Paulus was den volgenden morgen al vroeg op. Hij had maar weinig
geslapen. Den ganschen nacht had hij er over liggen denken, dat hij
prinses Leliane zou zien. Hij was tusschenbeide even in slaap gevallen
en had gedroomd van ééns, lang geleden, toen hij de wondere, witte
maagd had gevonden, sluimerend onder de groene boomen. Het leek
ongeloofelijk, dat zoo iets zaligs ooit weer terug kon komen, dat hij
wérkelijk weer begenadigd zou worden door den ziele-zachten blik uit
hare oogen, dat hij weer hooren zou de zoete muziek van haar stem. Hoe
was zijn innigste wezen angstig verscholen gebleven voor de harde
gelaten der menschen, hoe was het liefste in hem sidderend weggekropen
voor het donderende lawaai van de straten der groote stad! Maar o! als
maar éven het licht hem aanraakte, dat straalde van haar gebenedijde
aangezicht, dan zou zijn ziel zich wel weer oprichten, en zich kuisch
ontplooien, als de waterlelie, die zich keert naar de zon.
Hij trachtte zich weer voor te stellen, hoe zij er uit had gezien, maar
het was té schitterend, té grandioos van glorie, het heerlijke visioen,
en de pracht verblindde hem. Hij zag alleen licht, véél licht, uit een
groote blankheid rayonneerend.
Toen het dag was geworden, stond hij op, en deed het venster open. En
wijd zag hij uit over de zee. De opgaande zon straalde een zacht-roze
gloed uit over het water, dat langzaam lag te rillen van die liefde.
Licht-roze lag ook over de wit-crême villa’s van de stad, vèr beneden,
en als een roze tempel stond het roomen Casino nu in dien gloed van
den, met vage tinten bevenden, morgen. De bergen in de verte,
wèg-lijnend naar den horizon, waren omhangen van vluchtige, witte
nevelen, waar óók teêr roze èven doorheen begon te glanzen, als liefde,
die opdroomt door een blanke ziel. Hier en daar wuifden ze, wijde,
witte gewaden, van de bergen op, en dreven langzaam, langzaam voort, de
blauwe eindeloosheid in van de lucht, en het was, als zweefden daar
blanke engelen, door eigen, innerlijken glans gedragen.
Paulus stond het zwijgend aan te zien, en voelde zich, of een groot,
onuitsprekelijk geluk voor hem in aantocht was, en alles nu éindelijk
goed zou worden.—
Straks zou hij prinses Leliane zien, Leliane, die schooner was dan de
dageraad, van een licht, nóg zachter en nóg zaliger....
De roze tint begon nu te veranderen, met vage nuances van purper en
violet. Het leek of al het licht begon te trillen en te beven, om zóó,
verrillende en vervliedende, tot de diepste innigheid te komen, telkens
droomende door een anderen staat van teederheid, en dàn fijner, en nóg
weêr fijner, tot brekens toe. De oneindige zee onderging het alles
rustig en gelaten, en haar klare spiegel kaatste al die gevoeligheid
duidelijk terug op haar kalme, rimpellooze vlak.
Plechtig-stil spreidden de palmen beneden op den zee-boulevard hun
breede waaier-kruinen uit, en de biddend-gebogen takken der olijven
stonden teêr afgeteekend in de ijle lucht. Hier en daar, tegen de
bergwanden op, stond, eenzaam, een cypres, apart en bijzonder, met zijn
puntige spits óp naar den hemel. Paulus voelde een groote verwantschap
met die fijne, kuische boomen, die een heilige treurenis in zich
hadden, en toch zoo recht opgeheven stonden, als een ziel, die rijst in
smarten. De lucht was vervuld van de geurige aromen der tallooze
bloemen, die in de dalen groeiden, en hare harten openden in het jonge
licht van den morgen. Monte-Regina was één paradijs van bloemen, waar
de rozen en violen welig groeiden in het wild, en de geheele atmosfeer
was doortrokken van haar innige essences.
In een dal in de verte zag Paulus een tuin vol kleine amandelboomen in
bloei staan. Die liefelijke boompjes stonden daar met hun lichtroze
bloesems, onschuldig als jonge maagdekens in roze tooi.—
Paulus staarde in verrukking in het rond, over het land vol bloesemende
boomen en bloeiende bloemen, over de vlakke, zacht-spiegelende zee. In
de verte zweefde langzaam een schitterend, blank zeil over het wijde
water, rustig en wèlbewust, als een ziel, weg-varend in het eindelooze.
Zóó stond Paulus aandachtig te staren in den jongen, reinen morgen van
het Zuiden. En het was hem, of hij een glimlach had gevoeld van Gods
aangezicht....
Den verderen dag ging hij door, als een vrome een cathedraal. Over alle
dingen òm hem lag schoonheid en devotie.—De harde gezichten der
menschen waren verteederd, en wonderlijk zacht gebaarden de boomen en
de bloemen. Hij wandelde droomend langs de zee, en over bergen, en door
dalen, uren lang, tot de tijd zou zijn voldragen, en hij óp mocht gaan
tot de sfeer van Leliane.
Iets van zijn zoet geheim lag over de wereld verspreid. Het was, of de
boomen het wisten, de kuische palmen, met hun plechtige waaier-bladen,
onbewegelijk in het licht, de teêre mimosa’s met hun broze loovertjes,
die beefden van innigheid, de roerlooze cypressen, recht oprijzende,
als een stille vlam. Alles wachtte, wachtte op het wonder. En het werd
vredig in Paulus’ ziel als in een kalme kapel, als het mis-mirakel
staat te gebeuren en dra wordt de heilige hostie geheven boven de
hoofden der biddend-gebogen schare.
Zóó ging de tijd voorbij, het licht van den dag werd klaarder, tot het
dóór was gestraald tot de innigheid van den middag. Paulus was nu
teruggegaan naar het witte Regina-paleis, en werktuigelijk deed hij de
dingen, die zijn lichaam moest doen, het baden, het kleeden in den
deftigen rok, dingen van heel beneden, waar hij zelf onwetend van bleef
in de sfeer van zijn droom. Hij voelde enkel, dat ieder oogenblik hem
nu zachtkens voortstuwde naar het wonder. In die uiterste spanning van
zijn ziel was hij ganschelijk vergeten, wat hij zeggen zou, als hij
straks zou nederknielen in de heilige presentie van prinses Leliane, en
herinnerde hij zich niet eens meer, dat hij hier was gekomen, om hare
genade af te smeeken voor de verdrukten. Want dit alles was weggezonken
in een lagere bewustheid van zijn wezen, waarvan het innigste door alle
andere dingen heen, tot den hoogen staat van gedachtelooze adoratie was
gestegen. Eindelijk, om twee uur ’s middags, kwam Marcelio hem roepen.
Hij was in de groote tenue van zijn huzaren-uniform, schitterend van
goud, de borst blinkend van ridderorden, en als een lichte bode uit een
sfeer van glans en glorie zag Paulus hem binnenkomen.
„Houdt je nu goed,” zeide Marcelio, „denk er om, het is een héél groote
gunst van Haar Koninklijke Hoogheid, dat zij je ontvangen wil...
waardig zijn, hoor, en kalm...”
Toen voelde Paulus zich geleid worden door marmeren gangen, op zachte,
donzen tapijten, die zijne voetstappen dempten. Aan weerszijden, in
lange rijen, stonden porseleinen potten met rozen, en de lucht was
vervuld van zoete, geurige aromen. Deftige lakeien in blauw en goud,
met witte zijden kousen, liepen voor de deuren heen en weder. In een
anti-chambre, die hij voorbij kwam, zag hij menschen in magnifieke
staatsie-gewaden, met gepluimde steken, den degen op zijde. Toen deed
Marcelio een deur open, duwde hem zachtjes naar binnen, en hij stond
alleen.
Verbaasd keek hij om zich heen. Wit was alles, wit, van een sneeuwen,
leliën witheid. De muren waren met witte zijde behangen, waarin groote
waterlelies waren geweven, en beneden waren de wanden met een
lambrizeering van wit, ivoorachtig hout. Het zware tapijt was van
witte, glanzende stof. De meubelen waren van zacht ivoor met zilver, de
tafels waren ingelegd met wazig parelmoer. Hier en daar stonden groote,
broze vazen van transparant blanc de Chine, waaruit vreemde, witte
orchideeën neêrhingen. Op den wit marmeren schoorsteen stonden blanke
beelden, goden uit verre, Oostersche landen, stralend van wonderen
glans, de handen predikend geheven, de wijze gezichten in rustigen,
sereenen droom van vrome meditatie.
Paulus voelde zich huiveren van eerbied voor al dat witte, dat reine,
dat vlekkeloos pure, dat de sfeer was van de koninklijke prinses uit
het geslacht der lichte water-lelies.
Zijn ziel ging óp tot een zóó hoogen staat van wijding, dat hij al den
jammer van voorheen was vergeten en niet meer wist, dan dat hij
begenadigd was om in dit allerheiligste der heiligen te treden. Hij
wachtte en wachtte, hij wist niet hoe lang, zalig in die uiterste
spanning.
Daar ruischte zachtjes een portière; een vaag gordijn van witte zijde
wuifde èven weg, en vóór hem, blank en teeder, van een heiligen glans
omgeven, verscheen de prinses.
Paulus voelde een groot licht, dat over zijn ziel ging, die beefde van
zaligheid, tot in haar fijnste weefselen van droom.—Tranen jubelden óp
naar zijn oogen, zijne handen vouwden zich onbewust tot gebed, en hij
knielde ootmoedig voor hare voeten neder, het hoofd diep gebogen tot
den grond. Zóó lag hij voor haar, zalig-vernederd, in gansche, devote
overgave, als een zondaar in duister voor de blanke Heilige, die hem
barmhartig zal opheffen tot de sfeer des Lichts.
Toen zong de zoete muziek van haar stem boven hem. Zijn gansche ziel
trilde van een zóó hevig genot, dat het bíjna pijn deed van zaligheid.
„Sta op, Paulus, en zeg ons, wat gij ons wilde vragen.... Wij zijn u
niet vergeten en zijn u altijd dankbaar gebleven.... Wat kunnen wij
voor u doen?....”
Hij begreep nog niet den zin van hare woorden, en hoorde alleen de
wondere muziek, als een, die in de hoogste extase het zingen hoort van
engelen uit hemelsche sferen.
Langzaam stond hij op, maar spreken kon hij nog niet. Heel klein, heel
nederig bleef hij voor haar staan, de handen nog altijd gevouwen, haar
aanziende met biddende oogen, zooals een deemoedig zieltje opziet naar
God.
Een zachte glimlach lichtte om haar fijnen mond. Zij dacht weer even
aan vroeger, toen hij óók zóó voor haar had gestaan.—Géén hoveling was
zóó eerbiedig, als die vreemde, dwaze jongen, géén harer kamerjonkers
had die edele, simpele gratie. Hij was dan toch nog altijd dezelfde
gebleven, met de ziel van een ridder, of een troubadour uit de
middeneeuwen.—Zijn deemoedige adoratie streelde de maagd, die zij was.
Toch begreep zij, dat dit zóó niet duren kon, dit stille aanbidden
zonder woorden.
„—Hebt ge ons nu niets te zeggen?” vroeg zij, vriendelijk bemoedigend.
„Waarvoor hebt ge ons deze audiëntie aangevraagd? Kunnen wij u ook
helpen met iets? Nu moet ge spreken....”
Wit was ze, in het fijne, kanten gewaad, dat luchtig om haar heen hing,
als een blanke droom.—Zijne oogen deden pijn van het licht, dat van
haar afstraalde.—Goud was haar glanzende haar, goud als de zon en zóó
zuiver. Een aureool van goud beefde om haar lelie-blanke hoofd. Wit,
zacht, zijden wit wuifde om haar teêre leden. En alles om haar heen was
wit, in deze sfeer van blankheid, was puur, en smetteloos rein.
„—Maar spréék dan toch....” zong weer de muziek van haar stem.
Het duizelde nog om hem van ontroering. Hij trachtte zich te
herinneren.... alles was zoo vèr beneden, nu hij was geheven tot dien
hoogen staat.... hij moest nu spreken, zeide zij.... van wat?.... van
wat?.... wat was er nu nog te spreken?.... hier was het hóógste, wat nu
ooit nog komen kon.... het witte, het pure, het vlekkeloos blanke, waar
de ziel van bidt.... hier was enkel het stille, rustige droomen, de
handen gevouwen, diep het hoofd gebogen, als in een kerk... wat kon er
nu nog anders komen, dan de zalige zegening van het licht uit haar
heilige oogen?...
Met groote inspanning trachtte hij zich te bezinnen, wat hij nu zeggen
moest.... zij gebóód het, dus móest het wel.... er wàs wel iets, maar
dat was zoo héél lang geleden.... wel eeuwen leek het.... uit een ander
leven, in een gansch andere sfeer.... toen was het duister, zwart,
droef duister, en nú was alles zoo licht....
Zij zag zijne uiterste ontroering, en haar hart zwol van trots. In al
den uiterlijken eerbied, dien men haar dagelijks betoonde met
ceremonieele vormen, was niet de heilige reverentie, die zij raadde in
dien deemoedigen jongen aan haar voeten. Glimlachend trachtte zij hem
op dreef te brengen.
„—Komaan....” zong haar stem weer. „U is hier toch niet voor niets
gekomen.... zeg ons nu alles, zonder schromen.... onze tijd is
kostbaar.... en wij hebben nog maar weinige minuten voor u... Spréék
nu, wij wíllen het, wij gebíeden....”
Zij zeide dit laatste zóó imperatief, dat hij er wakker van schrikte
uit de spanning van zijn droom. En plotseling flitste het in hem op,
dat hij alles verzaakt had in de extase van zijn eigen ziel. De armen,
de ellendigen.... het onrecht, de verdrukking. Hier was alles wit, en
rijk en rein; maar vèr, ginds in de stad, zwoegde het volk in rook en
roet, veilden de droeve vrouwen haar lichamen in zonde en schande....
En hij had ze vergeten, lafhartig verzaakt, in de verblinding van zijn
droom. Toen kwam hij tot bewustzijn, wat hij zeggen moest. Hij trachtte
kalm te blijven, om goed te formuleeren wat hij te uiten had en alles
duidelijk voor zich uit een te zetten, maar onder het spreken werd de
emotie hem te sterk, en hevige snikken onderbraken zijn stem.
„O! Koninklijke Prinses....” zeide hij, „Koninklijke Hoogheid, die
leeft in licht en glans, zoo heerlijk gehuld in Uwe heilige sfeer van
reinheid en vrede, gij weet, ik ben U gevolgd uit de kalme rust van
mijn stille woud, om Uw stad te zien, de Leliënstad, de lichte.... Het
allerhóógste bestaan zou wezen in die stad.... heeft U het zélve mij
niet gezegd: eerst Leliënstad zien en dán sterven!.... op Uw gebod heb
ik het liefste van mijn ziel verlaten, omdat ik wist, dat het licht en
vredig zijn zou in de sfeer, waar Uw heilig leven woonde.... omdat ik
dacht, dat mijn ziel zou moeten bloeien in de glorie van Uw rijk....
toen heb ik ook Uwe blanke woning mogen zien, zoo hoog boven de
huizingen der menschen.... schitterend wit, en veilig, op de heuvelen,
waar de lucht rein is.... maar o, prinses Leliane, beneden heb ik de
groote stad gezien, waar het volk woont, Uwe onderdanen, Uwe kinderen,
zich koesterend aan Uwen voet.... en benéden woont het onrecht en de
leugen en de donkere zonde, en is alles geworteld in het kwaad.... Ik
heb gezien de duizenden arbeiders, mijn broeders, die zwoegen in vunze,
heete holen, en diep in donkere mijnen.... ik heb hun vrouwen gezien,
hun kinderen, sjouwend als arme lastdieren, voor luttel hongerloon....
ik heb gezien de ellende, het grondeloos slechte onrecht, en de
verschrikkelijke zonde heb ik gezien, waar de armoede toe dwingt. Uwe
zusteren, o, Koninklijke Prinses, Uwe droeve, geschandvlekte zusteren,
zij zwerven langs boulevards en kaden om te veilen haar klagelijk
lijf.... de vuile wellust, zij huurt de zusteren van Uwe Koninklijke
Majesteit, als redeloos vee.... ik weet de honderdduizenden, die
wegteren in misère, in grenzelooze misère van honger en gebrek.... en
o, ik heb gezien het pratte poenendom, dat leeft het wreede
parasietenleven van den langzamen moord, hun broederen aangedaan....
Zij zwelgen in festijnen, zij zwijmen weg in wellust en roes, en de
werkers, de onontbeerlijke arbeiders, die alles voortbrengen, en zonder
wie niets bestaan kan, zij sloven hun leven moeizaam door, om juist nog
niet van honger om te komen.... en de bestbetaalden, in de gunstigste
omstandigheden, ontberen tóch het licht van wetenschap en kunst, dat
óns het leven enkel waard maakt.... Die groote, lichte Leliënstad, die
de glorie heet van de wereld, zij is de stad van zonde, van wreed,
gruwbaar onrecht, van leugen en bederf.... en áltijd troont prinses
Leliane in haar witte paleis, zoo hoog boven al de ellende, en zij ziet
enkel glans en glorie, niet het onrecht, dat geschiedt in haren,
koninklijken naam... En hier, in dit vloekwaardig Monte-Regina, waar al
de parasieten rondkrioelen in feesten en banketten, met het bloed en
zweet van hun broederen betaald, hier klinkt niet dóór de jammerkreet
der verdrukten.... O, Koninklijke Prinses, waarom hebt Gij mij geboden
U te volgen naar de verdoemde stad van wellust en van weedom? Nu heb ik
de gruwbare leugen van de wereld gezien, en nooit kan mijn ziel nu weer
rustig zijn, zoolang het onrecht er zoo brandend schrijnt.... O,
Prinses Leliane, ik heb Uwe stad gezien tot in haar duisterste
krochten, en de hel kan niet verschrikkelijker zijn.... Gij hebt mij
beloofd, dat ik er het Licht zou vinden, en in het donkerste duister
ben ik afgedaald.... ik heb gedacht, ik heb gedroomd, en ik heb
gelezen.... in véél doorwaakte nachten heb ik gelezen, hoe het wee der
wereld zou te stillen zijn.... maar nergens heb ik de uitkomst
gevonden, en áltijd duurt het onrecht voort, dat dóórwoekert, door
niets te stuiten.... De menschen gaan met harde gezichten en weenen
niet... zij leven van het bloed hunner broederen, en zien niet om, als
koude wreedaards onbewogen.... en God heeft toch de schoone wereld
gelijkelijk aan alle menschen gegeven, niet aan enkelen, om te leven
ten koste van de anderen, die lastdieren moeten zijn.... maar in de
menschen woont de Liefde niet....”
Luide snikken maakten zijn stem èven onverstaanbaar. Met moeite bracht
hij de korte zinnetjes er uit, zenuwachtig, onsamenhangend, in zijn
groote verwarring.
Toen werd de ontroering hem te machtig, zijn knieën knikten, en, in
zijn uiterste wanhoop, viel hij als een slaaf aan hare voeten. Zijn
hoofd bonsde op den grond, maar hij voelde het niet.
Fier en onbewogen stond de prinses vóór hem opgericht. Er was een harde
trek gekomen om haar anders zoo zachten mond. Zij had niet begrepen wat
hij bedoelde, maar er schemerde een vaag bewustzijn in haar op, dat
zijn hartstochtelijke aanklacht vijandig was aan de onschendbaarheid
van het koningschap bij de gratie Gods. Men had haar nu en dan,
voorzichtig, in vage, bedekte termen, verteld van het groote gevaar,
van de sociaal-democraten en de anarchisten, die God noch Koning
eerden, die de geheele maatschappij wilden omverwerpen, en durfden
zeggen, dat de bestaande orde der dingen niets dan leugen was en
onrecht. Dat was de ontheiliging van háár koninklijke wezen, van de
Kerk, van den Staat, dat was het oproer, de roode revolutie.... Had die
jonge ridder van haar zich laten bederven door de vijanden van haar
geslacht?.... Was hij zóó weinig dankbaar voor haar koninklijke
gunsten?....
IJzig-koud zag zij op hem neêr. En tòch streelden haar zijn
hartstochtelijke adoratie en de diepe deemoed, waarin hij, als een
vernederde slaaf, op den grond voor haar nederlag. Zij vond hem mooi,
met die biddende oogen in zijn fijn, bleek gezicht; zij zag hoe
glanzend zijn zacht, zijden haar was, als van een edelknaap uit de
riddertijden. Zij wist, dat niemand uit haar omgeving haar ooit zóó had
bekoord, door haar koninklijkheid héén, tot in haar innigste,
maagdelijke wezen.
Aan hare voeten, door zijn snikken heen, klaagde hij door.
„—Genade,” smeekte hij, „genade voor de armen en verdrukten.... de
menschen, die U dienen, en het volk regeeren, kúnnen niet helpen, want
zij kennen de Liefde niet, en zonder Liefde kan het onrecht nooit
genezen.... daal áf van Uwe koninklijke hoogte, o, prinses, verlaat dat
lichte, blinkende paleis, dat daar zoo wreed en koud in de hoogte
staat, en verwaardig U, in de woningen der armen te treden, en hun
grooten nood te zien... Zie de zwoegende, tobbende werkers in de
gruwelijke fabrieken en diep in het donker der mijnen, en zie dan de
feestende, hartlooze lediggangers, die zwelgen van hún zweet... zie de
vrouwen, Uwe zusteren, die klagelijk haar lijf moeten veilen voor het
dagelijksch brood, waar de pratte poenen hier zwijmelen in orgieën...
wees een troost der verdrukten, een reddende engel, een genius van
genade... en stoot de leugen omver met Uwe koninklijke hand... als gíj
voorgaat, moeten de anderen vanzelf wel volgen, die al het onrecht
deden in Uwen naam... Uw woord zal allen bezielen, Uw hand zal afnemen
van het onrechtmatig bezit en geven de goede gaven aan de behoeftigen
en beroofden... Uwe geheele lichte Leliënstad is een poel van leugen en
zonde, een duister oord van verschrikking, een hel....”
„—Zwijg!” zeide een harde stem boven hem, snijdend, gebiedend.
Verschrikt keek hij op.
De prinses zag op hem neer, een kouden, verachtelijken blik. Met een
superbe gebaar trok zij de plooien van haar wijd-uit vallende gewaad om
zich heen, dat geen zoom zou besmet worden door zijn aanraking. Een
wreede, minachtende trek kwam om haar mond.
„—Ga!” zeide zij, streng, en wees naar de deur, terwijl zij tikte op
een schel. „Gij zijt een ondankbare, een oproerling, niet waard onzen
drempel te betreden... onder slaven hoort gij, met uw onwaardige
taal... ga heen, en kom tot inkeer... verbeter u, als gij ooit weer in
onze genade wilt komen...”
Bevend stond hij op. Hij kromp ineen onder haar vernietigenden blik.
Hij dacht een oogenblik, dat hij slecht was, een ondankbare, een
nieteling, die de sfeer ontheiligd had waarin zij ademde. Al het
onrecht, waarvoor hij was opgekomen, leek hem nú een schijn, een
verblinding, die zijn eerbied voor háár had geschonden. Het éénige
reëele, waar al het andere bij in ’t niet verzonk, was de koninklijke
waardigheid van haar vlekkelooze wezen, de majesteit, die straalde van
haar af. Hij was niet waard, nog langer in háár heilige
tegenwoordigheid te toeven, een ellendeling was hij, die haar met een
enkelen blik al ontwijdde. Nog éénmaal zag hij haar staan,
ongenaakbaar, hoog opgericht, in sneeuwen blankheid, het witte gewaad
in wijde plooien om haar heen. Toen kroop hij weg, neigende, diep
vernederd, of hij een zware misdaad had begaan.
Een lakei schoot op hem af, deed de deur voor hem open, neigende. En
hij stond weer in de gang van waar hij gekomen was. Als wezenloos ging
hij door. Uit de open anti-chambre kwam Marcelio aanloopen. Vriendelijk
legde hij een hand op Paulus’ schouder.
„—Ik zie het al,” zeide hij. „Het is mis, hè?... Dat kon ook niet
anders... mijn beste jongen, je hadt ook niet zoo lang in dat bosch
moeten blijven... je bent véél te naïef, een miniatuur editie van don
Quichotte... maar je hebt het zélf gewild... en door al die dingen moet
jij nu eenmaal eerst heengaan, vóór je een practisch mensch kunt
worden...”
Paulus kon nog niets terugzeggen. De woorden stokten hem in de keel.
Hij liet zich zwijgend medevoeren naar zijn eigen kamer op de bovenste
verdieping. Dáár viel hij snikkend op zijn bed neer. Marcelio kwam
naast hem zitten, op den rand van het bed, en zag medelijdend op hem
neer, als op een kind. Het interessante „geval” deed hem, zijns
ondanks, aan, met een zacht medegevoel.
„—Kom... vertel me nu eens...” vroeg hij, toen hij zag, dat het snikken
wat bedaarde.
„—Ik heb het haar gezegd, Marcelio... van al de ellende... van het
onrecht... van haar droeve zusteren, levend van haar lijf... en ze
heeft me aangezien, o! met haar reine, blauwe oogen heeft ze me
aangezien... mijn ziel kromp inéén... ze veracht me, nooit zal ik dien
vrééselijken, vernietigenden blik vergeten, die brándt in mijn ziel...
Nú weet ik pas, wat majesteit is, Marcelio... o! hoe zij daar stond,
zoo hoog, zoo edel, zoo trots... als zij mij lang zóó had aangezien,
zou ik gestorven zijn... maar zij wees mij weg, met een zóó fier
gebaar, dat ik ben teruggekropen, bang als een slaaf...”
Marcelio lachte medelijdend.
„—En het onrecht dan, Paulus... de groote zaak van het volk, waar je
voor kwam?... was die dan inééns verbleekt in je?... alléén door dien
blik?... heb je toen alles inééns verzaakt?...”
Paulus keek hem aan, en bloosde.
„—O! Marcelio... ik wéét het niet meer... ik weet niets meer, dan dat
ze me aankeek... zóó... vanuit haar sneeuwen, leliën reinheid... zoo
hoog was ze, zoo ongenaakbaar... en ík was zoo klein, zoo nietig, zoo
verachtelijk... ik was niet waard, den zoom aan te raken van haar
gewaad...”
Weêr lachte Marcelio, en schudde het hoofd, bedenkelijk. Toen, als
iemand die een besluit neemt om eindelijk iets te zeggen, wat hij eerst
had willen verzwijgen, vroeg hij, bruusk:
„—Kom, kom, Paulus.... weet je, wie dan wèl waard is, dien zoom van
haar gewaad aan te raken?.... en niet alleen dien zoom, maar haar
zelve, haar héélemaal.... weet je dan wel, dat de prinses.... gauw....
hm... moet gaan trouwen, vóór zij koningin wordt?...”
Paulus staarde hem aan, verbluft, nog niet begrijpend.
„—Hè?.... Wat?....”
Hij begon weer te beven, vaag voorgevoelend iets verschrikkelijks, nóg
ontzettender dan het eerst gebeurde.
Marcelio wachtte nog even, durfde niet goed, bang voor de pijn, die hij
Paulus ging doen. Toen, inééns:
„Haar Koninklijke Hoogheid is verloofd met prins Sergius
Alexandrowitsch van Moscovië.... morgen wordt het bekend gemaakt....”
Paulus werd doodsbleek. Hij stotterde:
„—Dat mag je niet zeggen, Marcelio.... met zúlke dingen mag je niet
spotten.... wat héb je er aan, mij zoo voor den gek te houden?....”
„—Maar het is wáár, kerel.... ik spot héusch niet....”
„—Och.... dat kán toch niet.... de prinses kán toch niet houden van
zoo’n bruut....”
„—O! Wat een broekie ben je, Paulusje.... hóuden.... alsof een koningin
zou behoeven te hóuden.... dat is goed voor het volk.... bij een
koningin geldt alleen het zoogenaamde belang van het volk en van het
vorstenhuis.... het is héusch, héusch waar, Paulus.... Maar wat schéélt
je, kerel?....”
Paulus, doodsbleek, wankelde, en zijn handen zochten steun op de tafel.
Marcelio hoorde hem stamelen:
„Dus dan zou de prinses.... als al die vrouwen van de straat.... zónder
liefde.... alléén voor eene belooning van glorie of belang.... een
veile vrouw zijn, als de anderen.... Het is niet waar, hé, Marcelio....
het was maar een grap.... en je hebt gelogen, hè, gelogen...?”
Zijn stem stokte, en hij kon nog alleen maar enkele schorre geluiden
uitbrengen. Een rilling vertrok zijn gezicht, en krampachtig sloeg hij
de vuisten in de lucht.
Marcelio snelde op hem toe.
En nog juist had hij den tijd, om Paulus op te vangen, die, doodelijk
bleek, even wankelde en toen bewusteloos neêrviel, alsof hij een
doodelijken slag had gekregen, waaronder hij wègkromp....
Drie weken lag Paulus met zware hersenkoortsen in het hospitaal in
Monte-Regina. Hij ijlde gansche lange nachten over een prinses, die hij
verlossen moest van een monster, dat haar wilde overweldigen, en met
moeite werd hij in bedwang gehouden, om niet uit zijn bed te stormen,
en haar ter hulp te snellen. Hij smeekte den geneesheer en zijne
verpleegsters, om hem toch in Godsnaam te laten gaan, want een
doodsgevaar bedreigde de prinses. Het Beest naderde, het ruige, zwarte
Beest, dat zijn groote klauwen uitstrekte naar haar blankheid, en
niemand kon haar redden dan híj. O! Hij moést weg, hij moést, anders
was zij verloren.... Het Monster kwam al nader en nader....
En vier sterke mannen moesten hem in bedwang houden, dat hij niet in
zijn nachtgewaad weg zou ijlen naar buiten, om het Monster te
bevechten.
Toen hij eindelijk beter was, en weer op kon staan, was de dokter
verbaasd over zijn kalmte. Hij sprak heelemaal niet meer over de
nachtmerrie, die hem zoo benauwd had. Ook tegen Marcelio zeide hij
niets meer over de prinses. Er scheen een groote leegte in hem te zijn,
waardoor hij het vergeten was. Het was, of de hevige koortsen het beeld
van prinses Leliane hadden weggedrongen, ergens vèr achter, in
onbewustheden van zijn ziel.
Hij wilde enkel maar wèg uit Monte-Regina, en terug naar Leliënstad,
dat was het éénige, waar hij om vroeg.
Marcelio schrikte toen zijn vriendje afscheid bij hem kwam nemen. Wat
was hij bleek geworden, en wat een oudachtige trek was er om zijn mond
gekomen. Er was iets over Paulus, alsof hij nu niets meer hoopte of
verwachtte, en zóó maar het leven verder inging, overwonnen, verslagen
voor altijd. Hij had nog willen vragen, willen troosten, maar Paulus
uitte geen enkele klacht, en hij durfde niet het eerst beginnen over
wat de oorzaak van zijn ziekte was geweest. Toen redeneerde hij voor
zichzelf, dat het wel over zou gaan. De tijd, die goede tijd, die alles
op den duur toch wel geneest.... En hij begreep absoluut niet, wat het
voor Paulus geweest was, toen hij hem de aetherische prinses uit zijn
droomen had doen zien in de droeve realiteit van het leven, als een
Vrouw, een jonge, rijpe vrouw, naar wie de Man zijn roode, ruige handen
uitstrekt in bloedgierig begeer....