HOOFDSTUK IV.

Vóór hij naar Monte-Regina vertrok, had Paulus zijnen vriend Elias

verteld van het groote plan, dat hij volvoeren ging, om de hulp in te

roepen van de kroonprinses Leliane. Met gloeiend enthousiasme had hij

het alles aan Elias uit-gezegd, maar toen hij geëindigd had, zag hij

denzelfden medelijdenden glimlach, als vroeger bij Marcelio.

„Prachtig, dat plan van je!” had Elias uitgeroepen, „magnifiek! Zoo

iets voor in een roman in drie dikke deelen, of een groot spectakelstuk

met een apotheose aan het slot, en engelen met vlammende zwaarden, en

vooral veel bengaalsch vuur. Maar, kereltje, wat bezielt je, wil je nu

heusch, in déze tijden, een modernen don Quichotte gaan spelen? De

prinses zal je zien aankomen! Ze zal denken, dat je gek bent en je naar

een gesticht verwijzen. Maar, al woú ze nu eens doen wat jij haar af

komt smeeken.... want, ondanks de constitutie en de wetten, die haar

macht beperken, kan zij onnoemelijk veel doen, enkel door haar invloed,

als zij het initiatief maar neemt... al hàd ze nu eens dat groote hart,

dat jij in haar droomt, en ging ze al haar invloed eens ten goede

aanwenden... dan nóg zou ik dat eerder een nadeel, dan een zegen

vinden... onze partij zou haar tóch met al haar krachten bestrijden,

omdat het véél te gevaarlijk is, zooveel macht in één persoon

vertegenwoordigd... we wìllen geen verlicht despoot, al doet die nóg

zooveel goed... wie zegt ons, dat die macht morgen ook niet ten kwade

kan worden aangewend?... neen, hoor, je plan is ten eerste een

hersenschim, en ten tweede, àls het eens gelukte, een groot gevaar voor

onze partij...”

„Maar, als het nu de verdrukten en de misdeelden ten goede kwam?” had

Paulus verwonderd gevraagd.

„Dat dóet er niet toe,” was het antwoord geweest. „Het zou een enorme

slag zijn voor de partij, als één vorstelijk persoon het goede werk uit

haar handen nam.”

Paulus, in zijn eenvoud, had het niet begrepen, dat de partij vóór

alles ging, en de hulp aan de ellende in de tweede plaats zou komen, en

Elias had het hem niet uit kunnen leggen, zoodat zij bijna in onmin van

elkaar weg waren gegaan. Toch had Elias hem op het laatst nog de hand

gedrukt en hem gezegd:

„’t Is eigenlijk niet de moeite waard, om me zoo ongerust over te

maken. Je „heilige” zending loopt toch op niet uit, mannetje, en met

hangende pootjes zal je hier in Leliënstad terugkomen, dat is

onvermijdelijk. Laten eerst al die jonge, dolle buien van je maar eens

voorbijgaan, dan zal je later wel een kalm, bezadigd lid van onze

partij worden, daar twijfel ik niet aan. En kijk nog maar eens goed uit

je oogen in Monte-Regina, beste vriend! Het is daar een fraaie boel!”

Maar al de spot van Marcelio en van Elias hadden Paulus niet

ontmoedigd. Hij hield vast in zijn binnenste het onwrikbare geloof in

de genade en de piëteit van Leliane’s blanke ziel.

Ééns had hij haar gezien, toen zij met een groot gevolg het

Regina-Palace-Hôtel uittrad. Met engelen-gratie, als een licht

wonder-wezen uit hemelsche regionen, was zij, in een wuivend, wit

gewaad, zachtkens langs hem geschreden, waar hij, diep gebogen, aan den

ingang had gestaan. Haar reine, blauwe oogen hadden hem even aangezien,

en hij had zich voelen duizelen van aandoening, als zou hij straks weg

zwijmelen uit de werkelijkheid, waarin hij leefde, om óp te zweven tot

de ijle sfeer van háár droom. Het ruischen van haar gewaad was als

muziek over zijn ziel gegaan, en alle dingen lagen verheerlijkt, in een

zeer zacht licht.

Toen voelde hij, dat het wonder van liefde uit háár zou gebeuren, en

toen de stoet van haar gevolg voorbij was, had hij geknield, en den

grond gekust, dien haar heilige voeten hadden betreden.

In de altijd vóór hem lichtende hoop van haar eíndelijk te zien, liet

hij zich gewillig door Marcelio mede nemen, overal waar het dien

geliefde, hem te brengen.

Zóó had Marcelio hem ook medegetroond naar het groote restaurant van

het Hôtel „Hermitage”, waar keizers en koningen logeerden.

