HOOFDSTUK XIV.

Prinses Leliane was fier, en prinses Leliane was dapper. De

plaatselijke autoriteiten, nog altijd den toestand niet vertrouwende,

heimelijk bevreesd voor een plotselingen opstand, hadden een

buitengewoon machtsvertoon willen ontwikkelen bij de aankomst van de

prinses. Reeds weken lang was het groote Centraalstation een enorme

kazerne geworden vol met scherp gewapende infanteristen, en aan den

hoofdingang waren zelfs een paar revolver-kanonnen opgesteld, die het

Plein bestreken. Nu wilde men den geheelen weg, dien de prinses moest

rijden, bezetten met „en haie” geschaarde troepen, en het koninklijke

rijtuig doen escorteeren door een geheel regiment huzaren.

Maar den avond vóór haar komst kwam de besliste order van de prinses,

dat zij al deze streng militaire maatregelen afgelastte. Zij wilde

alléén onder haar volk terugkomen, als dit gebeuren kon, zooals altijd,

vrij en open, zonder militair geleide, zooals een vorstin komt onder

vertrouwde onderdanen. Er mocht volstrekt niets bijzonders te zien zijn

als zij aankwam, en vreezeloos wilde zij door de straten van haar eigen

koningsstad passeeren, alsof er niets gebeurd was dat verwijdering had

kunnen doen ontstaan tusschen den troon en het volk.

„—De prinses is moedig, en de prinses is wijs!” riep Paulus, toen hij

dit nieuws hoorde.

„—De prinses is onverstandig,” antwoordde Elias, en zag bezorgd voor

zich uit.

Zijn gróótste vrees was een incident. Één oogenblik van opwinding, één

moment van verwarring, en de gansche groote, edele zaak was verloren.

Één al te hard scheldwoord uit het grauw, één uit woeste baldadigheid

geworpen steen, en het werk van jaren en jaren onverdroten arbeid was

verloren. Hij stond in voor zijn duizenden en duizenden partijgenooten,

allen koelbloedige, rustige, goed-georganiseerde mannen, die zich den

ernst dezer tijden bewust waren. Maar voor het grauw was hij bang, dat

grauw, dat geen partij kent en geen beginsel, dat heden hoera roept en

morgen steenigt, en dat overal als uit den grond oprijst in wilde

verwarde massa’s, zoodrá maar ergens gelegenheid is tot ruzie en

diefstal en moordgeweld.—Dat grauw, dat de onwetende bourgeois altijd

met de rustige sociaal-democraten verwarden, hij beschouwde het als den

grootsten vijand van allen, en vreesde het méér dan de sabels van

politie en huzaren.

„Het is verkeerd van de prinses,” zeide hij tegen Paulus, „heel

verkeerd, al is het dapper en trotsch. Na de opgewondenheid en den

dreigenden hongersnood van de laatste dagen is het gemeene volk niet te

vertrouwen. Zij kunnen het niet helpen, want zij zijn nog niet bewust,

en heelemaal verstompt door de misère. Maar zij kunnen onnoemelijk veel

kwaad doen. Ik houd mijn hart vast, Paulus, als ik er aan denk, wat er

gebeuren kan, als het grauw eens grof zou worden en de prinses zit

daar, zonder militair geleide, in haar rijtuig. Er zal natuurlijk een

groote massa volk staan aan het station. Dat is onvermijdelijk.—En ik

vind het een groot, groot gevaar, véél erger dan je je wel kunt

vóórstellen, heúsch.”

„—Maar, Elias, nog maar enkele maanden geleden stond datzelfde volk

haar toe te jubelen en te huldigen op het plein vóór haar paleis? Toen

waren ze dol van geestdrift!”

„—Ja, Paulus, dat wéét ik nog wel.... maar daarom kunnen ze morgen

evengoed schelden en hoonen en steenigen.... je ként het volk niet....

het is geváárlijker en verraderlijker dan een zee.... Die huilende en

brullende troep gepeupel, op den dag van haar intocht met den

Moscovischen prins, dat waren de ónzen niet, dat was niet het bewuste,

georganiseerde, ernstig-willende proletariaat, maar dat was het grauw,

het schorrie-morrie van de misère, dat overal samenstroomt, waar te

zwijnen valt en waar het maar jenever ruikt.... en voor datzelfde

grauw, dat toén jubelde onder het koninklijke venster, ben ik nú

banger, dan voor de geheele bourgeoisie, die de laatste weken voor ons

heeft gebeefd, en ingezien heeft, dat zij groote concessie heeft te

doen, als zij niet heelemaal ten onder wil gaan....”

„—Maar wat wou je dan wel, Elias?”

De volksleider staarde bezorgd voor zich uit. Zijne mondhoeken trokken

zenuwachtig.

„Wat ik wou?....” stamelde hij, als in zich zelven. „Wat ik wou.... ik

wou, dat ik nu eens, voor één keer, zoo’n hooge hans was van de

soldaten, met zoo’n hanestaart op mijn kop en een end mes op zij....

dan had ik maling aan die orde van de prinses en liet ik een paar

regimenten kurassiers uitrukken, morgen, tegen dat de koninklijke trein

moet aankomen.... o God! Paulus, als er eens iets gebeurt, als er eens

iets gebeurt!.... dan is ons hééle werk verloren.... En wat moeten we

nu doen?.... Plakkaten aanplakken, biljetten laten rondstrooien, om den

menschen áán te raden, niet naar het station te gaan morgen?.... dan

gaan ze juíst, en worden ze er op attent gemaakt..., de partijgenooten

zullen van zélf niet komen, díe weten wel, wat ernstigen, wél-bewusten

strijders voor het recht in deze omstandigheden betaamt.... maar het

canaille, zie je, het canaille.... dáár ben ik bang voor....”

Om zes uur ’s avonds zou de prinses den volgenden dag aan het

Centraalstation zijn. Om vijf uur was het groote stationsplein al zwart

van de saamgestroomde menschen. Het overgroote deel daarvan wist

absoluut niet, waarom het daar eigenlijk stond. Het was daar gekomen,

omdat de anderen daar stonden, en die anderen óók weer, omdat er

anderen waren vóór hen. Die ontzaglijke menigte had geen doel, wilde

ook geen kwaad, wachtte instinctmatig af, wat er misschien wel gebeuren

zou, met een vaag voorgevoel van een naderende catastrophe, die als

broeide in de lucht. Een kleine minderheid was grauw, haveloos

schorrie-morrie uit de ellendige misère-buurten van het Oostelijk

kwartier van Leliënstad, en uit de beruchte „Sloppen der

Verlorenen.”—Dát volk had werkelijk honger geleden door de stijgende

broodprijzen van de láátste dagen, nu zélfs hún half-bedorven afval nog

te duur was geworden. Hun gezichten stonden woest en hongerig, als van

uitgeteerde roofdieren. Er waren moeders bij met droge, afhangende

borsten, waaraan half-verhongerde zuigelingen te vergeefs lafenis

zochten. Die uitgestooten paria’s hadden niets meer te verliezen, dan

hun waardelooze levens van martelende misère.—Met wilde blikken van

afgunst en haat keken zij naar de schitterende hofrijtuigen, die klaar

stonden vóór den ingang, waar een baldakijn was opgericht van rood

peluche met gouden koorden. De sierlijke statie-wagens blonken van goud

en zijde en vernis. De prachtige luxe-paarden stonden ongeduldig, trots

te trappelen in hun kostbare harnachementen, rijk met goud

gemonteerd.—En superbe, met een suprême air-de-dédain, zaten de

koetsiers op hun hooge, met zijden kleeden behangen bokken, plechtig

als priesters onder hun driekanten steek.

Het was te bemerken, dat dit praal-vertoon het uitgehongerde grauw

begon te irriteeren. Eerst zacht, toen duidelijk hoorbaar, toen al

luider en luider gingen scheldwoorden op en verwenschingen.

„Slaven!” klonk het, „hebbe jullie je dikgevrete.... hebbe jullie je

dikgezope.... belabberde, lamlendige luiwammessen daar boven op die

bokke.... jullie hebbe ’t goed, hé.... en wíj kenne verrékke.... als

júllie ’m maar d’r tegen an kenne gooie.... lammelingen.... de pest zel

je krijgen, daarboven op je wagens.... luie loeders!... en die knollen,

díe hebben ’t verdomme béter dan wíj.... wíj benne ook maar mensche, en

dát benne beeste.... díe krijgen wel te vrète, en van ’t beste,

hoor!.... ze benne méér dan wíj!....”

Zóó ging het door, al luider en luider, nú van dezen kant, dan weer van

een anderen, en al dreigender en dreigender werd het rumoer.

En er was niets om die gistende, gevaarlijke massa tegen te houden, dan

een vijftigtal politie-agenten, die ruimte vrij trachtten te houden

vóór de rijtuigen. Een tiental er van waren bereden en slaagden er in

ruim baan te maken door hun paarden te doen steigeren. Maar militairen

waren niet te zien.

De autoriteiten hadden niet durven handelen tegen den uitdrukkelijken

last in van de prinses. Wèl stonden er een paar escadrons huzaren

gereed, om op het eerste bericht onmiddellijk in den zadel te stijgen

en uit te rukken, en waren de troepen geconsigneerd in de kazernes,

maar zoolang de uiterste nood hier niet toe drong, durfde de overheid

geen machtsvertoon te ontwikkelen. De politie had in last, geduld te

hebben, tot het uiterste.

Paulus was met Elias naar het station gegaan, beiden door een bang

voorgevoel gedreven, in de hoop, nog iets goeds te kunnen uitrichten

bij mogelijk gevaar. Elias was bekend bij het volk, en kreeg het altijd

onder zijn macht door zijn geweldige, bezielende stem. Zoodra hij de

scheldwoorden hoorde, die naar de lakeien werden geschreeuwd, drukte

hij zenuwachtig Paulus’ hand.

„Groote God!” fluisterde hij, „daar beginnen ze... dat loopt

verkeerd... als dát maar niet mis gaat!”

En het bleef niet bij scheldwoorden alléén. De politie was onmachtig,

om het opkomende verzet te bedwingen. Een poging om een der scheldende

belhamels te arresteeren mislukte. De arrestant werd dadelijk door het

opdringende volk aan de agenten ontrukt. Er klonken kreten en grof

gevloek. Vrouwen gilden. Hier en daar vlogen de sabels reeds uit de

scheede...

Een hoofdinspecteur snelde toe, riep een bevel. De arrestant móest

prijs gegeven worden. Het consigne luidde: geduld tot het úiterste.

Maar op het volk had die lankmoedigheid eene verkeerde uitwerking. Het

schreef de weifelende houding der politie toe aan lafheid. Toen begon

het schelden en tieren nóg woester en liederlijker. Koolstronken vlogen

door de lucht. De steek van een der koetsiers werd afgegooid door een

steenworp, onder een wild hoera! van het publiek. De groote menigte,

die eerst maar toegekeken had naar wat de belhamels uit het grauw

deden, begon zich nu te amuseeren, en juilde mee. Er ontstond een

gedrang. Een politieagent raakte onder den voet. Een lakei uitte een

schreeuw van pijn, en bracht den zakdoek aan een bloedende wonde op

zijn voorhoofd, waar een steen getroffen had.

De bereden politie-agenten zwaaiden hun lange cavalerie-sabels en

trokken de teugels aan, om te chargeeren...

Dáár klonk een hoog, snijdend gefluit, en daverend ratelde de

koninklijke sneltrein over de hooge spoorbrug.

De kroonprinses Leliane was aangekomen...

Als door een tooverslag getroffen, stond de opdringende menigte stil.

Het was, of een machtig, mystiek fluïde, uitgestraald van de majesteit

der naderende vorstin, de dreigende drommen menschen magisch had

bevangen. Plotseling werd het doodstil. Een ontzaglijk zwijgen broeide

onder die duizenden, spannend als vóór een onweer. Het was misschien

vrees, het was misschien woede, het was misschien bang voorgevoel van

een vaag-vermoede catastrophe. En dit zware, drukkende zwijgen was

ijziger, dan het oproerig rumoer van zooeven.

Dit duurde zoo een kwartier. Aller oogen waren gericht op de baldakijn

vóór den ingang, vanwaar het angstig-verwachte moest komen.

Daar steeg een dof gemompel op uit de menschenmassa.

Licht, rijk, vroolijk en gezond verscheen de witte vrouwen-figuur onder

de baldakijn. Zij lachte, onbezorgd, en praatte levendig met de van

goud schitterende edellieden uit haar gevolg. Het was niets dan luxe en

fonkeling en glans, wat daar was gekomen uit het buitenland in de

lijdende, met honger en dood bedreigde stad. De hooge, voorname

hovelingen, die daar aankwamen, waren stralend van voorspoed, weelderig

en wèldoorvoed, en lachten. Aan alles òm hen was te zien, dat de ernst

der tijden hen niet beroerd had, en dat zij, al de weken van bange

spanning in de stad, gekoesterd waren gebleven in vreugde en glans.

Een zacht, nog gedempt gegons van stemmen ging door de wachtende

drommen, vaag-vijandig, ontevreden.

Prinses Leliane keek verwonderd op, verwachtend gejubel en

hoera-geroep. Zij bleef nog even stilstaan, verbaasd, of het niet kwam.

Toen begreep zij. Éven keek zij koud, van uit de hoogte van haar

koninklijke, maagdelijke majesteit, over de mompelende menigte. Toen

stapte zij, waardig, onbewogen, in de blinkende open koets. Haar blik

ging ijzig, hoog over al die duizenden menschen heen, als waren zij te

laag en te nietig voor de goddelijke genade van haar oogen.

Naast haar nam de oude hertogin Marcelia plaats, een statige, superbe

douairière van het oude régime, met haar strak, irriteerend gezicht van

verstokte aristocrate. Zij fluisterde de vorstin iets in het oor, en

keek toen even minachtend op de zwijgende menschenmassa neer, met zoo’n

innige, duidelijk getoonde verachting, dat al die duizenden het

éénsklaps afzonderlijk voelden, elk persoonlijk beleedigd door dien

kouden, vernietigenden blik.

Het schitterende gevolg, in rijke costumes en van goud blinkende

uniformen, fonkelend van diamanten, edelsteenen en ridderorden, stapte

statig in de volgrijtuigen, eerbiedig geopend door slaafsche, tot op

den grond buigende lakeien.

Langzaam zette de stoet zich in beweging.

En de geheele optocht was van zóó’n koude, ongevoelige voornaamheid,

met de onverschillige, onder elkaar lachende gezichten der hovelingen,

en het minachtende, trotsche air der opgedirkte koetsiers en lakeien,

dat alles trok daar zóó tartend en onbewogen voort, na de nijpende

ellende der hongerende stad, dat opééns het magische bedwang van even

te voren, door de majesteit, werd verbroken, en de algemeene

verontwaardiging uitbarstte, als van een losgelaten schaar furiën.

Vloeken en scheldwoorden weerklonken uit de opdringende, aan-golvende

menigte.

Wàt zij eigenlijk wilden, wát zij doen gingen, wist dat verbitterde

volk zèlf niet. Niemand wilde iets persoonlijk, afzonderlijk, állen

wilden zij iets te zamen, onbewust, iets verschrikkelijks. De voorsten

werden gedrongen naar de rijtuigen; die achter hen stonden drongen op,

óók weer gedrongen. Een brute kracht was losgelaten, blind, wild van

onbehouwen razernij. Niemand wist apart wat gebeuren zou en allen

voelden het tóch te zamen.

Een luide, machtige stentor-stem verhief zich, hoog boven het rumoer.

Het was Elias. Hij wilde spreken, het volk bezweren tot orde en kalmte.

Hij begon te oreeren, met de kracht van de wanhoop, en zijn woord klonk

als een trompet.

„Elias!... Elias!...” juichte het volk.

Maar de agenten, dol geworden van angst en verwarring door het

plotseling uitgebarsten verzet, sprongen op Elias af, hem aanziende

voor den hoofdman, die de revolutie ging prediken in dit hachelijke

moment. Zij sleurden hem op den grond, als een gevaarlijk dier, sloegen

hem, trapten hem, als om hem te verpletteren. Een gehuil van woede

steeg op uit het volk, en in het volgende oogenblik was het oproer

uitgebarsten, dat al die weken in Leliënstad had gebroeid. De agenten,

die Elias hadden mishandeld, werden doodgeslagen als honden, het

cordon, dat zij hadden gevormd, werd verbroken, en de bereden politie

werd van het paard getrokken door honderden handen, nadat zij een

vergeefsche poging had gedaan om te chargeeren. De brullende, huilende

massa menschen drong al dichter en dichter om de koetsen van het hof.

Er was nu geen tegenhouden meer mogelijk. Iedereen schreeuwde en

krijschte, allen door elkaar. Steenen vlogen door de lucht.

De rijtuigen stonden stil, konden geen voet meer verder. De paarden,

onrustig geworden, trappelden en steigerden. Een voorrijder viel uit

den zadel, en verdween gillende van pijn onder de voeten der woedende

massa.

„Leliaantje!... Leliaantje... er uit!... Leliaantje moet er uit!...”

gilden een paar wijven.

Het schorrie-morrie was nu vóóraan. De afzichtelijke beest-menschen uit

de „Sloppen der Verlorenen” waren nu losgebroken, en roken bloed. Het

witte, koninklijke meisje in dien goud-en-zijden wagen maakte hen

razend van heeten lust om het te vernielen dit teere, dit blanke, dit

fijne, en te verscheuren al dat broze aan haar in bloedende, lillende

stukken.

„Er uit met Leliaantje!” gilden de wijven.

De prinses had zich fier opgericht in het rijtuig. Ze was doodsbleek,

maar trotsch, en onbevreesd. Haar handen beefden niet, en geen spier op

haar gelaat was vertrokken. Zij stond daar, koninklijk en koud, en keek

hoog over de hoofden van het woedende, hoonende grauw, met een

vernietigenden blik van superbe, ongenaakbare majesteit.

Een steen suisde langs haar ooren, viel neer, en trof de oude hertogin

Marcelia aan de wang.

Toen verloor de koninklijke prinses haar kalmte en duidelijk, met

snijdend geluid, striemde het neer op de razende en tierende menigte:

„—Canaille!... canaille!...”

Een woedend gehuil was het antwoord. Een reusachtige, afschuwelijke

kerel, half-naakt, met een groot mes in de handen, sprong op de

treêplank van de koets, brullend als een beest.

Het volgende oogenblik lag hij stervend voor het rijtuig, gedood, als

een os door het masker, door een vuistslag tegen de slaap.

Paulus stond in zijn plaats, ongewapend, de borst fier vooruit, de

armen wijd-uitgespreid, als een levend schild, dat prinses Leliane

beschermde...

In het korte oogenblik, dat het oproer was uitgebarsten, was een

ontzaglijke Waarheid, stralend als een zon in den nacht, plotseling

voor hem opgeschenen.

