HOOFDSTUK XII.

Den volgenden dag kwam hij in Leliënstad aan. Elias was niet thuis,

maar de concierge beneden zeide Paulus, dat hij over een paar uur

stellig terug zou zijn, en of hij nu maar zoo lang in de kamer wilde

wachten.

Toen hij in het studeervertrek kwam, vond hij op een tafeltje een

grooten stapel tijdschriften en couranten, en daarop zijn eigen bundel

„Gedichten”, waarvan hij nog geen exemplaar had gezien. Hij begreep,

dat dit voor hèm was klaargelegd. Het waren beoordeelingen en artikelen

over zijn verzen.

Haastig doorliep hij er een paar, kalm, maar nu en dan met een

smartelijken trek op zijn gezicht, als van pijn.

Het was precies uitgekomen, zooals Elias hem voorspeld had. Sedert het

verschijnen van zijn artikel over Lavelane, tegen professor Lucianus,

in „de Zon”, was de critiek op slag omgedraaid. Toen de schrijver

Paulus niet meer neutraal was, en ook niet meer in de officiëele

tijdschriften schreef, werd hij gevaarlijk geacht, en vooral zijne

verdediging van Lavelane, het „bête noire” van allen, had kwaad bloed

gezet. En op zijn simpele, naïeve „Gedichten” had de perfide

recensenten-bende zich nu gewroken. Dezelfde critici, die zijn sprookje

hemelhoog hadden verheven, zeiden thans, dat er toch altijd een wee

bijsmaakje aan was geweest, en dat nú, met die malle gedichten, de aap

toch eindelijk uit de mouw was gekomen. Anderen bekenden, dat zij in

den beginne, door het vreemde er van, er met dat sprookje waren

ingeloopen, maar nú eerst zagen, wat zoo’n weekelijk, ziekelijk

decadent als Paulus waard was. Weêr anderen wrongen zich in de

scheefste bochten, om hun vroeger oordeel te herroepen, en durfden

zelfs verklaren, dat hun vroegere, ál te uitbundige lof over „De Prins

en de Fee” ironisch was bedoeld, wat toch iedereen tóen al moest

bemerkt hebben. In „Het Morgenrood” stond een kort artikeltje van

Duval, waarin de verzen door kleine parodieën belachelijk werden

gemaakt, en van Wederich was in „de Zon” een recensietje verschenen,

waarin dezelfde Paulus, wien hij vroeger het sonnet „Reinheid” had

gewijd, nu, juist om zijn al te groote kuischheid, een verkapte,

heimelijke wellusteling werd genoemd.

Zijn „Gedichten”, eenvoudig en uiterst sober als ze waren, onversierd,

met enkel het èven, zachtkens bewegen van het droome-rhythme zijner

ziel, werden vergeleken met rijmelarijen op ulevellen-papier, of

prutsel-poëzie uit albums van kostschool-meisjes, en, als contrast,

werden daar dan tegenover gesteld de van holle rhetoriek rammelende,

nieuwe sonnetten van Wederich, waar geen greintje emotie in was

bewaard. In een artikel van Wartenau werd hij voorgesteld als een

klein-Duimpje, die zich in den strijd tusschen de reuzen had gemengd,

en nu onder den voet was geloopen en tot gruis was vertrapt. En in

satyrieke weekbladen kwamen caricaturen van hem voor, de een al

potsierlijker en wanstaltiger dan de ander. Één daarvan stelde „de

Prinses en de Fee” voor als twee witte miniatuur-poedeltjes, met

vleugeltjes als engeltjes, die elkander beroken.

Lavelane zelf had gezwegen, en geen moeite genomen om den jongen

dichter te verdedigen, die zoo ridderlijk voor hem was opgekomen, en

zich daardoor den haat van alle machthebbers op den hals had gehaald.

Paulus walgde zoo innig van al het op hem geworpen vuil, dat hij niet

verder kon lezen, en een grooten stapel overgebleven recensies

ongelezen moest laten liggen. Het was hem, of ze hem met drek en gif

hadden gesmeten, en hij voelde een wee gevoel in zijn maag, of hij

onpasselijk zou worden.

Maar één ding wist hij onder al dien smaad toch onfeilbaar zeker: het

werkelijk mooie in hem was er niet door aangetast, en bleef,

onkwetsbaar voor het grauw, even veilig in eigen, heilige sfeer. Hij

twijfelde ook geen oogenblik aan het teedere en fijne van zijn ziel,

dat hij in zijn sprookje en zijn verzen zoo argeloos aan de menschen

had gegeven. En hij voelde, dat het tóch goed en recht was om het beste

weg te geven, en ook nú nog altijd door te blijven uitzeggen, door

alles heen. Want wat werkelijk schoon en dus eeuwig er van was, zou

tóch nooit worden aangetast, en altijd zonder smetten blijven.

Hij zag nu ook in, dat de artiesten-wereld veel slechter en

trouweloozer was, dan de maatschappij der gewone menschen, die enkel

maar leelijk en banaal waren, omdat zij niet anders wisten. Die

artiesten echter wisten wèl beter, en juist, omdat zij gezegend waren

met de gave om het goddelijke en schoone te doorvoelen, droegen zij de

verantwoordelijkheid met zich om, het leven zuiver en rein door te

gaan. Nu voelde hij ook, dat Elias gelijk had gehad, toen hij ééns

zeide, dat de toekomst niet uit de kunstenaars, maar uit het gewone

volk moest voortkomen.

Droomerig bladerde hij zijn gedichten nog eens door. Er was niets aan

veranderd door al den spot en den hoon. Hij hoorde ze nog even

melodieus opklinken, en zijn ziel herkende ze.

Elias’ stem schrikte hem op.

„Zóó, kerel... dat is brááf van je, dat je gekomen bent... nét op tijd,

hoor!... nu zal je ook gróóte dingen gaan zien, hoor... waar je van

zult ópkijken... Wat léés je daar?... Aha, over je verzen! Ze hebben je

leelijk toegetakeld, hè?... Dat kómt er van, als je uit den officiëelen

band springt... er blijft niet veel van je over, beste jongen... maar

dat is niets, hoor, dat komt láter allemaal wel weer terecht... de

literatuur en de kunst zijn nú bijzaak... daar hebben we nú geen tijd

voor... laat ze maar flikflooien en opkammen en lasteren en schelden

onder mekaar... maar nú staan er héél wat gróóter dingen te gebeuren...

kerel, kerel, weet je wàt?... ráád eens!...”

En hij greep zijn jongen vriend geestdriftig bij den arm.

Paulus zag hem verbaasd aan. Zóó hartstochtelijk had hij hem nog nooit

gezien. Maar wat was hij bleek, en wat zag hij er afgemat uit! Diepe,

blauwe kringen waren om zijn oogen, en scherpe trekken teekenden zich

af om mond en neus. Zijn oogen schitterden van een vreemden,

koortsachtigen glans.

„—Maar Elias, wat zie je er uit, wat schéélt je?”

„Mij?.... Niets hoor!.... Een beetje in de weêr geweest de laatste

dagen, wat veel gewerkt.... twee nachten niet geslapen, dat is

alles!.... dat is van net zoo weinig belang, als dat gewurm in de

literatuur... maar, wat er nu gebeuren gaat, Paulus, dat is gróót, dat

is almachtig, ontzaglijk groot....”

„—Maar wàt dan, in Godsnaam, zèg het dan... ik begrijp je niet....”

„Nu, hóór dan.... je kunt zwíjgen, hé...? als je één woord te vroeg

klapt, ligt alles in elkaar en ben je den kogel niet waard, dien je

door je kop zoudt krijgen.... Hóór dan.... Mórgen, om zeven uur ’s

ochtends, precies, staat het hééle raderwerk van de groote,

kapitalistische Leliënland-maatschappij stil.... het is een

giganten-werk geweest, van járen en járen, maar nú is het er....

Terwijl jij wegdroomde en in tranen kwijnde over de misère, terwijl jíj

daar prettigjes onder de boomen liep van je Bosch en bloempjes plukte,

is híer met een ontzettende energie, vastberaden en ijzig-kalm, een

reuzen-organisatie op touw gezet... Híer was de hoofdzetel, en van

hieruit gingen de draden, duizenden en duizenden, over het gansche

land... je hebt nooit willen gelóóven, je zei, het kón niet, zoo véél

menschen samen, die allemaal eerlijk waren, voor één zaak.... maar nú

zal je eens zien.... honderdduizenden van onze mannen hebben hun

schouders gezet onder het logge, rotte gevaarte, dat de kapitalistische

maatschappij is, en morgen richten zij zich allemaal, op één teeken,

óp, en je zult de murwe binten hooren kraken, en het stof er áf zien

poeieren.... Morgen, om zeven uur, mijn jongen, begint de groote,

universeele werkstaking voor álle vakken en bedrijven.... Weet je wel,

wat dat zeggen wil, kereltje?....”

Paulus keek hem verbluft aan, begreep nog niet, maar een voorgevoel

beefde in hem van een groote, onuitsprekelijke vreugde.

Elias ging door, op zegevierenden toon:

„Dat beteekent, dat morgen de arbeid niet meer ten dienste staat van

het kapitaal, dat morgen geen treinen meer loopen, en geen stoombooten

varen, en geen reizigers en goederen meer aankomen, of weggaan... dat

beteekent, dat de waterleidingen niet meer werken, en de lantarens niet

meer worden aangestoken, dat er geen koetsiers meer rijden, en geen

brieven meer worden gebracht.... de heeren kunnen nu loopen als ze

ergens heen moeten en zelf hun water halen, uit de rivier desnoods....

de telefoon zal stilstaan, en ook de telegraaf.... de heeren van de

beurs zullen vergeefs hun manoeuvres maken, om elkander te bedotten, en

de koers van de effecten zullen ze dan maar eens uit hun duim moeten

zuigen.... de bakkersknechts leggen er het bijltje bij neer, en ’s

ochtends wacht mevrouw tevergeefs op haar warme kadetje.... Het is niet

zóó maar met een páár woorden te zeggen, maar je moet tot het besef

zien te komen, wat het wil zeggen: dat alles stilstaat.... Al zóóveel

honderden van jaren hebben zij ’t gedaan, de stakkers, hebben ze

gesloofd en gesjouwd en gezwoegd, en getrápt zijn ze, en tráppen lieten

ze zich altijd maar door, als honden, die dan later nog kwispelen, voor

een afgekloven been, dat overbleef.... en ze hadden maar te wíllen, dan

was het uit.... zij wáren het toch maar, die alles in beweging zetten,

en zonder hén stonden de bourgeois en de kapitalisten hulpeloos, als

een kind dat niet alléén op ’t potje kan..... als slaven hebben ze hem

aangekleed, meneer den bourgeois, hem de lekkere beetjes in den mond

gepropt, en hem voortgetrokken in een wagentje, en het lekkere bedje

voor hem gespreid.... alléén kon hij niets, en zou hij gekrêpeerd zijn,

als een hulpeloos lam.... en getrápt heeft hij hen, gespuwd,

uitgescholden, en getrápt... Maar nú zal het uit zijn, nú of nooit....

Nú zijn de honderdduizenden arbeiders van ons land dan eindelijk

solidair geworden, en hun solidariteit is sterker dan alle legers, en

alle oorlogschepen en alle kanonnen van de wereld.... Het heeft móeite

gekost, Paulus, om het zóó ver te krijgen.... álles is tot nu toe

afgestuit op de tweedracht van de getrapten ónderling, aangestookt door

den vijand, het kapitalisme, die door de geestelijkheid werd

ondersteund.... Maar nú is dan eíndelijk het reuzenwerk volbracht, en

morgen zal de ontzaglijke veldslag beginnen, een veldslag, waarin niet

geschoten wordt, en niet gestoken, en waarin geen dooden zullen vallen,

dan enkel van den honger.... en het kapitalisme zal zich vergeefs te

pletter slaan tegen den onwankelbaren muur van onze organisatie.... Je

hebt zeker wel eens een parade gezien, nietwaar, mijn beste

jongen?..... zoo mooi hé, al die duizenden mannen, door één kracht

bezield die allen tegelijk gehoorzamen aan één leidende gedachte....

allen keurig in ’t gelid, in orde en regelmaat.... Welnú, zóó is onze

organisatie nu, maar véél schooner, véél wonderbaarder, omdat de mannen

elkaar niet ééns allen zien, en de generaal ze ook niet allen overzien

kan.... Kerel, kerel, wat breekt er een glorieuse tijd aan!....”

Elias liep van opgewondenheid met groote stappen door de kamer. Éven

zweeg hij, maar hij was nog te vól van de groote plannen, en ging door:

„Morgen wil meneer de bourgeois zijn broodje oppeuzelen, en zijn krant

lezen... er ís geen broodje, er ís geen krant... Hij wil op reis gaan,

en denkt de trem naar ’t station te krijgen... er ís geen trem... Dan

loopen maar, en naar den trein... er ís geen trein... Daar staat hij,

hulpeloos, beroerd... en dán misschien zal in zijn stompe brein de

gedachte opkomen: „Al wat ik heb, ál wat ik doe, kan alleen gebeuren

door den arbeider, die voor mij sjouwt... Zonder hèm ben ik niets...

mijn eten, mijn drinken, mijn huis, mijn bed, mijn vuur, mijn lícht,

álles, álles krijg ik van hèm... en zonder hèm lig ik als een hulpeloos

wicht te verhongeren en te verkleumen... Zie je, Paulus, ze moeten het

nu maar eens voèlen, dat ze niets zijn, als de arbeider niet voor hen

zorgt... Als die staking een páár weken geduurd heeft, móeten ze

toegeven, en zal het recht eíndelijk zegevieren... Dan zullen de

arbeiders dádelijk weer alles in beweging zetten, en zingend aan hun

werk gaan, want werken willen ze, dat is hun lust en hun leven...

Zonder eerlijk werk zouden ze zich geen menschen meer voelen. Maar dan

moeten de loonen éérst billijk geregeld zijn, en de arbeidsduur

wettelijk bepaald, en hun toekomst eerlijk verzekerd zijn. Dáár vechten

ze voor. Ze vechten voor werk, dat eerlijk betaald wordt, en rust, die

eerlijk is verdiend...”

„—Maar, Elias, kán dat?... kán dat heusch?... bestaat dat echt, die

solidariteit, dat ál die honderdduizenden, die millioenen misschien,

wérkelijk elkaars kameraden en vrienden zijn, en door één gevoel

bezield?... Als dát waar kon zijn...”

„—Wáár kón zijn?” riep Elias, in geestdrift... „kón zijn?... Wacht maar

eens tot morgen... Nú loopt het raderwerk nog, dat werk van duizenden

en duizenden wielen en wieltjes, dat de geheele maatschappij in

beweging zet... Maar morgen!... Als er hiér door één man op het knopje

wordt gedrukt, en het bevel beeft bliksemsnel door de telegraaf over

het land, dan stáát het stíl, Paulus, en géén radertje beweegt meer...

Zal je het dán gelooven?... Dán zal je óók weten wat solidariteit is,

de solidariteit, die de wereld verlossen zal van onrecht en slavernij,

waar de godsdienst sinds eeuwen heeft gefaald... En als hun buikjes

niet meer gestreeld worden, en hun brandkast niet meer gevuld, kijk dan

eens, hoe gauw de bourgeois zullen toegeven... vooral de

spoorwegstaking en die van de bootwerkers zal een kolossaal gevolg

hebben... want zonder treinen en booten geen handel...”

Paulus zweeg, en antwoordde niet meer. Hij kón het nog niet gelooven.

Het was té groot, té mooi. Maar toch... àls het eens kon... àls het

eens gelukte... dan zou de wereld zijn veranderd, en alles kon goed

worden... Hij lette niet meer op zijn gedichten, die vóór hem op tafel

lagen, en den stapel prullen er om heen. Dat alles zonk in ’t niet bij

het groote, dat te gebeuren stond. Een licht van hoop scheen stralend

door zijn ziel. En eene verrukking kwam over hem, grooter dan hij ooit

had gevoeld in de heiligste uren van plechtige avondstonde in het

Bosch.

Leliënstad · 第 14 / 16 题