Willebrordus had hem stil laten uitweenen, niets gevraagd en gedaan,
alsof zijn kleinkind maar even was teruggekomen na een verren tocht. En
Paulus voelde zich te moê van al het geledene, om nu, eindelijk tot
rust gekomen, al de verschrikking van vroeger weer te uiten en ná te
voelen schrijnen. Het was hem ook of, zonder dat hij iets zeide,
Willebrordus tóch alles reeds wist in essentie, al de groote emoties,
die hij in Leliënstad had doorgemaakt.—Dat voelde hij in het zachte
gebaar, waarmede de oude hand somtijds op zijn hoofd werd gelegd, in
den vriendelijken, ietwat weêmoedigen blik, waarmede de grijsaard hem
wel eens aanzag, peinzend, zonder iets te zeggen.—Ééns had Willebrordus
iets laten dóórschemeren, toen hij hem zeide, in den loop van een
gesprek: „Als je nu weer eens weg bent, Paulus....” Toen was Paulus
verschrikt opgesprongen, en had uitgeroepen: „Maar, grootvader, ik gá
niet meer weg, nooít meer, nooit meer....” En Willebrordus had
geantwoord, zacht, maar zéér beslist: „Dat zal je wèl, Paulus....
heusch.... daar ben je véél te vroeg voor teruggekomen.... later
misschien, véél, véél later, als ík er niet meer ben....”
En Paulus was uitgebarsten in hartstochtelijk snikken, omdat een vaag
voorgevoel hem zeide, dat grootvader tóch wel gelijk had.
Want alles was niet meer geworden als het vroeger was, hoé
overweldigend zalig de emotie ook was geweest van het eerste terugkomen
in het Bosch. Het onbewuste genieten, het vage droomen van zijn
kinderjaren was niet meer teruggekomen. Hij wíst nu, wat daar lag
achter de verre horizonnen, toen hij ééns weder geklommen was in een
hooge boomenkruin, en hij wist ook, van wie hij droomde, als hij stil
was neêrgelegen aan den vijver van de witte water-lelies. Het weten van
de wereld buiten het Bosch was altijddoor in zijn ziel bewust. En het
groote leed der menschen klaagde er aldoor in rond, klaagde en klaagde,
als de boomen hun goeden-morgen ruischten in het eerste zonlicht van
den dag, als de vogelen hun plechtig lied zongen in de schemering van
den avond.
Hij vond wèl terug het oude geluk in zijn werk van vroeger, in het
spitten en zaaien in den moestuin, in zijn omgang met die trouwe,
simpele vrienden, de koeien en het paard, in het vertrouwelijke verkeer
met zijn duiven en de reeën, die zich, na een korten tijd van
weifeling, weer lieten streelen den zachten rug. En als hij in haar
trouwe, bruine oogen zag, die zoo oprecht konden kijken en zoo wáár,
dan dacht hij: „waarom kunnen menschen-oogen niet zóó zijn?”
Hij baadde véél, en maakte lange wandeltochten, als vroeger, en wist al
gauw den tijd weer te lezen uit den stand der zon en der sterren,
zonder het horloge te behoeven van de menschen uit de stad.—Ook las hij
veel in oude, wijze boeken, die Willebrordus hem gaf, en avond aan
avond zat hij gebogen over de Bhagavad-Gītā en de Upanishads, die
hoogste openbaringen van het goddelijke aan den mensch.—Het Bosch werd
nóg mooier en heiliger voor hem, toen hij zich meer bewust was van de
Al-Ziel, die onsterfelijk leefde in de sterfelijke natuur. Het werd hem
buiten te moede, als in een eindelooze cathedraal van God, gebouwd van
boomen en bergen en rivieren, van zonnen, en sterren, en planeten.
Alles wat bestond was in essentie eeuwig en heilig en eindeloos....
Hij leefde nu in niets dan wijsheid en schoonheid, die zijn ziel
verreinden, en iedere daad van leven daar in de groote natuur van het
Bosch was vredig en sterkend, als een gebed.
Zóó ging Paulus’ leven rustig door, de eerste maanden. Hij kreeg zijne
krachten van vroeger terug, en de gezonde, roode blos kwam weer op zijn
wangen. Hij werkte veel met Willebrordus in den moestuin, kapte hout,
en maakte verre wandelingen in den omtrek, zóó, dat hij ’s avonds, te
moê om te denken, dadelijk insliep, natuurlijk, als de planten en de
dieren.
Maar langzamerhand, toen hij de zaligheid van zijn natuur-leven al
dieper en dieper ging beseffen, begon een vage twijfel in hem op te
wellen, of het wel recht en goed was, wat hij thans deed. Híj was nu
veilig geborgen, leefde een rustig leven, te midden van zulke goede,
ernstige vrienden, als de boomen en de bloemen. Maar daar ginds, ver
van het bosch, over de bergen, wist hij het droeve volk van de steden,
in zijn grooten nood. En ééns, toen hij, zonder werk zijnde, voor het
open venster van zijn kamertje uit zat te staren in den vallenden
avond, en hij zag al de pracht van het Bosch om zich heen, voelde hij
opeens met schrik een overeenkomst van zijn eigen leven met dat van den
luien, rijken nietsdoener in weelde, die, onbewogen voor het leed der
menschen, zijn bestaan doorgaat in louter luxe. Toen dacht hij opeens:
„Leef ík dan niet in weelde? Is er grooter luxe denkbaar, dan dit
grandiose, statige Bosch, en al de rijkdom van de Natuur om mij heen?”
Was hij nu eigenlijk niet even lafhartig weggekropen voor de ellende,
als de ijdele désoeuvrés, die hij zoo verachtte in de pracht van
Monte-Regina?
Van dien avond af aan genoot hij niet meer zoo zuiver van al het mooie
om hem heen. Hij kon zijn onbewust geluk van vroeger niet meer
terugvinden, want de gedachte aan het lijden van zijne medemenschen
verbitterde het innigste genot. Een scherp zelfverwijt begon in hem op
te schrijnen, als hij dacht aan al de ellende, die nu in Leliënstad
dóór moest gaan, terwijl híj veilig in de overdadige luxe van de natuur
liep te genieten. Terwijl híj den heerlijken geur opsnoof van het
eikenloof, zwoegden duizenden en duizenden van zijne broeders in door
giftwalmen verpeste fabrieken; terwijl híj, in zacht gemijmer den loop
der sterren volgde door de fijne openingen in het gebladerte, zwierven
honderden van zijne hongerige zusteren door de straten van de stad, om
haar schande te verhuren voor wat brood. En géén verfijnde, sensueele
rijkaard kon toch ooit zóó van zijn weelde genieten, als hij van de
luxueuse pracht om zich heen, van het droomende Bosch in maanlicht,
waar de nachtegalen van zaligheid zongen.
Die gedachten begonnen hem dag aan dag feller te kwellen. Was het goed,
zélf eenvoudig en sober te leven, in de rijke eenzaamheid van de
natuur, zoolang millioenen van zijn medemenschen verkwijnden in kommer
en gebrek? Maar, aan den anderen kant, wat hielp het, of hij, zwakke,
droomerige jongen, weer terugkeerde naar het lijden der menschen, dat
hij tóch niet kon genezen? Groote geesten, dichters en denkers, bij wie
vergeleken híj maar een waardeloos nietelingetje was, hadden hun leven
uitgesloofd om met hun ideeën en beelden de menschheid vooruit te
stuwen, maar wàt was er van hun werk terecht gekomen? En als het tóch
niet hielp, had híj dan niet het recht, zijn leven zoo mooi en
eenvoudig te maken als het meest áánpaste aan de altijd zuivere en
juiste natuur?
Met Willebrordus durfde hij er niet over spreken. Die leek hem te ver
over alles heen, in waarheden te hoog en te subtiel, om hem te
vermoeien met vragen, die zeker op een zoo oneindig veel lager plan
moesten staan, dan zíjn sfeer van weten en voelen. De staat, waar
Paulus’ ziel nu doorging, moest voor Willebrordus in een sfeer zijn
gelegen van véél te lang geleden, om er zich in terug te begeven, nu
hij eenmaal zóó ver was. Zijn oud, gerimpeld gelaat had een zoo reine
uitdrukking van klare wijsheid, dat het Paulus heiligschennis leek, hem
vragen te doen van zeker zooveel lager orde dan zijn verheven weten. En
ook voelde hij, dat hij van zelf, door eigen kracht, door dezen
ziele-staat zou moeten komen, waar geen hulp van buiten op den duur
voor baten zou.
Somtijds, in zeldzaam spannende momenten, voelde hij ook opeens een
onweerstaanbaar verlangen, om meer in de sfeer van prinses Leliane te
zijn. O! Even de lichten te zien schitteren van haar paleis, èven te
zien wuiven, in de verte, het wonder van haar witte gewaad!....
Nu hij zoo ver van haar af was, en niets hem meer aan de verschrikking
herinnerde, waarvoor hij was gevlucht, was de donkere schaduw, die
dreigde boven haar lichte beeld, weer geheel verdwenen. Het Beest was
van haar weg, geen Monster besmette meer haar reine sfeer, en haar
beeld glansde weer licht en liefelijk als een ster, apart en bijzonder
aan heilige, verre transen.
Somtijds meende hij, met een wondere ontroering van verrukking en
schrik, haar kleed te hooren ruischen in het ritselen der blâren, of
wel hij meende te hooren het zoet geluid van haar stem in het zacht
geneurie van den avondwind door de takken, en somtijds meende hij haar
lach te zien lichten in het stille tinkelen van een verre ster.—In zijn
rustige kamertje, waar zij ééns had getoefd, zweefde nog iets van háár
heilige presentie, als een essence, die er in was blijven droomen. In
de lichte geheimenissen van zijn ziel, waar haar beeld hoog boven
straalde, was nooit een donkere schaduw haar genaderd, en zij
schitterde daar even luisterrijk onbevlekt en ongenaakbaar als de
gouden Morgenster boven lichte ochtend landouwen. En het was Paulus wel
eens of er twee Leliane’s waren, de eene een schijn-beeld in de
weifelende werkelijkheid, bedreigd door het ruige, roode Beest, dat het
verstikken zou, de ándere onsterfelijk, in de lichte sfeer van den
droom zijner ziel, smetteloos, in eeuwig reinen staat van leliën
blankheid.—
Ook droomde hij wel eens van de stad, zóó klaar duidelijk, dat hij
zich, wakker wordend, afvroeg, of het wel schijnbeelden waren geweest
die hij gezien had, dan wel, of zijn ziel werkelijk in Leliënstad had
getoefd, terwijl zijn lichaam sliep.
Ééns was hij op het groote Domplein geweest in zijn droom. Hij zag het
leelijke, kolossale gevaarte monsterachtig oprijzen tegen een droevige,
grijze avondlucht, en zijn ziel schrikte en trilde pijnlijk toen hij de
blinkende, gouden letters las boven den ingang:
Ziet, ik ben bij u
Alle dagen
Tot aan der Wereld Einde.
De regen striemde neer op den grond, de wind huilde en huilde. En
klagelijk liepen de jammerlijke vrouwen der schande over het plein,
loerend, loenschend naar haar prooi, als roofdieren in honger....
Toen hij wakker werd, zag hij door het open venster het zonlicht op de
wuivende bladeren bewegen, en hij hoorde het liefelijke lied der
vogels, uitzingend hun geluk om het leven. Alles was blijheid en warmte
en schittering daarbuiten; alles bloeide, en jubelde, en lachte.
Toen voelde hij in dat geluk opeens de ellende uit zijn droom, als een
onrecht, nog bitterder, dan hij het ooit gevoeld had in de treurenis
van de stad. En weêr moest hij onverbiddelijk denken aan den rijken
luiaard, levende in Monte-Regina’s luxe, en aan zich zelf, veilig
verscholen voor ’s werelds misère in de ontzaglijke pracht van het
Bosch.
Den geheelen dag voelde hij zich ellendig door die gedachten, tot er ’s
middags opeens een houthakker aankwam, die een brief bracht, een
ongewone gebeurtenis, die Paulus zich niet herinnerde, ooit beleefd te
hebben in de hut.—Bevend van ontroering brak hij hem open. Hij was van
Elias.—
„Beste Paulus!
Ik weet niet, of deze je bereiken zal, maar ik zal mijn best doen,
dat je hem krijgt.
Je bent waarschijnlijk nog altijd goed en wel in de pracht van je
bosch. Daar zit je best, en wèl veilig! Maar hier staan groote
dingen te gebeuren. Ik kan je niet schrijven wàt. Alléén dit:
„alles, waar jij steeds aan gewanhoopt hebt, zal nu worden
verwezenlijkt. Het Recht gaat zegevieren, en de dageraad van het
Licht breekt aan. Alles zal nu eindelijk goed worden. Méér kan ik
je niet zeggen. Maar als je deze groote gebeurtenis wilt meêmaken,
moet je onmiddellijk komen. Één dag te laat, en je zoudt niet meer
hier kunnen zijn; je moet, zoodra je dezen krijgt, dadelijk op weg
gaan. Kóm nu, en je zult de overwinning zien van het Recht, waar je
altijd zoo naar hebt gesmacht. Ga direct naar mijn kamers, als je
in de stad bent. Je vriend
Elias.”
Nog dienzelfden middag ging Paulus met den boodschapper mede terug. Hij
had Willebrordus den brief laten lezen, die zacht-weemoedig het hoofd
had geschud, en gezegd had: „Dat hebben ze al méér gedacht, vóór
Elias... Als het eens waar was, zou het tóch zoo mooi zijn... maar ik
vréés er voor... Toch moet je gaan, Paulus, je moét zoo iets door
hebben gemaakt, vóór je wijs kon worden...”
En Paulus had niet meer geweifeld, maar zich dadelijk gereedgemaakt.
Hij voelde, dat het niet anders kón. Er was tóch niets aan te doen.
Vroeg of laat zou hij tóch teruggegaan zijn naar de stad. Rustig en
kalm nam hij afscheid van Willebrordus, die hem de wijding meêgaf van
zijn tot zegening gespreide handen. De grijsaard beloofde hem, dat zijn
kamer altijd gereed zou zijn, als hij weer eens terug wilde komen. En
Paulus ging, nadat hij voor den ouden wijze was nedergeknield in diepe
verootmoediging.
Zonder tranen, wèlbewust van zijn daad, verliet hij het oude,
vertrouwde Bosch, om terug te gaan naar de duistere stad der menschen,
waar het onrecht woonde, en de leugen, en de schande.