Dat volk was verdrukt en verwaarloosd, het wist niet wat het deed, het

was onbewust, en als het uitbarstte in geweld, lag de schuld niet aan

hén, maar aan de daders van het snood bedrijf der uitbuiting. De

prinses was méde schuldig aan het groote, universeele onrecht, en had

de ooren trotsch gesloten, toen hij in het stof lag aan hare voeten,

biddend om Recht. De Dageraad was aangebroken, reeds gloorde het Licht

in de verte, en het Recht naderde, langzaam, een zwarte stip aan verren

horizon. Dat was schoon, wonderschoon, als de Eeuw der Waarheid

openbrak als een bloem, om dan te leven....!

Maar o! schóóner, volheerlijker was het toch voor een menschelijk

wezen, om te sterven voor het Ideaal!... Het Ideaal, dat was Leliane,

dat was de lichte prinses Leliane, de zuster van de witte water-lelies

in het Bosch, de ziel zijner ziel, die nooit kon sterven, en eeuwiglijk

herrijzen zou na bloedigen dood. De Dageraad gloorde reeds aan. Híj,

Paulus, was nu niet meer noodig op de wereld, en zonder hèm zou het

Recht zijn loop wel hebben, in den goddelijken gang der tijden. Maar

dáár vóór hem zag hij het heilige, blanke Ideaal zijner ziel, de

kroonprinses Leliane, en duizenden bloedgierige handen dreigden naar

haar koninklijke hoofd. Duizelend steeg hij in een volheerlijken gloed

óp tot de hoogste sferen der extase; hij wist nu niets meer, niets meer

van het volk, noch van het Monster van Moscovië, noch van de

literatuur, hij voélde enkel dat het Ideaal van zijn ziel werd bedreigd

met schennis, en dat hij was uitverkoren om te sterven dien goddelijken

dood der vólzaligen, den dood voor het Ideaal....

Een oogenblik was het volk verstomd door het stervend neêrvallen van

den moordenaar. Het duurde een paar minuten dat alles stilstond, en het

grauw verslagen was en wachtte, besluiteloos, bang.

Paulus stond nog altijd roerloos op de treêplank vóór de prinses, zijn

borst vooruit als een doelwit voor den dood, rustig en vreezeloos.

Toen vlogen de steenen opeens weer door de lucht. Een groote brik trof

hem aan het hoofd, dat het bloed spatte in het rijtuig. De weinige

agenten die nog over waren worstelden wanhopig, om bij de koninklijke

karos te komen. De officieren uit het gevolg hadden hun degens

getrokken en baanden zich een weg naar de prinses. Het huilende gemeen

stortte zich op de rijtuigen. Een zware knuppel kwam op Paulus’ schedel

neer, en ruggelings viel hij in de koets, met het hoofd tegen de borst

van prinses Leliane...

Dáár klonken geweerschoten van achter op het plein. Een gegil van angst

steeg op uit de menigte. Signalen schetterden van trompetten. En

opeens, als door een toover uit den grond verrezen, stormden als een

wervelwind de huzaren met hun bliksemende sabels door het in een wilde

paniek uiteenstuivende volk....

Toen de koets van prinses Leliane was ontzet, hield zij nog steeds het

bloedende lichaam van haar redder geleund tegen haar borst. Zij was

neder gevallen in de kussens, en de gewonde lag bewusteloos tegen haar

aan.

De hovelingen wilden haar den droevigen last afnemen, maar met een

gebiedend gebaar wenkte zij hen, heen te gaan. Marcelio alleen, die met

de huzaren áán was komen galoppeeren, mocht mede in het rijtuig komen,

om den gewonde te helpen verbinden. De kappen van de koets werden

omhoog gezet en zóó, als in een dichte, kleine kamer, ging het

langzaam, langzaam vooruit. De oude hertogin Marcelia was met twee

doctoren in een nabijzijnd hospitaal gebracht. De geneesheeren

verklaarden, dat Paulus stervende was, en nog maar enkele minuten had

te leven. Tevergeefs smeekten zij de prinses, het bloedende lichaam

toch los te laten, en in een andere koets over te stappen. Met een

streng gebaar wees zij hen terug. Zij wilde zelf haar redder medevoeren

naar haar paleis, om dáár te sterven.

Een groote dankbaarheid vervulde haar gemoed, en de tranen stonden in

haar anders zoo trotsche oogen. Het onbewuste van haar ziel van Meisje,

altijd verscholen achter de majesteit van haar koningin-zijn, was door

de ontzettende catastrophe, met den dood plotseling dreigend vóór haar,

èven opengegaan, en in dat opperste moment voelde zij, als een heilig

weten, dat haar een liefde was gewijd zooals haar gansche leven lang

geen andere meer voor haar zou bloeien.

Twéémaal had die ridderlijke knaap haar leven gered, de láátste maal

dapper als een held uit oude tijden, stervend voor zijn vorstin. En dat

onbewuste in haar, nú even bewust, om straks weer wèg te wijken achter

het ongenaakbare van haar majesteit, voor áltoos, het hield het

bloedende lichaam teederlijk vast, als het éérste en laatste wat zij

ooit in héél haar leven van koningin-zijn zou mogen omvatten. Het

wilde, dat haar ridder sterven zou in hare armen, als een paladijn van

weleer, die het leven liet voor zijne Vrouwe...

Langzaam, langzaam vlood het leven uit Paulus’ leden. Hij was zich niet

bewust meer van het gebeurde, en zag niet de donkere wanden van het

rijtuig om zich heen, en hoorde niet het getrappel van de paarden, en

voelde de pijn niet van zijn gapende wonden.

Hij was vèr, vèr weg, en lag zalig in het mos bij de water-lelies in

het Bosch, en alle dingen om hem heen waren de wonderen van weleer,

maar nóg heerlijker, nóg heiliger, vergeestelijkt in een teêrdere,

ijlere sfeer. Overal was zwijgen en plechtige rust, diep en zwaar, als

de stilte, die geheimt na heilige muziek. Nu zou het komen, hij voelde

het, nu zou het eindelijk, eindelijk komen...

Een zaligheid vervulde hem, zóó innig als hij nog nooit had doorleefd.

Toen zag hij haar duidelijk naast zich, Leliane, de lichte lieveling

van zijn ziel, en zij hield hem teederlijk omvat, zacht als een zuster.

Éven bewogen zijn handen, voorzichtig, voorzichtig, om te voelen, of

het geen droom was, geen vaag visioen. O! Het was wáárheid, hooge,

eeuwige waarheid, en het licht uit haar hemel-blauwe oogen straalde in

wondere wonne door zijn ziel.—Nu was het goed, nú was alles, alles dan

goed, en éindelijk was dan de groote, eeuwige, vol-zalige rust gekomen,

waarnaar hij zoo lang en bang had gesmacht....

O! De witte, wijze water-lelies op den kalmen, vlakken spiegel.... o!

die stilte, zoo diep en vol gebed.... o! dat heilige, blanke

maagd-gezicht zoo liefderijk over hem gebogen.... Hij voelde zich

stijgen en stijgen, zweven en zweven.... een zachte sferen-muziek

droomde op uit de verte... de innigheid werd dieper, en nóg dieper...

sterren wemelden schitterend.... een groot Licht laaide, laaide aan....

Marcelio nam den kolbak af, eerbiedig, en sloot de brekende oogen toe.

Prinses Leliane snikte, hartstochtelijk en weende als een droevig

menschen-kind.

Paulus’ ziel was teruggekeerd tot de Eeuwige Rust....

1902–1903.

Leliënstad · 第 16 / 16 题