hij van middag er nog! Ik heb immers wel altijd gezegd, dat mijn José
een genie was! Dank u, papaatje, dank u duizend maal!”
Nogmaals stormde zij op haar vader toe, en vloog met zulk een
onstuimigheid om zijn hals, dat hij bijna het evenwicht had verloren,
om vervolgens naar haar kamer te snellen, en daar het briefje te gaan
schrijven, dat haar geheele geluk inhield.
Maar zij keerde nogmaals terug naar het vertrek van haar vader, om hem
te verzoeken, een paar regels aan den jongen man te schrijven, waarin
hij hem mededeelde, dat hij van meening veranderd was, en dat het hem
een eer en een genoegen zou zijn, den man die zijn dochter het leven
had gered, als schoonzoon te mogen begroeten.
Dit schrijven werd bij den brief van het jonge meisje ingesloten, en
vervolgens met de pneumatische post verzonden, zoodat José Darragos het
reeds anderhalf uur later in handen had.
HOOFDSTUK VII
EEN ONVERWACHT BESLUIT.
Het was ongeveer zes uur in den avond, toen een paar auto’s eenige
intieme vrienden van den heer des huizes, mijnheer Jellybird,
aanbrachten, die des avonds zouden blijven dineeren, en getuigen zouden
zijn van de aankondiging der verloving van het jonge paar.
Zij werden in de weelderig gemeubelde ontvangsalon gelaten, waar hen de
heer Jellybird in het volle besef van zijn waardigheid ontving.
Met een genadig glimlachje hoorde hij de loftuitingen aan over zijn
doorzicht, want de vrienden bleken reeds de „Times” te hebben gelezen.
Alleen was het voor iedereen een raadsel, den vader incluis, hoe het
beroemde blad aan het einde van het stukje die zonderlinge zinspeling
had kunnen maken op een nauwere verbintenis tusschen Hannibald
Jellybird en den jongen Portugeeschen schilder.
En Darragos zelf begreep er misschien nog het minst van!
Hij was omstreeks vijf uur in den namiddag verschenen en dadelijk had
hij met den vader van zijn verloofde een ernstig gesprek gehad.
Maar een nog grootere verrassing wachtte den nieuwbakken schoonvader en
zijnen gasten.
Men zou zich juist aan tafel begeven, toen het bezoek van den
Portugeeschen gezant werd aangekondigd!
Hij was in gezelschap van zijn vrouw, een eerwaardige dame, met grijze
krullen, en een zachten oogopslag.
Zij waren voor komen rijden in een zeer fraaie auto, die dadelijk weder
was vertrokken.
Dat gaf dadelijk een groote consternatie!
Men begreep echter direct dat de gezant er op had gestaan, dadelijk
persoonlijk den bierbrouwer geluk te wenschen, evenals zijn jeugdigen
landgenoot.
Vuurrood van opwinding en trots, ging Jellybird den gezant tegemoet en
bracht hem toen bij het pas verloofde paartje. De gezant, een rijzig
man met een spierwitten baard en keurig onderhouden, glanzend wit haar,
richtte in de Portugeesche taal eenige welwillende woorden tot zijn
landgenoot, en zette toen het gesprek in het Engelsch voort, zooals de
beleefdheid het eischte.
Na eenige minuten echter stond hij op, om weder afscheid te nemen.
Maar Jellybird zou zich liever in stukken hebben laten hakken, dan geen
poging te doen, den gezant te dineeren te houden.
Dat zou een eer zijn, die nog lange jaren op hem zou afstralen en
misschien den zoo vurig begeerden toegang tot de adellijke kringen zou
verschaffen.
En vroeg hij dan ook:
„Ik hoop toch, Excellentie, dat gij zoo niet zult weggaan? Gij zult ons
toch hoop ik de groote eer aandoen mede aan te zitten? Ik verzeker u,
dat gij het niet zult beklagen, ik heb pas een Italiaanschen kok in
dienst genomen, een man, die een ministersalaris verdient, al zeg ik
het dan ook zelf, maar die dan ook zoo goed kookt als de kok van den
koning in persoon!”
„Ik vrees, misbruik te maken, mijnheer Jellybird!” zeide de gezant
glimlachend.
„Heelemaal niet, Excellentie!” riep Jellybird haastig uit. „Waar voor
tien is daar is ook voor twaalf! Geneer u niet! Het zou mijn dochter
zoo’n groot pleizier doen!”
„Als Miss Jellybird mij dat bevestigt, dan ben ik gaarne van de
partij!” zeide de gezant op gullen toon.
Tien minuten later zat men aan tafel.
Een gezelschap van twaalf personen was aan de met vorstelijke weelde
gedekte tafel vereenigd.
De spijzen waren zoo goed als men slechts verlangen kon, de gezant
bleek een zeer ernstig causeur te zijn, en „volstrekt niet trotsch,”
zooals Jellybird achter den rug van zijn buurvrouw om zijn schoonzoon
influisterde, de wijn was zeer oud en van voortreffelijke
hoedanigheid,—en de heer Jellybird moest bekennen, dat hij een klein
weinigje aangeschoten was, toen hij tegen het dessert plechtig de
verloving aankondigde van zijn dochter Dolly met José Darragos.
De dames weenden stilletjes in haar zakdoeken, en de heeren keken
ernstig voor zich uit, en daarmee was de plechtigheid geëindigd.
Na het diner begaven zich de heeren naar de rookzaal, en de dames
trokken zich terug naar het boudoir van Dolly.
Het was omstreeks negen uur in den avond, toen een bediende de
rookkamer binnentrad en het bezoek aankondigde van een verslaggever van
de „Times”.
Jellybird keek verbaasd in den kring der heeren rond, aan wie hij juist
verhaalde, hoe hij nog geen tien jaar geleden met vaten sleepte, en
herhaalde toen langzaam:
„Iemand van de „Times”? Wat zou die nu van mij willen?”
„Misschien een paar bijzonderheden uit uw leven, voor de biographie van
onzen jeugdigen schilder!” meende de gezant glimlachend.
„Daar zegt u zoo wat!” riep Jellybird uit.
Daarop wendde hij zich tot den bediende en vroeg:
„Waar heb je dien man gelaten?”
„In uwe werkkamer, mijnheer.”
„Zeg dat ik kom!”
De bediende vertrok en de bierbrouwer wendde zich tot zijn gasten met
de vraag:
„Excuseer mij, heeren, een oogenblik?”
„Wel natuurlijk! Ga uw gang! Blijf maar niet al te lang weg!” werd er
geroepen.
Jellybird verliet de rookkamer, daalde de trap af en trad zijn
werkkamer binnen, waar aanstonds een bejaard heer haastig van zijn
stoel opstond.
Nog voor Jellybird iets had kunnen zeggen, begon de bezoeker:
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer Jellybird, dat ik u moet storen in een
voor u zoo heugelijk oogenblik! Mijn naam is Bliss. Ik ben redactie
secretaris van de „Times”, ik kom u namens mijn blad vragen, of gij
misschien in staat zou zijn, ons eenige nadere inlichtingen te
verstrekken omtrent het bericht van mijnheer Darragos, dat op werkelijk
raadselachtige wijze in ons blad is gekomen.”
Jellybird deed verbaasd een stap achteruit, en vroeg toen:
„Komt gij mij om bijzonderheden vragen? Gij denkt toch niet dat ik het
bericht heb ingezonden?”
„Dat denk ik natuurlijk niet, mijnheer,” antwoordde Bliss bedaard,
„hoeveel respect wij ook voor u hebben—wij zouden het stuk eenvoudig
naast ons hebben neergelegd! De zaak is, dat niemand onzer weet, hoe
het stuk bij mogelijkheid in ons blad is gekomen.”
„Wat is dat nu?” riep Jellybird luid. „Weet gij dat niet? De
kunstverslaggever van uw blad, die hier bij mij geweest is, zal het
toch wel geschreven hebben?”
„Dat heeft hij juist niet, mijnheer Jellybird!” antwoordde de man
koeltjes. „Er is maar één mogelijkheid—het stuk moet op de zetterij in
den vorm zijn gemoffeld, maar het is ons nog niet duidelijk, op welke
wijze dat heeft kunnen plaatsgrijpen. De meesterknecht was ongesteld,
en in zijn plaats deed een van de beste zetters het werk, maar deze man
verklaart pertinent, dat hij het stuk niet in handen heeft gehad—ook
heeft geen van de andere zetters het in handen gehad. Even voor het
opmaken van den vorm keerde de zieke meesterknecht terug, omstreeks
twaalf uur in den nacht, bij het wisselen van de ploegen.”
„En wat zegt hij er van?” vroeg Jellybird ademloos, die begon te
gevoelen dat hij leelijk voor den gek was gehouden.
„Dat is juist het leelijke van het geval, mijn waarde heer! Een paar
uur nadat het blad van morgen uitkwam, dus nadat de meesterknecht van
den nacht weder was afgelost door zijn collega van den dag, hebben wij
iemand naar hem toegestuurd en die kreeg tot zijn groote verbazing te
hooren, dat hij zijn bed volstrekt niet had verlaten op bevel van den
dokter!”
„En komt gij nu hier, om mij nog iets te vragen?” brulde Jellybird.
„Maar dan zijn het niet alleen suffers bij u, dan zijn het gekken! Want
dan is het zelfs voor een buitenstaander zoo klaar als de dag, dat een
bedrieger—de hemel weet wie—het uiterlijk van den zieken meesterknecht
heeft aangenomen, het bericht misschien zelf gezet heeft en het op het
laatste oogenblik in den vorm heeft weten te smokkelen. Ik heb een
neef, die zelf bij een groot blad is en ik weet hoe het er toegaat! De
opmaker heeft zeker geen tijd gevonden den boel nog eens goed na te
zien—en zoo is het bericht in de krant gekomen! Maar wie—wie heeft dit
geleverd?”
Bliss haalde de schouders op en antwoordde:
„Wij doen al het mogelijke om er achter te komen, mijnheer, maar tot
dusverre is het ons nog niet mogen gelukken! Het spijt mij natuurlijk
meer dan ik u zeggen kan, dat deze betreurenswaardige mystificatie
juist met ons blad heeft moeten plaats grijpen, vooral om de gevolgen
die er voor u uit zullen voortvloeien, want wij begrijpen maar al te
goed, dat gij de verloving van uw dochter met mijnheer Darragos
bezwaarlijk meer ongedaan kunt maken, zonder u aan de bespotting van
geheel Londen prijs te geven.”
De heer Jellybird gromde in zich zelf een paar vloeken uit den tijd,
toen hij zelf nog met de biervaten sjouwde, en die aan kernachtigheid
niets te wenschen over lieten, want hij begreep maar al te goed, dat de
redactiesecretaris gelijk had.
Bliss had reeds weder zijn hoed gegrepen, maakte een buiging voor den
ander en zeide op meewarigen toon:
„Wij zullen voorloopig niet meer over deze, ook voor ons zoo hoogst
onaangename zaak terugkomen, mijnheer! Het is voor beide partijen die
er zoo jammerlijk zijn ingeloopen, die door een geheimzinnigen Tijl
Uilenspiegel voor het lapje zijn gehouden, verreweg het verstandigste,
er het zwijgen aan toe doen! Mijnheer Jellybird, ik heb de eer!”
En met deze woorden verliet Bliss het vertrek, terwijl Jellybird op den
schelknop drukte, om den huisknecht te waarschuwen, die den bezoeker
moest uitlaten.
Hij wendde zich op zijn beurt naar de deur, toen deze geopend werd, en
de Portugeesche gezant binnentrad.
„Gij, Excellentie?” vroeg Jellybird verrast. „Gij hebt toch niets
gehoord.... wat hier zooeven gezegd is? Wij spraken nog al luid!”
„Ik heb het integendeel woord voor woord gehoord, mijn waarde vriend
Jellybird, maar laat u dat vooral niet verontrusten, want ik heb alle
reden, er op mijn beurt zoo weinig mogelijk over te spreken!”
„Gij, Excellentie?” vroeg Jellybird hoogst verbaasd.
„Ik! En het zal u aanstonds duidelijk worden, waarom. De man, die de
taak overnam van den zieken meesterknecht.... was ik!”
Zonder een woord te spreken liet Jellybird zich achterover op een stoel
voor de schrijftafel neervallen en keek den gezant aan, alsof hij een
spookverschijnsel zag.
Toen kwam het eindelijk stamelend over zijn lippen:
„Gij maakt zeker een grapje, Excellentie? Ik heb natuurlijk niet goed
verstaan.”
„Gij hebt integendeel zeer goed verstaan, mijn waarde heer. Gij behoeft
mij ook voortaan niet meer met den titel van Excellentie aan te
spreken, ik ben John Raffles....”
Jellybird werd zeer bleek, wilde opstaan en tastte met de hand naar den
schelknop, die op het blad van zijn schrijftafel was bevestigd.
De Gentleman-Inbreker keek er glimlachend naar en zeide toen op
vriendelijken toon:
„Doe geen moeite, mijn waarde heer, ik heb den draad zooeven
doorgesneden.”
„Dan zal ik schreeuwen, dan zal ik mijn gasten te hulp roepen.”
„Ook dat zou u weinig baten. Uw gasten slapen op het oogenblik. Ik ben
zoo vrij geweest, hen een Portugeesche sigaret van mijn vinding te
laten rooken en vervolgens zijn zij in een gerusten slaap gevallen.
Duidt gij het mij ten kwade, dat ik van die gelegenheid gebruik heb
gemaakt, den inhoud van uw zakken te inspecteeren? Laat ik u zeggen dat
mij de opbrengst niet mee viel. Ongeveer drie duizend pond, alles bij
inbegrepen. Maar ik denk mij hier schadeloos te stellen en mijn lieve
vrouw zal op haar beurt wel met een goeden buit aan juweelen en
diamanten terugkeeren uit het boudoir van uw bevallige dochter. Laat ik
hier aan toevoegen, dat ik mijnheer Darragos heb gespaard, hij is mij
bijzonder sympathiek en ik hoop, dat het hem goed zal gaan in de
wereld. Wat het stukje in de „Times” betreft, ik geef u mijn woord van
eer, dat het reeds over een jaar letter voor letter bevestigd zal
worden. Ik gebruikte deze kleine truc slechts om u tot een weinig haast
aan te sporen. Want ook uw dochter mag ik heel graag lijden.”
Jellybird had als het ware versuft toegeluisterd en vroeg nu toonloos:
„Wat wilt gij van mij?”
„Wat een vraag, waarde heer,” riep Raffles spottend uit. „Wat zou ik
van een man als gij zijt, die met millioenen om zich heen kan werpen,
anders willen dan geld? Daar staat uw brandkast, een zeer fraai en
modern meubel, dat ik niet gaarne zou willen bekrassen. In den
linkerzak van uw pantalon zit uw sleutelbos, dat weet ik zoo goed,
omdat ik er speciaal op gelet heb, toen gij in de rookkamer uw
sigarenkastje opendeed. Gij hebt dus niet anders te doen, dan even de
deur voor mij te openen.”
„En— — —als ik weiger?” vroeg Jellybird op doffen toon.
„Gij zult wel verstandiger zijn,” hernam Raffles koeltjes. „Gij zult
niet weigeren. Ik gebruik nimmer graag geweld, tenzij men er mij
bepaald toe dwingt. En ik zou er toe moeten overgaan, wanneer gij....”
Hij kon niet uitspreken, want Jellybird, vertrouwend op zijn groote
kracht, was plotseling opgevlogen en had zich op den Gentleman-Inbreker
geworpen, maar hij had met een al te sterke tegenpartij te doen.
Raffles bukte bliksemsnel, zoodat de zware vuist van den bierbrouwer
over zijn hoofd heen ging en trof op zijn beurt den ander met de
linkervuist met zooveel kracht tegen de kaak, dat hij zonder geluid te
geven op het dikke tapijt neer gleed.
In een oogwenk had Raffles den sleutelbos uit zijn linkerzak genomen en
de deur van de brandkast geopend....
Toen de rampzalige Jellybird weder tot zichzelf kwam en met verwilderde
oogen om zich heen keek, schouwde hij slechts in een brandkast, waarvan
de ledige planken hem spottend schenen aan te grijnzen.