Monte-Regina!
Paulus had het zich altijd voorgesteld, als een plaats van gruwel en
verschrikking, een land van onheilige somberheid, van donkere zonde,
droef, en des doods.
In waarheid vond hij er een lust-oord, doorwaaid van reine
bloeme-aromen, waar alles blijheid leek, en het lichte geluk luwde in
de lucht.
Hoe heerlijk was het, uit de zware winterregens en de donkere
wolken-luchten, den vorigen dag in Leliënstad verlaten, één avond
slechts daarnà, hier ineens in Monte-Regina te zijn, in de met rozen en
seringengeuren beladen atmosfeer, met dat koele windje van het Zuiden
om hem heen, dat zijn ziel deed rillen, of een jong geluk hem had
beroerd!
Die fijne, zachte, doorzichtige luchten hier, die vage loomheid, die
over hem kwam, zoodat hij wel eigenlijk had willen gaan liggen onder de
palmen, de oogen vallend toe, om maar weer te droomen, als vroeger, te
droomen...
Somtijds, in den zomer, in het landschap buiten Leliënstad, na een
warmen dag, was het al wel eens geweest, of dit zalige, mysterieus
zachte van loomen droom, even door zou breken, maar dra werd het weer
te scherp en te koud, en was het weer weg, voor goed. Maar hier bleef
de droomstemming altijd door, en zijn ziel zag verwonderd op in al het
mooie, vroeger in Leliënstad gedroomd, láng geleden in het Bosch al
eens doorleefd, en nú weêr werkelijkheid geworden, in Monte-Regina.
En die werkelijkheid was transparante, April-teêre lucht, innig-azuren
zee, bloemen-geuren, aanwaaiend op zoele koelten, en kalme,
gelijkmatige rust, en zoet vergeten in lief-loomen droom.
Tevreden en rustig ligt Monte-Regina aan de wijde, breede baai tusschen
twee uitstekende schiereilanden, Marano rechts, en links Cape de Lys.
Langzaam stijgt het stadje met zijn leem-gele villa’s en huizen tegen
de blauw-grijze rotsbergen van den achtergrond.
Rechts sluit de kolossale, machtige Alpen-keten het gezicht af, maar
links verliest het oogen-gedroom zich in zacht-vervagende berglijnen,
die in de verte vergaan in horizonnen van zee en lucht. Mooi en vreemd
doet het leem-geel van de huizen der stad, met de roode daakjes, en
daarachter die machtig-rijzende, lei-grijze rotsenwand, opstaande tegen
den hemel.
En hoog boven de lagere stad, tegen den bergmuur aan, het geheele
landschap domineerend, praalde het witte hôtel-paleis „Regina-Palace,”
dat als opgerezen scheen uit een feeërie, of een sprookje, uitziende op
al het schoon van de boschjes en huizen en villa’s aan zijn voet.
Beneden, lager, waren nog tientallen even grandiose hôtels, van een
verfijnde luxe, ingericht voor koningen en grootvorsten en prinsen,
maar géén, dat zoo hoog in ’t hooge over alles domineerde, zóó
smetteloos-blank uitstaande boven al ’t andere.
Hier waren de appartementen voor prinses Leliane en haar gevolg
gereserveerd, een geheele zijvleugel, waar ook graaf Marcelio zijn
kamers had gekregen. In den anderen vleugel, op de bovenste verdieping,
had deze voor zijn protégé een kamertje afgehuurd.
Als Paulus zoo tegen het vallen van den avond voor zijn balcon-venster
zat uit te staren, zag hij met zacht-glooiende terrassen het landschap
onder hem naar beneden dalen, glooiingen met lichte villa’s en huizen,
met overal plekken van opstaande boomengroepen, als bouquetten tusschen
het geel.
De zee, heel in de lage verte, was droomerig, van een vaag-roze tint,
en dat roze van de eerste avondschemering was ook overal in de lucht,
en beefde over het leem-geel van de villa’s, met een vreemd geheim. Dit
was het oogenblik, dat alles inniger werd dan overdag, alsof er iets
openging, wat al den tijd beloofd was, en wat het intense azuur van de
zee al lang had willen uiten, nú eerst, in de algemeene verzachting der
dingen, eindelijk, teêr uitgefluisterd met die vaag-roze kleuren. Dit
bleef dan zóó even, een kort kwartier, aan ’t schemeren, dán kwam
violet over ’t roze, en langzaam vergingen alle tinten in ’t donker.
Zachter dan ’t geel der villa’s, kleurde in de verte het room-witte
Casino—het speelhol, het monsterachtige gedrocht, zooals hij ’t in
Leliënstad had hooren noemen—maar dat nú in de schemering oprees, als
een droom-paleis, glanzende met zijn twee koepels, als een heilige,
zachte tempel van heel fijn porselein „blanc de Chine.” Het was een
wonder van heilige kleur, dit Casino, uit-schijnende boven al de andere
huizingen in zijn roomen reinheid, crême-blank in de roze en violette
tinten van den vallenden avond. Er was iets van de gewijde blankheid
aan, van een Graal.
En als dan opeens de vesper begon te luiden van de cathedraal door de
lucht, en in de verte gingen de witte, electrische lantaren-lichten aan
om het crême paleis, was het waarlijk, of daar een mysterie werd
gewijd, en een heilige ceremonie werd gevierd met gelui van klinkende
klokken en witten brand van heilige kaarsen....
Afdalende van het met rijke bloem-bedden pralende terras van het
Regina-Palace, langs de breede vijfhonderd treden van de steenen
trappen, die leiden naar de laagte, kwam Paulus beneden in de stad, en
langs een rij van weelde-winkels en luxueuse Hôtels, in de feeërieke
palmen-avenue, die naar het Casino leidt. Dit was een breede, afdalende
laan, met een plantsoen vol lachende lente-bloemen in het midden, en
aan weerszijden statige, Californische palmen, met hun breede, zware
waaier-kruinen plechtig-wijd uitgespreid, als een triomf-allée voor een
Khalif uit de 1001 Nacht. De atmosfeer was hier ééne zoete mengeling
van fijne bloeme-aromen, en het leken hier paradijs-regionen van
engelen, ademend geuren van rozen en leliën en violen in plaats van
lucht. Afwandelend langs die lange palmenlaan, kwam Paulus voor het
blanke, prachtige Casino, in zijn kuische kleur van reine room.
Door de groote, glazen deuren—eerst een bordes op—stapte hij binnen, en
deftige, militair uitgedoste suppoosten hielpen hem dadelijk met
aanwijzingen, waar hij moest wezen om zijn entrée-kaart te krijgen.
Even bleef hij verontwaardigd staan voor een bordje, opgehangen aan een
albasten pilaar.
„Toegang verboden aan slecht gekleede personen, aan werklieden en in ’t
algemeen aan lieden in een staat van dienstbaarheid.”
Hij had het willen uitschreeuwen van ergernis, maar herinnerde zich nog
bijtijds zijn belofte aan Marcelio, om het decorum te bewaren, wát hij
ook mocht zien.
Hij wilde nu verder doorloopen, maar een suppoost kwam op hem af,
uiterst beleefd, en waarschuwde hem, dat er stof op zijn schoenen zat.
Dat moest hij er eerst af laten wrijven in een cabinet de toilette,
anders mocht hij niet binnen.
Door een statig atrium, rustende op porfieren en marmeren en albasten
zuilen, kwam hij eindelijk in de speelzalen.
En Paulus verwonderde zich, dat het hier in ’t geheel niet leek op een
hol van onheil en verschrikking, zooals hij had gedacht. De enorme
zalen met haar geçireerde parketvloeren, haar prachtige pilaren, haar
met lieflijke herder-en-herderinnen en liefde-godjes à la Watteau in
lichte kleuren beschilderde wanden, haar rijk met goud-gedecoreerde
plafonds, leken eerder groote receptie en balzalen uit een koninklijk
paleis. De millioenen praalden en schitterden van de muren en van den
vloer en van het plafond hem tegemoet.
Rijk gekleede grandes-dames en demi-mondaines, met lange slepen,
schreden er, als plechtig, in het rond, en correcte heeren, in smokings
en evening-dresses, stonden deftig om de tafels, of slenterden heen en
weer. Een zacht kletterend geluid van zilver-en-goudstukken-getink was
nooit uit de lucht, alsof het regende edel metaal en daar doorheen
knetterde tusschenbeide het geraas van de balletjes in de roulette. En
monotoon dreunde daartusschen het geroep van de croupiers: „Messieurs
faites vos jeux!” of: „Rien ne va plus!”
Paulus voelde, dat er hier heel erge dingen gebeurden voor zijn ziel,
en dat hij al zijn wilskracht zou noodig hebben, om kalm te blijven.
Hier werd gespééld, als kinderen gespééld met geld, het goud en het
zilver hagelde hier als ’t ware door de zaal, en buiten was de misère
en de leugen en het onrecht, buiten werd honger geleden en gebrek, en
zwoegden honderdduizenden in kommer, in ’t zweet huns aanschijns, om
nèt nog niet van ellende te sterven, hongerende honderdduizenden, die
de onderdanen waren van Leliane!
O! Al die honderden rijke, wèlgevoede, wèlgekleede menschen hier in die
zalen, wìsten zij dat dan niet? of waren het allen egoïste,
gewetenlooze ellendelingen, die om het volk lachten, en gretig zoo
doorleefden, als zij deden, van zijn misère?
Was al het egoïsme in de steden nog wat bedekt, onder den schijn van
schoonklinkende leugens van godsdienst of nationaliteit of ’s lands
belang, híer was het te zien, brutaal, zich gevend voor wat het was, in
al zijn naaktheid. Iedereen was het hier om geld te doen, en niets
anders. Al die fijne, broze dametjes, in een droom van kant en
ruischende zijde gehuld, met haar glanzende coiffures en languissante
oogen, graaiden hier naar geld, en geld, en nog eens geld. Hij zag
bevende vingeren, schitterend van brillanten, saamgeknepen lippen, van
overspanning onnatuurlijk gloeiende wangen, en mooie oogen, bestemd als
voor stil gedroom en liefdevol aanbidden, nú angstig starend naar een
rondknikkerend balletje of een paar kaarten, of de ziel er van afhing.
En het geld—het zoo zeldzame, dure geld, waar zóóveel voor te krijgen
was, dat vertegenwoordigde zulk een enorme massa arbeidsvermogen van
duizenden werklieden, zwoegende in hun zweet—het werd hier verknoeid,
of het afval was. Op eene trente-et-quarante-tafel zag hij als een
overstrooming van groote gouden „plaques” van honderd francs,
waartusschen biljetten lagen van duizend, als eenvoudige lapjes vodden,
zóó waardeloos schenen ze daar.
Dat was bloed, dat was zweet, dat was misère van duffe fabriekslucht en
stikkende giftwalmen, dat was honger, en schande, en onrecht, wat daar
op die tafel lag. Tienduizenden werden in enkele minuten door de
croupiers achteloos ingeharkt met de lange râteau’s of het tíches
waren.—Paulus zag een oude dame, met een collier van enorme paarlen
omhangen, die schudde van ’t lachen, omdat zij telkens stapeltjes
„plaques” verloor op rood, terwijl zwart dertien keer achter elkaar
uitkwam. Zij moest toen minstens dertienduizend francs hebben verloren,
en scheen dit ijselijk koddig te vinden.
Dicht bij die oude vrouw, die al dicht bij den dood moest zijn, en zóó
haar laatste levensdagen sleet, in roekeloos spel met wat toch ánderer
ellende moest zijn, stond een dikke, rijke Amerikaan, die met de
grootste onverschilligheid biljetten van duizend francs over
verschillende vakken verspreidde, en evenveel schik had, als hij won,
of als hij verloor. Men fluisterde om hem den naam van een bekend
milliardair. Het was een bruut uitziende, grove man, dierlijk en
sensueel. En Paulus dacht aan de duizenden en duizenden arbeiders, die
een hard, ellendig leven voor dien éénen man dóórzwoegden, in mijnen,
op fabrieken, op schepen, om hem in staat te stellen hier met die
duizenden te spelen, als een roekeloos kind, dat er de waarde niet van
kent.
Nergens, als hier in deze speelzalen, had Paulus de menschen zóó
leelijk gezien. De van opwinding gloeiende gezichten, de begeerige
blikken van de oogen, de zenuwachtige trekken om lippen en neus,
maakten iets duivelachtigs van hen. En dan het walgelijke, om groote,
ontwikkelde menschen, die toch al veel van het leven moesten gezien
hebben, daar, met de halzen uitgerekt, met roode ooren, te zien staren
naar een ronddraaiend balletje, om misschien wat geld naar zich toe te
kunnen graaien! Twee, drie rijen chic opgedirkte dames en heeren
stonden achter de zittenden, om de tafels heen, elkaar verdringend, om
toch óók maar eens op te kunnen zetten, puffend in de benauwde
menschen-luchtatmosfeer van die slecht geventileerde zalen. Er hing een
lucht van zweet en begeerte en lijkengeur van vermoorde bloemen.—Hier
was zelfs de mooie schijn weg, waarmede de maatschappij zich gewoonlijk
nog omhing, en alles toonde zich hier in bijna oprechte
schaamteloosheid, ieder liet zijn grove egoïsme zien in volle naaktheid
en kwam er voor uit, dat het hem te doen was om geld te graaien, geld
en nog eens geld.
En Paulus zag, dat overal in de zalen cocottes liepen, die zich
aanboden voor het geld, wat de spelers zouden winnen. Waar het geld
was, daar was ook de dierlijke wellust, die het kon koopen.—De veile
vrouwen schoven met haar afgetobde, bezoedelde lichamen, het fletse
geel van haar teint verborgen onder kunstig opgelegde schmink, in
prachtige Leliënstadsche robes van kant, den sleep ruischend achter
zich aan, langzaam, lonkend over den parketvloer. Zij hielden de
winners in het oog, en de prikkeling, die vrouwen straks misschien te
kunnen krijgen, exciteerde de spelers tot nóg grover spel.
Heerlijk was het voor Paulus, na de sluiting om elf uur, uit de
bedompte, met verstikkende parfums verzadigde atmosfeer van de
speelzalen, buiten te komen in de koele, van bloeme-aromen doortrokken
avondlucht. Duizenden bloemen-zielen droomden haar fijnste essences uit
in de atmosfeer. De statige palmen van de allée, over het Casino,
stonden plechtig, vol geheim, met hun breede waaier-bladen onbeweeglijk
uitgespreid. En al de blanke gebouwen stonden nu vreemd en mysterieus
in het schijnsel van het witte electrische licht.
Eene verrukkelijke wandeling werd nu voor hem het stijgen in den nacht,
tegen den rotswand op, naar het Regina-Palace-Hôtel. Eerst langs
ópgaande straten, dan een paar bordessen op, en dan den grooten,
breeden straatweg, die langzaam met wendingen en bochten naar boven
klimt. Voor de vijfhonderd rechtopstijgende trappen naar boven was het
nu te donker.
Hoe dan alles beneden wègzonk en eindelijk héél ver lag, met al de
lantaren-lichtjes, klein als vonkjes! Bij een scherpe bocht naar links,
dicht bij het Hôtel, lag het landschap steil beneden, met alle
terrassen trapsgewijze boven elkaar, voor tuinbouw aangelegd, en heel
van onderen ruischten watervalletjes en beekjes, en droomerig gedreun
van kikvorschen-gekwaak beefde omhoog. De donkere omtrekken van de
rots-bergen stonden trotsch en vastberaden tegen de lucht, als
wèlbewuste gedachten. Vèr uit lag de zee, waarin de mane-stralen
weerspiegelden, zachtjes drijvend, wemelend van zilverig gerimpel,
rustig en eindeloos. Dié ging maar áltijd door, kalm, wijs, en heel
van-zelve, in de zegening van het licht.
De sterren fonkelden metaal-rein in den egaal-blauwen hemel. En de
blanke maan stond helder en sereen, hoog in de hoogste sferen, als de
ziel van den hemel, waaruit straalde het goddelijke, verreinende licht.
Vèr beneden lag nu Monte-Regina, laag en klein, met hier en daar een
eenzaam lantaren-lichtje, een ópgeschemer van witte villa-kleuren.
En vlak tegenover het Hôtel, vèr, aan de zee, stond het Casino
mysterieus te lumineeren, in den glans van al de ongeziene electrische
lichten op het voorplein en van de omliggende restaurants. Het
room-witte crême, met een licht gele tint, kwam nu heerlijk uit in het
donker van den nacht, en het leek nu in de verte op een tempel van fijn
porselein, lichtende met een eigen, innerlijken glans. Zóó stond het
beruchte speelhol, dat nú een heilige tempel was, aan de zee, en rees
in roomen reinheid smetteloos blank omhoog, in den van bloeme-aromen
dronken nacht van het Zuiden....
Het was hem, of de droeve werkelijkheid der aarde nu vergleden was, en
zijn ziel was opgeheven tot een andere, hoogere sfeer, op een geheel
ander plan van wezen, in eene vergeestelijking van alles, wat materiëel
was, tot eene hoogere orde van dingen. Al het harde was nu verzacht in
den nacht, de bergen en de boomen lieten zien hun innigste ziel, des
daags verborgen, en de stille schittering op de zee was als een
goddelijke liefde, uitgespreid in het eindelooze.
Als een wit paleis van droom stond het reine Regina-Palace vóór hem, in
de wonderbare blankheid van zijn marmeren pracht.
Het leek een gewijde woning van hooge, heilige wezens, een pralend
Graal-paleis, waarin bewaard werd een ondoorgrondelijk, goddelijk
wonder.
Dáár, bóven hem, waar die witte vensters glansden van een innerlijk,
heilig licht, dáár woonde de blanke, de vlekkeloos reine, in wie
geïncarneerd was de reinheid van de witte waterlelie en de gloed van de
gouden zon; dáár troonde de verre, ongenaakbare vorstin van de volken
en van zijn ziel, de kroonprinses Leliane.
En in dit nachtelijk uur, nu al de ellende en de ongerechtigheden van
den dag waren verzonken in ’t alles vervagend niet, nu over de stille,
slapende wereld en over de zacht-ademende zee de groote rust lag van
het volle, verreinende maanlicht, nu was hij één oogenblik weer alles
vergeten, wat zoo fel op zijn gemoed had gebrand, en wist hij niets
meer, dan dat dáár boven hem de prinses Leliane woonde, die hij ééns
had gevonden in het Bosch, liefelijker en lichter dan de reine lelies,
die de zusteren waren van zijn ziel.
Al het onrecht van zooeven, al het leelijke, afzichtelijke van menschen
en dingen, zij waren slechts geweest een bedriegelijke schijn, een
valsche spiegeling van onwerkelijkheden, want het éénige ware, het
enkel ontwijfelbaar reëele, dat was die witte, blanke koningsmaagd, die
daar rustte achter de rein-marmeren muren van dit hooge, heilige paleis
van vrede.
Hij voelde een vrome ontroering opwellen naar zijn oogen, en in
vervoering vouwde hij de handen, waar hij het hoofd biddend ophief naar
omhoog.
„O! Blanke, heilige prinses,” fluisterde hij. „U heb ik lief tot in
eeuwigheid.... Alle dingen zijn schijn, en de ongerechtigheden der
wereld, zij mogen mijn ziel niet zoo deren, want is niet alle troost en
alle vergoeding in uw begenadigd wezen, dat haar ééns zal geven de
waarheid en het recht uit uw witte, heilige handen?....”
En hij voelde als een gróóte zekerheid, dat ééns zijn wensch zou worden
vervuld, en dat alles nog wel goed kon worden, als hij maar eenmaal
voor prinses Leliane was nedergeknield, om haar bescherming af te
smeeken voor de ongelukkigen en verdrukten.
Dán zou het wonder gebeuren, dat de wereld transformeeren zou. Al het
licht van goddelijke genade en mededoogen, dat in haar reine wezen was
geconcentreerd, zou van haar uitstralen en wijd over de wereld gaan.
Een ontzaglijke, transcendente kracht, zacht en machtig, zou van haar
uitstroomen, en de harten der menschen zouden van deernis beven, als
dat zalige licht hen beroerde. Die in overvloed leefden zouden
vrijwillig afstaan van hun weelde, als een kind dat geeft aan een
ander, en de rijke zou in den arme zijnen broeder herkennen, wiens
goede hoeder hij zou zijn.
Maar van háár, van de koninklijke maagd van goedheid en genade, zou
alles moeten uitgaan en uit háár geopend hart zou die groote liefde
moeten uitvloeien over de menschen.—En al haar droeve zusteren, ontwijd
in diepste ellende van duistere zonde, zij zouden biddend en deemoedig
samenschuilen onder háár koninklijke bescherming, als de heilige
maagden, die hij gezien had op een schilderij van van Eijck, veilig
geborgen onder den wijden mantel der heilige Ursula.
Zóó stond hij te droomen, in biddend opzien naar haar venster, terwijl
hij de handen onwillekeurig had gevouwen. En een groote rust legde zich
over zijn ziel, een rust, eindeloos en zacht, als die van de in ’t
maanlicht verheerlijkte, transparante zee, die daar vèr onder hem
onbewegelijk lag te glanzen. Hij verlangde niet om Leliane nu te zien;
het heilige weten, dat zij dáár ergens ademde, in dat witte paleis, was
al zoo oneindig veel aan hem gegeven, en zóó was het genoeg, méér
durfde zijn deemoedige ziel niet droomen, dan zóó biddend te mogen
opzien naar haar venster, en zacht te fluisteren, met van eerbied
bevende lippen, háár zoeten, gebenedijden naam....