Een groot, luchtig paviljoen was het, in rein, glanzend wit, met hoog

plafond en hoog koepeldak, als van een kapel. De vensters in het rond,

als in een pavillon Louis Seize, met kleine deurtjes en kleine ruitjes,

elegant en coquet. Het lichte plafond had zijwanden, beschilderd met

engelen en minnegodjes, in vroolijke kleuren, en Cupidootjes en relief.

Aan den ronden muur, in plaats van gobelins, overal smalle, opstaande,

langwerpige spiegels. Roodbruin marmeren pilaren droegen het koepeldak.

Hier en daar stonden palmen in lichtblauwe potten, mooi in het witte en

blanke alom. Het dikke, roode tapijt dempte het geluid, en ondanks het

stemgerucht en het vorkgekletter, suisde toch een stemming van

plechtige stilte door de zaal.

Het binnenkomen, met de voetstappen geruischloos over het zachte

tapijt, in het gedempte, witte licht, met al het blank, en het goud van

dorures, opgewacht door buigende, correcte kellners, die plaatsen

aanwezen, met reverent gebaar, had al iets van de inleiding tot een

ceremonie.

Dan het zitten gaan, en het verschijnen van een dikken, dubbel-bekinden

ober, gewichtig, corpulent, met een breed, rond, mislukt

imperators-gezicht. De aanbieding van de spijskaart, als een heilig

document, het eerbiedig opnoemen van een paar exquise gerechten,

spécialités de la maison, het raadgeven omtrent wàt te nemen, serieus,

of er wònder wat van afhing, bescheiden, en toch met aandrang, of de

zorg voor de gasten dien kellner innig aan ’t hart ging. Dàn het bevel

geven tot het bestellen van al die verfijnde schotels, en het

terugtreden van den gewichtigen ober, overziende de zaal, als een

generaal het slagveld, dàn weer loopend heen en weder, en met één

allesomvattenden blik de tafeltjes inspecteerend. Overal zaten

correcte, gedistingeerde heeren uit de „high life”, in uniform, of

zwarten rok, of smoking, met glanzend overhemd en gefriseerd haar, de

scheiding fijn en zuiver getrokken, als een lijn op een ets. Dames,

gedécolleteerd, met blanke halzen, den sleep van haar rijke robes naast

haar stoel op het tapijt, in kant en zijde, met geschitter van

pailletten en edele steenen, waren als feeën aangezeten tusschen de

donker-zwarte figuren der heeren. De engelsche ladies waren hieronder

dadelijk te herkennen, met het koude, passielooze van orchideeën,

zonder geslacht, slank en rijzig, vergeestelijkt in haar smettelooze

blankheid, met het rood-en-goud geglans van haar coiffures, waarin

juweelen schitterden, als sterren in gulden avondhemel.

In dien blinkenden schijn van weelde, met al het wit, en het goud, en

het geschitter, leek het eten als een ritueel, bijna vroom. De kellners

droegen de schotels op, als kostbare geschenken, boden die eerst den

gasten ter goedkeuring aan, eer zij er in trancheerden, voorzichtig en

gewichtig, als een professor, die eene operatie gaat beginnen.

Toen weende een zachte, slepende walsmuziek op en Baldi’s

Zigeuner-orchest vervulde de stilte met zijn droomerige rythmen.

Vage essence-geuren van fijn wildbraad en teere bloeme-aromen zweefden

bijna onmerkbaar hier en daar in ’t rond, en verdroomden zich met het

bouquet van oude, lang bewaarde wijnen. En in die mengeling van

witte-en-gouden kleuren, en vage geuren, en teêre rythmen van

languissante muziek, leek alles te vergeestelijken, en een lichte roes

van verrukking steeg even op in Paulus’ hoofd, alsof deze glanzende

schijn nu werkelijk geluk was, en al deze dingen nu ook dingen van

goedheid waren, en van waarachtig schoon....

Hij voelde, hoe dat valsche, verleidelijke bien-être weer over hem

kwam, met dat laf verlangen om maar te berusten in alles, omdat er tòch

niets aan te doen was, met die vage troost, van zélf gelukkig geborgen

te zijn aan den warmen, veiligen, zonnigen kant van het groote onrecht.

Hij zag aan de wijze, waarop zijn aristocratische vriend na het diner

een fijne Havannah opstak, en met een glimlach den rook wegblies, dat

deze er zóó over dacht.

„Kijk eens,” zeide Marcelio opeens, „zie je dien kolossalen kerel, die

daar binnenkomt?.... Je kent hem zeker al, hè?... Dat is prins Sergius

Alexandrowitsch... Wat steekt hij uit boven de vrienden, die bij hem

zijn!...”

Onder de vele hooge gasten van koninklijken bloede in Monte-Regina was

ook een Moscovische prins, de jongste broeder van den keizer van

Moscovië, prins Sergius Alexandrowitsch. Paulus had dikwijls in

couranten over dezen prins gelezen, die in de geheele wereld bekend was

om zijn woestheid en zijn dapperheid... Hij was berucht om zijne

uitspattingen met vrouwen, en er gingen fabelachtige legenden omtrent

hem rond over nachtelijke festijnen, die aan de orgieën der romeinsche

keizers deden denken. Men fluisterde, dat de beruchte Leliënstadsche

danseuse Wanda de Rosario eens door hem met een millioen aan diamanten

betaald was voor één nacht van wellust. Hij was ook beroemd als een

hartstochtelijk jager. Eens, in de wilde wouden van Oost-Moscovië,

moest hij een beer, die hem, toen hij ongewapend was, overviel, met

zijn groote vuisten hebben geworgd.

Een Leliënstadsche journalist, die hem eens had mogen interviewen,

vertelde in zijn blad, hoe de prins hem had medegedeeld, dat hij zich

niet lekker voelde, als hij een dag had doorgebracht zonder dat hij een

of ander dier gedood had, al was het maar een vogeltje. Het jagen zat

hem in ’t bloed, had hij hem gezegd.

Door dat vele lezen over dien prins was Sergius Alexandrowitsch voor

Paulus een schrikbeeld geworden, een soort legendarisch monster, te

wreed, om eigenlijk anders te kunnen bestaan, dan in overgeleverde

verhalen. Hij las van groote drijfjachten, waarin op éen dag honderden

herten waren gedood, of meer dan duizend hazen, en in zijn oogen was

die woeste jager niets meer dan een wreede moordenaar van onschuldige,

zachtzinnige wezens.

Toen Marcelio en Paulus het restaurant uitgingen, moesten zij het

tafeltje van den prins voorbij, dat dicht bij den ingang stond.

„Denk er om, dat je hem diep groet,” waarschuwde Marcelio hem. „Ik heb

de eer gehad, aan hem te zijn voorgesteld. Hij is een prins van den

bloede.”—

Toen Marcelio het tafeltje voorbijging, maakte hij een diepe,

eerbiedige reverentie, zooals hij aan het hof zou doen voor een vorst,

maar Paulus was even recht blijven staan van schrik en had met groote

oogen naar den grooten, zwaren man gezien, die daar opeens zwart en

dreigend in zijn leven was verschenen.

Hij zag hem, als een donkeren, kwaadaardigen reus, véél grooter dan een

gewone groote man, met een breeden, bruten kop, de echte raskop van de

Moscovieten, die een nog maar weinige jaren wat beschaafd volk waren

van woeste barbaren. Zijn grooten, wreeden mond met bloedroode lippen

zag hij als een wonde uitkomend uit het dikke, borstelige haar van zijn

zware snor en langen baard.

Paulus voelde opééns, dat hij dien man daar haatte, en tegelijk bang

voor hem was. Hij stond even roerloos geslagen, vóór hij den prins

voorbij kon gaan, en voelde als een heel teêr, fijn vogeltje, als het

een wilde sperwer heeft gezien.

„Waarom groette je niet, toen je zag, dat ik boog?” vroeg Marcelio,

boos. „Wat moet Zijn Keizerlijke Hoogheid wel denken? Hij kent mij en

zag, dat je bij mij hoorde. Hij is toch prins Sergius Alexandrowitsch

van Moscovië! Hij komt in den laatsten tijd veel bij Haar Koninklijke

Hoogheid, die geparenteerd is aan het Moscovische Hof.”

„—Wàt?” zeide Paulus, verbluft. „Bij de kroonprinses Leliane?...

híj?... dat donkere, wreede mónster?... onmógelijk...”

En hij voelde een schrijnende pijn, dat dit wreede, dit bloeddorstige,

dat leefde van moord en wellust, in dezelfde atmosfeer zou mogen ademen

als het witte, het vlekkeloos onschuldige van de prinses, die uit de

gouden zonnestralen en de blanke waterlelies was gesproten.

„—Wel zéker, droomertje,” zeide Marcelio, en lachte even medelijdend.

„In de politiek zouden we met je ideeën niet ver komen; je moet niet

vergeten, dat hij de broeder is van Zijne Majesteit den Keizer van

Moscovië, en een van de rijkste prinsen van de wereld.”

„—Maar hij is een bruut, Marcelio, een laffe moordenaar van weerlooze

dieren!”

„—Neen, Paulus, láf is hij niet. Dat heeft hij in zijne worsteling met

den beer bewezen. Als er eens een oorlog kwam, zou hij een held zijn,

daar ben ik zéker van.”

„—Maar waarom schiet hij dan reeën en vogels en hazen? Dat is toch

moord, laffe moord op zachte, lieve beesten, die zich niet

verdedigen....”

„—Dat is sport, mijn beste jongen. Dat is heel wat anders. Edele sport

noemen we dat.”

„—Laffe, ellendige moord is het! En dan al die andere gruwelen, die van

hem bekend zijn, of is het niet waar, wat ze zeggen van zijn woeste

orgieën, zijn schanddaden met kinderen, zijn millioenen, weggesmeten

aan veile vrouwen?....”

„—Zeker is dat waar, Paulus. Maar je moet je eens in zíjn plaats

denken. Zoo’n halve barbaar nog eigenlijk, waar het wilde beestenbloed

in opbruist, en dan in ’t bezit van millioenen, en dan die verleiding

overal....”

„—Millioenen, waar duizenden en duizenden ellendige slaven voor zwoegen

in de mijnen.... de Moscovische keizers trekken toch bijna al hun

fortuin uit de mijnen, waar de gevangenen in moeten werken?.... en waar

duizenden onschuldigen onder zijn, wier éénige misdaad hun liefde voor

de vrijheid en voor hun medemenschen was.... daar leeft hij van, dat

monster!—Ja, een monster is het, Marcelio, een wreed, bloeddorstig

monster!.... Hij is niet waard denzelfden grond te betreden, waar

Leliane’s heilige voeten over zijn gegaan.... Zijn enkele

tegenwoordigheid bezoedelt haar toch al....”

Marcelio wilde nog iets antwoorden, maar opeens bedacht hij zich, toen

hij zag, hoe rood Paulus was geworden van verontwaardiging en

opgewondenheid.

Zóó, als die „Hermitage”, in anderen uiterlijken vorm, maar op

hetzelfde effect berekend, waren er nog tientallen van restaurants in

Monte-Regina, de groote Grill-Room van het café des Lys, de

restauratie-zaal van het Grand-Hôtel, van de Métropole, en vooral het

kleine, intieme zaaltje van Xiro, waar grootvorsten en prinsen kwamen

met grandes cocottes. Overal was het dezelfde oogen-bedwelming door

kleur en glans, het begeleiden van het eet-ritueel door langoureuse

muziek, de vergulding van den uiterlijken glorieschijn om wat niets

anders was dan de voldoening van het Beest. En Paulus voelde intuïtief,

dat het genot van al die schitteringen, die tot het uiterste opgevoerde

verfijning van exquise gerechten, als waren het kunstwerken, door

culinaire artiesten gecreëerd, voor die menschen nog werd verhoogd door

het aanbieden van de „addition,” waarop met rooverachtige

onbeschaamdheid de meest exorbitante prijzen waren genoteerd.

Zóó als sommige fanatieke kerkvaders hadden gezegd, dat de zaligheden

van het paradijs nog werden verhoogd door het neerzien op de

pijnigingen der zondaars in de hel, zóó was misschien voor die

correcte, met wèlgevulde portefeuilles voorziene smullers, in die

peperdure restaurants, de idee, dat er op het oogenblik, dat zij zich

te goed deden, honderdduizenden waren, die leefden in ellende van

honger en gebrek. En zij allen, zij wisten, of kónden weten, welk een

arbeidsprestatie het geld vertegenwoordigde, dat zij hier moedwillig

verspilden. Met één, nog niet eens zoo bijzonder fijn diner aan een

paar vrienden, smeten zij roekeloos een bedrag weg, waar een

afgejakkerde werkman een geheel jaar lang voor zwoegde in

menschonteerenden arbeid, vèr van het zonlicht, diep in muffe mijnen,

of in verpeste fabrieken. En voor één nacht van wellust met een veile

vrouw uit de „haute demi-monde” werd een som betaald, waarvan honderd

gezinnen een jaar lang in welvaart konden bestaan.

Paulus voelde, dat hij dit leven nog maar héél kort zou kunnen

uithouden, en dat hij zijn aan Marcelio gegeven woord zou moeten

breken, als hij hem nu niet spoedig de vergunning bracht voor de zoo

vurig verlangde audiëntie bij prinses Leliane. Want hij voelde met de

dagen een woede in zich opkomen, die hij moeite had, om te bedwingen.

Somtijds, als hij Marcelio lang gezelschap had gehouden in zoo’n

restaurant, beving hem opeens als een dolle razernij, en kreeg hij een

onweêrstaanbaren lust, om alles in ’t rond kort en klein te slaan, om

de omzittende, rijke patsers op hun impassibele tronies te trommelen,

en het hun toe te schreeuwen, uit al de kracht van zijn longen, hoe zij

allen leefden van het bloed en het zweet hunner medemenschen,

lafhartige, domme, wreede parasieten als zij waren van de verdorven

maatschappij van onrecht en goddeloosheid.

Het irriteerde hem elken dag meer en meer tot een staat van

overprikkelde nervositeit, dat correcte, ongevoelige gedoe van al die

kerels en vrouwen in hun mooie plunje, die daar in één maal voor

honderden zaten te verzwelgen, en dit waarschijnlijk hun heele leven

zoo dóór zouden doen, of er geen ellende en onrecht bestonden. Die

kerels, met hun verwijfde airs, hun gesoigneerde handen, die nooit

arbeid hadden gekend, hun met fijne essences doortrokken haren; die

vrouwen, die met duizenden en duizenden aan paarlen en diamanten waren

omhangen en bespeld, met haar geverfde en bepoederde gezichten, haar

coquetterie en wulpsch geknoei met wat het heiligste in haar moest

zijn!

Toen dit leven met Marcelio zoo een paar dagen had geduurd, werd zelfs

de schijn van glorie óók hoe langer hoe fletser, het leelijke en bête

brak door al die voorname, in valsche plooi getrokken gezichten heen,

en uit het pseudo-eerbiedige en voorkomende van al de lakeien en

keurige kellners kwam het ploertige en laag-slaafsche te voorschijn.

Eindelijk, op een avond, na het diner, verraste Marcelio hem met een

blijde tijding.

„Als je morgen ochtend vroeg in de speelzaal komt,” zeide hij, „zal je

me daar vinden, en dan heb ik misschien groot nieuws voor je. Ik heb er

nu mijne tante, de hertogin Marcelia, voorgespannen, en je weet, die

heeft veel invloed op Haar Koninklijke Hoogheid. Ik kom tegen elf uur

van haar af, en zal dan even in de speelzaal aanloopen, om je te

vinden. O ja, dat moet je óók vooral eens gaan zien, die opening van de

speelzaal ’s morgens. Dat is heel merkwaardig. En dan heb je weer iets,

om je eens flink te ergeren...”

Den volgenden morgen was Paulus al vroeg in het Casino. Het was kwart

vóór elven.

Het groote Atrium van het Casino lag in het gedempte, gouden

morgen-licht, dat door den hoogen koepel zeefde. Met zijn marmeren

Corinthische zuilen, zijn hooge gaanderijen en het donker-gulden licht

leek het een tempel vol wijding, waar straks de eeredienst zou

beginnen. Straks zou óp-galmen een ongezien koor van kuische knapen,

ópjubelend door de gewelven...

En tóch was dit de Vóór-Hal van de luxueuse paleis-zalen, die niets dan

speelholen waren.

Vóór de drie deuren, die naar de zalen leidden, was een dichte menigte

bezig queue te maken.

Dociel, als lammeren, stonden zij daar, gehoorzaam in de rij, met

zenuwachtige gezichten, in hun elegante kleêren, toch als armen,

wachtend op de bedeeling. Suppoosten in blauwe jassen met gouden

knoopen waakten bij de deur.

Straks, om tien minuten vóór elven, moesten de deuren opengaan, en

mochten die menschen binnen, die daar stonden te reikhalzen in grooten

honger, in honger naar het goud. Ze hadden iets van beesten, wachtend

op de voedering. Zóó hadden ze al langer dan een half uur gestaan,

mannetje voor mannetje, vrouwtje voor vrouwtje, als kleine kinderen,

die iets krijgen moeten. Er waren er, die stampvoetten, en zenuwachtig

trokken met hun in spanning verwrongen gezichten.

Klein en miserabel was hun gedoe in het heilige, zacht-gouden licht...

Totdat opeens de deuren opengingen.

Nú was het decorum van zooeven verbroken. Als losgelaten runderen

holden die menschen de zaal in, grof en onbehouwen. Ze vlogen af op de

groene tafels, verdrongen elkaar, vochten bijna, om een stoel te

krijgen. In een ommezien waren alle zetels bezet, als gold het hier een

maal van uitgehongerden na een beleg.

Dán zaten ze weer gehoorzaam als kinderen in een school,

knusjes-gezellig om één tafel, waaraan ze samen hopen te smullen, en

waaraan ze toch wiskunstig-zéker allen geplunderd zouden worden.

Kalmpjes-langzaam, zonder haast, ordenden de croupiers hun rolletjes

goud en zilver en hun stapeltjes bankpapier.

Precies om elf uur ging hun eentonig geroep op: „Messieurs, faites vos

jeux!”

Ieder mannetje, ieder vrouwtje zette zijn goudstuk, zijn zilverstuk,

een enkele zijn biljet op een nummertje, of een vak. Het leek

onschuldig, als een avondpartijtje, waar de kinderen om een lange tafel

aan ’t ganzeborden gaan. Maar Paulus wist, dat het hier ging om ’t

bloed en ’t zweet van duizenden arbeiders, wier arbeidskrachten in dat

schandelijke goud vertegenwoordigd waren. Die rijkgekleede dames en

heeren, schijnbaar correct en fatsoenlijk, speelden hier met de misère

en den honger en de langzame uitmoording van duizenden slaven en

sloven, die de productie voor hen moesten voortbrengen in kommer en

gebrek.

Dáár knetterde het ivoren balletje in de langzaam-draaiende roulette.

De roode gezichten volgden in spanning het kleine, witte, ratelende

knikkertje, of hun leven er van afhing. Onverschillig riep de croupier

met zijn monotone stem:

„Treize! Noir, impair et manque!”

En het onzalige spel met duizenden en duizenden ging door, terwijl daar

ginds, ver, in vele streken, over de gansche wereld armoê en gebrek

woedden, en de proletariër vocht om zijn levensbehoud, voor zijn vrouw

en kinderen, met den honger als wapen...

Een bittere verontwaardiging welde in Paulus op. O! Het onrecht! Het

onrecht! Overal triomfeerde het onrecht, en onder het masker van

godsdienst en vaderland en welgeordende maatschappij leefde de

minderheid, koud en onbewogen, met een stalen moordenaars-cynisme van

het bloed en zweet der zwoegende massa’s.

Alléén in dit ééne, kleine plaatsje, Monte-Regina, werden voor

honderden millioenen verspild en verbrast, in louter roekeloosheid,

door hartelooze désoeuvrés en schaamtelooze patsers, millioenen, waar

zoo onnoemelijk veel goeds en edels kon worden gedaan, om te lenigen

den nood der misdeelden.

Het was, alsof er in de wereld té veel rijkdom was, of de welvaart en

de weelde er geen uitweg konden vinden, en alsof dáárom dit

Monte-Regina moest bestaan, om de overtollige luxe in te ledigen. Uit

alle oorden van de wereld kwamen hier de rijken samengestroomd met hun

geld, om het te vermorsen in kinderachtig spel en bont banket, alsof er

anders geen uitweg was voor al die luxe, die toch érgens moest blijven.

O! Als ze het niet konden weten, als het enkel maar onbenullige domheid

was, dàn ware het nog wel onrecht, doch tóch nog te vergeven, omdat zij

niet wisten wat zij deden, maar al die duizenden wreedaards hier, zij

wísten en kónden weten; overal, over de geheele wereld waren boeken

geschreven; om het hun uit te leggen, waren edele mannen opgestaan, die

het hun hadden gepredikt, hoe zij leefden van diefstal en onrecht en

langzamen, gruwbaren moord. Zij wísten, zij allen wísten, en tóch

liepen zij, koud en onbewogen, in hun rijke kleederen, met paarlen en

diamanten omhangen, en vraten zich zat aan dure spijzen, met goud

betaald, en dronken zich een roes aan kostbare wijnen en zwelgden weg

in wellust met veile vrouwen, die zij kochten met hun uit onrecht

verworven geld. En zij allen noemden zich Christenen, en waagden het,

Gods heiligen naam aan te roepen in de kerken, en Gods zegen af te

smeeken over hun onwaardig bestaan.—Om mogelijk te maken deze

opeenhooping van weelde en overdaad, hier in dit kleine Monte-Regina,

waren nu duizenden, honderdduizenden ongelukkige, onbewuste arbeiders

bezig, hun leven te vernietigen in donkere, vunzige mijnschachten, in

van giftige dampen doortrokken, fabrieken, in benauwde, rottende

riolen, of sjouwend onder zware lasten, afgejakkerd als ellendige

beesten in de felle koude, of in de brandende zon. Alles wat die rijke

nietsdoeners aan hadden was door zwoegende medemenschen voor luttel

hongerloon vervaardigd, hun hoeden, hun schoenen, de stof voor hun

kleeren, hun ondergoed, de kanten, die zij aanhadden, de diamanten, die

zij droegen, en er was niets om en aan hen, wat niet uit het zweet van

arbeiders was gemaakt en uit den grond was voortgekomen, dien God aan

allen had gegeven. En zij droegen dit alles met een air van

superioriteit, of de eminentie van hun ziel er hun het recht toe had

gegeven, enkel, omdat zij zóó in het groote onrecht van de maatschappij

waren geplaatst, meest door het bloote toeval van geboorte, of erfenis,

of geluk, dat zíj aan den glanzenden, gouden kant stonden, waar het

geld naar toe was gevloeid. Hoe meer weelde zij aan hun lijf hadden,

hoe meer onrecht zij dus met zich omdroegen, des te uitmuntender

menschen werden zij gevonden. Een Engelsche prins, die voor één hoed

van fijn Panama-stroo in de beroemde magazijnen van Léoni vierduizend

francs had betaald, zag deze heldendaad, waar zooveel bloed en zweet

van arbeidskrachten door werd vertegenwoordigd, in alle

Monte-Reginasche bladen vermeld, en voor eene Leliënstadsche danseuse,

die, door het verkoopen van haar lijf tot veilen wellust, zich een

onschatbaar fortuin had verworven, ging iedereen in de speelzalen

eerbiedig op zij, omhangen als zij was door de millioenen waarde van

haar beroemde diamanten.

Dit alles bedacht Paulus, toen hij in de speelzaal heen en weer liep,

wachtende op Marcelio, die maar niet kwam. Het werd al voller en

voller, een uur verliep, en nóg was hij niet gekomen. Een drukkende

warmte begon in de zaal te broeien, een lucht van verhitte menschen,

vermengd met geuren van odeur en parfum. Paulus voelde zich benauwd

worden, en vond het beter, even wat naar buiten te gaan in de heerlijk

zoele zuiderlucht, om wat ruim adem te halen. Over een half uurtje zou

hij dan nog wel eens komen kijken, of Marcelio er nog niet was.

Op het weelderige terras aan den zeekant, achter het Casino, ging hij

op een bankje zitten.

Beneden lag een groen grasveld, als voor tennisspel. De zee was

eindeloos ver, spiegelend in het zachte zonlicht, rustig en egaal,

zonder rimpeling. Links naar den horizon wenkten verre omtrekken van

bergen, zacht als in een droom. Op luchtige wuiving bewogen nu en dan

héél even de stille palmen en varens, hier en daar verspreid, en trilde

de puntige kruin van een cypres. Alles was zomersche zoelte, en

tevredenheid, en rustig geluk.

En Paulus voelde al het leelijke van zooeven weer van zijn ziel

wègglijden. O! Hoe innig waren die lijnen van de bergen daar in de

verte, hoe gevoelig stonden daar die boomen, èven wuivende somtijds op

zachten wind, hoe eerlijk spreidde zoo’n veêren varen haar pracht

ganschelijk uit, hoe plechtig wezen de wijze cypressen ten hemel! En,

weg uit de benauwing van al die verhitte menschen, opgesloten tusschen

vier muren, was het hem, of zijn ziel zich langzaam, wijd uitbreidde

over de eindelooze zee.

Plotseling werd zijn stille mijmering afgebroken door een knal.

Eerst begreep hij niet goed, schrikte, dacht aan een ongeluk. Hij keek,

en keek.... Eindelijk zag hij iets. Dáár, in de verte, op het groene

grasveld, trilde en fladderde iets op den grond. Een groote, bruine

jachthond holde aan, apporteerde iets van den grond, droeg het weg in

zijn bek.

Nu zag hij op het veld, op afstanden van elkaar, vijf kleine, zwarte

vallen, als voor vogels.

Één val ging open. Een vogel vloog er uit, een duif. Fladderde op,

eerst verblind nog, uit het donker in dat plotselinge licht gekomen,

vloog dàn weg, blij, om vrij te zijn in de mooie, blauwe, zonnige

lucht.

Pang! Pang! Twee schoten. Het beestje viel, bleef liggen, angstig

slaande met de vlerkjes.

De groote hond rende aan, rook even, pakte het spartelend vogeltje in

zijn bek, holde weer weg.

Een nieuwe val open, een ander beestje, gelukkig met al die vrijheid,

in al dat gouden licht. Daar vloog het, wit tegen het blauw, een blank

gelukje, omhoog....

Pang! Pang!

En klagelijk viel een bloedig lijkje neer. De groote hond holde aan,

met opengesperden muil....

Om het grasperk stonden heeren en dames te kijken, dronken champagne,

aten gebak en vruchten aan tafeltjes, lachten, hadden plezier,

applaudisseerden de laffe moordenaars, die de mooie, weerlooze duiven

schoten, uit pure pret in bloed en dood....

En Paulus, met een schok van woede en verontwaardiging. Dit moest dan

zijn de beroemde Tir aux Pigeons van Monte-Regina, de vogel-moord op

groote schaal, waaraan de hooge adel deelnam, de fine fleur van de

aristocratie, en waarvoor ze wedstrijden organiseerden, met prijzen van

honderdduizend francs, voor wie de meeste koelbloedige moorden had

gedaan....

Het roekelooze spel met duizenden en duizenden aan goud was niet

genoeg, en de dure demi-mondaines niet, en de met goud betaalde

pasteien niet, en niet de dolle wedloopen met halfdood gemartelde

paarden....

Want nú zag hij hier de ijdele désoeuvrés, de pratte poenen van

lediggang en parasitisme, zich laffelijk amuseerend met bloedigen moord

op onnoozele duiven, waarvan er honderden vielen, tot hún leeg vermaak

op éénen dag....

Pang! Pang! knalden de schoten, onverbiddelijk, zonder ophouden. De

witte duiven vlogen op, de een na de ander, en wiekten weg naar de

lichte lucht, en vielen jammerlijk neer, bloedend en des doods, waar

een roode muil met scherpe tanden dreigend werd opengesperd, ze

wachtte....

En opeens hoorde Paulus weer het innig „roekoerekoe” van de houtduif in

het bosch, neigend en neigend in liefde voor zijn wijfje.

Hij voelde een groote wanhoop over zich neerkomen, de tranen

verduisterden zijn oogen, en met het hoofd op de armen snikte hij

hartstochtelijk uit, terwijl beneden de geweerschoten onmeedoogend

dóórknalden, en de duiven een voor een neêrdaalden ten droeven dood.

„Kom! kom!” zeide een vriendelijke stem achter hem, „wat is er nú weer,

mijn brave? Kan ik je helpen?”

Paulus schrikte op.

Marcelio stond achter de bank, en klopte hem bemoedigend op den

schouder. Zijn heldere oogen keken hem vriendelijk, maar toch een

beetje medelijdend aan.

Paulus greep hem krampachtig bij den arm.

„Zie je dat dáár!” riep hij, verontwaardigd, door zijn snikken heen.

„De ellendelingen! De lafaards! Daar vermoorden ze de arme, mooie,

witte duiven, die hun niets hebben gedaan! Je moet die lieve vogels

zien, Marcelio, in het bosch, hoe gelukkig ze daar zijn, hoe lief ze

spelen, hoe ze buigen en trippelen, en elkaar het hof maken, als

gracieuse riddertjes en edelvrouwen.... kijk, daar vallen ze, hun witte

veertjes vol bloed, en dan zien hun brekende oogjes de roode,

opengesperde muil van dien grooten hond.... o! de lafaards, Marcelio,

de lafaards!.... ze doen daar wreeden, laffen moord, als een spelletje,

als een gewoon spelletje, voor tijdverdrijf!....”

„—Kom, kerel,” zei Marcelio lachend. „Nog altijd zoo week?.... Maar dat

is sport, wat ze daar doen, edele sport, en die duiven worden er expres

voor gefokt.... als die sport er niet was, hadden ze heelemaal niet

geleefd.... Het is vandaag Tir aux Pigeons om den Grand Prix.... de

fine fleur van de aristocratie doet er aan mee.... prins Sergius is er

ook bij, die wel weer zal winnen.... hij doet hors de concours mee,

omdat hij tóch altijd wint.... en vanmiddag komt Haar Koninklijke

Hoogheid, prinses Leliane, den wedstrijd even met haar bezoek

vereeren....”

Bij het hooren van háár gezegenden naam was Paulus opeens den jammer

vergeten. Hij herinnerde zich, dat Marcelio eigenlijk was gekomen, om

hem antwoord te brengen op zijn smeekschrift aan Háár. Zelfs het wreede

van háár bezoek bij dien bloedigen moord van duiven ontging hem.

Hij hief zijn betraand gezicht tot Marcelio op, en een glans van

hoopvolle verwachting bracht er een zacht licht over, als een

doorbrekende zon doet door een regenlucht.

„Heeft Haar Koninklijke Hoogheid....?” vroeg hij, stotterend.

„—Wees nu maar eens héél gelukkig!” zeide Marcelio lachend. „Het heeft

Haar Koninklijke Hoogheid behaagd, toestemmend op je smeekschrift te

beschikken. Ze zal je audiëntie verleenen. En héél alleen nog wel. Ze

zal dat wel gedaan hebben, omdat ze vreest, dat je over haar verdwalen

in ’t Bosch zult spreken, waar niemand iets van weten mag. Er zal niet

eens een hofdame bij zijn. Ze hebben er veel moeite voor moeten doen.

Je moogt wèl dankbaar zijn aan mijne tante, de hertogin Marcelia, die

al haar invloed er voor heeft gebruikt!”

Paulus was bleek geworden van ontroering. De groote blijdschap bracht

tranen in zijn oogen. O! Eindelijk dan! Eindelijk! Nu zou álles dan

toch goed worden! Zij zou de handen zegenend uitspreiden boven haar

arm, lijdend volk, zij zou met haar zoete stem de woorden spreken van

wijsheid en chariteit, en het wonder zou geschieden. Als zíj voorging

in liefde zou niemand durven achterblijven.

„En.... wanneer?....” stotterde hij.

„—Héél gauw.... morgen al.... om twee uur morgen middag word je

verwacht, in de Vóór-hal, vóór haar apartementen in het

Regina-Palace.... ik zelf heb morgen dienst en zal je binnenleiden....

dénk er nu om, dat je kalm blijft en vóór alles om de etiquette

denkt.... je bent nú niet meer in het Bosch met haar, en staat

tegenover je aanstaande koningin....”

„—Morgen al?.... morgen al?” riep Paulus jubelend uit.

Hij was alles vergeten, het menschonteerende tooneel in het atrium, den

afschuwelijken moord op de duiven, alles. Hij wist nu nog maar alléén,

dat hij morgen prinses Leliane zou zien, en dat dan alles goed zou

worden, door het wonder van haar koninklijke wezen, dat liefde was en

mededoogen.

Leliënstad · 第 5 / 16 题