LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 375 AMOR EN MERCURIUS.
AMOR EN MERCURIUS.
HOOFDSTUK I.
BIJ DEN KUNSTHANDELAAR.
In de Cromwellstreet, een der voornaamste zijstraten van de
Oxfordstreet, bevindt zich, niet ver van laatstgenoemde straat
verwijderd, een vrij groote winkel, niet lang geleden gebouwd, en
volgens de laatste eischen ingericht.
Het is de kunstzaak van den heer Jozua Drebbel.
Het scheen hem naar den vleeze te gaan, want hij had zich sedert
eenigen tijd een prachtige, groote auto aan kunnen schaffen en zijn
klantental had hij voortdurend zien toenemen.
De booze wereld zeide weliswaar, dat hij zijn begunstigers vooral zocht
en ook vond, onder de zoogenaamde nieuwe rijken, maar van deze
betichting trok de heer Drebbel zich al bitter weinig aan.
Hij was een man, die met zijn tijd medeging en hij verkocht, waarom het
publiek vroeg, en voor de rest basta.
Hij had zich nimmer opgehouden met de bezwaarlijke en ondankbare taak,
leiding te geven aan den smaak van het publiek en hij had daarentegen
een open oog voor de verandering der mode, op het gebied der
schilderkunst, en voor de kansen, aan deze kunstrichting meer te
verdienen dan aan gene.
Achtereenvolgens had de heer Drebbel zijn aandacht geschonken aan de
naturalisten, aan de impressionisten, aan de realisten, aan de
luministen, aan de futuristen en de cubisten en zelfs de romantisten,
die toendertijd juist weder op den voorgrond traden.
Geen kunstrichting kon zoo buitensporig zijn, of de heer Drebbel had er
zijn specimen van in voorraad, teneinde den komenden en den gaanden man
te gerieven, die lust mocht gevoelen en karaktersterkte genoeg bezat,
om de wanden van zijn kamer te vullen met de afschuwelijke producten
van gedegenereerde verfknoeiers.
Het was op een morgen van een prachtigen herfstdag, toen er voor de
deur van het fraaie winkelhuis, dat slechts een betrekkelijk klein raam
aan de straat had, een groote blauw gelakte limousine stil hield.
Nauwelijks had een van de bedienden dit voertuig gezien of hij snelde
naar de deur om deze open te houden.
Want dit veel belovende jongemensch had de auto herkend, hij wist dat
zij toebehoorde aan een van de rijkste en zonderlingste mannen van
Londen, Lord William Aberdeen, die bij duizenden bekend was wegens zijn
uitgestrekte bezittingen, en zijn menschlievendheid, die hem ieder jaar
honderdduizenden kostte.
Zijn Lordschap kwam nog al vaak den winkel van den heer Drebbel binnen,
teneinde zich persoonlijk te vergewissen, of zich daar iets van zijn
gading bevond.
En de kunsthandelaar kon er dan zijn gemak van nemen, en behoefde zich
volstrekt geen moeite te geven, zijn waar aan te prijzen, want Lord
Aberdeen schoof hem telkenmale met een flauw glimlachje ter zijde en
vertrouwde liever op zijn eigen oordeel.
Menigmaal ging hij weder heen zooals hij gekomen was, maar toch kocht
hij ook wel eens een of ander doek en betaalde den gevraagden prijs
zonder ook maar een penny af te dingen.
De winkelbediende was reeds weer op het portier toegesneld en opende
het buigend, zonder den reusachtigen chauffeur, die achter het
stuurwiel zat, gelegenheid te geven, dit gebaar te verrichten.
Uit de auto stapte een man, eenvoudig en toch met verfijnden smaak
gekleed en wiens leeftijd niet nauwkeurig was aan te geven.
Zijn haar was aan de slapen lichtelijk begonnen te grijzen maar
daarentegen was zijn gang zoo veerkrachtig als van een jongeling, en
zijn grijze oogen hadden een helderen glans.
Het gelaat toonde krachtige, scherpbesneden trekken die op groote
wilskracht en ondernemingsgeest wezen, maar soms gleed er een
uitdrukking van diepe zwaarmoedigheid over dat gelaat.
Lord Aberdeen knikte den winkelbediende even toe, sprak toen eenige
woorden tot den reus achter het stuurwiel, en trad den kunsthandel
binnen terwijl de auto weder wegreed.
Dadelijk kwam de heer Drebbel in persoon toeloopen.
Hij was een klein mannetje van omstreeks 60 jaar, smal en gebogen van
rug met een glimmenden kalen schedel, en het gezicht van een bejaarden
Duitscher, waarin de zwarte oogjes slim fonkelden.
Handenwrijvend stond hij stil voor den voordeeligen klant, die over hem
heen keek naar de schilderijen, die aan de wanden waren opgehangen, of
op den grond tegen den muur waren aangezet.
De groote, lange zaal werd uitstekend verlicht door een paar groote
ramen, die op den tuin uitzagen, en door een lantaarn in het dak.
Lord Aberdeen wist echter, dat er zich nog meer tentoonstellingzalen in
het huis bevonden, waar behalve schilderijen ook marmeren en bronzen
beelden te zien waren.
Een gedeelte van een der wanden van de benedenzaal werd ingenomen door
een monumentale kast met breede planken, waar de etsen zorgvuldig in
groote portefeuilles werden bewaard.
Een breede en zeer lange tafel in het midden van het vertrek, waarvan
het blad glimmend geboend was, diende om deze portefeuilles op te
kunnen leggen.
Lord Aberdeen was langzaam op een der wanden toe getreden en begon de
schilderijen die daar hingen met aandacht te beschouwen.
Drebbel begon ouder gewoonte hem op den voet te volgen, en hem
verschillende doeken aan te prijzen.
Maar Lord Aberdeen wendde zich al om met de opmerking:
„Ik zou het mij zelf nooit vergeven hebben, waarde Drebbel, indien ik u
al ware het slechts een seconde van uw kostbaren tijd afnam! Wat ik u
bidden mag bemoei u niet met mij—wanneer ik iets goeds vind, zal ik u
wel even laten roepen.”
Drebbel, hoewel een weinig in zijn wiek geschoten, wendde zich buigend
af, onverdroten in zijn handen wrijvend.
Bijna op hetzelfde oogenblik werd de winkeldeur langzaam geopend, en
heel bescheiden trad er een jongmensch binnen met een zwaar pak onder
den arm.
Hij kon ongeveer 25 jaar zijn en hij had een intelligent gelaat, waarin
twee donkere oogen schitterden, maar dat zeker wel gevulder had kunnen
zijn, de wangen waren ingevallen en bleek.
In dichte krullen hing zijn blauwzwart haar over het hooge voorhoofd.
De jonge man was uiterst eenvoudig gekleed, en toch maakte hij dadelijk
een zeer goeden indruk, door zijn vrijmoedigen oogopslag en zijn slanke
gestalte, door zijn geheele wijze van optreden, en vooral door den
warmen diepen klank van zijn stem, toen hij op beleefden toon vroeg:
„Zou ik een oogenblik met meneer Drebbel kunnen spreken?”
Lord Aberdeen wendde op het hooren van de stem nieuwsgierig het hoofd
om, om den jongen man op te nemen.
Zijn Engelsch had een licht, maar volstrekt niet onaangenaam accent.
De winkelbediende nam den jongen man even vluchtig op en vroeg toen:
„Wilt u meneer over zaken spreken?”
„Ja, ik wil hem een paar doeken toonen.”
„Uw naam, als ik verzoeken mag?”
„José Darragos.”
De winkelbediende begaf zich naar zijn patroon, die zich blijkbaar
juist gereed had gemaakt, de expositiezaal te verlaten en wisselde
eenige woorden met hem.
Onmiddellijk nam de heer Drebbel de houding aan van een man, wien men
een dienst vraagt—en richtte zich zoo hoog mogelijk op, trok zijn
wenkbrauwen in de hoogte en deed zijn best er zoo onverschillig
mogelijk uit te zien, terwijl hij zich naar den jongen man begaf, die
het zware pak reeds op de lange tafel had gelegd en bezig was het touw
te ontknoopen, waarmede het was dichtgebonden.
Toen Drebbel vlak voor zijn bezoeker stond, klemde hij een enorme
hoornen lorgnet op zijn neus en vroeg toen met een weinig wantrouwen in
zijn stem:
„Is u schilder?”
„Ja meneer Drebbel.”
„Ik heb uw naam nog nooit gehoord!”
„Dat is niet zoo verwonderlijk mijnheer Drebbel,” hernam Darragos met
een flauwen glimlach. „Ik heb nog nimmer geëxposeerd—wat natuurlijk
niet wil zeggen dat ik er geen pogingen toe gedaan heb.”
„En nu komt u— — —?”
„Ik kom u een paar van mijn schilderijen toonen mijnheer, en ik hoop
dat u ze in uw kunsthandel wilt exposeeren.”
De heer Drebbel trok een gezicht, alsof men hem een of ander
schandelijk voorstel kwam doen, en hij poogde zijn wenkbrauwen nog
hooger op te trekken.
Toen hij bemerkte, dat dit onmogelijk ging, liet hij ze als het ware
met een plof weder zakken en wierp Darragos een blik toe, alsof hij hem
als zijn persoonlijken vijand beschouwde.
Toen bromde hij half binnensmonds:
„Ik heb het eigenlijk niet voorzien op nieuwelingen. Gij lijkt mij nog
wel heel jong toe meneer, Darra— — —Flarra— — —Garra— — —hoe was het
ook weer?”
„Darragos, mijnheer!” antwoordde de jonge schilder onverstoorbaar,
terwijl hij het grauwe papier behoedzaam opvouwde, waarin drie doeken
gewikkeld waren geweest.
„Juist Darragos! Welnu meneer, ik moet u zeggen, dat ik een weinig
huiverig ben om als bemiddelaar voor zulke jonge schilders op te
treden. Ik wil u niet verhelen, dat gij, jonge schilders, den smaak van
het hedendaagsche publiek slecht schijnt te kennen.
„Men verlangt thans actie—begrijpt gij wel, levendige acties! Er moet
iets gebeuren op de schilderijen. Een bokspartij—een gevecht tusschen
matrozen—het uitgaan van een fabriek— —weet ik wat? Men heeft genoeg
van stillevens, van portretten, en van al die flauwe, levenlooze rommel
van voor den oorlog. Maar laat mij toch maar eens zien, wat gij daar
bij u hebt, ik heb nog wel een paar minuten tijd.”
Lord Aberdeen was naderbij getreden, en keek belangstellend toe, toen
Darragos het eerste doek uitrolde.
Het was een eenvoudige vrouwenfiguur, een zeer schoone naaktstudie,
geschilderd door een man, die als weinig anderen de anatomie van het
menschelijk lichaam kende.
De vrouw lag op een divan, waarop een wijnrood kleed was uitgespreid,
half afgewend van den beschouwer, rustend op een elleboog, en scheen
over den schouder heen te zien, met een half lachende, half verbaasde
uitdrukking op het gelaat, alsof zij zooeven in die houding verrast
was.
Drebbel plaatste zich op een paar meter afstands van het doek, hetwelk
Darragos met uitgestrekte hand vasthield, en het had weinig gescheeld
of hij had een schreeuw van verontwaardiging gegeven.
„Wat is dat? Een naaktstudie?” riep hij uit, alsof hij zijn oogen niet
kon gelooven. „Maar zijt gij dan waanzinnig, mijnheer? Durft gij in
dezen tijd daar nog mee aankomen? Goede hemel dat schilderden Itiaan,
Velasquez, Rubens, van Dijk, en andere al lang doode schilders. Maar
wie krijgt het nu in zijn hoofd om vrouwen op het doek te brengen, die
niets aan hebben, letterlijk niets. Het is een schandaal—het is
erger—het is een domheid! Bedenk toch dat gij met een Engelsch publiek
te doen hebt, mijnheer! Geef die dame een behoorlijke japon aan,
misschien kan ik het voor u verkoopen. Misschien zeg ik—want—hm—men kan
uit uw werk altijd weer den beginneling proeven. Dat oor—die voet—de
linkerhand, die op de heup rust—die is—hm—hoe zal ik het zeggen—een
weinig misteekend nietwaar?”
„Misteekend?” herhaalde Darragos langzaam. „Neem mij niet kwalijk,
mijnheer, dat hoor ik voor het eerst! Tal van mijn vrienden hebben het
doek al gezien en zij maakten verschillende opmerkingen, maar zeker
niet die welke ik zooeven uit uw mond moest vernemen.”
„Nu, pak dat maar weer in,” hernam Drebbel koeltjes. „Laat de rest maar
eens zien.” Met een bitteren glimlach om de lippen rolde Darragos het
doek weder op en toonde zijn tweede schilderij, een landschap.
Het was een geniaal geschilderd fantastisch landschap, onder jagende
wolken een stuk van een rotsachtige kust waartegen de golven te pletter
sloegen—een paar spichtige, door den storm neer gezwiepte boomen,—dat
was alles.
Drebbel bekeek het doek als een geleerde, die zijn uiterste best doet
een ingewikkeld Spijkerschrift te ontcijferen, en barstte toen
eensklaps in een bulderend gelach uit, waarbij zijn hoornen lorgnet op
den grond viel, die dadelijk door den gedienstigen winkelbediende werd
opgeraapt.
„Dat koopt niemand,” riep Drebbel, bulderlachend alsof hij de grootste
grap verkondigde. „Dat koopt niemand die een grijntje hersens heeft.
Heelemaal uit den tijd, mijnheer! Zee, wolken, een paar boomen, een
paar schepjes zand; stop het spoedig weg! En nog fantasie op den koop
toe. Laat ik u zeggen mijnheer, dat we op dit oogenblik niets van
fantasie willen weten! Realiteit mijnheer, fatsoenlijke realiteit, dat
is je ware, daar zit geld aan.”
„Dan vrees ik, mijnheer, dat ik u den aanblik van mijn derde doek maar
liever moet besparen,” hernam Darragos kortaf, terwijl hij zijn
schilderij neerlegde, en maakte zich gereed de doeken weder in te
pakken.
„Wat stelt het dan voor?” vroeg Drebbel.
„O! het is zeer fantastisch mijnheer,—een strijd tusschen Sytauren en
Amazones.”
Deze mededeeling scheen den heer Drebbel zoodanig aan te grijpen, dat
hij zich op een stoel moest laten vallen, vanwaar hij den jongen
schilder verschrikt aanstaarde.
„Sytauren? Amazones? In het jaar 1920 onzes Heeren? Mijnheer, stel u
dadelijk onder behandeling van een psychiater. Als u op dezen weg
voortgaat zult u geen droog brood verdienen.”
„Laat eens zien,” liet de stem van Lord Aberdeen zich hooren, die de
beide andere doeken met de grootste aandacht beschouwd had.
Lord Aberdeen bekeek het met de grootste belangstelling.
Zijn kennersoog had dadelijk gezien, dat de techniek van den jongen
schilder nog eenige verbetering behoefde, maar de geheele opvatting van
het doek, en vooral de heerlijke kleuren, troffen hem aanstonds.
Drebbel was naast hem komen staan, maar haalde dadelijk de schouders op
en wendde zich af, alsof hij hiermede te kennen gaf, dat hij de
onderhandeling als geëindigd beschouwde.
HOOFDSTUK II.
HANNIBAL JELLYBIRD.
Op hetzelfde oogenblik klonk buiten het doordringend geluid van een
auto claxon.
Een verbazend groote automobiel, niet veel kleiner dan een verhuiswagen
van behoorlijke afmeting, en kanariegeel gelakt, kwam aanstuiven en
hield voor den kunsthandel stil.
De palfrenier, die naast den chauffeur was gezeten klom van zijn zetel
en rukte het portier van den enormen wagen open.
Daaruit steeg een zeer zwaarlijvig man, in een lichtgrijs geruit pak en
een groote panama op het hoofd, een wit vest, en witte slobkousen.
Hij had een gezond rood gelaat, en kleine, bruine oogen, die eenige
moeite hadden over de dikke wangen heen te kijken.
Zoodra hij op het trotoir stond, stak hij de hand toe aan een bevallig
jong meisje, geheel in het wit gekleed, en met een grooten wit filten
hoed op, die haar voortreffelijk kleedde.
Juist had de volijverige winkelbediende de deur opengerukt, en nu
verschafte hij buigend toegang aan den zwaarlijvigen man, die een
oogenblik later in den winkel stond.
Darragos had zijn versmade schilderijen, het pakpapier en het touw
opgenomen en was achter in de zaal bezig zijn doeken in te pakken,
zonder acht te geven op de nieuwe klanten.
Zelfbewust stevende de man in het grijs op Drebbel toe, die dadelijk
een en al ijver was, en zeide met een stem, die uit den kelder scheen
te komen:
„Mijn naam is Hannibal Jellybird, u zult wel van me gehoord hebben.”
„Jellybird—misschien van de beroemde Jellybird-Ale?” kwam de
kunsthandelaar wiens kleine oogjes begonnen te schitteren.
„Dezelfde, meneer! Ik ben bierbrouwer—en daar schaam ik mij niet voor.”
„Dat zou ook zeer dwaas zijn, mijnheer Jellybird,” meende Drebbel te
moeten opmerken. „Terecht zegt een Fransche spreuk: „Er zijn geen zotte
beroepen, er zijn alleen maar zotte menschen.””
„Zoo is het mijnheer!” bevestigde de bierbrouwer goedmoedig. „Ik weet
wel niet wat het beteekent, maar zoo is het! En nu kom ik eens hier om
een paar mooie schilderijen te koopen, vooral niet te klein. Ze mogen
gerust een paar meter lang zijn—het is voor de vestibule, begrijpt u?
Het geld komt er niet op aan.”
Het jonge meisje in ’t wit was snel op den corpulenten man toegetreden
en trok hem nu aan zijn jas en fluisterde hem op bestraffenden toon
toe:
„Maar papa!”
„Wat is er kind?” zoo wendde hij zich tot zijn dochter. „Heb ik weer
iets miszegd? Ik begrijp die meisjes van tegenwoordig niet. Het is toch
geen schande als je de pitten hebt?”
„Integendeel, mijnheer Jellybird,” haastte Drebbel zich, den nieuwen
klant gerust te stellen. „De logica gebiedt ons, veel eerder het
tegendeel aan te nemen.”
„Zie je wel!” riep Jellybird met daverenden lach uit. „Ik wist wel dat
ik het bij het goede eind had. Ik zei dus mijnheer Drebbel, dat het er
heelemaal niets op aan komt wat het kost. Als je me maar geen kleine
prulletjes in mijn handen duwt, want daar maal ik niets om. Als ik een
schilderij in mijn huis ophang, dan wil ik er ook niet naar behoeven te
zoeken, maar dan moet je meteen kunnen zeggen: „Daar hangt een
schilderij.”
„Er is veel voor uw opvatting te zeggen, mijnheer Jellybird!” riep
mijnheer Drebbel vol geestdrift uit, die precies hetzelfde zou hebben
gezegd, als zijn klant de voorkeur mocht gegeven hebben aan
miniatuurtjes.
Reeds had Jellybird zich naar een van de wanden gewend, zonder in het
minst acht te slaan op Lord Aberdeen, die glimlachend had
toegeluisterd, en begon nu de daar opgehangen schilderijen aan een
inspectie te onderwerpen.
Er scheen echter niet veel bij te zijn, dat hem beviel.
Telkens schudde hij afkeurend het hoofd en bromde:
„Daar snap ik geen jota van. Wat moet dat voorstellen? Wat een
ongelukkig klein prentje, wat een leelijke lijst, wat glimt dat ding.”
Maar tenslotte had hij toch iets ontdekt, dat hem scheen te
bevallen—het was een groot stilleven en daarop vormde een geweldige ham
het hoofdmotief.
Met de handen in de zakken bleef Jellybird er een geruimen tijd voor
stil staan, terwijl hij goedkeurend knikte.
Toen barstte hij uit:
„Dat ding moet ik hebben! Laat me dat thuis bezorgen, zie je, daar zit
nou tenminste wat in!”
„U heeft gelijk, mijnheer Jellybird. Die ham is prachtig geteekend,”
kwam Drebbel haastig, die den hemel dankte, dat hij eindelijk was
afgeraakt van een schilderij, hetwelk hij reeds jarenlang onverkoopbaar
had geacht.
Maar de bierbrouwer riep minachtend uit:
„Die ham? Naar die ham had ik nog niet eens gekeken. Wat kan mij die
ham schelen. Maar kijk eens naar dat glas bier daarnaast—zie je—dat
bier leeft, dat is best, belegen inlandsch bier. Zie je dat schuim wel?
Neen, let nu eens op dat schuim. Je zoudt het er zoo van af scheppen.
En daarnaast staat nog een volle flesch ale. Jammer dat je het merk
niet kunt lezen.”
Hij wendde zich tot Drebbel, en vroeg:
„Heb je daar nog misschien een pendant van? Net zoo groot bedoel ik en
dan met een biervat er op of zoo? Nee? Jammer! Nu, misschien weet je
den naam nog wel van den knul, die dit geschilderd heeft. Dan moet hij
er nog maar een tweede bij maken. Ik zie niet op een paar lapjes van
honderd. Maar nu moet ik nog iets anders hebben, iets dat dadelijk
inslaat, begrijp je? Ik zie hier niet veel, om de waarheid te zeggen.
Allemaal landschappen met koeien of van die rare tierlantijntjes, die
ik niet snap. Van die funisten, of hoe noem je die lui. Heb je dan
niets, niets in den winkel, dat ik gebruiken kan?”
Voordat Drebbel iets kon antwoordden, was Lord Aberdeen naderbij
getreden, en zeide nu met een heldere, welluidende stem:
„Als ik ongevraagd mijn diensten mag aanbieden, dan zou ik mijnheer
Jellybird wel willen aanraden een van die doeken te koopen, welke die
heer daar ginds aan het inpakken is.”
Jellybird wendde zich eenigszins verrast tot den spreker en riep toen
eensklaps uit:
„Maar wat drommel, dat is Lord Aberdeen, de vice-voorzitter van de
Windsor-Club, waarvan ik dezer dagen pas lid ben geworden. Neem mij
niet kwalijk, dat ik u niet eerder heb opgemerkt.”
„Het heeft niets te beduiden, mijnheer,” hernam Lord Aberdeen met een
fijn glimlachje.
„Maar wat zeidet gij zooeven, wie is die heer dan?”
„Een veelbelovend schilder, mijnheer Jellybird.”
„Gij hebt zijn doeken dus gezien en gij vindt ze goed?”
„Ik vind ze schitterend, mijnheer Jellybird.”
Hij wendde zich tot den schilder, die zich juist gereed maakte het pak
weder dicht te snoeren, en riep:
„Zoudt gij eens hier willen komen, mijnheer Darragos.”
De jonge man wendde zich om en kwam naar de kleine groep toe.
Maar nauwelijks had het jonge meisje in het wit hem gezien, of zij
slaakte een blijden kreet van verrassing en riep uit:
„Maar ik ken mijnheer heel goed.”
„Wat is dat nu Dolly? Ken je mijnheer.”
„Natuurlijk papa. Denkt u soms dat ik zoo spoedig het gezicht zal
vergeten van een man, die mij het leven heeft gered?”
„Wat? Is dat dat jonge mensch, dat verleden Zondag— — —?” begon de
bierbrouwer, terwijl hij Darragos aandachtig opnam.
„Ja, papa. Dit is de heer, die op de stoomboot was, waarmee onze wherry
in aanvaring kwam, zoodat ons bootje omsloeg en wij allen in het water
lagen. En die toen niet geaarzeld heeft, dadelijk over boord te
springen, en drie van de meisjes te redden.”
„Drie? Ik dacht dat jij het alleen was,” hernam haar vader.
Dolly bloosde en stotterde:
„Dat van de twee anderen heb ik zeker vergeten te vertellen. Die gingen
mij ook eigenlijk niet aan, nietwaar?”
Hannibal Jellybird keek zijn dochter een oogenblik vragend aan, en
barstte in daverend lachen uit.
„Hoor die grappenmaakster,” riep hij. „De twee anderen gingen haar niet
aan. Nu je hebt ook gelijk, alles welbeschouwd. Iedereen is zichzelf de
naaste, en van het oogenblik af dat die jonge man jou het leven heeft
gered, doet de rest er ook niet toe.”
De bierbrouwer wendde zich nu voor de eerste maal tot den jongen
schilder, die tamelijk bedremmeld zich een weinig op den achtergrond
had gehouden, en eveneens een hooge kleur had gekregen.
Hij nam hem van het hoofd tot de voeten op en zijn onderzoek scheen hem
nog al te bevredigen, want hij bromde iets in zich zelf en zeide toen:
„Kom eens voor het front, jonge man.”
Darragos gehoorzaamde.
De bierbrouwer monsterde hem even nieuwsgierig en zeide toen
goedkeurend:
„Dat is een kranig stuk werk van je geweest, jonge vriend. Maar hoe
komt het, dat mijn dochter mij niet eerder verteld heeft, dat je haar
uit het water van de Theems hebt opgehaald?”
„Maar hoe kon ik dat doen, papa?” riep Dolly pruilend uit. „Mijnheer
maakte dadelijk dat hij weg kwam en hij heeft ons niet eens zijn naam
willen opgeven. Hij zeide, dat dat er heelemaal niet op aankwam.”
Jellybird fronste een oogenblik de lichtrose wenkbrauwen.
Toen zeide hij op brommenden toon:
„Ik geloof toch wel, dat het er een weinig op aan komt, of er een
meisje verdrinkt, dat een bruidschat van een millioen pond sterling mee
krijgt. Wat drommel, jonge man, het is toch geen bagatel, zou ik
meenen. Hoe denk je daar zelf over?”
De jonge schilder had zich dienaangaande zeker nog geen meening
gevormd. Want hij bleef zwijgend staan, met den blik naar den vloer
gericht.
Lord Aberdeen, die hem aandachtig had aangekeken, zag dat hij een
weinig verbleekt was.
Wat Dolly betreft, zij scheen de opmerking van haar vader maar half
goed te keuren, en zeide bestraffend:
„Maar papa, hoe kunt u daar nu over spreken? Zoo iets zegt men toch
niet?”
Weer barstte de bierbrouwer in een luiden lach uit.
„Maar als ik daar nog niet eens over spreken mag, kind, waarover mag ik
het dan wel doen? Het is zeker geen schande, als er goed geld verdiend
is. Hoe denkt Lord Aberdeen er over?”
Een flauwe glimlach plooide de lippen van den gevraagde, toen hij ten
antwoord gaf:
„Ik geloof niet, dat geld verdienen op zichzelf een bepaalde doodzonde
is, mijnheer Jellybird. Wel echter heb ik vaak hooren verluiden, dat
het niet tot den goeden toon behoort, als men te veel uitweidt over de
wijze, waarop men zijn fortuin verworven heeft.”
„Een zonderlinge opvatting,” bromde Jellybird half binnensmonds. „Wat
drommel ik heb er hard voor gewerkt. Ik heb toch per slot van rekening
den oorlog niet gemaakt, die mij het geld letterlijk in den schoot
wierp? Ik zeg u Mylord, er is nog nooit zooveel bier gedronken, als
juist tijdens den oorlog. En er gingen duizenden en nog eens duizenden
glazen naar het terrein van den strijd in Noord Frankrijk. Maar als je
nu werkelijk gelooft, dat het niet tot den goeden toon behoort....”
„Dat geloof ik inderdaad niet, mijnheer Jellybird,” hernam Lord
Aberdeen glimlachend.
„Dan zal ik mijn best doen en niet meer er over spreken, doch iedereen
mag weten, dat mijn dochter een millioen pond sterling mee krijgt. En
laat ons nu eens over iets anders spreken. Gij zeidet mij zooeven,
Mylord, dat dit jonge mensch iets moois bij zich had.”
„Iets voortreffelijks, mijnheer,” bevestigde zijne Lordschap.
„Kom er dan maar eens mee voor den dag, mijnheer.... mijnheer.... hoe
is uw naam?”
„Ik heet José Darragos, mijnheer,” antwoordde de jonge schilder, op
wiens gelaat nu weder een blos van opwinding was te zien en van
hoopvolle verwachting.
„U is zeker geen Engelschman?” vroeg de bierbrouwer, terwijl hij even
keek naar de zwarte lokken en den zuidelijken gloed in de oogen van den
jongen man.
„Ik ben een Portugees, mijnheer. Ik heb aan de zijde van uw
landgenooten meegestreden in den oorlog en ik ben in Engeland gebleven,
omdat niets mij meer naar mijn eigen land trok, waar mijn beide ouders
omstreeks tien jaren geleden kort na elkaar gestorven zijn.”
„Erg belangwekkend,” zeide Jellybird, ofschoon het hem in den grond
volstrekt niet kon schelen. Hij kwam hier om schilderijen te koopen, en
het liet hem tamelijk onverschillig van wien hij ze kocht.
Darragos had intusschen zijn doeken gehaald en begon het pak opnieuw
los te maken.
Dolly keek vol aandacht en met groote belangstelling toe, terwijl zij
nu en dan een schuwen blik wierp op den jongen Portugeeschen
kunstschilder.
Darragos had de doeken ontrold, waarop de vrouwenfiguur stond
afgebeeld, en hield dat op eenigen afstand aan Jellybird voor.
Deze keek er door zijn half dichtgeknepen oogen naar, sperde ze toen
plotseling zoover hij kon open, en barstte uit:
„Wilt u dat ik dat in mijn salon hang, mijnheer, dat kunt u toch niet
meenen.”
„Dat heb ik dadelijk gezegd,” merkte Jozua Drebbel op, die naderbij was
gekomen, en er niet bijzonder op gesteld was, dat zijn nieuwe klant,
een man die zijn dochter een bruidschat van een millioen meegaf, zijn
schilderijen niet bij hem, maar bij den pasbeginnenden jongen man kocht
en nog wel een vreemdeling.
Maar nu liet de heldere stem van Lord Aberdeen zich hooren, die sprak:
„Ik verzeker u, mijnheer Jellybird, dat de vrouwenfiguur geniaal
geschilderd is.”
„Luister eens, Mylord,” begon de bierbrouwer op gewichtigen toon. „Ik
gevoel bijzonder veel voor uw kennis, voor uw gezicht op het gebied van
kunst, maar per slot van rekening moet ik zelf in mijn huis wonen en
niet u. Al mijn kennissen zijn fatsoenlijke lui en wat zouden zij er
wel niet van zeggen, als zij in mijn salon zoo een.... zoo een.... hoe
zal ik het noemen, zoo’n rare juffrouw aantroffen. Neen werkelijk, dat
gaat niet.”
Hij wendde zich plotseling tot Darragos en vroeg op half gedempten
toon:
„Hoor eens hier, jonge man. Kun je dat meisje, of wat het is, niet
behoorlijk aankleeden. Ik heb er met plezier een paar pond extra voor
over. Zoo duur zal de verf toch wel niet zijn.”
De jonge Portugees had moeite het minachtend lachje te verbergen, dat
om zijn lippen was verschenen, maar hij antwoordde toch op hoffelijken
toon:
„Het spijt mij, mijnheer Jellybird, het meisje, of wat het dan is,
blijft zooals ik haar geschilderd heb.”
Dolly wilde haastig tusschenbeide komen, misschien den jongen man wel
verzoeken op zijn besluit terug te komen, maar een blik op zijn
vastberaden gelaat deed haar zwijgen.
Haar vader echter riep met luide stem:
„Dan kan ik het niet nemen, jonge vriend, het spijt mij waarachtig voor
je, maar dan kan ik het niet nemen. Laat de rest maar eens kijken.”
Darragos nam het landschap uit het pak, ontrolde het en hield het
zwijgend op eenigen afstand van Jellybird vast.
De bierbrouwer keek er eenigen tijd naar, met zijn dikke roode vuisten
in de zijde gesteund en begon toen zwijgend het hoofd te schudden.
„Bevalt het u niet, mijnheer Jellybird?” vroeg Lord Aberdeen
glimlachend.
„Ik zou beter kunnen zeggen, of het mij bevalt of niet, Mylord, als ik
wist wat het eigenlijk moest voorstellen,” antwoordde de bierbrouwer,
nog altijd met het hoofd schuddend.
Zonder een enkel woord te zeggen, rolde de jonge Portugees het doek
weder op en begon het pak dicht te maken.
In een oogwenk was Dolly aan zijn zijde en fluisterde hem haastig
eenige woorden toe, die blijkbaar van zeer aangenamen aard waren want
er verscheen een blos van vreugde op de wangen van den jongen man.
Maar Jellybird scheen toch te gevoelen, dat hij wel iets goed te maken
had aan den man, die zijn eenig kind het leven had gered, een kind,
terwaarde van een millioen pond sterling.
Hij trad dus weder op Darragos toe, legde zijn zware hand op zijn
schouder en zeide op jovialen toon:
„Wat je mij daar hebt laten zien, wel ik geloof, dat het niet zoo kwaad
was, zie je, maar— — —het was een beetje— — —hoe zal ik zeggen, een
beetje petiterig. Heb je niets grooters bij je, iets dat een beetje in
het oog springt, dat wat vult? Ik houd nu eenmaal niet van de lapjes
linnen en als ik er voor betaal, dan wil ik ook een flink stuk in mijn
kamer hebben. Wat denkt u er van Mylord?” zoo wendde hij zich weder tot
den filantroop, die zich een weinig had terug getrokken en zwijgend het
kleine groepje gade sloeg.
„Als u aan mijn meening iets gelegen is, mijnheer Jellybird, dan wil ik
u wel zeggen, dat volgens de meest gangbare meening, de kunstwaarde van
een schilderij niet wordt afgemeten naar de oppervlakte in centimeters,
die het beslaat en, terecht zou ik zeggen.”
De bierbrouwer krabde zich achter het oor en deed blijkbaar de grootste
moeite om deze nieuwe, en voor hem geheel vreemde stelling, te
verwerken.
Hij scheen daar echter niet in te slagen en daarom wendde hij zich
weder tot den jongen schilder en zeide:
„Wat Mylord daar zegt, zal wel waar zijn. Want ik heb al eens beweerd,
dat ik hem zeer hoog acht. Hij is een knappe en geleerde bol—maar ieder
zijn meug, ik houd het nu eenmaal meer met de flink groote stukken.
Hebt u niets van dien aard?”
De jonge Portugees scheen even te aarzelen, maar een blik op het gelaat
van het jonge meisje scheen hem reden te geven om te antwoorden:
„In mijn atelier heb ik nog een paar doeken van ongeveer anderhalve
vierkante meter, mijnheer. Is u dat voldoende?”
„Dat lijkt er tenminste al wat op, als er nog een flinke vergulde lijst
omheen komt. Wat stellen ze voor?”
„Het afscheid van Hector en Andromache en de strijd tusschen Achilles
en Perycles onder de muren van Troje.”
„Nooit van de lui gehoord,” bromde de bierbrouwer voor zich uit. „Zeker
beroepsboksers.”
„Pardon, mijnheer Jellybird, zij streden wel met elkaar maar niet met
lederen handschoenen. Ze zijn trouwens al vierduizend jaar dood.”
„Sakkerloot, wat een tijd,” riep Jellybird.
Hij scheen nog een oogenblik in twijfel te staan, maar toen riep hij
uit op denzelfden beschermenden toon:
„Breng die dingetjes dan maar eens bij mij, dan kan ik zien wat het is.
Kun je morgen komen?”
„Tot mij spijt niet voor over een week, mijnheer.”
„O, ik begrijp het al, de verf is zeker nog niet droog, nietwaar? Dus
laten wij dat dan maar voor afgesproken houden.”
Hij wendde zich weder tot Lord Aberdeen om afscheid van hem te nemen,
toen hem plotseling iets scheen in te vallen.
Hij nam Darragos bij den arm en vroeg op gedempten toon:
„Ziet u kans om een portret van iemand te schilderen?”
„Dat zou ik wel denken, mijnheer,” antwoordde de jonge schilder.
„Luister dan eens. Over een paar weken is mijn dochter jarig en ik
wilde haar een portret van mij cadeaux geven. Ziet u kans om mij uit te
schilderen?”
„Dan zal ik heel hard moeten werken, mijnheer,” antwoordde de jonge man
met een peinzende uitdrukking op zijn gelaat.
„Het zou desnoods bij mij thuis kunnen gebeuren, maar als het vlugger
gaat wanneer het in uw atelier gebeurt, dan ben ik tot uw dienst.
Natuurlijk mag mijn dochter er niets van weten. Komt u dus bij mij
thuis werken? Dan heet het dat u een of andere reparatie komt doen aan
een stuk werk. Ik wil u niet verbergen dat ik de opdracht
oorspronkelijk aan een schilder van naam had willen geven, maar het
valt toch niet weg te cijferen, dat u mijn dochter uit het water hebt
gehaald. Ik zeg maar, voor wat hoort wat en u zult zien, dat u niet met
een ondankbare te doen hebt. Kunt u morgen al komen?”
„Ik ben geheel tot uw dienst, mijnheer,” antwoordde Darragos met een
lichte buiging. Een buiging, zonder eenige pluimstrijkerij, of laffe
onderdanigheid, die Lord Aberdeen nog meer voor dien jongen
talentvollen maar nog miskenden schilder innam.
Een paar minuten later was de bierbrouwer met zijn bevallige dochter
verdwenen, en de laatste had afscheid van Darragos genomen met een
handdrukje, dat hem klaarblijkelijk voor vele onaangenaamheden
schadeloos stelde, welke hij in den kunsthandel van den heer Jozua
Drebbel had ondervonden.
Toen echter de jonge schilder op zijn beurt den winkel had willen
verlaten, hield Lord Aberdeen hem staande en vroeg hem op zachten toon:
„Wat vraagt gij voor het landschap met de boomen?”
„Mylord— — —ik— — —ik, weet waarlijk niet— — —” stamelde Darragos. „Om
u de gulle waarheid te zeggen, had ik er geen bepaalde som voor
vastgesteld. Ik heb reeds zooveel teleurstellingen gekend. Ik heb reeds
die doeken bij verschillende kunsthandels laten zien en overal zei men
mij ongeveer hetzelfde als die kaalhoofdige ezel van zooeven.”
„Vindt gij twee honderd pond voldoende?”
„Twee honderd pond?” herhaalde de jonge Portugees, terwijl hij van
blijdschap en ontroering verbleekte. „Wilt gij zeggen dat gij voor dien
prijs het doek wilt koopen?”
„Dat wil ik. Ik vind het een zeer opmerkelijk doek. Hier hebt ge mijn
adres. Over twee uren ben ik thuis. Ik hoop, dat gij mij dan het
verkochte doek persoonlijk wilt komen brengen, wanneer het niet te veel
moeite is, en breng dan tevens eenige van uw laatste schetsen mee. Uw
werk verdient wel, dat men er zich mee bezig houdt.”
HOOFDSTUK III.
HET BEZOEK.
Zoodra Lord Aberdeen de huisdeur achter zich had gesloten van het
fraaie heerenhuis in de Regentstreet, trad hem een jonge man tegemoet
met een rond, blozend gelaat, dikke blonde lokken en de mooiste blauwe
oogen, die men zich kan voorstellen.
„Blij dat je er bent, Edward!” zeide hij op zachten toon, terwijl hij
den ander de hand toestak. „Ik heb een paar moeilijkheden met een
sleutel, het slot is zeer ingewikkeld, en het namaken is niet zoo
gemakkelijk gegaan, als ik het mij aanvankelijk voorstelde. Je bent
laat, nietwaar?”
„Het is waar, Charly, dat ik mij opgehouden heb, maar ik heb er geen
spijt van! Laten wij naar de rookkamer gaan, dan kan ik het je op mijn
gemak vertellen.”
„Maar de sleutel dan?” vroeg de jonge man.
„Laat den sleutel voorloopig maar rusten, dat heeft geen haast! De bank
van Thomson loopt niet weg! Ik heb nu eerst een andere daad op het oog,
die nog heel wat meer kan opbrengen!”
De man, die deze zonderlinge woorden gesproken had, die inderdaad wel
eigenaardig klonken uit den mond van dezen Lord, was John Raffles, en
hij die ze aanhoorde was zijn trouwe en onafscheidelijke vriend Charly
Brand, die het meerendeel zijner gevaarlijke avonturen had medebeleefd,
wellicht de eenige man, die een blik had kunnen slaan in het ware
karakter van den Gentleman-Inbreker, die dit fraaie huis bewoonde onder
den naam van Lord Aberdeen.
Ja, het was de man geweest, die de Londensche politie handen vol werk
gaf, op wiens aanhouding reeds jaren een premie was uitgeloofd van
duizend pond sterling, die den jongen José Darragos bij zich had
ontboden! Raffles had de beide armen om de schouders van zijn jongen
vriend geslagen toen zij beiden door de vestibule gingen, die naar de
eerste verdieping leidde, waar zich de rookkamer bevond, een in
Arabischen stijl gemeubeld vertrek, met een ruime erker, die uitzicht
gaf op den tuin, welke op dit oogenblik in gouden herfstdos praalde.
Zoodra de twee vrienden hadden plaats genomen in een gemakkelijken met
zijden kussens bekleeden stoel en een cigaret hadden opgestoken begon
Raffles Charly mede te deelen, wie hij zooeven ontmoet had.
Toen hij gereed was, vroeg Charly, die aandachtig toe geluisterd had:
„En schildert die jonge Portugees werkelijk zoo verdienstelijk?”
„Luister eens, mijn waarde! Ik steun menigmaal jonge kunstenaars, maar
ik overdrijf het niet! Ik ben niet zoo dwaas om geld te verspillen aan
lieden die het nooit verder zullen brengen dan het verven van een tafel
of op zijn best het schilderen van letters op een winkelpui en ik
geloof dat ik daar heel goed aan doe, want anders zou ik knoeiers maar
stijven in het kwaad! Zeker, wat Darragos schildert dat is vreemd, het
is fantastisch, het is zeker nog nooit zoo gezien—het doet een weinig
denken aan Van Gogh—in ieder geval vertoont het de kiemen van ware
genialiteit en daarom heb ik een van zijn doeken gekocht, waarmee ik
twee vliegen in een klap sla. Ik verrijk mijn verzameling met een
schoon stuk, en ik geef den jongen man moed om verder te gaan op den
ingeslagen weg!”
„Het is wel eigenaardig, dat je in den kunsthandel van onzen vriend
Drebbel dien verschrikkelijken Jellybird ontmoette!”
„Ken je hem?”
„Maar mijn beste Edward—heel Londen kent hem immers! Het is onmogelijk
om hem niet te kennen! Zijn reusachtige kanariegele auto, zeker een
tachtig paards wagen, als het ten minste geen honderd zijn, is in de
heele stad bekend, zonder overdrijving. Hij heeft een loge in bijna
alle operagebouwen, ofschoon hij evenveel verstand heeft van muziek als
een koe van het koorddansen, en hij houdt er twee racejachten op na,
hij heeft een stal met renpaarden, die de koning hem zou kunnen
benijden, en waaruit twee paarden hem reeds hooge prijzen hebben laten
verdienen, hij slaat geen enkel Derby over noch een Grand Prix, noch
een wedstrijd in de Hoppegarten, hij strooit met zijn geld op iedere
fancy-fair en er is maar een ding dat hem ontbreekt!”
„En dat is?”
„Hij zou zoo dolgraag in aanraking komen met den adel!”
„O! Wat dat betreft zal er misschien spoediger aan zijn hartewensch
worden voldaan, dan hij verwacht, al is het dan misschien op eenigszins
andere wijze dan hij zich had voorgesteld!” zeide Raffles op
eigenaardigen toon.
„Wat meen je?” vroeg Charly, terwijl hij Raffles onderzoekend aankeek.
„Wel—met mij zal hij in aanraking komen! Met John Raffles—met Lord
Edward Lister! Je zult toch onmogelijk kunnen ontkennen, dat geen man
zich zoo goed leent als hij, om als object te dienen bij de
kunstbewerking, welke de politie, die altijd leelijke woorden gebruikt,
met den naam van inbraak bestempeld heeft!”
Charly liet een zacht gefluit hooren, en zeide, na even te hebben
nagedacht:
„Ik zeg niet dat het wild de moeite niet loont, maar ik vraag mij zelf
af of het wel zoo gemakkelijk zal zijn, in zijn huis binnen te
dringen.”
„Ken je zijn huis?”
„Ja, ik weet wel waar het is! Ik ben er eenige malen langs gereden met
mijn motorrijwiel.”
„Heelemaal toevallig?” vroeg Raffles met een tinteling in zijn
staalgrijze oogen.
„Ik verzeker je dat het louter toeval was,” antwoordde Charly haastig.
„Maar ik heb toch niet nagelaten, instinctmatig de plek eens op te
nemen, waar het huis van dien rijkaard zich bevindt.”
„Je gebruikt daar een woordkeuze, die in de verte aan vestingbouw
herinnert,” kwam Raffles glimlachend. „Zoo erg zal het wel niet zijn.”
„Nu zijn huis heeft toch wel een weinig van een vesting weg, het is uit
hardsteen opgetrokken en uit graniet. Marmer en andere edele
steensoorten zijn er niet aan gespaard. Het ligt in Cromwell Street,
dicht bij Soho Square, het is splinternieuw opzettelijk voor hem
gebouwd, het moet bijna een millioen pond sterling gekost hebben en het
is ingericht met een weelde, die iemand het hart in het lichaam doet
omdraaien!”
Raffles wendde Charly haastig zijn scherpgeteekend gelaat toe.
„Hoe weet je dat?” vroeg hij. „Ben je er geweest?”
„Neen, ik ben er zelf niet geweest!” antwoordde de jonge man. „Ik heb
het gehoord van een van de leden van de Windsor-Club, van den jonge
Brain, hij heeft er een paar maal een bezoek gebracht en hij raakte
niet uitgepraat over de barbaarsche weelde, zooals hij dat noemde, die
er in het huishouden van den bierbrouwer heerschte. De man schijnt geen
grijntje smaak te hebben en ik heb mij laten vertellen—ik durf echter
niet instaan voor de waarheid, dat men de grootste moeite van de wereld
heeft gehad om hem te beletten om de prachtige copieën van marmeren
beelden, uit het Louvre afkomstig, te laten vergulden, omdat hij het
wit van het marmer zoo doodsche kleur vond!”
„Dat verwondert mij niets van dien man!” hernam Raffles
schouderophalend. „Reeds in den kunsthandel van den heer Drebbel heb ik
de opmerking kunnen maken, dat onze vriend Jellybird zeer rijk is, maar
dat zijn kunstzin helaas geen gelijken tred heeft gehouden met de
toename van zijn vermogen. Hij heeft namelijk den jongen Darragos, van
wien ik je zooeven verhaalde, verzocht om met een paar doeken bij hem
te komen—maar zij moesten vooral flink groot zijn.”
Charly barstte in lachen uit en vroeg toen:
„Is zijn dochter van hetzelfde kaliber?”
„Neen gelukkig! Vermoedelijk heeft hij het jonge meisje naar een
kostschool gezonden, en daar zal zij wel gehoord hebben, de
schilderijen anders te beoordeelen dan naar de grootte. Ik kreeg den
indruk dat zij alles behalve gesticht was over de opmerking die haar
vader ten beste gaf. Ik kan mij natuurlijk vergissen, maar ik meen te
hebben gezien, dat de bevallige Dolly voor den jongen man, die haar het
leven redde, zelfs nog meer belangstelling koestert dan hij rechtens
zou kunnen eischen!”
„En hij?”
„Wel ik geloof, dat hij dat lieve kind zeer graag mag lijden—maar hij
is een trotsch sinjeur en het zou mij volstrekt niet verwonderen als
haar rijkdom hem afschrikte, trouwens—als ik het karakter van onzen
vriend den bierbrouwer in dien korten tijd goed doorzien heb, dan
geloof ik wel te mogen zeggen, dat hij er geen oogenblik aan zou denken
zijn dochter te geven aan iemand, die nog pas op den ondersten trap van
de ladder naar den roem staat, en die het volgens hem wel nooit verder
zal brengen dan een talentvol huisschilder!”
„Dan loopen wij dus kans, nog een soort van familiedrama bij te wonen,”
zeide Charly lachend. „Ik ken het jonge meisje vluchtig, door haar wel
eens op het tennisveld te hebben ontmoet, en ik meen te kunnen
verzekeren, dat zij zich niet zonder verzet zal neerleggen bij een
besluit van haar vader, dat niet met haar eigen wenschen strookt.”
„En de vader lijkt mij een koppige oude ezel toe!” hernam Raffles
overtuigd. „Een man die zoo trotsch is op zijn geld, als een pas
geridderde op zijn linten en die vast overtuigd is dat hij zich
persoonlijk jegens zijn land verdienstelijk heeft gemaakt, door tijdens
den oorlog eenige millioenen te verdienen. Ik weet niet wat het is,
Charly, maar een zeker voorgevoel zegt me, dat mijn rol in deze
geschiedenis nog niet is uitgespeeld.”
De beide vrienden bleven nog eenigen tijd over het onderwerp doorpraten
en vervolgens begaf Charly zich weder aan zijn werk, hetwelk voor het
oogenblik hierin bestond, dat hij in een geweldig dik register knipsels
uit verschillende voorname bladen uit de meeste Europeesche hoofdsteden
plakte en dan achter in dat dikke boek in het kort den inhoud
vermeldde.
Het was een lastig werkje, dat veel aandacht vereischte en vooral veel
geduld. Maar Charly mocht zich gelukkig achten, dat beide eigenschappen
in ruime mate zijn deel waren.
Ongeveer anderhalf uur later kondigde de grijze dienaar van Lord
Aberdeen, de oude Gaston, het bezoek aan van José Darragos.
De jonge man had zich ditmaal de weelde van een huurauto veroorloofd,
en dat mocht ook wel, want behalve het door Raffles gekochte doek, had
hij nog een lijvige en zeer zware portefeuille bij zich.
Hij werd in de met verfijnden smaak gemeubelde ontvangkamer gelaten,
waar Raffles hem een oogenblik later begroette.
„Het doet mij genoegen, mijnheer Darragos, dat gij aan mijn verzoek
gevolg hebt gegeven en hier gekomen zijt, om mij persoonlijk uw werk te
komen brengen,” begon Raffles. „En wees nu zoo goed en toon mij eens
wat van den inhoud van uw portefeuille.”
De jonge Portugees maakte de banden los, waarmede de portefeuille was
toegebonden en begon Raffles zijn schetsen te toonen.
Deze met zijn geoefenden smaak zag aanstonds dat er vrij wat bij was,
hetwelk den beginner verried, die zich zijn weg nog zocht, maar
daarnevens waren er eenige schijnbaar onbeteekenende krabbels, die
onmiskenbaar van een talent getuigden, dat bezig is zich uit de
windsels los te maken en de vleugels uit te slaan, om misschien de
hoogste trappen van den roem te bereiken.
Raffles legde eenige van de schetsen terzijde en toen hij de geheele
portefeuille had doorgezien, vouwde hij de witte gespierde handen om de
knieën, keek Darragos een oogenblik onderzoekend aan en begon toen:
„Ik geloof, mijnheer, dat gij er niet de man naar zijt, om u spoedig te
laten beïnvloeden en dat is maar heel goed ook. Als gij uw eigen weg
volgt, en u daarvan niet laat afleiden door zoogenaamd welwillende
critici, dan zult gij het ver brengen. Ik ben overtuigd, dat gij de
waarheid kunt vernemen, en daarom voeg ik er aan toe, dat uw techniek
nog geenszins volmaakt is, en dat gij ernstig zult moeten blijven door
studeeren. Ik zeg u dit niet om u te ontmoedigen, en ik geloof ook niet
dat gij spoedig het hoofd laat zakken. Ik zeg het slechts om u aan te
sporen, den ingeslagen weg met moed te blijven volgen, dan ben ik er
zeker van, dat gij over eenige jaren met den grootsten lof genoemd zult
worden onder de eerste schilders van het land, tenminste wanneer gij
dan nog niet naar uw eigen land terug gekeerd zijt.”
„Ik dank u voor uw welwillende woorden, Mylord,” zeide Darragos, op
wiens fijn besneden gelaat een donkere blos van genoegen was
verschenen. „Wat uw laatste opmerking betreft, ik heb voorloopig
volstrekt geen reden om naar mijn land terug te keeren. Integendeel, ik
wil niets liever dan te Londen blijven, om hier te studeeren en te
werken. De Engelsche hoofdstad heeft altijd een zeer groote
aantrekkingskracht op mij uitgeoefend. Er zijn hier zooveel
onvergelijkelijke motieven. Ik denk hierbij aan de Tower bridge, aan de
haven, aan de schoone plekjes aan de Theems, aan de prachtige
parlementsgebouwen, aan den Westminster Abdij, en aan zooveel andere
prachtige onderwerpen.”
„En zijn dat de eenige redenen die u hier houden, mijnheer Darragos?”
vroeg Raffles, terwijl hij den jongen man een weinig spottend aankeek.
Darragos antwoordde niet, maar hij werd nog rooder in het gelaat en
begon met een door niets gemotiveerde haast zijn schetsen weder in te
pakken.
Maar dit zwijgen was welsprekend genoeg en Raffles vroeg dan ook niet
verder.
Maar toen Darragos de hand uitstrekte naar de schetsen welke hij
terzijde had gelegd, riep Raffles uit:
„Wacht wat, die schetsen behoud ik, tenminste, wanneer gij er niet
bepaald op gesteld zijt, ze om de een of andere reden te behouden. Deze
eene stelt namelijk een jonge dame voor, wier gelaat ik mij meen te
herinneren. Ik moet haar nog niet lang geleden hebben gezien. Wacht
eens, nu valt het mij al te binnen, het is miss Dolly Jellybird,
nietwaar?”
José Darragos stond half afgewend en in die houding knikte hij
bevestigend zonder op te zien.
„Dat hebt ge zeker uit het hoofd geteekend?” vroeg Raffles glimlachend,
zonder schijnbaar acht te geven op de verwarring van den jongen
schilder.
„Ja, Mylord.”
„Dan moet ik u mijn compliment maken. Het is niet alleen buitengewoon
gelijkend, zoo gelijkend alsof het origineel verscheidene malen voor
model had gezeten, maar er zit leven in, en dat kan men van een groot
aantal portretten helaas niet zeggen. Wilt ge mij dit portret
verkoopen?”
Nu wendde de jonge schilder zich eindelijk om en zeide stotterend:
„Verschoon mij Mylord—gij zijt zeer goed voor mij geweest, ik weet maar
al te wel, hoeveel ik u te danken heb, maar ik zou liever geen afstand
doen van dit portret, ik heb er nog een, van iemand anders, en dat is
geloof ik beter dan dit.”
„Zoudt gij denken?” kwam Raffles glimlachend. „Maar als ik nu speciaal
dit portret wilde hebben, als ik u vijfhonderd pond bood voor deze
eenvoudige potloodkrabbel.”
„Het doet mij leed, Mylord. Maar wezenlijk ik zou dit portret liever
niet afstaan!”
Met een snel gebaar stak Raffles hem de schets toe, en klopte Darragos
op den schouder, terwijl hij zeide: