automobielhoorn. En zeg mij nu eens, wanneer gij weder terug kunt
komen.”
„Morgen, als gij wilt.”
„Uitstekend. Ik reken er op.”
HOOFDSTUK V.
AMOR IN DE KLEM.
Er was ongeveer een week voorbij gegaan, sedert het eerste bezoek van
den jongen schilder in het prachtige huis van mijnheer Jellybird.
Hem was reeds tweemaal de hooge eer te beurt gevallen aan de tafel van
den millionair te mogen aanzitten, heel intiem, alsof hij de gelijke
was van dien geldvorst.
Hij had kennis gemaakt met mevrouw Jellybird en had haar leeren kennen
als een merkwaardig schrale en platte dame, het levende tegendeel van
haar corpulenten man, en die het bijna onbegrijpelijk maakte, dat de
lieve Dolly werkelijk haar dochter was.
Het schilderij begon al goed op te schieten.
Het was levensgroot, en voorloopig prijkte het in een breede
eikenhouten lijst.
In het midden van de werkkamer van den heer des huizes stond nu de
zware ezel, waarop het doek geplaatst was.
Zooals Dolly wel voorspeld had, was het geheim van haar verjaardag
reeds op den tweeden dag geen geheim meer, want mijnheer Jellybird had
onmogelijk zijn mond kunnen houden.
Het lieve meisje was dan ook reeds eenige malen stil het vertrek
binnengekomen en op haar teenen naar den schilder toegeslopen, om toe
te zien, hoe hij met vaardige hand het portret van haar vader op het
doek wist te werken.
Zoo kon zij geruimen tijd naast Darragos staan en soms liet de jonge
schilder het penseel zakken, hief zijn gelaat naar haar op, vatte haar
kleine hand, en drukte er een geluidlooze kus op, welke kunstbewerking
ongestraft kon plaats grijpen, daar de beide jongelieden als het ware
verscholen zaten achter het groote schilderij, dat hen voor den heer
Jellybird onzichtbaar maakte.
Snel en onweerstaanbaar was tusschen den jongen schilder en de dochter
van den bierbrouwer een teedere band ontstaan, die iederen dag sterker
werd.
Het was niet meer de dankbaarheid van het meisje jegens den man, die
haar het leven had gered, het was een machtiger gevoel.
De heer Jellybird liet zich meestal bijzonder veel voorstaan op zijn
gezond verstand en helder doorzicht, maar hij zou zeker eerder geloofd
hebben, dat het einde van de wereld aanstaande was, dan ook maar een
seconde iets te vermoeden van de kleine intrige die zich zoo vlak in
zijn nabijheid afspon en waarvan hij alleen onkundig was, wegens het
groote schilderij, dat hem de kern van de zaak verborg. Het was op den
negenden dag, sedert Darragos voor het eerst zijn opwachting maakte en
de bierbrouwer zooals gewoonlijk voor zijn schrijftafel zat met een
trotsche houding en een verwaten uitdrukking op zijn bol gelaat.
Darragos was zooeven gekomen en schilderde zwijgend door.
Hij deed al zijn best, zijn fantasie te doen werken, en een weinig
uitdrukking te brengen op het bolle, roode gelaat, dat zoo bijzonder
veel gelijkenis vertoonde met een reusachtige tomaat. De deur werd
zachtjes geopend, en Dolly trad binnen.
Voor de leus had zij een borduurwerkje bij zich, ofschoon zij beter dan
iemand wist, dat zij er in de letterlijke beteekenis van het woord geen
steek aan zou doen.
Terwijl haar vader strak en majestueus voor zich uitkeek, en haar niet
eens scheen op te merken, liep zij op de punten van haar teenen naar
José, overtuigde zich even, dat haar vader in zijn gewone
Napoleon-houding ernstig en statig voor zich uitstaarde en hield toen
met een vleiend gebaar den jongen schilder haar wang toe, die er, het
palet ver van zich afhoudend, een kus op drukte.
„Wat was dat?” liet eensklaps de barsche stem van Jellybird zich
hooren, zonder dat hij evenwel het hoofd durfde omwenden.
„Wat pa?” vroeg Dolly onschuldig.
„Het was alsof ik daareven.... maar ik zal me wel vergist hebben.”
„Natuurlijk hebt u zich vergist papaatje,” hernam Dolly bestraffend.
„Wat is dat nu? Je weet nog niet eens wat ik zeggen wilde,” kwam de
bierbrouwer, die zich een weinig begon op te winden.
„O, dat hoeft niet,” riep Dolly vroolijk. „U vergist zich wel eens meer
in den laatsten tijd. Blijf nu maar liever stil zitten, José.... ik
bedoel mijnheer Darragos is hard aan het werk.”
Dit laatste strookte nu niet precies met de waarheid, zeker niet in de
beteekenis, welke mijnheer Jellybird er aan hechtte, want de jonge
schilder was op dit oogenblik druk doende, de kleine hand, die in de
zijne rustte, met kussen te bedekken.
Het jonge meisje boog zich over den schilder heen en fluisterde hem
toe:
„Wanneer is het nu?”
„Na deze zitting. Over een uur spreek ik met je vader.”
Het meisje kreeg een kleur als vuur, en slaakte onwillekeurig een kreet
van verrukking.
„Wat is dat nu weer?” riep Jellybird ongeduldig uit.
„Niets papa. Ik prik mij in mijn vinger,” antwoordde Dolly haastig.
„Merkwaardig. Vind je dat dan zoo plezierig? Je schreeuwde heelemaal
niet als iemand die zich pijn doet. Wat ik je verzoeken mag, laat
mijnheer Darragos nu rustig werken.”
„Maar papa, ik val hem heelemaal niet lastig.”
„Dat doe je wel. Ga achter den ezel vandaan.”
„O pa, hoe durft u dat van mijnheer Darragos zeggen,” riep Dolly
verontwaardigd.
„Je weet heel goed, dat ik den houten ezel bedoel, meid,” riep de
bierbrouwer boos. „Als je hinderlijk wordt moet je de kamer uit.”
„He neen pa, ik beloof u dat ik rustig zal zijn,” hernam het jonge
meisje, en zij zette zich neer op een tabouret, keek naar den schilder,
na met een kushand afscheid genomen te hebben.
Een half uur verstreek, zonder dat er een woord gewisseld werd.
Toen stond het meisje onhoorbaar op, trad op Darragos toe, reikte hem
de hand en fluisterde:
„Ik moet nu boodschappen doen met mama. Schrijf mij dadelijk hoe het
gegaan is, ingeval wij over een uur nog niet terug zijn.”
„Dat beloof ik je kleintje,” antwoordde Darragos, en eensklaps vergat
hij het portret, zijn werkgever, zijn palet vol verf, drukte het jonge
meisje tegen zich aan en kuste haar op de lippen.
Dolly slaakte een lichten kreet en tegelijkertijd klonk de bevelende
stem van haar vader, die riep:
„Dolly kom eens hier. Ga daar zitten! Maar wat drommel is dat nu—hoe
kom je aan die verf op je japon? Je ziet er uit als een wandelende
regenboog.”
Dolly werd bloedrood, wierp een verschrikten blik op haar witte blouse,
die inderdaad alle kleuren van het spectrum vertoonde en stamelde toen:
„He, dat is zonderling. Hoe komt die verf daar.”
„Ja, dat zou ik ook wel eens willen weten,” riep haar vader op
dreigenden toon.
„Naar buiten zien; als ik u verzoeken mag,” riep José, die aldus den
toestand wilde redden.
„En ik moet dadelijk met mama boodschappen doen,” riep Dolly uit, die
gretig die gelegenheid aangreep.
En voor haar vader nog iets had kunnen zeggen snelde zij in de grootste
verwarring haastig het vertrek uit.
Nog een uur verstreek, en mijnheer Jellybird begon teekenen van
vermoeidheid te geven.
José, die het zag, legde het palet en de penseelen weg, stond op, rekte
zich eens uit en zeide:
„Voor vandaag zullen wij het maar voor genoeg houden, mijnheer
Jellybird, nog drie zittingen en het schilderij is gereed.”
Langzaam begon hij zijn schilderdoos op te ruimen, telkens het
gevreesde oogenblik verschuivend, waarop hij met kloppend hart de vraag
aan den millionair zou stellen, die over zijn toekomst moest beslissen.
Maar eindelijk kon hij dat tijdstip onmogelijk uitstellen en reeds had
de heer Jellybird een paar malen met een verstolen blik zijn horloge
geraadpleegd.
De jonge Portugees vatte moed, schraapte zijn keel, trad eensklaps van
achter den ezel te voorschijn, en begon met een stem, een weinig heesch
van ontroering:
„Meneer Jellybird, de zittingen zijn nu welhaast ten einde—en het
oogenblik is nu gekomen, om u een voor mij zeer gewichtige vraag te
doen.”
„O, ik begrijp het. U wilt het honorarium zeker graag vooruit hebben!”
riep de heer Jellybird, die zich volstrekt niet kon begrijpen, dat er
nog een gewichtiger vraag kon zijn, dan die betreffende geld.
Maar de jonge Portugees schudde driftig het hoofd en zeide:
„Het heeft met geld niets te maken, meneer Jellybird! Het heeft alleen
iets met het hart te doen! Hebt gij dan niets gemerkt?”
„Wel, wat zou ik gemerkt hebben?” vroeg Jellybird onnoozel. „Ik weet
volstrekt niet wat u bedoelt!”
„Daardoor maakt gij mijn taak des te lastiger, mijnheer!” riep de jonge
schilder uit. „Welnu, ik wil er niet langer omheen draaien! Het weegt
als een centenaarslast op mijn gemoed: ik heb uw dochter lief, en ik
vraag u, mij haar tot vrouw te geven!”
Als de jonge schilder den bierbrouwer verzocht had, de maan voor hem
van den hemel te halen, dan had hij onmogelijk een meer ongeloovig en
verbluft gezicht kunnen zetten.
Hij staarde den jongen man met hoog opgetrokken wenkbrauwen en open
mond aan, bewoog even zijn lippen zonder te spreken, en zeide toen half
gefluisterd:
„Ik heb u zeker niet goed verstaan? Zoudt u het nu nog eens willen
zeggen?”
„Ik heb uw dochter Dolly lief, mijnheer Jellybird, en ik vraag u mij
haar tot vrouw te geven.”
Weer keek de bierbrouwer den jongen schilder een oogenblik zwijgend
aan, alsof hij aan zijn verstand twijfelde en toen barstte hij uit:
„Ik had dus wel goed verstaan! Nu, ik moet zeggen, dat ik al heel wat
heb zien gebeuren—maar dit is wel het toppunt! Zeg eens jonge man, gij
hebt ze toch alle vijf goed bij elkaar, nietwaar?”
„Dat hoop ik tenminste, mijnheer Jellybird!” antwoordde José, de
vuisten ballend, en bleek van ontroering.
„Dat zou men toch niet zeggen!” viel Jellybird uit. „Weet gij wel
hoeveel mijn dochter meekrijgt? Je haalt de schouders op? Je weet het
misschien niet? Een millioen pond krijgt ze mee!”
„Maar dat is volstrekt geen bezwaar, mijnheer Jellybird,” stotterde
José, die niet wist wat hij zeggen moest.
„Geen bezwaar zegt gij!” schreeuwde de verbolgen vader. „Geen bezwaar!
Neen dat dank je de drommel! Ik kan mij voorstellen dat het geen
bezwaar is een millioen pond in den schoot geworpen te krijgen!”
Darragos verbleekte, deed een paar stappen achteruit, en riep toen
heftig verontwaardigd:
„Dwing mij niet om dingen te zeggen, mijnheer, die mij later stellig
zouden berouwen! Wat raakt het mij, hoeveel en of uw dochter iets
meekrijgt. Ik wil uw geld niet! Ik trouw haar ook niet om haar geld,
maar omdat ik haar meer lief heb dan mijn leven! Behoudt gerust die
millioenen, en geef mij daarvoor inplaats toestemming, dat is mij meer
dan voldoende!”
„Die toestemming weiger ik, jonge man!” riep Jellybird, rood van drift.
„Ik weiger!”
„Maar waarom? Waarom mijnheer,” drong José aan. „Ik ben een fatsoenlijk
man, ik weet zeker dat ik een goede toekomst heb, mijn naam zal eenmaal
met eer genoemd worden! En als gij dan eenmaal zoo aan geld hecht—ik
ben er van overtuigd, dat men over weinige jaren mijn doeken met
goudstukken zal beleggen!”
„Ik trek geen wissels op de toekomst, jonge vriend!” bromde Jellybird.
„Mijn dochter is voor iets beters bestemd dan voor een schilder! Denkt
gij soms dat ik morgen aan den dag niet een baronet, een graaf, ja
desnoods een hertog kan krijgen? Wel mijn goede man—één aan iederen
vinger! Ik begrijp eigenlijk niet waar u de onbeschaamdheid vandaan
hebt gehaald mij met zoo’n verzoek aan boord te komen! U praat van
beroemdheid! Maar u is nog niet beroemd! Dat kan misschien nog heel
veel jaren duren—en in dien tijd zou mijn dochter een vaatje zuur bier
geworden zijn! Waar zoudt gij de middelen vandaan willen halen om haar
te onderhouden, als ik haar niets meegaf?”
„Ik zou hard werken, mijnheer!” zei José op zachten toon.
„Gij zoudt hard werken en honger lijden!” kwam de bierbrouwer schamper.
„Neen, mijnheer Darragos, ik heb mij een andere toekomst voor mijn
dochter gedroomd. Als u er op staat wil ik u zeggen, dat ik u
persoonlijk wel gezind ben, en dat er ook geloof ik niets op u aan te
merken is. Ik ga verder en ik zeg, dat gij wel talent kunt hebben! Maar
dat alles is niet voldoende om in aanmerking te komen als de echtgenoot
van Dolly Jellybird! Daar komt meer bij kijken!”
„Gij wilt dus met geweld een adellijken zoon hebben,” riep de jonge
schilder op bitteren toon.
„Als hij dan niet van adel is, dan moet hij tenminste in andere
opzichten uitblinken! Hij moet een naam hebben, hij moet beroemd zijn!
Noem het zooals gij wilt, maar ik wil voor mijn dochter een man met een
klinkenden naam!
„Als gij slechts Hawker heette, en voor het eerst den Oceaan waart
overgevlogen. Als gij slechts Edison waart, of Marconi, of Paderewski,
of Roentgen, of generaal Foch, al was het voor mijn part maar Lord
George! Maar gij zijt niemendal, gij zijt een aankomend schilder, van
wien het volstrekt niet zeker is of gij het wel ooit tot iets zal
brengen—en de kans van niet is altijd grooter dan de kans van wel.”
„Dus gij weigert mij de hand van Dolly?”
„Die weiger ik u—tenzij uw naam als die van een beroemdheid genoemd
wordt in de „Times”.”
José was zeer bleek geworden en had de lippen opeengeklemd.
Hij zuchtte diep, tastte naar zijn hoed, keek Jellybird nog eens schuw
aan en zeide toen:
„Gij wenscht zeker niet, dat ik nu nog terugkom?”
„Waarom niet? Het schilderij is toch nog niet gereed? Ik verwacht u
morgen op denzelfden tijd.”
De schilder boog en verliet zwijgend het vertrek.
HOOFDSTUK VI.
HET BERICHT IN DE „TIMES”.
Er waren drie dagen verloopen, sedert dit gesprek in de werkkamer van
Jellybird had plaats gehad.
Het schilderij was gereed gekomen en reeds hadden tal van vrienden en
bekenden van den bierbrouwer er een blik op mogen slaan.
Het gerucht scheen zelfs tot de pers te zijn doorgedrongen, want reeds
had zich een criticus van de „Times” vertoond, een man met een
eerwaardigen witten baard en groote knevels, die lang naar het doek had
gestaard, en weder was vertrokken met de mededeeling dat hij te zijner
tijd eenige woorden aan dit gewrocht wenschte te wijden.
Maar de stemming in het groote huis was intusschen allesbehalve
aangenaam te noemen.
Dolly had een brief van den jongen schilder ontvangen, waarin hij haar
het treurig resultaat van zijn onderhoud met den schatrijken
bierbrouwer mededeelt en sedert dien was het jonge meisje neerslachtig
en stil.
Haar vader had dit zeer goed opgemerkt, maar met de verblinding, vaders
eigen in zulke zaken, meende hij, dat het wel zeer spoedig zou
overgaan, en dat als eenmaal de ware Jozef zich kwam aanmelden in den
vorm van een graaf of een baron, zijn dochter wel weder zou
„bijtrekken”.
Wat Darragos betreft—hij had, nadat het schilderij gereed was, geen
reden meer gevonden het huis te bezoeken, waar hij zijn geluk gevonden
meende te hebben.
Jellybird had hem het hooge honorarium uitbetaald, zwijgend en stroef,
en daarop had de jonge schilder even stilzwijgend de kamer verlaten,
waar hij zulke aangename uren had doorgebracht.
Het was in den morgen van den vierden dag, toen er op de deur werd
geklopt van de slaapkamer van Dolly, en het kamermeisje binnentrad, met
een blad waarop een kop chocolade en wat beschuitjes en de post.
Zij trok de gordijnen open, zoodat het zonlicht ongehinderd het groote
vertrek kon binnen stroomen en plaatste het blad op een kleine tafel
dicht bij het bed, na haar jonge meesteres goeden morgen te hebben
gewenscht.
Dolly wreef zich de oogen uit, richtte zich in de kussens op, keek even
op het kleine gouden polshorloge, dat op een standaard op het tafeltje
stond en rekte zich uit.
„Hoe laat is het Kate?” vroeg zij. „Ik geloof dat mijn horloge stil
staat.”
„Het is half negen, Miss!” antwoordde het meisje.
„Wat breng je me daar?”
„Niet veel bijzonders, Miss! Maar één brief—en die is niet van mijnheer
Darragos!”
„O! Jij brutaaltje!” riep Dolly, terwijl zij dreigend den vinger
ophief. „Wat is er nog meer?”
„Een paar tijdschriften, Miss, en de „Times”.”
„De „Times”?” herhaalde het jonge meisje verbaasd. „Wat moet ik met de
„Times” doen?”
Zij strekte de hand uit naar het befaamde City-blad en vervolgde.
„Onder kruisband! Wat beteekent dat? Papa leest immers de „Times”?”
„Welneen, Miss!” riep het kamermeisje uit. „Hoe komt u daarbij?
Mijnheer leest de „Daily Telegraph”!”
Met een mechanisch gebaar en tamelijk onverschillig maakte Dolly den
kruisband los, en ontvouwde het blad.
Zij sloeg twee, drie pagina’s om, en eindelijk bleef haar blik rusten
op een met blauw aangestreept artikel, onder de rubriek „Kunst en
Letteren”.
En nauwelijks had zij een paar regels gelezen, of zij gaf zulk een
luiden schreeuw, dat het kamermeisje verschrikt achteruit vloog, meende
dat haar jonge meesteres plotseling waanzinnig was geworden.
Dolly vloog uit het bed, sprong, de krant boven haar hoofd zwaaiende,
als uitgelaten rond en riep:
„Mijn peignoir, Kate! Vlug wat! Meisje, wat treuzel je! Is papa al op?”
„Ik geloof, dat mijnheer juist in de badkamer is, Miss!” antwoordde
Kate, die niets begreep van de plotselinge opgewondenheid van het jonge
meisje, dat zij de laatste dagen zoo neerslachtig gekend had.
„Ga dan dadelijk eens vragen! Laat papa dadelijk uit het water komen!
Ik moet hem spreken dadelijk, onmiddellijk, op staande voet, subiet,
zonder een seconde te wachten! O, ik wist het immers wel! Ik wist wel,
dat het zoo zou uitkomen. Mijn José! Mijn held! Mijn genie! Ben je hier
nog, Kate? Waarom stuif je niet weg? Wat sta je hier nog? Wat wacht je?
Wat doe je? Gauw! Gauw! Maak dat je wegkomt!”
Zeer verbaasd door dit optreden van Dolly ijlde het meisje weg, terwijl
Dolly een ware krijgsdans uitvoerde, het blad wild boven het hoofd
zwaaiend.
Een paar minuten later keerde Kate terug.
„Mijnheer wacht u in zijn kamer, Miss! Ik moet u echter zeggen, dat hij
niet erg in zijn humeur is!”
„Dat hindert niets! Ik zal hem er wel spoedig in brengen,” riep het
meisje overmoedig uit.
En met deze woorden snelde het jonge meisje de kamer uit, ijlde een
paar gangen door en bereikte eindelijk de kamer, waar haar vader haar
wachtte, inderdaad niet al te zeer in zijn humeur.
„Wat heb je meisje?” vroeg hij aanstonds. „Waarom laat je mij voor dag
en dauw halen? Ik heb mij zelf den tijd niet kunnen geven, om
behoorlijk te baden. Wat is er?”
„Lees maar eens, papa!” was alles wat het jonge meisje kon uitbrengen,
terwijl zij haar vader de „Times” toestak.
„Je ziet er zoo opgewekt uit—staat er iets in het blad te lezen dat je
zoo vroolijk maakt? Ik heb niet veel trek om te lezen—lees het mij maar
even voor.”
„Zoo als u wilt, papa!”
Dolly huppelde naar een sofa, wierp zich er met een lenigen sprong op,
en las het volgende bericht voor:
„Een nieuw talent ontdekt!
Het was ons reeds eenigen tijd geleden ter oore gekomen, dat onze
welbekende stadgenoot, de heer Hannibald Jellybird, een jongen
Portugees, die sedert eenigen tijd in Londen verblijf houdt, en aan
den wereldoorlog heeft deelgenomen, namelijk José Darragos, zijn
portret liet schilderen.
Wij waren dezer dagen in de gelegenheid het schilderij eens te
zien, en wij moeten getuigen, dat wij zelden een kunstwerk zagen,
hetwelk reeds op den eersten blik zoo zeer getuigde van het
merkwaardige talent van zijn maker!
De jeugdige schilder heeft de karakteristieke trekken van zijn
lastgever met een merkwaardige gelijkenis weergegeven, en met een
techniek, een meesterschap over de stof, welke men gemeenlijk
slechts pleegt aan te treffen bij in de kunst vergrijsde schilders.
Wij moeten er op aandringen, dat José Darragos zoo spoedig mogelijk
een tentoonstelling arrangeert van schilderwerken, want wij zijn er
van overtuigd, dat hij in zijn portefeuille nog een groot aantal
doeken heeft, die het overwaard zijn te worden tentoongesteld.
Zijn schitterende penseelvoering, zijn kleurenmenging, zijn wijze
van componeeren—alles bestemt hem als het ware voor, een van onze
grootste schilders te worden en wij zijn er vast van overtuigd, dat
deze nog zoo jonge man binnen weinige jaren onder de meest beroemde
schilders zal worden genoemd.
Men kan het van den heer Jellybird slechts op prijs stellen dat hij
dezen jongen veelbelovenden schilder in de gelegenheid heeft
gesteld te toonen wat hij kon.
Wij zijn niet onbescheiden geweest, naar den prijs te vragen, dien
onze welbekende stadgenoot voor het prachtstuk heeft moeten
betalen, maar wel kunnen wij onze overtuiging uitspreken, dat de
rijksten in onze stad als het ware om José Darragos vechten, en dat
men zonder aarzelen duizend pond sterling voor een portret zal
betalen.
Wij wenschen er den heer Jellybird geluk mee, dat hij, naar wij
vernemen, de eerste is geweest, om de groote talenten te erkennen
van een jongen schilder, die, zijn wij wel ingelicht, binnenkort
door nauwere banden aan hem zal worden verbonden, dan die er
bestaan tusschen den opdrachtgever en den uitvoerder.
Den heer José Darragos vragen wij slechts, zijn tweede vaderland
niet te vergeten, nu roem en rijkdom hem wenken!
Schilders van zijn groot talent kunnen wij noode missen!”
Dolly had onder het voorlezen van dit bericht een bloedroode kleur
gekregen en toen zij het blad had neergeworpen op de canapé, keken
vader en dochter elkander geruimen tijd met open mond aan.
„Wat beteekent dat laatste?” stootte mijnheer Jellybird uit. „Hoe komen
die menschen van de „Times” er bij?”
„Hoe kan ik dat weten, papaatje?” vroeg Dolly beschaamd. „U gelooft
toch niet dat ik het den verslaggever heb verteld?”
„Dat zou waarachtig de spuigaten uitloopen!” riep mijnheer Jellybird
uit.
Dolly keek haar vader eens goed aan.
En op zijn bol gezicht kon zij zoo duidelijk lezen als in een boek, dat
hij volstrekt niet zoo verontwaardigd was, als hij het wel wilde laten
voorkomen....
Zij kende de ijdelheid van haar vader, en zij begreep aanstonds, dat
dit bericht in een blad als de „Times” met zijn deftigen lezerskring
hem in den grond van zijn hart zeer aangenaam had gestreeld.
Te worden genoemd in het wereldberoemde City-blad dat was steeds zijn
ideaal geweest, en alleen had hij daarom reeds enkele malen een groote
gift geschonken aan een Tehuis voor Invaliden, een Sanatorium, of een
andere instelling, daarom had hij ook een gouden voetbal-beker gegeven,
ter waarde van bijna duizend pond sterling, en daarom richtte hij ook
een paar keer per jaar een groot en zeer kostbaar feest aan in zijn
vorstelijk ingericht huis.
En telkens gaf het hem een schok van genoegen, als hij zijn naam
slechts vermeld vond in een enkel kort zinnetje.
Maar dit was geheel iets anders!
Ditmaal werd hij verheven tot niets meer of minder dan Maecenas, een
kunstbeschermer, die jonge, veel belovende schilders de hand boven het
hoofd hield!
En onmiddellijk nadat Dolly dit bespeurd had, besloot zij, als een
echte vrouw, partij te trekken van deze gunstige gelegenheid.
Zij sprong op, snelde op haar vader toe, sloeg haar armen om zijn hals
en vlijde haar hoofdje aan zijn borst, misschien wel om een blos te
verbergen, die haar wangen overtoog.
Toen vroeg zij vleiend:
„Nu denkt u toch zeker heel anders over José, papa? Nu zult u hem toch
zeker niet meer afwijzen, wanneer hij aanzoek om mijn hand deed? Mag ik
nu dadelijk een briefje schrijven en met de luchtdrukpost sturen, dat
hij hier vanmiddag moet komen dineeren, en dan inviteeren wij een paar
vrienden, en dan maakt u onze verloving bekend?”
„Hé, hé! Wacht een beetje! Je loopt wel wat al te hard van stapel!”
riep Jellybird uit, maar het was hem duidelijk aan te zien, dat dat
stukje in de „Times” een algeheele verandering had teweeg gebracht in
zijn gemoedsstemming en dat hij zelfs den jongen schilder reeds met
andere oogen aanzag.
Want—niet waar, als een blad als de „Times” met zulk een reputatie van
onkreukbaarheid en bekwaamheid van zijn medewerkers van Darragos
getuigde, dat hij binnen enkele jaren beroemd en rijk zou zijn, dan kon
er ook niet langer aan worden getwijfeld.
Het hof zou op hem opmerkzaam worden gemaakt, misschien liet de
kroonprins of zelfs de koning zich wel eens door hem schilderen, dan
zou hij zeker in den adelstand verheven worden—ook zijn vrouw zou een
titel dragen—en wie weet schoot er voor hem, die als het ware hem
„ontdekt” had, wel een ridderorde over!
En zoozeer werd de bierbrouwer door deze heerlijke vooruitzichten
meegesleept, dat zijn gemoed week werd als was.
Hij trok zijn dochter aan zijn borst, streelde haar over haar blonde
haar en zeide half gekscherend, half ernstig:
„Moet ik je je zin dan maar geven?”
Het jonge meisje slaakte een kreet van vreugde, drukte haar vader een
kus op iedere wang, danste het vertrek rond, terwijl zij in de handen
klapte, en riep juichend: