schets zou willen houden, mijn waarde Darragos. Hier hebt ge haar. Gij
zult mij echter de opmerking ten goede moeten houden, dat gij er wel
zeer op gesteld moet zijn, om een bedrag te weigeren, dat ongeveer tien
maal te hoog is, maar wij zullen nu niet verder over de zaak spreken.
Neem nu plaats als ik u verzoeken mag, dan zal ik even een cheque voor
u uitschrijven.”
Raffles haalde zijn chequeboekje te voorschijn en vulde snel een cheque
in, welke hij den jongen man toestak.
Terwijl hij zijn vulpenhouder weg borg, begon hij weder.
„Zeg mij eens, heb ik u in den kunsthandel van Drebbel niet hooren
zeggen, dat gij de volgende week met een paar doeken ten huize van
Jellybird zoudt komen?”
„Zoo is het, Mylord.”
„Mag ik die doeken niet eens komen zien in uw atelier?”
„Uw komst zal mij zeer aangenaam en een groote eer voor me zijn,
Mylord,” antwoordde Darragos met een kleur van blijdschap. „Maar tot
mijn spijt kan ik u die twee schilderijen niet laten zien.”
„Waarom niet, als ik vragen mag?”
„Omdat ze nog niet geschilderd zijn, Mylord.”
Raffles liet een kort lachje hooren, en antwoordde:
„Gij zoudt dus in een week tijd twee zulke moeilijke onderwerpen moeten
schilderen?”
„O, dat is zoo moeilijk niet van het oogenblik af, dat zij bestemd zijn
voor den heer Hannibal Jellybird,” antwoordde de jonge Portugees met
een minachtend schouderophalen, maar terwijl zijn oogen ondeugend
glansden. „Hij vroeg om groote schilderijen, ik wilde hem gaarne
voldoen, en daarom heb ik hem die twee schilderijen toegezegd.”
„Maar als hij ze nu weigert? Als hij ze niet naar zijn zin vindt?”
„Dan is er nog niet veel aan verloren, Mylord. Ik kan ze makkelijk in
eenige uren gereed krijgen. Ik geloof dat mijnheer Jellybird niets
anders verlangt dan een zoo dik mogelijke laag verf, veel vermiljoen,
veel kanariegeel en als het kan ook nog een beetje bladgoud. Denk eens
aan wat ik kan maken van den helm, het schild en het zwaard van Hector,
van de strijdwagens en van de roode tunique van Andromache! Het eene
prachtig verguld, het laatste bessensaprood. Ik verzeker u dat hij
ervan zal smullen, maar hij behoeft er niet meer voor te betalen, dan
tien pond per stuk.”
Maar Raffles keek nu Darragos hoofdschuddend aan, en zeide half
lachend, half ernstig:
„Het is een goede grap, maar hebt ge wel eens aan de gevolgen gedacht?
Zoo niet, dan zal ik die wel eens voor u uitdenken. Jellybird is zeer
trots op zijn schilderijen. Wie hem bezoekt wordt het eerst naar zijn
wapenverzameling en vervolgens naar zijn schilderijenzaal gebracht.
Daar zullen ook uw twee oleogravures hangen en hij zal aan iedereen die
het hooren wil, verklaaren, dat die geschilderd zijn door José
Darragos. Dat is een. Voor menschen die geen verstand hebben van
schilderijen, beteekent dat absoluut niets, maar de kenners zullen
natuurlijk meesmuilend naar uw ineen geflanste schilderijen kijken, en
bij zichzelf de opmerking maken dat gij een zekere beteekenis zoudt
kunnen krijgen als leverancier van opwindende tafreelen op den
buitenkant van een kermishypodrome, of een stoomcaroussel. Maar er is
nog meer. Die mijnheer Jellybird namelijk is niet de eenige van zijn
naam. Hij heeft een dochter, een zeer bevallige dochter, die u wellicht
niet heelemaal onverschillig is. Zij weet meer van schilderijen af dan
haar vader, en zal dadelijk zien, dat gij hem een paar volstrekt
waardelooze „croutes” in de handen hebt gestopt. En ik zou niet graag
gedwongen worden van te voren te moeten zeggen, hoe zij die spotternij
zou opnemen. Misschien zou zij het heel grappig vinden, maar misschien
zou zij zich beleedigd gevoelen, zelfs tegenwoordig vindt men van die
jonge meisjes, die er desnoods in zouden toestemmen er met u van door
te gaan, maar die het niet zouden vergeven, als gij haar vader een raar
figuur liet slaan, en nu moet gij zelf maar eens uitmaken wat het beste
is volgens u.”
De jonge schilder had aandachtig toegeluisterd en gedurende het laatste
gedeelte van Raffles’ toespraak had hij het hoofd gebogen, terwijl hij
nu en dan een schuwen blik op den spreker wierp.
Nog eenigen tijd nadat Raffles gezwegen had, bleef de jonge schilder
onbewegelijk voor zich uitstaren en toen hief hij met een ruk het hoofd
op en zeide:
„Ik geloof, dat gij gelijk hebt, Mylord. Ik wil van mijn hart geen
moordkuil maken. Gij schijnt al te veel geraden te hebben, wat ik goed
verborgen waande en daarom mag ik het u wel toevertrouwen, dat alleen
uw laatste bezwaar voor mij kan gelden.”
De zwarte oogen van den Portugees schitterden guitig, toen hij
vervolgde:
„Het is wel jammer, dat ik het moet laten, want ik had er mij veel van
voorgesteld. Wat uw eerste tegenwerping betreft, ik zal de kenners wel
spoedig verplichten tot de erkentenis te komen, dat ik wel beter kon
schilderen, dan de beide schilderijen, die in de zaal van mijnheer
Jellybird prijkten, maar intusschen zit ik er nu danig mee in, want ik
heb hem die twee doeken beloofd.”
„Hebt gij niets anders van eenigen omvang?” vroeg Raffles. „Gij weet
immers wel, dat onze man in de eerste plaats op de afmeting let?”
Darragos dacht even na en riep toen eensklaps uit:
„Wacht eens, ja zeker, ik moet nog een heel groot doek hebben, bijna
twee meter hoog. Het dateert uit mijn eerste jaren en stelt geloof ik
voor het binnenste van een Portugeesch wijnhuis.”
„Komen er vaten op voor?” vroeg Raffles haastig.
„Die zullen zeker niet ontbreken.”
„Dan is de zaak in orde. Breng hem dat doek, en hij zal er meer prijs
op stellen, dan het afscheid van Hector en Andromache, al ware het ook
door een Michael Angelo geschilderd.”
De beide mannen waren opgestaan en de jonge schilder maakte zich gereed
om afscheid te nemen.
Maar Raffles hield hem nog even terug en zeide:
„Gij gaat immers het portret van den heer Jellybird schilderen?”
„Ja Mylord.”
„Wanneer begint gij daarmee?”
„Morgen, denk ik.”
„Nu, ik wensch u veel succes,” zeide Raffles glimlachend, terwijl hij
den jongen schilder de hand drukte.
Darragos wendde zich op den drempel nog eens om en zeide op een toon
van innige dankbaarheid:
„En ik ben u zeer dankbaar Mylord, omdat gij de eerste zijt geweest,
die mijn werk heeft gewaardeerd. Ik weet zeker, dat mij dat geluk zal
aanbrengen. Ik kan nu tenminste voor den eersten tijd onbezorgd leven
en ik zal de wereld toonen, dat zij zich vergiste, toen zij meende dat
zij mij kon minachten.”
En met deze woorden verdween de jonge Portugees, terwijl Raffles
glimlachend achterbleef.
HOOFDSTUK IV.
DE EERSTE ZITTING.
Charly Brand had Raffles niet te veel gezegd van het huis, waarin de
millionair-bierbrouwer verblijf hield.
Het was inderdaad weinig minder dan een vesting, het scheen wel gebouwd
te zijn om de eeuwen te kunnen trotseeren.
Het huis lag aan het eind van de straat en was daarvan gescheiden door
een tuin met fraai opgaand geboomte en vol kostelijke bloemperken.
Alles welbeschouwd was het huis veel te groot voor het kleine
huishouden van den bierbrouwer, dat slechts bestond uit den heer des
huizes, zijn echtgenoote en zijn dochter.
En toch was het maar nauwelijks groot genoeg om alles te kunnen
bevatten wat de millionair er in den loop der jaren had ingebracht.
Daar was om te beginnen de wapenverzameling van Jellybird, die terecht
doorging voor een der meest volledige particuliere collecties in geheel
Londen en die zeker verscheidene duizenden ponden waard was.
Een geheele zaal op de tweede verdieping met vijf ramen aan de straat
was noodig geweest om die kostbare verzameling te kunnen bevatten.
Daar hingen langs de wanden, of daar lagen in kostbare vitrines van
mahoniehout, allerhande moordtuigen, welke de mensch in den loop der
eeuwen had uitgedacht om zijn naaste het leven te berooven.
Daar lagen werpspiesen en assagaaien van de Zoeloe’s en Boschjesmannen,
blaaspijpen, zooals ze gebruikt worden door de Dajaks, die er met een
bewonderenswaardige behendigheid zeer kleine vergiftigde pijltjes mee
weg blazen en wel op zeer verren afstand, en die met deze soms tot
vijftien voet lange blaaspijpen van bamboe een vogel op een afstand van
veertig meter onfeilbaar wisten te treffen, tomahawks van de Siouks en
de Commanchen, boomerangs van de Australische boschnegers, bogen van
ivoor, zooals ze vele eeuwen geleden door de Chineesche krijgslieden
gebruikt werden, strijdbijlen van jaspis, van de Maori afkomstig en
andere bewoners der Zuidzee-eilanden, vuursteen-geweren, prachtige
ruiterpistolen, ingelegd met goud, ivoor en perl d’amour, Arabische
geweren met een loop van bijna twee meter lengte, en waarvan de
ebbenhouten kolf rijk met zilver was beslagen. Circassische dolken, met
gevesten van goud, en waarvan de kling van geblauwd staal eveneens was
ingelegd met fijne gouden aderen, Spaansche degens met rijk bewerkt
gevest, dateerend uit de 16e eeuw en afkomstig uit Toledo, dat steeds
beroemd is geweest om de kunst van zijn zwaardvegers, kromme zwaarden
der Turken, zoo zwaar dat slechts een krachtig man ze kon hanteeren,
goedendags, morgensterren, strijdbijlen, zooals de geharnaste ridders
in de middeleeuwen ze gebruikten, Japansche beulzwaarden met de snede
zoo vlijmscherp, dat een hoofdhaar, hetwelk men er van een hoogte van
een paar centimeters liet opvallen, door midden werd gesneden. Moderne
jachtgeweren, revolvers met twaalf schoten van de beroemde fabriek van
Smith & Wesson, kortom, alle wapens van de geheele aarde waren daar
vertegenwoordigd.
Had de heer Jellybird verstand van deze wapens?
Geenszins, maar het was mode, het was vooral kostbaar om er een
wapenverzameling op na te houden en daarom bezat de bierbrouwer deze
wonderschoone collectie, die zelfs eenige historische stukken bevatte,
zooals de bijl, waarmee de beklagenswaardige Anna Boulein haar jeugdig
leven op het schavot eindigde.
Dan was er een muziekzaal, een niet veel kleiner vertrek, waarin twee
groote Bechstein-vleugels stonden, een harp, eenige mandolines, en
voorts een tiental gemakkelijke stoelen. Het was in een woord een
kleine concertzaal.
Vervolgens was er een gymnastiekzaal.
Het behoeft zeker niet te worden gezegd, dat de heer Jellybird zelf
hier maar hoogstzelden een voet zette, want zijn buitensporige
zwaarlijvigheid maakte het hem ten eenemale onmogelijk, een andere
sport te beoefenen dan auto rijden.
Maar een des te drukker gebruik van deze zaal werd gemaakt door zijn
bevallige dochter, die verzot was op schermen, en met haar
vriendinnetjes uren in dit vertrek kon doorbrengen, om er aan de
Romeinsche ringen, de dubbele barn, den rekstok, het paard en andere
turninstrumenten te werken.
Maar hiermede was de reeks vertrekken in het groote huis nog bij lange
na niet uitgeput.
Er was een kolossale badkamer, grooten deels in fraai Cararisch marmer
uitgevoerd, met een bassin dat niet misstaan zou hebben in een openbare
zweminrichting, en waarvan de inrichting een burgervermogen
vertegenwoordigde. Er was een serre, vol uitheemsche planten, er was
een bibliotheek, met ongeveer tienduizend boeken, waarvan er misschien
tien of twintig opengesneden waren. Er was een ontvangsalon even groot
als een plein, er was een danszaal, die nog grooter was, met een
afzonderlijke loge voor het orkest, er was een eetzaal, drukkend door
haar buitensporige weelde, de droom van een schatrijk geworden
poffertjeskraambezitter, en dan was er nog een biljardkamer, een
rookkamer, een werkkamer voor den heer des huizes, welk vertrek hij
echter nooit anders placht te bezoeken dan om er zijn middagslaapje te
doen, twee boudoirs, een voor mevrouw en een voor de jonge juffrouw, en
een groot aantal slaapkamers, gedeeltelijk bestemd voor de logeergasten
en allen ingericht met een weelde, die den bezoeker een groot denkbeeld
moest geven van de rijkdommen, waarover de bezitter van dit huis
beschikte.
Niet alleen aan de voorzijde, maar ook aan de beide zijkanten en de
achterzijde was het huis omgeven door een volslagen park, met prachtige
eeuwenoude kastanjeboomen en breede lanen.
Het was op den dag, volgende op het bezoek, hetwelk de jonge
Portugeesche schilder aan Raffles had gebracht, toen een deftig
gekleede huisknecht met een gladgeschoren gezicht, met afgemeten
schreden op de huisdeur toetrad, waaraan zooeven was gebeld.
Het was toen omstreeks half elf in den morgen.
De huisknecht trok de zware voordeur naar zich toe en keek in het
gelaat van José Darragos, die hij blijkbaar nooit had gezien.
Toen gleed zijn blik naar de schilderdoos, welke de jonge man in de
hand hield, om tenslotte te blijven rusten op diens gladden vilten
hoed, die de sporen droeg van langdurige en trouwe knechtschap.
„U wenscht?” vroeg de deftige bediende tamelijk afgemeten.
„Ik wensch bij mijnheer Jellybird te worden toegelaten,” antwoordde
Darragos.
„Op dit uur?” vroeg de bediende, op een toon, zoo verontwaardigd, alsof
men hem had voorgesteld, majesteitschennis te plegen. „Gij meent toch
zeker niet in ernst dat gij mijnheer nu wilt spreken?”
„Ik kom niet om hem te spreken, goede vriend, ik kom om hem te
schilderen,” antwoordde Darragos bedaard. „Hier is mijn kaart, ga dat
maar aan uw meester brengen, hij verwacht mij.”
De bediende wierp nog een besluiteloozen blik op het kleine stukje
carton en wees den jongen schilder zwijgend een plaats aan op een der
zware eikenhouten banken, welke langs een der muren der groote hal
geplaatst waren.
Daarop sloot hij de huisdeur weder en beklom de breede trap aan het
einde van de vestibule, die naar de gaanderij voerde, over welker
leuning eenige zeer schoone wandtapijten waren gehangen.
Het volgend oogenblik was hij uit het gezicht verdwenen.
Maar in zijn plaats verscheen er iemand anders in het gezichtsveld van
den jongen kunstenaar, die in zijn oogen heel wat aantrekkelijker moest
zijn.
Het was Dolly, de bevallige dochter van den bierbrouwer.
Zij moest bepaald op wacht hebben gestaan, anders was het
onverklaarbaar, hoe zij zoo eensklaps te voorschijn kon komen, juist op
het oogenblik, waarop de knecht verdwenen was.
Haar lief gezichtje had een hoogroode kleur, toen zij zich tot Darragos
wendde en hem de hand toestak.
„Sta mij toe, dat ik het ben, die u eerst verwelkomt, mijnheer
Darragos,” zeide zij. „Gij hebt mij het leven gered, en al hebt gij u
destijds onttrokken aan mijn dankbetuigingen, zoo zult gij er nu niet
meer in slagen, mij te ontkomen.”
De jonge schilder had de kleine hand nu lachend aangenomen, die hem was
toegestoken en zeide nu, terwijl hij Dolly met zijn groote zwarte oogen
doordringend aanzag:
„Ik hoop, Miss, dat wij goede vrienden zullen worden. Nu het toeval u
weder op mijn weg heeft gebracht, nadat ik het groote voorrecht heb
mogen smaken, u uit het water der Theems te redden, zou ik het bitter
betreuren, indien onze kennismaking nu weder moest eindigen. Maar daar
valt mij iets in,” voegde hij er op verschrikten toon aan toe.
„Wat dan?” vroeg het jonge meisje schalks.
„Gij moogt eigenlijk volstrekt niet weten, dat ik hier ben.”
„O stel u maar gerust, dat behoeft immers niemand te ontdekken.”
„Weet gij wat ik hier kom doen?”
„Natuurlijk weet ik het. Dacht u soms met een gansje te doen te hebben?
Gij komt om het portret van mijn pa te schilderen.”
„Hoe weet gij dat? Heeft uw vader het u dan verteld?”
„Niet recht op den man af, maar langs een omweg, ziet ge. Hij heeft
willen weten, of ik het aardig zou vinden een levensgroot portret van
hem te hebben en daarna heeft hij er nog verscheidene malen over
gesproken. Gisteren heeft hij het u gevraagd in den winkel van Drebbel,
en zich misschien verbeeld, dat ik niet hoorde wat hij zeide. Maar ik
heb goede ooren en het is mij niet ontgaan. Ik zie u nu hier komen met
een schilderdoos en ik zou al heel dom moeten zijn, als ik tusschen dat
alles geen verband legde.”
„Maar zorg in ieder geval, dat uw papa niet te weten komt, dat het
kostbare geheim is uitgelekt,” hernam de jonge schilder.
„Maar dat weet hij morgen, mijnheer Darragos,” riep Dolly uit, en haar
oogen glansden spottend. „Hij kan er om te beginnen toch niet over
zwijgen, en dan een menigte bedienden, denkt ge soms, dat die hun mond
zullen houden? Ik durf er wat onder verwedden, dat papa er al vanmiddag
onder tafel over spreekt.”
Het jonge meisje zweeg, keek Darragos schuchter aan en vroeg toen:
„Vindt gij het ongepast als ik u zeg, dat ik het heel prettig vind, dat
u hier komt?”
„Ik weet niet of ik het ongepast moet vinden, maar in ieder geval vind
ik het heel aangenaam,” antwoordde Darragos, en hij greep opnieuw het
kleine handje en drukte er een kus op.
Op hetzelfde oogenblik werden de schreden van den bediende opnieuw
gehoord.
Dolly trok snel haar hand terug, legde haar vinger op de lippen, en was
zoo vlug als een hinde door de openstaande deur verdwenen.
Darragos keek haar na, en toen hij zich weer omwendde zag hij in het
gelaat van den bediende, die hem kwam zeggen, dat mijnheer Jellybird
hem verwachtte.
Darragos volgde den huisknecht die hem den weg zou wijzen en besteeg de
breede trap, om vervolgens door een breede hal tot voor een fraai
gebeeldhouwde deur te worden gebracht.
De huisknecht opende deze deur, noemde zijn naam, liet Darragos binnen
en trok zich weder terug.
De jonge Portugees bevond zich in het gezelschap van zijn lastgever.
De heer Jellybird zat voor een geweldig groote schrijftafel en had zich
voor de plechtige gelegenheid extra deftig gekleed in lange zwarte jas,
met een hagelwitte boord en het haar keurig gefriseerd.
Hij stond op, trad op Darragos toe en zeide op zijn gewonen
luidruchtigen toon: „Blij dat je op tijd gekomen bent, jongmensch. Heb
je daar je schildersrommel bij je? Goed zoo. Maar wat is dat? Ik zie
geen ezel. Waar heb je den ezel gelaten.”
„De ezel is hier, mijnheer Jellybird,” antwoordde Darragos, terwijl hij
van terzijde een veelbeteekenenden blik op den bierbrouwer wierp.
„Ik heb hem reeds vroeg in den morgen door een kruier laten bezorgen,
ofschoon ik hem op de eerste zitting waarschijnlijk wel niet noodig zal
hebben, want ik moet eerst een schets in houtskool van u maken.”
„Houtskool?” herhaalde Jellybird op wantrouwenden toon. „Je bent toch
niet van plan een houtskool-teekening van me te maken. Ik moet verf
hebben, beste prima olieverf. De prijs komt er niets op aan, zeg ik
je.”
„Het wordt ook een olieverfschilderij, mijnheer Jellybird,” hernam
Darragos geduldig, „maar eerst moet men altijd beginnen met een schets
in krijt of houtskool. Pas later begint men te schilderen, begrijpt u
wel, mijnheer.”
„Ja, ja, het zal wel zoo zijn. En zeg mij nu eens, hoe hadt gij u het
portret eigenlijk voorgesteld?”
De jonge schilder monsterde den bierbrouwer van top tot teen, keek
hoofdschuddend naar het doffe zwart van de jas, naar den monumentalen
boord, die den hals van zijn lastgever als in een ijzeren halsband
gevangen hield, naar den monsterachtig dikken gouden horlogeketting,
naar de fonkelende diamanten dasspeld, en tenslotte naar het
gefriseerde haar en antwoordde toen:
„Om u de waarheid te zeggen, had ik er mij nog geen goede voorstelling
van gemaakt, mijnheer Jellybird. Hebt gij zelf geen idee?”
„Luister eens, jonge man. Ik ben met en door het bierbrouwen rijk
geworden, en daar schaam ik mij volstrekt niet voor. Ik doe er zelf
niet veel meer aan en laat bijna alles over aan mijn procuratiehouder.
Maar toch zou ik het wel aardig hebben gevonden, bijvoorbeeld in een
van de brouwkelders te worden geschilderd, of leunend tegen een
brouwketel, of zittend op een vat met gist, of zoo. Maar alles
welbeschouwd heb ik dat plan toch maar laten varen, omdat ik niet weet
of het bij Dolly wel in goede aarde valt. Wat zoudt gij er van zeggen,
als ik zoo ging staan.”
Met deze woorden stapte Jellybird op zijn schrijftafel toe, leunde er
met de gesloten rechtervuist op, stak de uitgespreide vingers van zijn
linkerhand tusschen den eersten en den tweeden knoop van zijn
dichtgemaakte jas, sloeg het eene been over het andere, zette een hooge
borst en keek Darragos uitdagend aan.
De jonge schilder zag een oogenblik zwijgend naar het schouwspel en
zeide toen:
„Kolossaal mijnheer Jellybird, een fiere, echt koninklijke houding. Ik
ben echter bevreesd, dat gij dat niet lang zult volhouden, en daarom
zou ik u wel willen voorstellen, eenvoudig aan uw bureau ministre
plaats te nemen. Het licht valt daar voortreffelijk op uw gelaat en
handen. Gij behoeft u dan volstrekt niet te vermoeien en gij kunt een
ongedwongen houding aannemen.”
„Dat is nog zoo kwaad niet,” riep de bierbrouwer uit. „Zeg dan maar hoe
ik moet gaan zitten.”
Darragos duwde hem in zijn stoel neer, verzette deze eenige malen,
verplaatste eens een paar keer zijn eigen standpunt, verschoof
herhaaldelijk de dikke roode handen van zijn sujet, haalde zonder
medelijden zijn hand door het prachtig opgemaakte haar en was eindelijk
met zijn werk tevreden, zoo tevreden als hij in de gegeven
omstandigheden maar kon zijn.
Daarop opende hij de groote schilderdoos, nam er een groote blocknote
uit, greep naar een pijpje houtskool en begon in vlugge, rake lijnen de
figuur van den heer Jellybird op te zetten, die als een standbeeld
bleef zitten en blijkbaar nauwelijks adem durfde halen.
„Gij moogt u gerust bewegen, mijnheer,” zeide Darragos na eenige
oogenblikken glimlachend.
„Ik dacht dat dat volstrekt niet mocht.”
„Later pas, later. Ik ben nu nog maar aan het schetsen en wanneer gij
uw hoofd niet te veel beweegt, dan ben ik ruimschoots tevreden. Gij
moogt gerust spreken, als u dat belieft.”
Dit nu was een groote opluchting voor den heer Jellybird, want hij was
een praatgraag en het zou hem de grootste moeite gekost hebben, een
half uur achtereen zijn mond te houden.
En zoo begon hij aanstonds uit te weiden over alles, wat hem na aan het
hart lag. Dat wil zeggen, zijn groote rijkdommen.
Hij gaf den jongen schilder een volledige beschrijving van het geheele
huis en bovendien van zijn villa in Torquay, van zijn landhuis in het
zuiden van Schotland en van zijn bezittingen in het zuiden van Norfolk.
Hij beschreef hem verder tot in de minste bijzonderheden zijn
racejachten, de stallen van zijn renpaarden, zijn vier of vijf auto’s
en zijn wapenverzameling, waarvan hij alle nummers zonder haperen
achter elkander opzegde.
Een half uur later was er in het heele reusachtige huis geen theekopje,
geen zilveren taartschep, geen suikerstrooier, of de jonge Portugees
had er een zeer nauwkeurige omschrijving van kunnen geven.
Hij wist hoeveel kleedgeld Dolly kreeg, hij wist waar mevrouw Jellybird
haar hoeden kocht, hij wist dat de familie den volgenden zomer in het
zuiden van Frankrijk zou doorbrengen en hij kende zelfs den prijs van
het gouden potlood, waarmede de millionair op dat oogenblik speelde.
En toen hij dat alles wist was de eerste schets ook gereed. Darragos
stond op van zijn kruk, waarop hij gezeten had, trad met zijn schets
naar het licht en bromde goedkeurend.
„Mag ik het al zien?” vroeg Jellybird nieuwsgierig.
„Welzeker, mijnheer,” antwoordde de jonge schilder.
Jellybird kwam naast hem staan en keek geruimen tijd naar de schets.
Toen zeide hij een weinig aarzelend:
„Is die neus niet wat dik en groot?”
Darragos keek beurtelings naar het origineel van dit lichaamsdeel en
naar zijn schets, en antwoordde toen op ernstigen toon:
„Dat is hij inderdaad, mijnheer Jellybird.”
„Maar—ik bedoel.... is mijn neus werkelijk zoo groot.”
„Ik weet niet hoe gij mijn antwoord zult opvatten, mijnheer, maar ik
moet u zeggen, dat het werkelijk zoo is.”
„Alles goed en wel—maar ik vrees dat gij misschien een weinig
overdreven heb. Misschien kwam het door het licht. Om kort te gaan, ik
zou den neus wat kleiner willen hebben.”
De wenkbrauwen van den jongen schilder trokken zich samen en een bits
antwoord lag op zijn lippen.
Maar toen kwam hem plotseling het lieve gezichtje van Dolly voor den
geest en hij antwoordde kortaf:
„Als gij wilt mijnheer, kan ik hem ook heelemaal weg laten.”
„Dat is ook weer niet noodig, jonge man,” hernam de bierbrouwer kwaad.
„Ik verlang alleen, dat ik niet te pronk word gezet met zoo’n
komkommer, zoo’n knots, zoo’n neus van niemendal.”
Zonder een woord te spreken, nam Darragos zijn houtskool weer ter hand,
veegde den neus weg, die het misnoegen van den eigenaar had opgewekt en
teekende met een paar halen een nieuwe, die heel in de verte wel een
weinig geleek op het reukorgaan van mijnheer Jellybird, en die dus zijn
kunstenaarsgeweten niet al te zeer geweld aan deed.
Weder kwam de bierbrouwer naast Darragos staan, en nu riep hij verheugd
uit: