Alles wat Elias aan Paulus voorspeld had, werd bewaarheid. Den
volgenden morgen om zeven uur werden de telegrammen naar alle plaatsen
van Leliënland verzonden, en een uur daarna stond het groote raderwerk
van de maatschappij stil. Het was, alsof het geheele land met één zwaai
van een magischen staf betooverd was.
In de groote Leliënstad was alles rustig, alsof het Zondag was, maar
nóg kalmer, nóg plechtiger. De booten lagen stil in de rivier, de
locomotieven stonden roerloos in de remises, en geen trem of rijtuig
reed in de straten. Overal op de muren waren groote biljetten geplakt,
onderteekend door het uitvoerend comité, waarin de arbeiders werden
aangemaand, om toch voorál rustig te zijn, en geen aanleiding te geven
tot geweld. Alles was ordelijk, veilig, maar doodstil. De staking was
ditmaal zóó compleet, dat zelfs de couranten niet konden verschijnen,
omdat van de zetters niet één was opgekomen. Het arbeidende
proletariaat had het werk neêrgelegd, om tot het uiterste te strijden
voor een menschwaardig bestaan, met den hongerdood als láátste wapen,
indien de andere niet hielpen.
Paulus bracht de eerste, gewichtige dagen voortdurend in het bijzijn
van Elias door. Hij was tegenwoordig bij al zijn veelvuldige
bemoeiingen, bij besprekingen, bij vergaderingen met de leiders der
beweging. Een nieuw, heilig gevoel begon in hem op te bloeien, reiner
dan dat van zijn teêrste droomen in het Bosch. Daar wàs het dan
eindelijk, vlak voor zijn oogen, dat ongeloofelijke, dat ontzaglijk
verhevene, dat hij nooit had willen aannemen, het broederlijk samen één
zijn van duizenden en duizenden menschen, schouder aan schouder,
bewogen door ééne, over allen zwevende gedachte, zooals de boomen in
het woud, bewogen door één zelfden wind, maar véél nobeler nog.
Elias legde hem in groote trekken het plan uit, waarop het wondere
evenement was voorbereid. Hij vertelde hem, hoe honderden jaren van
geduldige, onverdroten arbeid waren noodig geweest, om tot déze
eendracht te komen, hoe vooral in de laatste jaren met waar
mieren-geduld deze geweldige massa in beweging was gezet, hoe zij
telkens en telkens weêr terug was gevallen, na werkstaking op
werkstaking, die mislukt was door innerlijke zwakheid, totdat nu het
zware, inerte gevaarte als één groote, onwankelbare muur was
opgetrokken, om het kapitalisme te stuiten.
De Regeering, die niets vermoed had,—zóó strikt was alles geheim
gehouden, en zóó stil en rustig was alles voorbereid,—was in de eerste
dagen overrompeld. De nieuwe lichtingen van de militie waren juist naar
huis gezonden, en er waren geen troepen dadelijk beschikbaar, om grof
geweld te gebruiken. Bovendien konden er per spoor geen soldaten in
Leliënstad worden aangevoerd, omdat er geen treinen meer liepen.
Na de eerste drie dagen van werkeloosheid opende de Regeering reeds
onderhandelingen met het uitvoerend comité van de stakers. Het eerste,
wat zij trachtte te verkrijgen, was het weder in beweging brengen van
het spoorwegverkeer, daar Leliënstad nu feitelijk van de beschaafde
wereld was afgesloten. Heimelijk was het nu der Regeering te doen om
tijd te winnen en voldoende troepen in Leliënstad te krijgen, om dáár,
waar de ziel van de staking was, de beweging met geweld te
onderdrukken. Het comité, dat den toeleg doorzag, weigerde pertinent
iets toe te geven, alvorens ruime concessies waren gedaan en
wetsontwerpen werden geregeld, om aan de dringendste eischen tegemoet
te komen.
De Regeering weifelde en weifelde, en begon eindelijk te probeeren met
geweld. De telegraafkantoren werden door militairen bezet, en men
trachtte treinen te laten loopen met zoogenaamd vaderlandslievende
ingenieurs en op lintjes beluste studenten. De spoorwegstations werden
kazernes van de scherp gewapende infanteristen. Sterke patrouilles
cavallerie doorkruisten zonder éénige reden de straten, waar alles
rustig was, en de orde geen oogenblik was verstoord. Reusachtige
automobielen met revolver-kanonnen en artilleristen werden de stad
uitgezonden om communicatie te verkrijgen met het land en het
buitenland.
De eischen der arbeiders, die niets anders inhielden dan de wettelijke
verzekering van een menschwaardig bestaan door degelijken, soliden
arbeid tegen redelijk loon, en met wèlverdienden rusttijd, werden zóó
absurd gevonden, dat de Regeering besloot tóch maar het uiterste te
wagen, vóór toe te geven aan zóó iets ongehoords. Er waren in
Leliënstad in elk geval nog tienduizend man troepen, die men met hun
verfijnde, moderne moordwerktuigen geweld kon doen gebruiken tegen
weêrlooze burgers.
De stakers, bezield door de ééne, groote gedachte, gedroegen zich
ordelijk, zonder aanstoot te geven, onthielden zich voor ’t overgroote
deel van sterken drank, en bepaalden zich tot het met posten bewaken
van instellingen en fabrieken, waar men vreesde, dat gehuurde
onderkruipers, door honger gedwongen, het werk zouden hervatten.
Met groot machtsvertoon werden die fabrieken bezet door de militairen,
die in last kregen, iedereen neêr te schieten, die in een verboden
rayon kwam. Zonder eenige reden chargeerden hier en daar huzaren op
postende groepen stakers, die niets deden dan toekijken en waken, in de
meest gepaste orde.
Het comité vreesde, dat het de tactiek der Regeering was, geweld uit te
lokken, om zoodoende de beweging in bloed te smoren, en de algemeene
opinie vóór zich te krijgen.
En de éénige vrees van de leiders was nu, dat de stakers zich zouden
laten verleiden tot wanordelijkheden, en geweld tegenover geweld zouden
stellen. Gebeurde dit, dan was alles verloren. De hoofdmannen spraken
zich de keel schor in telkens nieuwe en nieuwe meetings, om zich toch
voorál kalm en rustig te houden, en alles te vermijden, wat op
feitelijken opstand of wetsovertreding leek. De groote kracht van de
beweging lag juist dáárin, dat zij op orde en veiligheid berustte, en
het éénige maar onfeilbare wapen der staking bestond uit die
ontzaglijke inertie, dat lijdelijke niets-doen, waardoor het
kapitalistische bedrijf tot stilstand werd gebracht.
Nadat nog geen week voorbij was gegaan, begon de toestand te gelijken
op de eerste ellende van een beleg. De levensmiddelen werden schaarsch,
de prijzen stegen. Er was geen meel genoeg, geen vee, geen groente, en
er kon maar heel weinig worden aangevoerd, nu de treinen niet meer
liepen. Het meest drukte dit de stakers zelven. Wèl waren er enorme
bijdragen gezonden van de broeder-vereenigingen in het buitenland, en
was er nòg meer steun toegezegd in de toekomst, maar tòch dreigde het
spook van den honger al nader—en naderbij. En geruchten begonnen te
loopen over interventie van buitenlandsche mogendheden, wier handel
begon te lijden onder de stremming van het wereld-verkeer. De geest van
broederschap en onwankelbare solidariteit begon hier en daar te
verflauwen onder de bedreigingen van den kommer en het gebrek. Toen de
Regeering niet dadelijk toegaf, waren er onder de stakers die begonnen
te wankelen, en hier en daar stonden heethoofden op, die van revolutie
begonnen te spreken. Anarchisten belegden meetings, waarin het volk
werd opgeruid om nu met geweld te nemen, wat goedschiks niet gegeven
werd. Dagelijks kwamen nu des avonds kleine schermutselingen voor in de
door de staking slecht verlichte straten, waarbij dooden en gewonden
vielen. En het grauw uit de beruchte achterbuurten werd rumoerig.
Het was de gróótste vrees van Elias en zijne medeleiders van het
comité, dat het gepeupel alles zou bederven, wat zij met zooveel kalm
en wijs beleid hadden georganiseerd. Niets kon nu meer welkom zijn voor
de Regeering, dan een feitelijke opstand, die door de soldaten
onmiddellijk in bloed zou worden gesmoord, en de algemeene opinie ten
haren gunste zou doen keeren. En voor niets was het comité zoo bang als
voor het gevaar dat dreigde van het grauw, en dat voor ’t oogenblik
geduchter was, dan de algemeene vijand, het kapitalisme. Als het
gepeupel zich te buiten ging en geweld ging gebruiken, zou de kalme,
ordelijke, georganiseerde sociaal-democratische partij er mede verward
worden en de schuld krijgen van het bloedbad, dat onvermijdelijk zou
volgen.
De kroonprinses Leliane was uit de stad, op een bezoek bij de
koninklijke familie van een naburig Rijk, waar zij haar aanstaande
schoonouders, den keizer en de keizerin van Moscovië, zou ontmoeten.
Toen de groote staking onverwacht was uitgebroken, was het te laat voor
haar om terug te keeren, en de toekomstige koningin van Leliënland kon
niet eens binnenkomen in haar eigen Rijk. Zij weigerde pertinent met
een automobiel naar de hoofdstad terug te gaan, en eischte dat eerst de
treinenloop in volkomen orde zou worden hersteld, vóór zij er in
toestemde, terug te komen. Dit onderwerp had een gewichtig punt van
verschil uitgemaakt tusschen het uitvoerend comité der staking en de
Regeering. Het comité wilde eerst zekerheid omtrent herstel der
grieven, alvorens het de order gaf om het spoorwegbedrijf weer te doen
hervatten, de Regeering eischte eerst hervatting, en dàn onderzoek en
eventueel herstel, zoo dit noodig mocht blijken. Zóó werd over en weer
gedelibereerd, zonder dat de treinenloop werd hervat.
De Regeering verklaarde, zich niet definitief tot iets te kunnen
verbinden, zonder de tegenwoordigheid van de prinses, en geen
wetsontwerpen te kunnen opmaken, alvorens zij persoonlijk met de
prinses en hare raadgevers geconfereerd had. Wèl is waar was haar
huwelijk nog niet voltrokken, en was zij dus, volgens de Leliënlandsche
wetten, nog niet feitelijk koningin, maar toch wilde de Regeering zich
tot niets verbinden, zoolang zij niet in haar midden was.
Eindelijk, toen de nood al nijpender en nijpender was geworden, en het
grauw, verbitterd door de stijgende broodprijzen, elken dag een
dreigender houding begon aan te nemen, vonden èn de Regeering èn het
uitvoerend comité het geraden, elkander over en weer eenige concessies
te doen. De Regeering beloofde onmiddellijk met de kroonprinses te
beraadslagen over ingrijpende hervormingen op het gebied der
arbeidswetgevingen, met regeling van billijke arbeidsduren en loonen en
pensioenen, indien het comité, als eerste maatregel, de spoorwegstaking
ophief, en zorgde dat de oude treinenloop werd hersteld. De
kroonprinses zou dan met de eerste gelegenheid in Leliënstad
terugkeeren, en aan de dringendste eischen der stakers zou dadelijk
daarop worden tegemoet gekomen.
Waar al de bevelen en de bedreigingen van de directie niets hadden
gebaat, was nu één wenk van het uitvoerende comité voldoende, om het
ontzaglijk gecombineerde, uit honderden onderdeelen bestaande organisme
van het spoorwegverkeer weer in beweging te zetten.
Een dag na de definitieve bespreking van het comité met de Regeering
stoomden in alle richtingen de treinen weer door het land. En één wenk
van hetzelfde comité zou ieder oogenblik ook weer voldoende zijn, om al
die vliegende gevaarten in hun loop te stuiten.
’s Avonds om zes uur zou de kroonprinses Leliane in Leliënstad
aankomen, en den volgenden dag zou de Regeering met haar de beloofde
wetsontwerpen bespreken, waarin werd tegemoet gekomen aan de grieven
der stakende arbeiders. De geheele stad was vol van het groote nieuws.
Er was veel geleden, veel verloren, en veel te niet gegaan in de
laatste weken. De bedrijven hadden zoo goed als geheel stilgestaan. Een
vage, onbestemde angst had de bourgeoisie in huis gehouden, die ieder
oogenblik opstand en moord en doodslag had verwacht. De
patrouilleerende troepen en het voortdurend machtsvertoon hadden de
spanning nog zenuwachtiger gemaakt. En toen de tijding bekend werd, dat
de spoorwegstaking was opgeheven en de kroonprinses weêr in Leliënstad
zou terugkomen, voelden de angstige, bevende bourgeois, die hun leven
en hun goed bedreigd hadden gedacht, zich opgelucht als kinderen na een
gevaarlijk onweêr.