
Ongesluierd stond zij voor hem. In den vollen glans der zon, het hoofd
gekroond met het prachtige zwarte haar, gebogen en met de armen over de
borst gekruist—een sierlijke kleine gestalte.
Lord Lister bekeek haar opmerkzaam.
Het meisje was een schoonheid, zelfs voor de meest verwende Europeesche
oogen.
„Spreek je Engelsch, mijn kind?” vroeg hij verbaasd.
„Mijn moeder leerde mij die taal. Ik ben in Tai-ku geboren, een kind
der zee. Mijn moeder bezat de mooiste bloemenboot van de Paiho-rivier.
Ik hoorde sinds mijn kinderjaren veel vreemde talen en zing de liederen
der vreemdelingen.”
„En hoe kom jij, roos der bloemenboot, in Peking?” vroeg Raffles
verder.
„Vader heeft alles verspeeld,—de boot en moeder aan den slavenhandelaar
Huong-bin, daarna ons huis en land en eindelijk mij, zijn eenige
dochter. Ik heet Anitai en ik ben met mijn broeder Win-Seng gevlucht.
Heer, mijn broeder hebben zij hier doodgeslagen. Dezelfde lieden, die
mij gisteren roofden en uit wier handen gij mij hebt gered.
„Boeddha is groot en almachtig, dat hij mij, nietig stofje, heeft
gespaard.”
„Ga zitten, mijn kind, terwijl ik eet, of, als je nog niet hebt
ontbeten, neem dan aan mijn tafel plaats.”
Met uitnoodigende handbeweging kwam de Groote Onbekende haar tegemoet.
„O, heer, hoe zou ik, als slavin, aan de tafel van mijn heer mijn
honger durven stillen, hoe zou ik durven plaats nemen en zijn genade
verbeuren!”
„Je bent niet mijn slavin, zelfs niet mijn ondergeschikte; denk, dat je
mijn gast bent, neem dus plaats en deel mijn maaltijd met mij.”
„Heer, gij beveelt en u behoort mijn leven. Maar aan uw tafel mag ik
niet gaan zitten, want gij zoudt mij daardoor die plaats voor eeuwig
geven.
„Boeddha zou vertoornd op mij zijn en Punkuwong, de schepper der
wereld, zou mij haten, wanneer ik mij aan uwe zijde zou neerzetten
zonder uw hart te bezitten.”
„Maar Anitai”, sprak Raffles zacht en met een glimlach, „dat is niet
juist gesproken en gedacht. Onze gebruiken zijn anders en als ik je
verzoek, iets te doen, dan zal ik dat verantwoorden tegenover Boeddha
en Punkuwong. Mijn godsdienst staat je toe om te doen wat ik zeg.”
„Ja, ja, dat geloof ik, heer. Maar Confucius is ouder en heiliger in
zijn leer dan de verlosser van het avondland. Ik heb onderricht gehad
bij de monniken van het Sinkloster en ik weet, dat Confucius zeshonderd
jaar eerder kwam en de geboden van Boeddha verkondigde. Daarom, heer,
vergeef mij, als ik mij aan mijn zeden houd.”
Raffles begreep, dat het vergeefsche moeite zou zijn, haar te bewegen,
den maaltijd met hem te gebruiken en hij nam dus alleen plaats.
Zoo sierlijk was de tafel nog geen enkelen keer voor hem gedekt
geweest.
Welriekende bloemen waren hier en daar neergezet en alles getuigde van
goeden smaak.
Zwijgend en snel at hij. Daarna stond hij op, liet Huen-Schang bij zich
komen en gaf hem de opdracht, een draagstoel te bestellen.
Anitai bracht het theeservies weg, daarop kwam zij weer terug en bleef
in dezelfde deemoedige houding bij de deur staan.
John Raffles, die zich in het aangrenzende vertrek kleedde, keek een
tijdlang naar het meisje. Deze onderdanigheid was hem pijnlijk en hij
besloot, haar vertrouwelijker te maken door haar een gouden haarkam te
geven.
„Anitai!” riep hij.
„Ja heer, ik kom. Wat beveelt de heer?”
„Je zingt, zooals je mij hebt verteld.”
„Ja, heer.”
Voor het eerst keek hij haar in de oogen. Fluweel-zwart, met een
geheimzinnigen glans keken zij hem aan.
Hij kon zijn blik niet afwenden en keek, als in een roes, in de groote,
zwarte, geheimzinnige Oostersche sterren.
„Zing een lied voor mij”, verzocht hij, „dan zal ik je als belooning
deze gouden kam geven en in je haar steken.”
Met een vreemd, deemoedig glimlachje keek Anitai hem aan en liet toe,
dat Raffles een zware gouden kam in haar volle, prachtige, gitzwarte
haren stak.
„Je bent schoon, schoon als de zon—de koningin van het oosten”,
fluisterde Raffles en keerde zich daarop als verschrikt over zijn eigen
woorden van het meisje af.
„Heer, wat zegt gij? Ik begrijp uw woorden niet, maar zij klinken als
uit een sprookje van Tufu of Pe-ku-li.”
Raffles had intusschen een koffer geopend, die veel voortbrengselen van
het hemelsche rijk, welke hij had gekocht, bevatte.
Hij nam er een paar sierlijke muiltjes en een zijden, met goud bestikte
kassawaika uit en spreidde die voor Anitai uit.
„Tooi je hiermee, Anitai, ik wil je beschouwen als een meesteres en
mijn dwaasheid moge een verontschuldiging vinden in je
onvergelijkelijke lieftalligheid en bekoring.”
De oogen van het meisje glansden als het morgenlicht op donkere
wateren, een gelukkig lachje omspeelde haar wangen en zij sloeg de
blikken neer naar den grond, waar de glinsterende kassawaika lag, het
rijke gewaad eener vorstin.
Raffles echter, de koele Europeaan, keek voor het eerst sinds vele
jaren met stralende blikken naar het beschroomde, lieftallige gelaat
van een jong meisje en genoot van haar schoonheid.
„Ik zal Huen-Schang vertellen, hoe hij zich tegenover je te gedragen
heeft. Wacht mij tegen den middag terug; opdat je niet geheel en al
onbeschermd achterblijft, geef ik je deze kleine revolver. Bewaar haar
goed.”
Hij gaf haar het wapen en liet haar alleen.
Met een vreemde gewaarwording keek Anitai hem na.
Een rilling liep langs haar lichaam. Had zij gedroomd?
Neen! In heur haar stak een gouden naald en aan haar voeten ritselde de
kassawaika.
Neen, zij had niet gedroomd!
De trotsche, sterke vreemdeling had haar tot meesteres verheven. Tot
meesteres, omdat zij, zooals hij vertelde, zoo schoon was als de zon!
Met schitterende oogen nam zij het gewaad van den vloer op.
De kleine kamers geleken haar een heiligdom. Zij voelde nog de
nabijheid van den fieren man, dien zij onderdanig wilde zijn, als een
slavin, maar tevens als een koningin.
Zij wist, dat, wanneer de avondschaduwen neerdaalden en de maan
groetend achter de hooge boomen zou opkomen, als de nachtegalen hun
lied zouden kweelen en de bloemen haar bedwelmende geuren in de zoele
lucht zonden,—dat dan hij terug zou keeren en zij hem zou mogen dienen,
als een koningin—als een slavin.
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN HANENGEVECHT.
In de Thu-lin-straat, tegen den muur van het keizerlijk paleis,
bevonden zich eenige door vreemdelingen dikwijls bezochte theehuizen en
een koffiehuis, door een Maleier opgericht en dat „De vliegende zwaan”
heette. Het reusachtige dier, dat boven den gevel prijkte, kon echter
evengoed een groote kangoeroe als een kameel voorstellen, maar geen
zwaan.
Het huis was grooter en hooger dan het aangrenzende. Naast de
zuilengalerijen, waarin de koffietafeltjes en zitplaatsen waren,
bevonden zich winkels, waar alle denkbare Europeesche voorwerpen te
krijgen waren.
Hier concentreerde zich voor een groot gedeelte het leven der
keizerlijke beambten.
De menschen, die vroeger in groote afgetrokkenheid in het paleis
leefden, waren door de Europeanen er langzaam toe gebracht, dit leven
te veranderen en daar de blanken bij voorkeur dit koffiehuis bezochten,
waren ook zij er heen gegaan en konden zich ten slotte hun leven niet
meer er zonder denken.
Hier werden nieuwtjes verteld, die de Pekingsche courant niet kon
opnemen, hier werd er steeds door hanen- en sprinkhanengevechten voor
gezorgd, dat de verveling niet de overhand kreeg.
Een groot plein grensde aan het gebouw en hier hadden zich eenige
groepjes verzameld om naar een hanengevecht te kijken.
Onder de aanwezigen bevond zich ook de Italiaansche groothandelaar
Saltorelli en zijn zakenvriend Raffles, vergezeld door een voornamen
Chinees.
Behalve hen was er nog een groot aantal toeschouwers aanwezig. Wel een
half dozijn soldaten van verschillende gezantschappen, eenige
Europeanen met slappe, vermoeide trekken, lieden, die tot de dienaren
van een der paleizen behoorden, koelies, palankijndragers en bedelaars.
Een oorverdoovend geschreeuw, gelach en handgeklap vervulde de lucht.
„Dertig op den witkop!” schreeuwde een Fransch soldaat tot een
Engelschen.
„Vijftig er tegen; halt Lorming, halt! Ik verwed nog een flesch saki
erbij, dat de roodkop het zal winnen!” riep de Engelschman. „Goddam, ik
draai dat satansbeest den nek om, als het niet wint.”
„My, My, kittel hem toch met een mes onder de veeren, om hem een beetje
levendiger te maken. Je hanen zijn sufferds, evenals je zelf, Tsin-kar,
vervloekte slaapkoppen!” riep een Hollander.
„Laat ze dan braden!” sprak de Chinees en had door die woorden de
lachers op zijn zijde.
De beide kemphanen, die met steile veeren tegenover elkaar stonden,
waren een paar zeldzaam mooie dieren.
Het eene goudrood, het andere geelwit met een blauwachtig glanzenden
staart. Beide hanen waren krachtig gebouwd en ieder droeg aan zijn
rechterpoot een klein, vlijmscherp geslepen spoor.
Aan beide zijden van de kampplaats hurkten met geopende zakken en
scherpe, dolkachtige messen in de hand, de eigenaren der dieren, twee
halfnaakte Chineezen, die de gevederde vechtersbazen met hun geschreeuw
en messteken tot woede prikkelden.
Maar de vogels schenen minder bloeddorstig te zijn dan de toeschouwers.
Zij liepen heen en weer, fladderden af en toe tegen elkaar op, maar
bleven over en weer tamelijk vredelievend.
Dit ergerde de toeschouwers. De soldaten hadden talrijke weddenschappen
gesloten, de meesten van hen schenen reeds dronken te zijn, want zij
raasden en tierden zoo dat men het op straat kon hooren. Zij
gesticuleerden als waanzinnig en deden alsof zij de baas waren.
Door de vreedzame stemming der hanen geraakten zij hoe langer hoe meer
in woede.
„Diable, als het nu niet gauw begint, draai ik de vogels den nek om!”
riep de Franschman.
Een tweede, die naast hem zat, stond op en sprak:
„Vriend, wij zullen zelf eens een handje helpen.”
Hij trok zijn bajonet en boorde de punt tusschen de veeren van den
witten haan.
De pijniging was zoo groot, dat het gekwelde dier opsprong en den eenen
Chinees naar het hoofd vloog.
Een brullend gelach der soldaten weerklonk, terwijl de Chinees den
fladderenden haan trachtte af te weren.
De Chineezen schreeuwden en scholden en om nog meer pret te hebben,
stiet de Fransche soldaat opnieuw naar den haan, zoodat hij nu met
bloedig gekleurde veeren op den grond lag.
„Hola, witkop, hola,—vooruit!” riep een andere soldaat.
John Raffles, geërgerd door de brutaliteit van den Franschman, die het
dier opnieuw wilde pijnigen, trad naar hem toe en sprak op bevelenden
toon:
„Berg onmiddellijk uw wapen op!”
„Oho!” riep de soldaat opspringend, terwijl zijn door den drank
roodgekleurde oogen Raffles vol woede aankeken, „wat beteekent dat? Wie
zijt gij? Wat wilt gij—mij bevelen geven?”
„Ja, ik zal u beletten, de dieren verder te mishandelen”, sprak Lord
Lister met ernstige stem.
„Gij—gij—keer u om, als het u niet bevalt, vervloekte Engelschman!”
„Goddam, jij Fransch canaille!” riep nu een der Engelsche soldaten
woedend uit, geprikkeld door die woorden. „Ik zal je met je eigen
bajonet tot plumpudding slaan, als je nu je mond niet houdt!”
„Mille tonnerres, wat wil die brutale Chamberlain?”
„Weg met de Engelsche bloedhonden!” riepen de Franschen woedend uit.
Wel een dozijn soldaten schreeuwden nu door elkaar, trokken de sabels
en wilden gaan vechten.
Reeds wilden de Chineezen angstig vluchten, toen de woede der
twistenden door de hanen werd afgeleid, die plotseling op elkaar
aanvielen en elkaar kam en borst met de snavels openreten.
Alle twist was onmiddellijk gestaakt.
Nu gold aller belangstelling welke der beide hanen wel zou overwinnen.
„Hiep, hiep, hoera!—de witkop wint!”
„Doe je best, doe je best, roode!—Zoo is het goed!”
„Gebruik je spoor, gele—hoera, prachtig!”
„Nog dertig op den gele!”
„Veertig op den roode!”
„Zestig op den gele!”
„Wil je wel eens, beest, gauw wat! Je vecht voor mijn geheele
maandgeld!”
De omstanders vochten bijna mee, hun oogen glinsterden koortsachtig.—De
roode won.
De gele trachtte met matte vleugelslagen te vluchten.
De Chineezen snelden schreeuwend nader en vingen de bloedende dieren in
hun zakken.
De soldaten betaalden hun weddenschappen, lachend streken de winners
het geld op, met vloekwoorden gaven de verliezers het af.
Saltorelli ging met Raffles in het koffiehuis.
De door Raffles terechtgewezen soldaat schreeuwde hen na:
„Wij zien elkaar weer!”
„Gij hebt u een vijand bezorgd ter wille van een kleinigheid, beste
Lord”, sprak Saltorelli en voegde er bij: „Gij schijnt niet bang te
zijn voor China?”
„Ik ben alleen bang voor mijn vrienden”, glimlachte Raffles met den
blik van een philosoof.
Op dit oogenblik naderde een voorname Chinees, vergezeld door
verschillende waardigheidsbekleeders, Signor Saltorelli en begroette
hem en de Italiaan nam de gelegenheid waar om Raffles voor te stellen.
Het was prins Thun, de meest gehate man in China!
Dat wil zeggen, niet gehaat door het volk of de Mandarijnen, maar door
keizerin Tsu-si en haar vertrouwden, aan wier spits prins Tuan staat.
Zij vreest prins Thun, omdat hij na den dood van de keizerin en van den
jongen keizer, voor wien de keizerin-moeder het bewind voert, de
eventueele troonopvolger wordt.
De prins had in Europa gestudeerd en stond bekend als bijzonder
vriendelijk jegens vreemdelingen.
Sinds drie jaar was hij voor den tweeden keer getrouwd met de dochter
van een Mandarijn. Het huwelijk was geheel uit liefde gesloten. Zijn
eerste vrouw, een prinses, was na de geboorte van een zoon gestorven.
Pu-Hi was diens naam.
De tokolieden en arbeiders spreken nog altijd van de geweldige pracht
der huwelijksfeesten, van den hoogen, breedgetakten olijfboom, wiens
takken tot aan de uiteinden met goudstukken waren behangen. Alles
knielde voor dit zinnebeeld van sterke vruchtbaarheid en beroemde
nakomelingschap.
Zijn tegenwoordige vrouw, Wandé, was de dochter van een mandarijn van
de eerste klasse, beschaafd en zeer geleerd.
Behalve de kunst van borduren, kon zij drieduizend letters teekenen,
kende de geboden van Boeddha, de wijze spreuken van Confucius en zong
met welluidende, zoete stem schoone liederen bij de gitaar.
Wandé is schoon als de leliën op het veld.
Haar lichaam vertoonde sierlijke, slanke vormen. Op den fijngevormden
zwanenhals droeg zij het schoone kopje gracieus en sierlijk.
Altijd is zij gekleed in witte zijde, geborduurd met groote roode
koelewangbloemen.
Haar kapsel is geheel Europeesch en versierd met schitterende spelden.
Haar tanden zijn volkomen gaaf, wit en klein, als glinsterende
rijstkorrels; want zij kauwt niet, zooals de andere vrouwen, roode
sirih. Zij houdt van de vrouwen der blanke vreemdelingen en tooit zich
zooals zij dat doen.
Prins Thun zou de gelukkigste aller stervelingen zijn, als ook Wandé
moeder werd van een zoon. Maar de arme, rijke Wandé heeft de met goud
behangen olijfboom weinig geholpen.
Tsai-Soi, de lentegod, en Choang-Wong-Ja, de god der vruchtbaarheid,
hooren haar smeekbeden zwijgend aan.
Met droevige gedachten en glimlachend gelaat wandelt de prinses
daarheen en als zij bij zonsondergang in haar purperen palankijn het
paleis verlaat en door haar bedienden door de drukke straten wordt
gedragen, dan weent zij achter de zijden gordijnen van haar draagstoel
bittere tranen, bij het zien van de kleine, aardige jongens van
gelukkige moeders.
De armste vrouw in het Hemelsche Rijk is rijker dan de rijkste vrouw
van den machtigsten man.—
Haar hart is vervuld van bitterheid, als zij in het paleis het
vroolijke lachen hoort van Pu-Yis, den zoon der overleden gade van den
prins, als zij ziet, hoe de vader vol trots naar hem kijkt en haar met
een smartelijken blik gadeslaat.
Hij weet, dat het geluk hem ontzegd is, nog een zoon te bezitten.
Zij echter gelooft aan haar schuld.
Hoeveel zonneschijn en geluk zou Boeddha in haar schitterend paleis
tooveren door zulk een klein, geel kindergezichtje!
Tevergeefs!
Nu heeft eindelijk de opperpriester van Tsai-Soi, den machtigen
lentegod, haar beloofd, den vloek van haar hoofd weg te nemen.
Rijke offers en waardevolle geschenken moet zij geven. Zij wil liever
arm zijn, dan de liefde van haar echtgenoot te verliezen.— — —
Het verlangen van den prins naar een zoon van de geliefde vrouw had
prins Tuan aan de keizerin medegedeeld en in hun haat smeedden zij een
duivelsch plan, om prins Thun doodelijk te wonden.
De keizerin beval den opperpriester van den tempel van Tsai-Soi bij
zich en gaf hem een opdracht, zooals die niet gemeener bedacht had
kunnen worden.
De opperpriester was een aanhanger van de Ming-partij en als zoodanig
haatte hij Thun, die de door hem verafschuwde Tsingdynastie en
vreemdelingenheerschappij beschermde.
Met zijn vrouw wilde hij hem straffen, zij zou hem een zoon schenken en
prins Thun zou onteerd zijn, een bastaard bezitten. De geheimen van den
tempel Tsai-Soi zouden haar doen vallen en den dood in zijn hart
brengen.— —
Wandé was in den tempel om te offeren.
Zij verbrandde goudpapier en welriekende kaarsen voor het plompe,
grijnzende afgodsbeeld, en haar gebed, dat zij telkens herhaalde,
luidde:
„Machtige Tsai-Soi, zend het geluk tot mij en maak mijn deemoedig hart
gelukkig door het bezit van een zoon.”
Daar naderde haar de opperpriester Kusam en sprak:
„Hebt gij de offers gebracht, die Tsai-Soi wenschte?”
Wandé antwoordde met zachte stem:
„Ja!”
„Zoo volg mij dan en neem mijn hand.”
Sidderend volgde de prinses en liep om het afgodsbeeld naar een met
zuilen versierde ruimte.
Het was hier schemerdonker, de muren waren vol gouden inschriften en
grillige beelden stonden overal. Hier en daar prijkten afgodsbeelden
met duivelachtig verwrongen trekken. Geheel op den achtergrond, geheel
in het donker, bevond zich een blok.
Daarheen begaven zich de twee en Kusam beval de prinses te knielen.
Angstig gehoorzaamde Wande en nu zag zij, dat voor haar een holte in
het blok was uitgehouwen, in den vorm van een menschelijk lichaam.
Daarnaast stond het metalen afgodsbeeld van Tsai-Soi.
Kusam verbrandde den inhoud van een wierooksvat, bedwelmende,
blauwachtige rookwolken stegen op en Wandé zag, hoe de priester een
afschuwelijk zwart masker voor het gelaat deed.
Naar haar toe gebogen mompelde hij vreemde woorden en verdoofd door den
damp van den wierook, zonk zij bewusteloos op het blok neer.
Onmiddellijk doofde Kusam met een demonisch lachje de wierookvlam,
sloeg op een koperen gong en eenige priesters snelden naderbij.
De opperpriester sprak tot hen:
„Daar ligt de vrouw van onzen grootsten vijand, prins Thun, die door
Boeddha voor zijn ongehoorzaamheid wordt gestraft, door hem geen
verdere erfgenamen te geven.
„Zij echter wil de genade van Tsai-Soi deelachtig worden. Legt haar op
het offerblok en voert Win-Seng, het slachtoffer van Kwo-Saing, tot
haar. Hij moet de schande van Thun met zijn leven bezegelen.”
De opperpriesters sleurden de ongelukkige, bewustelooze vrouw naar den
offersteen van Tsai-Soi en Win-Seng werd binnengebracht.
Door de belofte van Kusam om hem zijn vrijheid terug te geven en het
drinken van een geheimen, verhittenden drank, werd hij een gewillig
werktuig van den machtigen Tsai-Soi en tot beul van de eer van prins
Thun.
Een maand daarna verlangde prins Thun van den tempel van Tsai-Soi een
vrouwenbewaker, omdat hij reden had om zijn eer te bewaken.
A-si-bar, de groote Boeddhapriester, troostte hem met de woorden:
„De wijze schikt zich in zijn noodlot, zooals het water in den vorm van
een vat.”
„Ik zou het verdragen, wijze priester, wanneer niet mijn vijanden nu
over mijn eer en mijn hart te gebieden hadden”, antwoordde prins Thun
met toornige stem.
„Hoon Tsai-Soi en zijn priesters niet! Heeft hij u met schande
gezegend, wend u dan tot Boeddha, maar niet tot de menschen.”
In dit oogenblik traden twee opperpriesters binnen en voerden een
gesluierden slaaf met zich mee.
Diep bogen zij voor den machtigen prins en brachten hem den
vrouwenbewaker.
De prins beval den slaaf te ontsluieren en hij zag een jongeling van
twintig jaar. Het was de ongelukkige Win-Seng.
De priesters openden hem den mond en lieten zien, dat zijn tong was
uitgerukt.—Win-Seng was stom.
Dadelijk daarop ging de Boeddha-priester heen en Win-Seng stond alleen
voor zijn machtigen heer, die hem met een blik vol argwaan opnam.
Eindelijk maakte prins Thun een eind aan het zwijgen en vroeg:
„Hoe komt het, dat gij een slachtoffer van Tsai-Soi geworden zijt?”
Win-Seng duidde door gebaren aan, dat hij door geweld zoover was
gebracht.
„Dus je haat de priesters?” vroeg prins Thun.
Het antwoord hierop gaven hem Win-Seng’s oogen, die fonkelden van haat,
toen hij de vraag door met het hoofd te knikken bevestigend
beantwoordde.
„Ik zal je de gelegenheid geven, als je mij trouw bent, je te wreken.
Volg mij!”
Prins Thun bracht hem naar de vertrekken van Wandé.
Op zijden kussens lag zij daar, droomend in het maanlicht starend.
„Ga vooruit!” beval prins Thun en Win-Seng trad aan de legerstede der
jonge vrouw.
De zilveren stralen van de maan beschenen de tengere gestalte der
schoone vrouw en weerspiegelden zich in de kostbare steenen, die zij om
den hals droeg.
Zoodra zij Win-Seng zag, sprong zij vol ontzetting van haar legerstede
op en zonk op haar knieën.
„Tsai-Soi! Almachtige! Heb erbarmen met mij!” riep zij met opgeheven
armen.
Win-Seng keek haar aan en deinsde verschrikt terug.—
Hij herkende haar.
Prins Thun echter doorzag in dit oogenblik het schandelijke werk der
Tsai-Soi-priesters en vroeg Win-Seng met dreigende stem:
„Kent gij haar?”
Een bevestigend knikje volgde.
Eenige seconden heerschte een dof, drukkend stilzwijgen in het vertrek.
„Was zij je slachtoffer, schurk, in den tempel van die honden?”
Met van woede verwrongen gelaat schreeuwde prins Thun en greep naar
zijn scherpgeslepen zwaard.
Win-Seng, die den dood een uitkomst vond, ontblootte gelaten zijn hals
voor het doodend wapen en gaf een toestemmend teeken.
Met een kreet, als van een ten doode gefolterd wezen, ontving prins
Thun het antwoord van den slaaf en vol ontzetting schreeuwde hij:
„Honden!—honden! Gij hebt mijn hart gebroken. Daarvoor zal ik u ten
verderve brengen. Ik heb je bemind, Wandé, als een godin van goedheid,
schoonheid en deugd!
„Nu verscheur ik mijn kleeren, nu zal ik mijn hoofd in zak en assche
verbergen.—
„Punkuwong heeft mij het hart uit de borst gescheurd en jou onteerd.
Voortaan zal ik als een eenzame ronddolen. Mijn smart zal tot in de
wolken dringen en tot in het midden der aarde reiken.
„Wandé—Wandé—waarom voerde het noodlot je naar de priesters! Bijgeloof
en waanzin!—
„De vreemde blanke duivels hebben gelijk, als zij zeggen, dat wij een
doode massa zijn. Onze priesters—onze doodgravers!—Honden!—Ik zweer het
bij Boeddha, ik zal uw tempels slechten en deze steden en menschen tot
stof vertrappen, want gij hebt mij in uw waanwijsheid alles, alles
geroofd!—
„Sta op, slaaf. Gij draagt de eer van prins Thun, van den machtigsten
generaal in dit Rijk en ik wil je niet dooden, want je bent door Wandé
en mijn eer geheiligd. Je leven behoort voortaan deze vrouw.—
„Wandé—wreek jezelf en mij, als je voortaan nog de vrouw van prins Thun
wilt heeten!”
Met deze woorden snelde de edele Chinees heen.—
Win-Seng stond op. Het was hem vreemd te moede.
De woorden van den prins hadden hem verward.
Daar hoorde hij plotseling, hoe Wandé op klagenden toon sprak:
„De beschermer van mijn jeugd en schoonheid heeft mij verlaten. Mijn
geloof is op een schandelijke wijze bedrogen, het is mij, alsof ik in
duizend scherven was gevallen. Mijn ziel is vervuld van schrijnend wee,
mijn oogen zijn vol tranen.
„Ea-saa-bar, mijn overleden vader, neem mij tot u; het leven is niets
dan ongeluk en teleurstelling.”
Zij hield de slanke handen voor het gelaat en weende bitter.
Win-Seng wist geen troost voor zulk een groot verdriet. Zachtjes sloop
hij uit het vertrek in een aangrenzende kamer en legde zich rillend van
ontroering op het tapijt neer.—
Nu was de prinses alleen.
Urenlang hoorde Win-Seng haar weenen, eindelijk hoorde hij het niet
meer en viel in een diepen slaap.
Zoo gingen de uren voorbij; ten slotte stond de prinses op, schudde als
gedachtenloos haar lange zijden haren uit het rood-geweende gelaat en
vouwde wanhopig de handen, als een ten doode gekweld wild om zich heen
kijkend.
Eindelijk scheen zij weer tot het bewustzijn van haar toestand te
komen. Zij ging naar een hoek van het vertrek, waar een groot,
porseleinen afgodenbeeld van Tsai-Soi stond. Met haar zwakke krachten
sleurde zij het naar den grond, zoodat het in duizend stukken brak.
Door het geluid gewekt, sprong Win-Seng verschrikt van de mat op en
luisterde eenige minuten, daarop maakte de slaap zich weer van hem
meester.
Kort daarna sloeg Wandé het gordijn van paarlen, dat voor zijn kamer
hing, opzij en zacht sloop zij naar de rustplaats van den ongelukkige,
die als een marmeren beeld in het licht der maan neerlag.
De zwarte oogen der prinses fonkelden, toen zij op hem neerzag. Daarop
gleed een waanzinnig lachje om haar mond, zij boog zich over hem heen
en kuste hem.
Win-Seng glimlachte in den droom; het was hem, als speelde hij met
Anitai op een weide vol bloemen. Vermoeid van hun kinderlijk spel
rustten zij. Uit de verte klonk trompetgeschal tot hen door—en Anitai
kuste hem.
Wandé knielde naast hem en zong zachtjes een lied.
Daarop trok zij de met goud gestikte kassawaika open en haalde van haar
borst een dolk te voorschijn.
Voorzichtig opende zij de tunica van Win-Seng.
Zacht, als streelend, zocht haar hand zijn hart.
Zij kuste het scherpe staal en hief de hand op om het wapen in de borst
van den slaper te stooten.
Plotseling opende hij de oogen en keek met een glimlach naar Wandé.
Hij geloofde, dat zij Anitai was.
Maar als gloeiende doodslampen fonkelden de oogen der prinses en
slaapdronken sloot hij de zijne opnieuw.
En weer hief Wandé den dolk op.
Een geritsel aan het paarlengordijn schrikte haar op.
Met een kreet stond zij op en staarde naar een vreemdeling—een blanke
duivel, die op geheimzinnige wijze het vertrek was binnengekomen.
De vreemdeling trad nader.
„Waarom wildet gij dien ongelukkige dooden? Heeft hij u kwaad gedaan?”
fluisterden zijn lippen.
Wandé balde de vuisten.
„Ja, hij overlaadde mij in den tempel van Tsai-Soi met smaad en
schande. Ik werd zijn slachtoffer.”
„Hoe moet ik dat begrijpen?”
„Ik bracht den lentegod offers opdat hij mij een zoon zou schenken. De
priesters verdoofden mij en...” zij zweeg blozend en vervolgde daarna
zuchtend: