Den volgenden morgen klopte hij aan bij Marcelio, vast besloten om zijn
hulp te vragen voor het verkrijgen eener audiëntie bij de prinses.
De jonge huzaren-officier zat lui en gemakkelijk, in een zachten
fauteuil, in een zijden kamerjasje, de voeten in goudleeren muilen,
zijn chocolade te slurpen.
„—Zóó, waarde vriend!” zeide hij vroolijk tot Paulus, „kom je eíndelijk
weer eens aanloopen?... Kan ik je met iets dienen?... wat chocolade?...
een cigaret?... o neen: je rookt niet hè?... nog altijd even sober?...
geen vleesch, geen alcohol, geen tabak... en tóch zie je er niet zoo
heel florissant uit... je ziet bleek, kerel... nog altijd aan het
tobben en het filosofeeren?... weer te veel bij je vriend Elias
geweest, den sociaal-democraat?... dat zal ééns wel weer overgaan, dat
hoofdbreken van je, als je hebt ingezien, dat er tóch niets aan te doen
is...”
Paulus was te diep onder den indruk van zijn groote plan, om op den
lichten toon van die scherts te antwoorden.
„—Toe, Marcelio, spot nu eens niet... ik kom je iets heel ernstigs en
gewichtigs vragen, iets, waar voor mij alles van afhangt... ik weet,
dat je mijn vriend bent en mij graag helpen wilt, al spot je altijd met
mijn liefste gevoelens... je moet mij niet vragen waaròm, en er niet op
door willen gaan, maar enkel voor me doen, wat ik je hier kom
afsmeeken, als een groote, groote gunst..”
„—Nu.... kom er gerust mee voor den dag, hoor... als het maar niet iets
voor de sociaal-democraten is...”
„—Neen, Marcelio, iets voor míj alleen... ik wou... ik wou... nu, ik
wou Haar Koninklijke Hoogheid spreken, en heel alleen, zonder anderen
er bij... zou dat kunnen?...”
Marcelio zag hem verbaasd aan.
„—Het is nog al niets, wat je me daar vraagt... Haar Koninklijke
Hoogheid spreken... een particuliere audiëntie dus... en maar eventjes
heel alleen, zonder anderen... En wat wou jij daar bij Haar Koninklijke
Hoogheid doen?... wat kan jij haar te vertellen hebben?...”
„—Dat moet je niet vragen, Marcelio... dat is mijn zaak... ik sméék je
alleen, wil je me helpen?—zou het kúnnen?...”
„—Kúnnen wèl... Haar Koninklijke Hoogheid heeft eenigszins verplichting
aan je, er is, om zoo te zeggen, een geheimpje tusschen haar en jou...
je bent een protégétje van haar, en ze vraagt dikwijls naar je... het
zal niet zoo gemakkelijk gaan, maar het zóu toch wel te doen zijn met
een beetje moeite... maar wat heb je haar in Godsnaam te zeggen?...
toch geen dolle dingen, hoop ik?... toch niets over dat zoogenaamde
onrecht, wat je tegenwoordig overal ziet, en al die dingen, die je
vriend Elias je inblaast?...”
Zijn lichtelijk spottende toon irriteerde Paulus, in de spanning van
het groote gevoel, dat in hem was. „Dat ónrecht is niet maar een
zóógenaamd!” riep hij hartstochtelijk uit, „o, Marcelio, het brandt zoo
in me, het is een verterend vuur in mijn borst, ik kán zoo niet langer
leven.... en jíj zít daar maar, zoo kalm en behagelijkjes, en rookt je
cigaret, en drinkt je fijne chocolade.... alles is hier zoo mooi en
rijk en weelderig om je heen, maar buíten is de honger, en de zonde, en
de schande.... nu, já, ik durf het wel te zeggen.... áls ik nu de
prinses eens wou vertellen van de ellende, die ik gezien heb?... áls ik
haar nu eens te voet wou vallen en haar biddend af wou smeeken, om
genadig te zijn en haar koninklijke macht aan te wenden, voor het recht
en de waarheid?... wat dan nóg?... zou je me dan niet willen helpen?...
Het kán toch zoo niet blijven alles, het onrecht schréeuwt om herstel,
Marcelio...”
Een oogenblik was Marcelio getroffen door de warme uitdrukking van
verontwaardiging op Paulus’ fraai, baardeloos knapengezicht. Wat een
jong kereltje toch nog, hij leek wel een page, van honderden jaren
geleden, uit de middeneeuwen! Die wou zoo maar inééns het onrecht in de
wereld vernietigen, zooals ze vroeger een draak versloegen!
Hij keek hem aan met een medelijdenden blik. „Wat bèn je toch nog een
broekie!” zei hij, glimlachend.
„—Waarom dan?” vroeg Paulus verwonderd.
„—Omdat je nog zoo hartstochtelijk praat van recht en waarheid en
eerlijkheid, en al die dingen meer, mannetje. Dat zijn allemaal ideeën
van je, die ficties zijn, en niet bestaan. En nu wou je aan Haar
Koninklijke Hoogheid gaan vragen, om ze je te bezorgen. Maar het is
absurd, en ’t zou zijn om te huilen, als ’t niet zoo om te lachen was!”
„—Ik begrijp je niet, Marcelio!”
„—Maar, kereltje, je hebt nu toch het laatste jaar zóóveel gelezen. Je
hebt bleek gezien van ’t studeeren, ik weet, dat je nachten aan nachten
niet geslapen hebt, om toch maar alles te kunnen lezen over de
toestanden in de wereld. En wéét je dan nóg niet, dat we maar een
akelig klein beetje vooruit zijn gegaan, dat alles eigenlijk nog
precies eender is, als vroeger in de oudheid? De uiterlijke vormen van
de dingen en de menschen zijn veranderd, maar van binnen zijn ze toch
vrij wel gelijk gebleven. De menschen zijn nog even dom en even wreed.
Er zijn nú geen circussen meer, waar ellendige slaven en verdrukten
door leeuwen en tijgers worden verscheurd, maar nú worden de misdeelden
aan honger en misère overgeleverd. Dit is eigenlijk nóg verfijnder en
wreeder. Ik weet wel, dat je gelijk hebt, kereltje, dat er zooveel
onrecht bestaat, en dat de kleine minderheid leeft ten koste van het
bloed en het zweet van de groote meerderheid. Dacht je dan, dat ik óók
niet gelezen had en mijn gezond verstand niet bezat, om zooiets te
begrijpen? Je behoeft maar een béétje de toestanden te kennen en eens
behoorlijk om je heen te kijken, om dat te weten. Maar ik geloof niet,
dat er wat aan te doen is, al spijt het me allemachtig. Als je nu eens
bedenkt, Paulus, wat er al zoo is geschreven, van af de vroegste
eeuwen, door de oude Brahmanen, door de Chineezen, als je die immense
figuren voor je ziet van Shakyamuni, van Lao-Tsz’, van Plato, van
Jezus, de schat van liefdevolle wijsheid, die over de menschen is
uitgestort, rijk en overvloedig als reine regen, als je eens nagaat de
ontzaglijke kunstwerken, die er alzoo geschapen zijn, de prachtige
beelden, de schilderijen, de gebouwen, zoo’n sublieme cathedraal
bijvoorbeeld als in Leliënstad, de muziek, die bíjna het goddelijke
Wezen zelf is, de stroom van poëzie, die de groote dichters door de
eeuwen hebben doen vloeien, hoe er áltijd maar door met die kunst de
reinste revelaties van dat goddelijke aan de menschen gedaan zijn... en
als je dán eens kijkt, hoe beroerd en miserabel het er na ál die
wonderen van schoonheid, waar toch al het edelste en beste en
rechtvaardigste in werd geopenbaard, nog in de wereld uitziet, heusch
kerel, dan ga je wanhopen, dan zie je, dat het tóch niet helpt en dat
er niets meer aan te doen is, dan wasch je je handen in onschuld, en
steek je er kalm een cigaret bij op.—Wáár je ook rondkijkt, overal zie
je het grofste egoïsme er dik bovenop liggen, en al de mooie namen,
waarmede ze het bedekken, naastenliefde, humaniteit, beschaving, wàt al
niet meer, ze beletten toch niet, dat je het er onder uit ziet loeren,
dat eigenbelang, waaraan ten slotte alles wordt opgeofferd.—Als dat
egoïsme er niet was, kerel, wat zou de wereld gauw veranderd zijn. Als
er maar enkel menschenliefde was, heel gewone huis-of-tuin
menschenliefde, zooals Jezus die predikte, dan was alles inééns klaar.
Dan waren er geen dikke boeken van sociologen en economen meer noodig,
dan behoefden er geen congressen meer te worden gehouden, dan waren er
geen liberalen en geen conservatieven en geen sociaal-democraten en
geen anarchisten meer, en dan ging alles van zelf. Dan bloeide ineens
die mooie bloem van het Recht op, waar jij van droomt, Paulus, omdat
het de Liefde was, die gezaaid had. Al die sociaal-economische
wetenschap is alleen ontstaan, omdat de Liefde ontbreekt. En zonder die
Liefde wordt het nooít wat.
„Ik heb er óók van gedroomd, Paulus, toen ik véél jonger was. Je zoudt
het misschien niet zoo aan me zeggen, maar ik heb óók gehuild, net als
jij, en ik ken óók de slapelooze nachten, en het pijnigen der droevige
gedachten, en het tobben, het armzalige, zielige tobben, dat je kop er
bijna van berst. Dat is gelukkig al héél lang geleden. Maar ik heb het
ópgegeven. Het helpt tóch niet, Paulus, je maakt er je zelf maar
beroerd mee, en de wereld komt er geen stáp verder door, weet dát
wel.—En o, als je zoo die groote, eindelooze massa ziet, die zoo dom is
en zoo bot, en die zoo alles met zich laat doen, in zijn bête, stupide
logheid, dan denk je heusch óók wel eens, ze verdienen niet beter. Dat
idiote, misselijke volk, dat zich door goud en wat geschitter laat
verblinden, dat als een troep kalveren staat te gapen, als er een vorst
of een vorstin voorbijkomt, dat nog uren staat te schreeuwen van hol
enthousiasme, als er even een potentaat op een balcon heeft gestaan,
dat zich door wat vlaggen en wat vuurwerk en wat militair vertoon laat
bedriegen, om van uit zijn misère nog „leve de koning!” of „leve de
koningin!” te brullen; als je het op feestdagen zóó, half-dronken en
als brute beesten, joelende en hossende over de straten ziet krioelen,
heusch, dan ga je denken: dat tuig verdient niet beter. Dan denk je aan
Napoleon. Dié wist dat het vee was, en hij gebruikte dat vee voor zijn
eigen egoïsme, dat tenminste nog grandioos was, het egoïsme van een
reus, of van een god. Zeg nu niet, dat zulk vee niet beter kan weten.
Dat was misschien vroeger zoo, nú niet meer. Daar zorgen de
sociaal-democraten wel voor met hun propaganda. Tegenwoordig kan bijna
iedereen het weten, en als het egoïsme er niet was, het bange, grove
eigenbelang, en de laffe vrees voor eigen have en goedje, dan lag de
heele boel al lang overhoop, ondanks alle kanonnen en bajonetten. Ik
zeg je nog eens, Paulus, het helpt geen stéék. Ik heb het opgegeven, ik
ben blij, dat ik dan tenminste veilig aan den lekkeren schaduwkant van
het brandende onrecht zit, dat ik het goed kan hebben, dat ik zuiver,
fijn eten krijg, en schoon linnengoed heb om aan te doen, en goeie
kleeren voor mijn lijf heb, zoodat ik niet in het vuil behoef te
zitten. Dáár, nu wéét je het!....”
Paulus stond verbaasd, zijn vriend zóó te hooren spreken. Hij trachtte
nog iets te zeggen, dat hij van Elias had gehoord.
„Maar de wetenschap dan?” vroeg hij. „Die is toch niet egoïstisch. Zou
de wetenschap in de verre toekomst geen eindelijke redding brengen?”
„De wetenschap is práchtig” antwoordde Marcelio. „„o! De wereld is vèr
vooruitgegaan” denken sommigen, als je maar eens bedenkt, wat de
wetenschap al niet heeft tot stand gebracht. De stoom, de
electriciteit, de telegrafen, de spoorwegen, en wàt al niet meer. En
óók de medische wetenschap vooral! Wat al uitvindingen zijn er niet
gedaan! En wat al rustelooze, heldhaftige studie! Als je dát beschouwt,
zou je meenen, dat de wereld haar volmaking nadert. Maar het ééne, het
vóór alles noodige, blijft toch ontbreken, zonder welk het toch nooit
goed kan worden in de wereld: de liefde, de héél gewone menschenliefde.
Aan den éénen kant doet de wetenschap alles, om het leven der menschen
aangenaam te maken, in de gunstigste condities, aan den anderen kant
doet het grove egoïsme van het kapitalisme alles om voor dat aangename
leven van enkelen de groote meerderheid tot ellende te brengen. Wat hèb
je aan de vorderingen der wetenschap, die de ziekten bestrijdt, als
duizenden en duizenden ziek worden gemaakt door ellende en gebrek?—De
ongelukkige misdeelden, die een ellendig bestaan voortzwoegen in de
allerongunstigste condities van atmosfeer, en voeding, en woning, wat
hebben ze aan de wetenschap der hygiène, die enkel de bevoorrechten
baat? Al die geleerden, die hun heldhaftig leven wijden aan de
bestrijding van besmettelijke ziekten, zij werken tòch maar enkel voor
de kapitalisten, want de misdeelden, die al die ziekten oploopen door
slechte voeding en slechte lucht en slechte woning, zíj worden er niet
door gebaat. Als er in plaats van al die wetenschap eens, al was het
nog maar een heel klein beetje gewone menschenliefde kwam, dan zou er
veel meer tot stand komen, dan door honderd groote uitvindingen en
ontdekkingen, en er zouden ware wonderen gebeuren.
„Als een rijke zijn weelde eens niet meer genieten kon doordat de
Liefde hem beving, en hij dacht om die anderen, die in ellende voor hèm
werken, om hèm zijn genot te bezorgen, dan was opééns de groote sociale
hervorming vervuld. Het heel gewone christendom, zooals Jezus dat
predikte, de grootste sociaal-democraat die ooit bestaan heeft, dát zou
de wereld redden. Maar juist, omdat die gewone, christelijke Liefde
ontbreekt, is al die wetenschap van sociaal-economie, van
staathuishoudkunde, en weet ik wàt al niet meer, er als surrogaat voor
gekomen. De zaak zou héél eenvoudig blijken te zijn, als alle menschen
ware christenen waren, als ze aan iedere bete voedsel, aan ieder stuk
kleeren, aan ieder genoegen, dat zij zich kochten, het zweet en het
bloed zagen kleven van hun medemenschen in gebrek. Maar er is bijna
niemand, die iéts zou willen veranderd zien aan de tegenwoordige
maatschappij, als hij het er zelf wat minder door zou moeten hebben. Ze
zijn allemaal voor verbetering, en geven toe, dàt er onrecht is, en
roepen er wee en schande over, maar zoodrá er iets van hun eigen weelde
af zou moeten, en ze hun eigen lekker leventje er door zouden
verminderd zien, zijn ze doof geworden, of beroepen zich op het gezag
en de wettigheid van de bestaande orde der dingen, en halen er God en
Koning en Vaderland bij, in laatste instantie. Met dat gezag, en dien
God, en dat Vaderland bedoelen ze dan eigenlijk niets dan de handhaving
van hún parasietenleven ten koste der anderen. Er is voor die menschen
geen God, en ook geen Koning, en evenmin een Vaderland, alleen hun
eigen beurs en hun brandkast. Ik zeg dit niet met al te groote
verachting voor de anderen, hoor! en wil er mij zelf niet mee
verheffen. Want ik ben au fond misschien net eender. Ik ben eigenlijk
geen haar beter, dan die anderen.—Maar daarom weet ik juist, wat ze
waard zijn en heb ik geen aasje idee in de toekomst. Ze zullen altijd
net zoo blijven als ze zijn, de menschen, met al hun idealen, en hun
filosofie, en hun God. Zij zouden dien God, en al het andere smadelijk
verloochenen, als zij er hun leven ook maar íets om moesten
verminderen.—De geheele maatschappij, zooals zij nu is, berust op het
laagste eigenbelang, dat zich onder het masker christendom en liefde
voor Koning en Vaderland verschuilt, om zijn afschuwelijk aanschijn te
bedekken.”
Paulus keek hem in stomme verbazing aan.
Was dát Marcelio?.... Was dat de verfijnde, exquise aristocraat, de
gedistingeerde huzaren-officier, die adjudant was van de koninklijke
prinses? Zóó had hij hem nooit vermoed.
„Dus jij erkent, dat het onrecht bestaat?” riep hij uit, „jij wéét dat
allemaal, net zoo goed als ik?”
„Wel natuurlijk, mijn beste mannetje. Ik ben toch geen idioot. Ik heb
toch oogen om te kijken....”
„—En je bent er kalm onder, en maakt er je niet dik meer over, dat er
overal misère om je heen is?”
„—Neen, Paulus. Het hélpt toch niets.... er is al zóóveel gedaan, en ’t
is allemaal ’t zelfde gebleven. Zoolang de menschen zulke pieterige,
misselijke, krenterige kruipertjes blijven, zóólang is er niets aan te
doen. Het kruipen zit er nu eenmaal in. Kijk me maar eens al die goede
bourgeois aan, die je blij kunt maken met een lintje en een ordetje.
Kijk ze eens náár leven, onbeschoft, en trappend naar beneden, serviel
en honigsmerend naar boven! En als de groote massa, de arme stumperds
en proletariërs het een béétje beter krijgen, dan worden ze net eender,
dan willen ze óók zulke bourgeois zijn, en zijn ze óók blij met een
knikje van een baron, of een graaf, en zijn ze voor alles te krijg,
voor een lintje, of een titel. Ik zie er geen gat meer in, Paulus,
heusch niet, en ik bemoei me er ook niet meer mee, ik heb er genoeg
van. Ik ben blij, dat ik met al dat vuil niet te maken heb, en dat ik
door het toeval in een milieu ben geplaatst, waar de menschen óók wel
niet zoo bizonder nobel zijn aangelegd, maar waar ze tenminste manieren
hebben, en frissche kleeren aan hun lijf, die niet stinken, en waar ze
gewoon zijn, zich behoorlijk te wasschen. Wat een broekie ben je toch
nog, Paulus.... er iets aan te willen veranderen, aan dat logge, brute,
door en door verrotte samenstel van menschen en dingen, dat de
Maatschappij heet!”
„—Maar de prinses dan!” zeide Paulus, met een laatste hoop, „maar Haar
Koninklijke Hoogheid! Die heeft toch invloed overal! Die zou toch zoo
héél, héél veel kunnen doen, als zij wilde! Maar ze wéét het misschien
niet! Ze leeft zoo hoog boven alles uit, in licht en glans, en kan de
ellende beneden niet weten. Haar witte paleis praalt hoog boven de
schamele hutten der armen, dicht bij de sterren. O! Als iemand haar
eens alles vertelde! Als iemand haar eens heelemaal kon zeggen al de
ellende en het onrecht, die teisteren het volk, dat haar liefheeft. Zou
dat haar groote hart dan niet ontroeren? Zij is zoo koninklijk en zoo
rechtvaardig en zoo rein, en in de plooien van haar witte gewaad woont
het medelijden, dat almachtig is, en wonderen kan doen!”
Marcelio had hem met een fijn glimlachje aangehoord, zooals men het wat
onnoozel gepraat zou doen van een lief, naïef kind. Hij schudde
bedenkelijk het hoofd.
„Nu, wat denk je?” vroeg Paulus, geagiteerd.
„Beste jongen,” zeide Marcelio, „je weet toch wel, dat de kroonprinses
is gebonden door de constitutie, en dat ze zelf niet zoo heel veel kan
doen. Maar, al kón ze....”
„—Nu?”....
„—Hm!.... ja.... zie je, Paulus.... het past me niet, een oordeel te
vellen over Haar Koninklijke Hoogheid.... over wat ze doen zou, of niet
doen zou.... maar ik geloof niet, dat de zaak haar nu zoo heel erg ter
harte zou gaan....”
„—Hè??”....
„—Ze is nog erg jong, Paulus, en ze is in heel oude ideeën opgevoed....
zooiets van dat Onze Lieve Heertje den staat van zaken zoo gewild
heeft, en dat zij vorstin is bij de gratie Gods, en het gezag moet hoog
houden.... het gezag nu, dat is juist de handhaving van den
tegenwoordigen staat van wreedheid en onrecht.... de zoogenaamde
maatschappelijke „orde”, dat is het parasietenleven van de minderheid
op de misère der overgroote massa.... en zij, de kroonprinses Leliane,
is de draagster van dat gezag, de handhaafster van die maatschappelijke
orde.... daar heeft ze ook haar leger voor....”
„Waartoe jíj ook behoort!”
„—Ja, waartoe ík ook behoor. En als het noodig was, zou ík er voor
moeten vechten óók, voor de handhaving van die orde....”
„Die onrecht en wanorde is!”
„—Mon Dieu, ja, dat weet ik wel... maar wat wil je er aan doen?.... ik
zei ’t je toch al: ik ben geen haar beter.... ik zit nu eenmaal in ’t
schuitje en heb het er altijd goed in gehad....”
„—En ik gelóóf je niet, Marcelio... Je kènt de kroonprinses Leliane
niet, als je zóó spreekt. Heb je wel eens goed haar goddelijke gezicht
gezien? Dat is ál goedheid en gerechtigheid en genade. Als zij nadert
fluisteren er zachte gebeden op in mijn ziel. Haar handen hebben het
gebaar van zachte zegening en heeling van wonden. Haar stem is zoeter
dan muziek. Omdat zij zoo hoog woont boven de huizen, en altijd in haar
eigen sfeer van glans is, weet zij de ellende niet van beneden. Maar,
als ze het weet! O! als ze het weet!... dan zal ze, als een zachte
Samaritane, naar de smarten gaan en groote wonderen doen.... Je moet
mij helpen, Marcelio, om haar te spreken, alléén, met niemand er
bij.... dan zal ik haar álles zeggen, wat ik gezien heb van misère en
verschrikking, van het volk in verdierlijking en vervuiling, en van
haar zusteren, die ’s avonds door de straten gaan, om uit honger haar
schande te veilen!.... want het zijn toch háár zusteren, niet waar,
Marcelio? Jezus zou ze toch óók háár zusteren hebben genoemd...”
Marcelio legde zijn hand medelijdend op Paulus’ schouder.
„Wat zal jíj nog een verdriet in je leven krijgen,” zeide hij
waarschuwend. „Met zulke geëxalteerde ideeën kóm je er heúsch niet,
kereltje.... ik voorzie niets dan beroerdigheid voor je.... en
onmógelijk maken zal je je óók bij Haar Koninklijke Hoogheid.... dat
kan niet uitblijven....”
Paulus zag zijn aristocratischen vriend in verbazing aan, en kon maar
niet begrijpen, hoe zijn fijne, gedistingeerde gezicht er zoo kalm en
correct bij bleef. Alles, wat hij zelf in bangen twijfel en met tranen
had bedacht, scheen Marcelio nu toch óók te weten. Dat ééne, dat vóór
alle wetenschap, vóór alle bespiegelingen over sociale toestanden
noodig was, het eenvoudige, christelijke erbarmen van den éénen mensch
vóór den anderen, de deemoedige deernis, de goddelijke chariteit,
zonder welke alle sociale systemen leeg en dood zouden blijven, óók dát
wist Marcelio, en hij had het zelf gevonden, en nergens in boeken
gelezen, evenals Paulus het had moeten vinden. En tóch zat hij daar nu
rustig, met wélbehagen aan zijn cigaret te trekken, alsof hij over
doodgewone dingen sprak.
„Dus je wilt me niet helpen?” vroeg Paulus, met opkroppende
verontwaardiging.
„Maar wel zéker, beste kerel.... zéker wil ik je helpen.... ik vind het
idee véél te interessant—jíj daar met je dolle, jonge enthousiasme,
tegenover Haar Koninklijke Hoogheid.... het geval is eenvoudig
éénig.... en je weet, ik houd van alles wat interessant is en me
aangename afleiding geeft in die vervelende komedie, die het leven
heet.... maar ik woû je alleen waarschuwen, dat je je niet te hoog
gespannen illusies moet maken. Er gebéuren geen wonderen meer in dezen
tijd.... daar is hij misschien te beroerd voor.... Dus jij wilt à tout
prix een audiëntie hebben bij Haar Koninklijke Hoogheid.... dan zullen
we er ons best voor doen, al zal het niet zoo heel gemakkelijk gaan—ben
je nu tevreden?.... als mijne tante, de hertogin Marcelia, mij helpen
wil, zal het wel gaan.... Het treft, dat ik de volgende week dienst heb
in Monte-Regina.... dan moet je maar met me meê, als een vriend van me,
en dan vind ik nog wel ergens een kamer voor je in het
Regina-Palace-Hôtel, waar Haar Koninklijke Hoogheid apartementen
heeft.... Ik waarschuw je vooruit, dat je je daar in álles te schikken
hebt, en vooral geen revolutionair mag lijken, anders komt er niets van
je audiëntie terecht.... je moet overal met mij meegaan, en je netjes
houden in de omstandigheden, die je het meeste zullen ergeren.... het
is daar het toppunt van weelde, in Monte-Regina, waar je zelfs hier, in
Leliënstad, geen idee van kunt hebben.... het brandpunt van het
kapitalisme, waar het geld geen waarde meer heeft.... je moet bij de
hand zijn, omdat Haar Koninklijke Hoogheid nog al eens van idee
verandert, en je dadelijk gebruik moet kunnen maken van haar goede
gezindheid en ’t goede oogenblik niet voorbij moogt laten gaan.... Je
moet me dus voorúit beloven, daar in Monte-Regina géén aanstoot te
geven, en je voor te doen als een der onzen.... ze moeten je daar
houden voor een aristocratischen auteur, mondain, en in de schaduw van
het vorstenhuis.... Belóóf je me dat?....”
Paulus voelde, dat het een harde strijd voor hem zou worden, zich kalm
te houden in eene omgeving, die hem weer hevige pijn zou doen en wonden
in ’t diepst van zijn ziel. Maar ’t einddoel zou wezen, dat hij haar
zien zou van aangezicht tot aangezicht, de koninklijke prinses, die de
genade zou brengen en het Recht...
Eindelijk dan, eíndelijk naderde het wonder, dat zijn ziel had
voorgevoeld...
„O! Marcelio! ik dánk je! ik dánk je!” riep hij enthousiast, „je wéét
niet, hóe gelukkig je mij maakt!”
Marcelio keek hem medelijdend aan, en schudde onmerkbaar het hoofd, als
over een kind, dat hij zijn zin maar had gegeven, om het stil te
houden.