HOOFDSTUK III.

Monte-Regina!

Paulus had het zich altijd voorgesteld, als een plaats van gruwel en

verschrikking, een land van onheilige somberheid, van donkere zonde,

droef, en des doods.

In waarheid vond hij er een lust-oord, doorwaaid van reine

bloeme-aromen, waar alles blijheid leek, en het lichte geluk luwde in

de lucht.

Hoe heerlijk was het, uit de zware winterregens en de donkere

wolken-luchten, den vorigen dag in Leliënstad verlaten, één avond

slechts daarnà, hier ineens in Monte-Regina te zijn, in de met rozen en

seringengeuren beladen atmosfeer, met dat koele windje van het Zuiden

om hem heen, dat zijn ziel deed rillen, of een jong geluk hem had

beroerd!

Die fijne, zachte, doorzichtige luchten hier, die vage loomheid, die

over hem kwam, zoodat hij wel eigenlijk had willen gaan liggen onder de

palmen, de oogen vallend toe, om maar weer te droomen, als vroeger, te

droomen...

Somtijds, in den zomer, in het landschap buiten Leliënstad, na een

warmen dag, was het al wel eens geweest, of dit zalige, mysterieus

zachte van loomen droom, even door zou breken, maar dra werd het weer

te scherp en te koud, en was het weer weg, voor goed. Maar hier bleef

de droomstemming altijd door, en zijn ziel zag verwonderd op in al het

mooie, vroeger in Leliënstad gedroomd, láng geleden in het Bosch al

eens doorleefd, en nú weêr werkelijkheid geworden, in Monte-Regina.

En die werkelijkheid was transparante, April-teêre lucht, innig-azuren

zee, bloemen-geuren, aanwaaiend op zoele koelten, en kalme,

gelijkmatige rust, en zoet vergeten in lief-loomen droom.

Tevreden en rustig ligt Monte-Regina aan de wijde, breede baai tusschen

twee uitstekende schiereilanden, Marano rechts, en links Cape de Lys.

Langzaam stijgt het stadje met zijn leem-gele villa’s en huizen tegen

de blauw-grijze rotsbergen van den achtergrond.

Rechts sluit de kolossale, machtige Alpen-keten het gezicht af, maar

links verliest het oogen-gedroom zich in zacht-vervagende berglijnen,

die in de verte vergaan in horizonnen van zee en lucht. Mooi en vreemd

doet het leem-geel van de huizen der stad, met de roode daakjes, en

daarachter die machtig-rijzende, lei-grijze rotsenwand, opstaande tegen

den hemel.

En hoog boven de lagere stad, tegen den bergmuur aan, het geheele

landschap domineerend, praalde het witte hôtel-paleis „Regina-Palace,”

dat als opgerezen scheen uit een feeërie, of een sprookje, uitziende op

al het schoon van de boschjes en huizen en villa’s aan zijn voet.

Beneden, lager, waren nog tientallen even grandiose hôtels, van een

verfijnde luxe, ingericht voor koningen en grootvorsten en prinsen,

maar géén, dat zoo hoog in ’t hooge over alles domineerde, zóó

smetteloos-blank uitstaande boven al ’t andere.

Hier waren de appartementen voor prinses Leliane en haar gevolg

gereserveerd, een geheele zijvleugel, waar ook graaf Marcelio zijn

kamers had gekregen. In den anderen vleugel, op de bovenste verdieping,

had deze voor zijn protégé een kamertje afgehuurd.

Als Paulus zoo tegen het vallen van den avond voor zijn balcon-venster

zat uit te staren, zag hij met zacht-glooiende terrassen het landschap

onder hem naar beneden dalen, glooiingen met lichte villa’s en huizen,

met overal plekken van opstaande boomengroepen, als bouquetten tusschen

het geel.

De zee, heel in de lage verte, was droomerig, van een vaag-roze tint,

en dat roze van de eerste avondschemering was ook overal in de lucht,

en beefde over het leem-geel van de villa’s, met een vreemd geheim. Dit

was het oogenblik, dat alles inniger werd dan overdag, alsof er iets

openging, wat al den tijd beloofd was, en wat het intense azuur van de

zee al lang had willen uiten, nú eerst, in de algemeene verzachting der

dingen, eindelijk, teêr uitgefluisterd met die vaag-roze kleuren. Dit

bleef dan zóó even, een kort kwartier, aan ’t schemeren, dán kwam

violet over ’t roze, en langzaam vergingen alle tinten in ’t donker.

Zachter dan ’t geel der villa’s, kleurde in de verte het room-witte

Casino—het speelhol, het monsterachtige gedrocht, zooals hij ’t in

Leliënstad had hooren noemen—maar dat nú in de schemering oprees, als

een droom-paleis, glanzende met zijn twee koepels, als een heilige,

zachte tempel van heel fijn porselein „blanc de Chine.” Het was een

wonder van heilige kleur, dit Casino, uit-schijnende boven al de andere

huizingen in zijn roomen reinheid, crême-blank in de roze en violette

tinten van den vallenden avond. Er was iets van de gewijde blankheid

aan, van een Graal.

En als dan opeens de vesper begon te luiden van de cathedraal door de

lucht, en in de verte gingen de witte, electrische lantaren-lichten aan

om het crême paleis, was het waarlijk, of daar een mysterie werd

gewijd, en een heilige ceremonie werd gevierd met gelui van klinkende

klokken en witten brand van heilige kaarsen....

Afdalende van het met rijke bloem-bedden pralende terras van het

Regina-Palace, langs de breede vijfhonderd treden van de steenen

trappen, die leiden naar de laagte, kwam Paulus beneden in de stad, en

langs een rij van weelde-winkels en luxueuse Hôtels, in de feeërieke

palmen-avenue, die naar het Casino leidt. Dit was een breede, afdalende

laan, met een plantsoen vol lachende lente-bloemen in het midden, en

aan weerszijden statige, Californische palmen, met hun breede, zware

waaier-kruinen plechtig-wijd uitgespreid, als een triomf-allée voor een

Khalif uit de 1001 Nacht. De atmosfeer was hier ééne zoete mengeling

van fijne bloeme-aromen, en het leken hier paradijs-regionen van

engelen, ademend geuren van rozen en leliën en violen in plaats van

lucht. Afwandelend langs die lange palmenlaan, kwam Paulus voor het

blanke, prachtige Casino, in zijn kuische kleur van reine room.

Door de groote, glazen deuren—eerst een bordes op—stapte hij binnen, en

deftige, militair uitgedoste suppoosten hielpen hem dadelijk met

aanwijzingen, waar hij moest wezen om zijn entrée-kaart te krijgen.

Even bleef hij verontwaardigd staan voor een bordje, opgehangen aan een

albasten pilaar.

„Toegang verboden aan slecht gekleede personen, aan werklieden en in ’t

algemeen aan lieden in een staat van dienstbaarheid.”

Hij had het willen uitschreeuwen van ergernis, maar herinnerde zich nog

bijtijds zijn belofte aan Marcelio, om het decorum te bewaren, wát hij

ook mocht zien.

Hij wilde nu verder doorloopen, maar een suppoost kwam op hem af,

uiterst beleefd, en waarschuwde hem, dat er stof op zijn schoenen zat.

Dat moest hij er eerst af laten wrijven in een cabinet de toilette,

anders mocht hij niet binnen.

Door een statig atrium, rustende op porfieren en marmeren en albasten

zuilen, kwam hij eindelijk in de speelzalen.

En Paulus verwonderde zich, dat het hier in ’t geheel niet leek op een

hol van onheil en verschrikking, zooals hij had gedacht. De enorme

zalen met haar geçireerde parketvloeren, haar prachtige pilaren, haar

met lieflijke herder-en-herderinnen en liefde-godjes à la Watteau in

lichte kleuren beschilderde wanden, haar rijk met goud-gedecoreerde

plafonds, leken eerder groote receptie en balzalen uit een koninklijk

paleis. De millioenen praalden en schitterden van de muren en van den

vloer en van het plafond hem tegemoet.

Rijk gekleede grandes-dames en demi-mondaines, met lange slepen,

schreden er, als plechtig, in het rond, en correcte heeren, in smokings

en evening-dresses, stonden deftig om de tafels, of slenterden heen en

weer. Een zacht kletterend geluid van zilver-en-goudstukken-getink was

nooit uit de lucht, alsof het regende edel metaal en daar doorheen

knetterde tusschenbeide het geraas van de balletjes in de roulette. En

monotoon dreunde daartusschen het geroep van de croupiers: „Messieurs

faites vos jeux!” of: „Rien ne va plus!”

Paulus voelde, dat er hier heel erge dingen gebeurden voor zijn ziel,

en dat hij al zijn wilskracht zou noodig hebben, om kalm te blijven.

Hier werd gespééld, als kinderen gespééld met geld, het goud en het

zilver hagelde hier als ’t ware door de zaal, en buiten was de misère

en de leugen en het onrecht, buiten werd honger geleden en gebrek, en

zwoegden honderdduizenden in kommer, in ’t zweet huns aanschijns, om

nèt nog niet van ellende te sterven, hongerende honderdduizenden, die

de onderdanen waren van Leliane!

O! Al die honderden rijke, wèlgevoede, wèlgekleede menschen hier in die

zalen, wìsten zij dat dan niet? of waren het allen egoïste,

gewetenlooze ellendelingen, die om het volk lachten, en gretig zoo

doorleefden, als zij deden, van zijn misère?

Was al het egoïsme in de steden nog wat bedekt, onder den schijn van

schoonklinkende leugens van godsdienst of nationaliteit of ’s lands

belang, híer was het te zien, brutaal, zich gevend voor wat het was, in

al zijn naaktheid. Iedereen was het hier om geld te doen, en niets

anders. Al die fijne, broze dametjes, in een droom van kant en

ruischende zijde gehuld, met haar glanzende coiffures en languissante

oogen, graaiden hier naar geld, en geld, en nog eens geld. Hij zag

bevende vingeren, schitterend van brillanten, saamgeknepen lippen, van

overspanning onnatuurlijk gloeiende wangen, en mooie oogen, bestemd als

voor stil gedroom en liefdevol aanbidden, nú angstig starend naar een

rondknikkerend balletje of een paar kaarten, of de ziel er van afhing.

En het geld—het zoo zeldzame, dure geld, waar zóóveel voor te krijgen

was, dat vertegenwoordigde zulk een enorme massa arbeidsvermogen van

duizenden werklieden, zwoegende in hun zweet—het werd hier verknoeid,

of het afval was. Op eene trente-et-quarante-tafel zag hij als een

overstrooming van groote gouden „plaques” van honderd francs,

waartusschen biljetten lagen van duizend, als eenvoudige lapjes vodden,

zóó waardeloos schenen ze daar.

Dat was bloed, dat was zweet, dat was misère van duffe fabriekslucht en

stikkende giftwalmen, dat was honger, en schande, en onrecht, wat daar

op die tafel lag. Tienduizenden werden in enkele minuten door de

croupiers achteloos ingeharkt met de lange râteau’s of het tíches

waren.—Paulus zag een oude dame, met een collier van enorme paarlen

omhangen, die schudde van ’t lachen, omdat zij telkens stapeltjes

„plaques” verloor op rood, terwijl zwart dertien keer achter elkaar

uitkwam. Zij moest toen minstens dertienduizend francs hebben verloren,

en scheen dit ijselijk koddig te vinden.

Dicht bij die oude vrouw, die al dicht bij den dood moest zijn, en zóó

haar laatste levensdagen sleet, in roekeloos spel met wat toch ánderer

ellende moest zijn, stond een dikke, rijke Amerikaan, die met de

grootste onverschilligheid biljetten van duizend francs over

verschillende vakken verspreidde, en evenveel schik had, als hij won,

of als hij verloor. Men fluisterde om hem den naam van een bekend

milliardair. Het was een bruut uitziende, grove man, dierlijk en

sensueel. En Paulus dacht aan de duizenden en duizenden arbeiders, die

een hard, ellendig leven voor dien éénen man dóórzwoegden, in mijnen,

op fabrieken, op schepen, om hem in staat te stellen hier met die

duizenden te spelen, als een roekeloos kind, dat er de waarde niet van

kent.

Nergens, als hier in deze speelzalen, had Paulus de menschen zóó

leelijk gezien. De van opwinding gloeiende gezichten, de begeerige

blikken van de oogen, de zenuwachtige trekken om lippen en neus,

maakten iets duivelachtigs van hen. En dan het walgelijke, om groote,

ontwikkelde menschen, die toch al veel van het leven moesten gezien

hebben, daar, met de halzen uitgerekt, met roode ooren, te zien staren

naar een ronddraaiend balletje, om misschien wat geld naar zich toe te

kunnen graaien! Twee, drie rijen chic opgedirkte dames en heeren

stonden achter de zittenden, om de tafels heen, elkaar verdringend, om

toch óók maar eens op te kunnen zetten, puffend in de benauwde

menschen-luchtatmosfeer van die slecht geventileerde zalen. Er hing een

lucht van zweet en begeerte en lijkengeur van vermoorde bloemen.—Hier

was zelfs de mooie schijn weg, waarmede de maatschappij zich gewoonlijk

nog omhing, en alles toonde zich hier in bijna oprechte

schaamteloosheid, ieder liet zijn grove egoïsme zien in volle naaktheid

en kwam er voor uit, dat het hem te doen was om geld te graaien, geld

en nog eens geld.

En Paulus zag, dat overal in de zalen cocottes liepen, die zich

aanboden voor het geld, wat de spelers zouden winnen. Waar het geld

was, daar was ook de dierlijke wellust, die het kon koopen.—De veile

vrouwen schoven met haar afgetobde, bezoedelde lichamen, het fletse

geel van haar teint verborgen onder kunstig opgelegde schmink, in

prachtige Leliënstadsche robes van kant, den sleep ruischend achter

zich aan, langzaam, lonkend over den parketvloer. Zij hielden de

winners in het oog, en de prikkeling, die vrouwen straks misschien te

kunnen krijgen, exciteerde de spelers tot nóg grover spel.

Heerlijk was het voor Paulus, na de sluiting om elf uur, uit de

bedompte, met verstikkende parfums verzadigde atmosfeer van de

speelzalen, buiten te komen in de koele, van bloeme-aromen doortrokken

avondlucht. Duizenden bloemen-zielen droomden haar fijnste essences uit

in de atmosfeer. De statige palmen van de allée, over het Casino,

stonden plechtig, vol geheim, met hun breede waaier-bladen onbeweeglijk

uitgespreid. En al de blanke gebouwen stonden nu vreemd en mysterieus

in het schijnsel van het witte electrische licht.

Eene verrukkelijke wandeling werd nu voor hem het stijgen in den nacht,

tegen den rotswand op, naar het Regina-Palace-Hôtel. Eerst langs

ópgaande straten, dan een paar bordessen op, en dan den grooten,

breeden straatweg, die langzaam met wendingen en bochten naar boven

klimt. Voor de vijfhonderd rechtopstijgende trappen naar boven was het

nu te donker.

Hoe dan alles beneden wègzonk en eindelijk héél ver lag, met al de

lantaren-lichtjes, klein als vonkjes! Bij een scherpe bocht naar links,

dicht bij het Hôtel, lag het landschap steil beneden, met alle

terrassen trapsgewijze boven elkaar, voor tuinbouw aangelegd, en heel

van onderen ruischten watervalletjes en beekjes, en droomerig gedreun

van kikvorschen-gekwaak beefde omhoog. De donkere omtrekken van de

rots-bergen stonden trotsch en vastberaden tegen de lucht, als

wèlbewuste gedachten. Vèr uit lag de zee, waarin de mane-stralen

weerspiegelden, zachtjes drijvend, wemelend van zilverig gerimpel,

rustig en eindeloos. Dié ging maar áltijd door, kalm, wijs, en heel

van-zelve, in de zegening van het licht.

De sterren fonkelden metaal-rein in den egaal-blauwen hemel. En de

blanke maan stond helder en sereen, hoog in de hoogste sferen, als de

ziel van den hemel, waaruit straalde het goddelijke, verreinende licht.

Vèr beneden lag nu Monte-Regina, laag en klein, met hier en daar een

eenzaam lantaren-lichtje, een ópgeschemer van witte villa-kleuren.

En vlak tegenover het Hôtel, vèr, aan de zee, stond het Casino

mysterieus te lumineeren, in den glans van al de ongeziene electrische

lichten op het voorplein en van de omliggende restaurants. Het

room-witte crême, met een licht gele tint, kwam nu heerlijk uit in het

donker van den nacht, en het leek nu in de verte op een tempel van fijn

porselein, lichtende met een eigen, innerlijken glans. Zóó stond het

beruchte speelhol, dat nú een heilige tempel was, aan de zee, en rees

in roomen reinheid smetteloos blank omhoog, in den van bloeme-aromen

dronken nacht van het Zuiden....

Het was hem, of de droeve werkelijkheid der aarde nu vergleden was, en

zijn ziel was opgeheven tot een andere, hoogere sfeer, op een geheel

ander plan van wezen, in eene vergeestelijking van alles, wat materiëel

was, tot eene hoogere orde van dingen. Al het harde was nu verzacht in

den nacht, de bergen en de boomen lieten zien hun innigste ziel, des

daags verborgen, en de stille schittering op de zee was als een

goddelijke liefde, uitgespreid in het eindelooze.

Als een wit paleis van droom stond het reine Regina-Palace vóór hem, in

de wonderbare blankheid van zijn marmeren pracht.

Het leek een gewijde woning van hooge, heilige wezens, een pralend

Graal-paleis, waarin bewaard werd een ondoorgrondelijk, goddelijk

wonder.

Dáár, bóven hem, waar die witte vensters glansden van een innerlijk,

heilig licht, dáár woonde de blanke, de vlekkeloos reine, in wie

geïncarneerd was de reinheid van de witte waterlelie en de gloed van de

gouden zon; dáár troonde de verre, ongenaakbare vorstin van de volken

en van zijn ziel, de kroonprinses Leliane.

En in dit nachtelijk uur, nu al de ellende en de ongerechtigheden van

den dag waren verzonken in ’t alles vervagend niet, nu over de stille,

slapende wereld en over de zacht-ademende zee de groote rust lag van

het volle, verreinende maanlicht, nu was hij één oogenblik weer alles

vergeten, wat zoo fel op zijn gemoed had gebrand, en wist hij niets

meer, dan dat dáár boven hem de prinses Leliane woonde, die hij ééns

had gevonden in het Bosch, liefelijker en lichter dan de reine lelies,

die de zusteren waren van zijn ziel.

Al het onrecht van zooeven, al het leelijke, afzichtelijke van menschen

en dingen, zij waren slechts geweest een bedriegelijke schijn, een

valsche spiegeling van onwerkelijkheden, want het éénige ware, het

enkel ontwijfelbaar reëele, dat was die witte, blanke koningsmaagd, die

daar rustte achter de rein-marmeren muren van dit hooge, heilige paleis

van vrede.

Hij voelde een vrome ontroering opwellen naar zijn oogen, en in

vervoering vouwde hij de handen, waar hij het hoofd biddend ophief naar

omhoog.

„O! Blanke, heilige prinses,” fluisterde hij. „U heb ik lief tot in

eeuwigheid.... Alle dingen zijn schijn, en de ongerechtigheden der

wereld, zij mogen mijn ziel niet zoo deren, want is niet alle troost en

alle vergoeding in uw begenadigd wezen, dat haar ééns zal geven de

waarheid en het recht uit uw witte, heilige handen?....”

En hij voelde als een gróóte zekerheid, dat ééns zijn wensch zou worden

vervuld, en dat alles nog wel goed kon worden, als hij maar eenmaal

voor prinses Leliane was nedergeknield, om haar bescherming af te

smeeken voor de ongelukkigen en verdrukten.

Dán zou het wonder gebeuren, dat de wereld transformeeren zou. Al het

licht van goddelijke genade en mededoogen, dat in haar reine wezen was

geconcentreerd, zou van haar uitstralen en wijd over de wereld gaan.

Een ontzaglijke, transcendente kracht, zacht en machtig, zou van haar

uitstroomen, en de harten der menschen zouden van deernis beven, als

dat zalige licht hen beroerde. Die in overvloed leefden zouden

vrijwillig afstaan van hun weelde, als een kind dat geeft aan een

ander, en de rijke zou in den arme zijnen broeder herkennen, wiens

goede hoeder hij zou zijn.

Maar van háár, van de koninklijke maagd van goedheid en genade, zou

alles moeten uitgaan en uit háár geopend hart zou die groote liefde

moeten uitvloeien over de menschen.—En al haar droeve zusteren, ontwijd

in diepste ellende van duistere zonde, zij zouden biddend en deemoedig

samenschuilen onder háár koninklijke bescherming, als de heilige

maagden, die hij gezien had op een schilderij van van Eijck, veilig

geborgen onder den wijden mantel der heilige Ursula.

Zóó stond hij te droomen, in biddend opzien naar haar venster, terwijl

hij de handen onwillekeurig had gevouwen. En een groote rust legde zich

over zijn ziel, een rust, eindeloos en zacht, als die van de in ’t

maanlicht verheerlijkte, transparante zee, die daar vèr onder hem

onbewegelijk lag te glanzen. Hij verlangde niet om Leliane nu te zien;

het heilige weten, dat zij dáár ergens ademde, in dat witte paleis, was

al zoo oneindig veel aan hem gegeven, en zóó was het genoeg, méér

durfde zijn deemoedige ziel niet droomen, dan zóó biddend te mogen

opzien naar haar venster, en zacht te fluisteren, met van eerbied

bevende lippen, háár zoeten, gebenedijden naam....

Leliënstad · 第 4 / 16 题