Nu waren maanden en maanden daarna verloopen....
Toen Paulus eenmaal terug was in Leliënstad begreep hij, dat er nu een
groote verandering in zijn bestaan moest komen. Hij kon zóó niet meer
blijven doorleven, als vroeger, op kosten van de prinses.... In ’t
begin, nauwelijks beseffende wat geld eigenlijk was, had hij er nooit
over gedacht, wat het beteekende, het van een ander aan te nemen, en
alles, wat van de prinses kwam, had hij voor bijna heilig gehouden.
Maar nu, na zijne bittere teleurstelling, voelde hij, dat hij niets
meer van haar zou kunnen aannemen, en schaamde hij zich, ooit van háár
aalmoes te hebben geleefd. Hij begreep, dat hij probeeren moest, van de
opbrengst van eigen arbeid te leven. Maar wàt kon hij doen, dat loon
waard was?
Toen herinnerde hij zich, dat Marcelio hem altijd gevraagd had, waarom
hij niet schreef, of zijn verzen van vroeger, uit het Bosch, niet wilde
uitgeven. Hoe dikwijls had hij al niet den drang in zich gevoeld, te
gaan schrijven van zijn heerlijke eenzaamheid, vroeger, in het Bosch,
van zijn jonge, mooie droomen, als hij, hoog in den top van een boom
naar de sterren staarde, of van de sprookjes van toen hij klein was,
die Willebrordus en de oude Mareta hem hadden verteld! Maar nooit was
hij er toe gekomen. Het leek hem zoo onbestaanbaar dat alles, in het
lawaaiende leven van de stad. Het was iets, om heel zorgvuldig te
bewaren, veilig achter in je ziel, er nooit iemand iets van te zeggen,
een licht geheim, dat je stilletjes met je omdraagt van binnen, door de
duistere menschen heen. En bijna alles, wat de Leliënstadsche
literatuur van tegenwoordig uitmaakte, voelde hij er vijandig aan.—
Als hij het nu tóch eens doen ging, en het uitgaf, in een boek? Dan zou
hij misschien genoeg verdienen, om eenvoudig te leven, en was hij
onafhankelijk van de prinses. Hij zou dan een andere kamer huren, zoo
goedkoop, als maar te vinden was, en zoo sober mogelijk zijn in zijne
uitgaven voor voeding en kleeding. Het leven zóó, onder de hoede van
Marcelio, was hem tóch al lang gaan tegenstaan door de weelderigheid
die om hem heen bleef, al was híj altijd matig geweest in eten en
drinken.
Den volgenden morgen vertelde hij aan Elias zijn plan, om zich aan de
literatuur te wijden, en voortaan, zooals men dat noemde, van zijn pen
te leven. Hij zou dan geen geld meer behoeven aan te nemen, dat van
prinses Leliane kwam, en eerlijk zijn eigen brood kunnen verdienen.
Maar Elias was er lang niet zoo enthousiast over, als hij wel verwacht
had.
„Zóó zóó,” zeide hij, „wou jij in de literatuur gaan, baasje? Dan kom
je in een maatschappijtje apart, maar heusch niet mooier en beter dan
de gewone maatschappij hoor! Dat moet je vooral niet denken. Die heeren
artiesten, die heeten te leven in de sfeer van de verhevenste en
goddelijkste dingen der wereld, zijn heusch niet zooveel beter dan de
gewone bourgeois, en au fond komt al hun gedoe op hetzelfde neer. Mooie
schilderijen maken, mooie boeken schrijven,—o jee!—met het beste uit
hun ziel er in, als het kan. Prachtig! Maar die dan toch zoo duur
mogelijk verkoopen, zooals handelslui hun artikelen, om dan later óók
een weelderig huis te kunnen hebben, met véél luxe, en lekker te kunnen
eten, en geëerd en beroemd te zijn, en een lintje te krijgen in hun
knoopsgat. Denk eens aan den schilder van de armoede, Larivois, en de
dichteres Dolorosa! Hun eigen ik-je is dan het artikel, waarin zij doen
in plaats van koffie, of thee, of tabak, sóms ook wel het zoogenaamde
medelijden met de verdrukten; en de concurrentie bestrijden zij met
even veel unfaire middelen als de anderen, hoor! Er is nijd, er is
jaloezie, er is laster, even fel, als in de bourgeois-maatschappij,
misschien nóg wel een tikje venijniger. Zoo, beste Paulus, wou jij in
je eigen Ik-heidje gaan doen? En dacht je, dat je dat op den duur kon
volhouden, zonder het artikel te vervalschen? Ik vréés er voor....”
„—Maar, Elias, wat bèn je weer scherp. Je weet toch wel, dat ik altijd
zuiver zou blijven.—Ik vind het juist heel mooi, het innigste van je
ziel uit te zeggen, en dat den menschen te geven....”
„—Te géven, Paulus?.... ja, dat zou ik óók wel mooi vinden.... als het
werkelijk te geven wás.... Maar dat ís niet zoo. Het is te verkoopen,
en wel aan een klein deel van de menschheid alleen, dat het geld er
voor betalen kan....”
„—Maar het is toch véél beter, dan geld aan te nemen, waar ik niets
voor doe, zooals nú... het geld van de prinses, dat mij nu verder zou
bránden in mijn handen...”
„—Dát is het, Paulus... maar vergeet dan niet, dat je van twee kwaden
het minst erge kiest, wat dan nog lang niet het goede is... al is het
een groote vooruitgang voor je, als je heelemaal los bent van de
weldaden van het hof, en voor je eigen onderhoud kunt zorgen... met wat
je verdient; áls je wat verdient, kan je blijven bestaan en verder
studeeren in wat je studeeren wilt... en als je de kerel wordt, die ik
hoop, dat je zúlt worden, dan eindig je tóch met je nuttig te maken
voor onze partij... daar ontkóm je op den langen duur toch niet aan...
maar dan moet je heelemaal áfleeren dat droomen, en véél studeeren,
altijd door studeeren, om te komen tot de nuchtere werkelijkheid der
dingen, die wíj durven aanzien... Dan zal je ook zien, hoe weinig je
eigen, misschien heel mooie, maar toch onreëele droomen beteekenen bij
het universeele leed van de menschheid, bij den ontzaglijk hoogen ernst
van deze tijden, en de geweldige wereld-dingen, die te gebeuren
staan... je wordt pas een ménsch, Paulus, als je je eigen Ik-je
heelemaal daarbij kunt wegcijferen...”
Maar Paulus begreep zijn vriend nog niet goed. Hij was alleen blij, dat
Elias hem voorloopig gelijk gaf, en het óók beter vond, met schrijven
zijn geld te verdienen, dan het als een gift te blijven aannemen van de
prinses.
Een paar dagen weifelde hij nog. Zou hij het wel kúnnen doen? Het
heiligste, wat hij nog gaaf over had, na zijn verschrikkelijke
teleurstelling over de prinses, en dat hij als een lief geheim binnen
in zich bewaarde, de heerlijke herinneringen aan zijn leven in het
Bosch, nu vóór te zetten aan de duistere menschen van de stad, en het
te verkoopen, voor wat geld, om te kunnen leven!
Hij kón er in ’t eerst maar niet toe komen... Maar waar zou hij dan van
moeten leven later? Altijd maar dat koninklijke geld van de prinses
aannemen, als een aalmoes? Toen voelde hij, dat hij het doen moést, en
zette hij zich aan den arbeid.
Het was een teêr en heel pijnlijk werk, al dat lieve uit zijn ziel
voorzichtig naar buiten te brengen, en te bewaren in zachte, broze
woorden. Het was zóó fijn alles, en uit zoo’n ijle sfeer gekomen, dat
hij ieder oogenblik bang was, het te breken, als het rythme te brusk
leek, of de klank te hard. Hij schreef het in de stilte neêr, of hij
het aan zichzelf vertelde, en niemand behoefde het te hooren, dan hij,
in de heilige stemming, die over hem kwam, als hij zich terugdacht in
het Bosch. De vrije vogels zongen in zijn boek, de bladeren ruischten,
de hooge kruinen stonden zachtjes te wuiven tegen den hemel vol
sterren. En de witte waterlelies lagen roerloos op den vlakken vijver,
door geen rimpeling verstoord.
Als hij dan, moe van ’t schrijven, buiten kwam, om zich door een
wandeling wat beweging te geven, schrikte hij van wat hij doen ging.
Dan zag hij de harde gezichten van de menschen, hun breed gebaar, en
den hoon in hunne oogen. Het brute, bruyante stads-lawaai kwam brutaal
over de stille stemming van zijn ziel. Al het teedere leek hier weg, in
die drukke straten, en de mooie, zachte dingen, die hij in zijn boek
gezegd had, leken onbestaanbaar in dit grof gedoe. Als het eenmaal
onder die donkere, onbehouwen menschen kwam, zouden ze het begichelen
en bekwijlen en vermorselen van louter kwaadaardigheid. Hij zag een
troepje menschen voor een grooten boekwinkel staan. Er lagen allerlei
boeken, en fotografieën, en gravures van naakte vrouwen in wellustige
houdingen. Hij keek naar de gezichten van al die menschen, die er naar
zagen. Hard, en onverschillig, koud, of brutaal waren ze. Zóó zouden ze
kijken, als zíjn boek daar in de vitrine lag, met het liefste en
teederste uit zijn ziel er in. En iedereen zou het kunnen koopen voor
wat geld, en er over lachen met hoonenden, schennenden lach.
Dan kreeg hij wel eens eene opwelling, om gauw naar zijn kamer terug te
loopen en alles te verscheuren, dat niemand het ooit ontwijden kon.
Maar als hij dan later thuis weer voor zijn tafel zat, en de zinnen
vanzelf op het papier stonden, zóó dat hij van den klank en het rythme
genoot, vond hij weer een groot geluk in zijn schrijven. Totnutoe had
hij al het mooie onbewust ondergaan, nú werd het hem bewust, hoé en
waarom iets mooi was, en hoe hij het uiten kon, zóó, dat de emotie er
zuiver door bewaard bleef. Buiten hoorde hij soms èven vaag het groote
stads-leven nog druischen, maar in zijn ziel werd het plechtig stil, en
zijne woorden rezen er van zélf uit op, als bloemen uit den grond.
En hij schreef een sprookje, dat de oude Mareta hem eens verteld had,
van een bloemen-prins en een sterren-fee, die elkaar liefhadden, en
elkaar nooit konden krijgen, tot ze van liefde stierven, omdat zij niet
langer konden leven zonder elkaar. Om die teêre idylle heen was de
omgeving van het bosch met zijn boomen en bloemen, en den eindeloozen
hemel met de tallooze sterren en de maan. En al die bloemen en al die
sterren wisten van de ongelukkige liefde der twee en konden spreken en
klaagden er over, in weenende klanken van melodieuse reien, die het
noodlot der gelieven bezongen.
Als Paulus dan wel eens de nieuwe boeken las, die uitkwamen, meestal
over echtbreuken, en huwelijksbedrog, en sensueele schande-dingen, in
de keurige, precieuse woordkunst-taal, die toen in de mode was, dan
voelde hij wel eens angst, dat hij niet schrijven kon, en zijn werk,
vergeleken dáármede, maar kinderachtig was. Die kunstige
woord-combinaties, die onverwachte wendingen, die handige manier om
lang-ademende zinnen van gehééle bladzijden aaneen te smeden! En híj
met zijn heel eenvoudige, onversierde taal, die juist zóó was, als zijn
gevoel noodig had, om zich naar buiten te uiten!
Zijn sprookje leek hem dan onder al die keurig geschreven boeken met
hun verdorven inhoud als een heel eenvoudig, arm landmeisje onder een
troep wèlgekleede, gedegenereerde menschen. Hoe zouden zij lachen om
dat simpele, naïeve kind, en het voor den gek houden, en er zich
vroolijk over maken! Het wist niets van decadentie en degeneratie,
niets van echtbreuk en vuiligheid en trouweloosheid, en het kende zelfs
niet eens hartstocht, dan bij vaag voorgevoel. Het wist alleen maar van
de zachte, vrome adoratie, en het smachtend, kuisch verlangen van een
bloemen-prins naar een verre sterren-fee, van droomende boomen aan
stille vijvers, waar de witte water-lelies haar blanke bladen
ontvouwden, in groote eerwaardigheid. En er kwamen niet eens groote,
verstandige menschen in zijn sprookje voor, alleen maar elfen, en
kabouters, en dwaallichtjes, en geesten van bloemen en sterren. Als hij
aan ’t schrijven was, eenzaam in zijn kamertje, aandachtig over zijn
manuscript gebogen, was al het andere leven van buiten als een booze
droom, en voelde hij zich somtijds zóó reëel terug in het Bosch, dat
hij de sensatie kreeg, of hij jong eikenloof rook, en den zoeten geur
der linde, en de bedwelming van meidoorn en seringen. En het was hem,
of hij weer in de toppen zat der hooge beuken, en hijzelf de prins was,
die daar, hoog in ’t groen, zat te verlangen, o! zoo innig met zacht
bidden van zijne gansche ziel, naar de vage, verre sterrenfee, die hem
zegende met haar wondere, goudenen stralen. Dan voelde hij: „dít is
mijn eigen, innigste leven, dít ben ik, en niemand anders, en alles wat
nog meer gebeurt, buiten deze teêre sfeer, waarin ik nu leef, is leege
schijn en waan, en kan mijn binnenste niet raken.”
En omdat hij in zijn jeugd zoo jaren en jaren lang heel alleen met zijn
ziel geleefd had, en haar taal van absoluten eenvoud grondiglijk had
leeren verstaan, was het schrijven eigenlijk niets anders voor hem dan
een getrouwelijk neerzetten van alles, wat die innerlijke stem hem
vóórfluisterde. Hij behoefde niet te zoeken naar zijne woorden, niet te
wikken en te wegen over kunstige wendingen, of effectvolle accenten,
want alles vloeide heel van zelf uit hem, bijna zonder dat hij iets
anders te doen had, dan op te schrijven, wat hij binnen in zich hoorde
ópklinken.
Maar als hij buiten was, op straat, tusschen de woelende, luidruchtige
menschen, en het scherpe ratelen van wagens, het triestige getoet van
automobiel-horens, en het schelle geschreeuw van venters, kwam dikwijls
een wreede twijfel in hem op, of al het fijne en teêre in hem wel
bestaanbaar was in al dat ruwe en harde, en of het misschien niet
ziekelijk en decadent was, wat hij had neergeschreven. Als hij de
koude, onverschillige gezichten der menschen zag, hun schennende
lachen, hun breed, grof gebaar, en als hij voelde al die brute kracht
van enkel physiek, machtig leven om hem heen, dan leek zijn droomerige
sprookjes-prins zoo klein en zwak en minderwaardig daar tusschen, en
wíst hij, dat ze hem genadeloos vertrappen zouden, als hij ooit onder
hen kwam. In een groote koffiehuis-zaal, waar hij at, of de couranten
las, voelde hij zich klein en verwerpelijk onder al die groote, zware
mannen, die niet voelden en niet droomden, maar diepe, geweldige
stemmen hadden, waarmede zij harde, grove dingen zeiden, en dan kwam
het hem onmogelijk voor, dat hij ooit het liefste en fijnste uit zijn
ziel aan die menschen zou kunnen prijs geven. Dan dacht hij om
Marcelio’s medelijdend gezegde: „Wat ben je toch nog een broekie,
Paulus”, en schaamde hij zich bijna over al de lieve, teedere woorden
in zijn boek, vergeleken met het zware, harde basgeluid dier logge,
breed-geschouderde kerels, waarmede ze hun gevoellooze, dreunende
grofheden uitten.
Hij las opzettelijk weinig, terwijl hij aan zijn boek bezig was, bang,
dat er onwillekeurig iets van het vreemde van anderen in zijn werk zou
komen. De éénigen, die hij in contact met zijn ziel durfde laten, waren
Wederich en Lavelane, de oprichters van den Lotuskrans. Wèl bedierf bij
het lezen van Wederich’s subliemen eersten bundel „Gedichten” het
denken aan zijn ridderorde en het ignobele diner, dat hij eens had
bijgewoond, altijd nog iets van den indruk, maar toch kwam telkens de
oude bekoring, die hij in het Bosch voor hem gevoeld had, weer terug.
Aan Lavelane voelde hij zich nog het meest verwant, om den bundel
„Eenzaamheid,” waarin hij van zijn stille peinzen vertelde op de
eenzame heide, waarin hij eens een jaar alleen, in een klein huisje,
had gewoond. Dan was het hem een groote troost te denken: „die twee,
Wederich en Lavelane, zullen in elk geval mijn boek toch begrijpen.” En
een stille hoop, waarin ook trots was, kwam dan in hem op, dat hij door
zijn werk, misschien later, hun vriendschap zou kunnen winnen, en dat
hij dan misschien invloed op Wederich zou kunnen aanwenden, om hem weer
zuiver te doen worden als vroeger. Ook hún teêre, gevoelige kunst was
toch wel onder de menschen gekomen, en al de hardheid der wereld had
haar niet kunnen verpletteren. Zij was opgebloeid, sterk en rustig,
eerst door véél spot en verguizing heen, en stond nu toch rotsvast,
onvernietigbaar in de literatuur. Dus mocht hij niet al te zeer
vreezen, maar vol goeden moed zijn werk voltooien, en het dan
vreezeloos, zonder beven, onder de menschen brengen, wetende, dat zijn
schijnbaar zwakke teederheid tóch op den duur veel sterker zijn zou,
dan de hardheid van het publiek. Want het zachte is sterker dan het
harde, en het fijne overwint het grove, zooals de ijle geest machtiger
is dan de harde materie.
Zóó leefde hij drie maanden in de innigheid van zijn droom over den
smachtenden bloemen-prins en de verre fee der sterren. Een zachte
trots, een gevoel van voldaanheid welde in hem op, als hij zijn werk
overlas, dat met den dag groeide. Als hij er maar weer alleen mede was,
voelde hij zich sterk en rustig, en wíst hij, dat al de grofheid van
het leven buiten, zijn innerlijke ziel niet had gedeerd.—Het harde wás
dus toch zoo sterk niet, als het buiten wel leek, als het om je heen
lawaaide, en toeterde, en hoonde, en lachte. Want het mooie was toch
altijd èven veilig in je bewaard van binnen en bleef er altijd verre
van, ongenaakbaar in eigen, heilige sfeer. Dan voelde hij zich ook
gelukkig, dat hij in al dat harde iets zachts kwam brengen, dat hij in
de literatuur van grove realiteit en scherp sensualisme iets aparts en
bijzonders ging geven van sprookje en droom, en hij bedacht met groote
vreugde, dat zijn ziel nu wellicht ging aanraken de zielen van anderen,
verwánten, die er toch óók moesten zijn onder al die duizenden,
verwanten die hij nú nog niet kende, en die dan toch omgang zouden
hebben met het liefste uit zijn ziel. Dan zou hij toch óók iets, al was
het nog maar héél weinig, goeds gedaan hebben in de wereld; misschien
kon hij iets van den weedom er door verzachten, wat troost brengen aan
weifelende harten, en zacht licht doen schijnen, waar droef duister
was.
Maar dan kwam ook de droeve gedachte in hem op, dat hij de groote
ellende van de honderdduizenden verdrukten er niet mede zou baten. De
zwoegende slaven in de mijnen en fabrieken, de verdierlijkte
proletariërs in de „Sloppen der Verlorenen”, en zijn jammerlijke
zusteren, die van de schande harer lichamen moesten leven, wat hadden
zij aan zíjn subtiel, teêr gedroom van bloemen en van sterren? Was het
nú wel een tijd, om over sprookjes en schoone droomen te schrijven en
zich te verschuilen in stil, eenzaam verkeer met eigen ziel? En hij
dacht er aan, hoe hij eens in een sociaal-democratisch tijdschrift had
gelezen, bij de beoordeeling van een nieuw boek van den dichter
Wartenau:
„Het ís nu geen tijd voor de literatuur van de zoogenaamde mooie
Ik-heid en de eigen mooie ziel, zoolang het meerendeel der menschen nog
in onrecht en ellende leeft. Wat beteekenen eigen vreugde en eigen leed
bij het eindelooze wee der onbewuste massa’s?”
Dan was het hem, of hij eigenlijk een verfijnd, egoïstisch werk deed
door zich zoo weg te droomen in eigen, teêre ziele-sferen, terwijl
buiten zijn broederen en zusteren bleven zwoegen in het zweet huns
aanschijns, om de kleine minderheid te dienen.