Koud en zwaar hing de winter-mist over de groote, groote metropool.
Van de breede Koninginne-brug zag Paulus huiverend over de wijde,
grijze rivier, die Leliënstad scheidt in twee helften, de oude stad en
de nieuwe.—Wild voortgezweept door den snijdenden wind stroomde het
water met schuimende golven onder hem door, waar hij peinzend gebogen
stond over den natten, steenen wand.—Vóór hem zag hij het verre
rivierverschiet, met hooge bruggen, en nóg eens bruggen, en bruggen....
en als hij éven omzag, waren het weêr bruggen, op groote afstanden,
zonder eind.
Overal lagen kolossale, zwarte stoombooten, en zware zeilschepen, en
donkere, lange nachtschuiten, vòlbeladen. Sommige dreven stil op het
water met sombere drommen van loonslaven, zwoegend onder
ruggen-krommende lasten; zij waren als monsters, die, onverzadiglijk,
werden gevoederd. Andere stoomden hijgend en rook-wolkend de rivier op,
met roode lichten als vurige oogen, dreigend en onmeêdoogend. Een
onheilspellend gegalm van geluiden hing boven het water, gestamp van
machines, menschengevloek en gezang, gegil van hooge fluiten, en
ratelend gerammel van kettingen. Het was als een donkere, veege vaart
uit een heidensche hel, met zuchten, en steenen, en wanhoopsgeschreeuw.
En woest-wreed viel de kille mist al zwaarder en zwaarder over dit
duistere gebeuren.
De kaden aan weerszijden wemelden van wriemelende menigten, waar zwarte
karren grommelden af en aan, en droef gegons ophing te trillen van
zware stemmen.
De hooge stadsgebouwen stonden spookachtig in den nevel, met vage,
reusachtige vormen, donker en dreigend, en als heel moede, uitgeweende
oogen pinkten duizenden lichtjes, triestig en flauw.
Dicht op elkaar, zich verdringend, het een boven het ander, en weêr
hooger en hooger, blokten zij op, de zware gevaarten, zwart en
zwijgend, eindeloos in het rond...
Een sinister ruischen, vol verwarde, rustelooze geruchten, beefde óp
van de groote stad, en het was als het zware, moeilijke ademhalen van
een rochelend monster, dat daar lag, log en massaal, met zijn tallooze
vurige bloed-oogen, onder den grijzen, duisteren hemel.
Paulus stond te rillen van angst.
Het was alles zoo groot, en zoo zwart, en zoo genadeloos. Het leek
onherroepelijk, zonder één glanzing van hoop, eeuwig en onverbiddelijk.
Als een helsche creatie van ’t absolute kwaad lag de sombere metropool
om hem heen, waar de donkere slaven zwoegden en zuchtten, voor altoos
verdoemd, onder den strakken, hoogen hemel, waar geen erbarming woonde.
En hij dacht met ontzetting, of dít nu misschien niet de Hel was, waar
weening was en knarsing van tanden, dit ontzaglijke, wreede gevaarte
van duistere huizingen, in bange benauwing op elkaar gekropen, waar de
menschen woonden in weedom en zonde. —
Als dreigende armen staken heinde en ver de lange schoorsteenen van
honderden fabrieken omhoog; hun dikke, zwarte rookwolken drongen door
de grijze mist. En hij wist, daaronder sloofden duizenden van zijn
broeders, hijgend en zwoegend, in onnoembaar, menschonteerend werk,
afgebeuld als waardeloos vee, om niet van honger te sterven. —
Hij voelde een benauwing, alsof hij straks zou stikken. Overal stond
het ontzaglijke monster om hem heen, van rechts en van links, van
achteren en van voren; het leek hem te omvatten, en straks zou dat
alles op hem af komen, en hem verpletteren. Daar was nu geen ontkomen
meer aan, het was té groot en té almachtig, en het was onmógelijk, hier
ooit iets aan te veranderen, dat het nog eindelijk ten goede werd.
Een huiverige angst scheen over alles te broeien. Die schelle
wanhoopsgeluiden, dat droef gegons van stemmen, dat akelig gegil van
stoomfluiten, dat hol getoeter van horens, het leek wel een dolle jacht
van den dood. Alle menschen op de brug liepen haastig, bang in de
kragen van hun jassen gedoken, als durfden zij niet te zien; omnibussen
vol zwarte wezens holden vooruit, als vluchtten zij voor een
verschrikking, en alles haastte en repte zich zenuwachtig door elkaar.
Zou dan eìndelijk straks de verdoemenis komen, en het àl verteerd
worden in vlammen en vuur?.... Want zóó kon dit toch niet blijven, zoo
duister en des doods, zoo vol slechtheid en wilden weedom, met dien
zwaren vloek, die over alles heen hing wat bestond....
Nergens, nergens was een uitkomst in die dreiging, die broeide over de
stad. De mist wolkte al dichter en dichter op, en het was, of alles nu
ging verstikken.
Opeens, dáár, in de hoogte, schitterden honderden felle, witte
ballonnen op. De lichten in het koninklijke kasteel werden ontstoken,
en als een mirakel, goddelijk en klaar, blonk óp een wit paleis, ver
boven de duistere huizingen, waar de mist niet meer reikte. De intense,
schitterende lichtbundels straalden maagdelijk door het ruim, en in die
reine glorie, op den hoogen berg, in een aparte atmosfeer, woonde de
prinses Leliane, ongenaakbaar als een ster.
Toen voelde de jonge Paulus een gebed opstijgen uit zijn ziel, en
aandachtig vouwde hij de handen, waar hij de oogen ophief naar het
witte paleis daar boven.
„Leliane!” fluisterde hij. „Leliane!”
O! Dáár was het Licht, dáár woonde het Recht, dáár wachtte de
Genade!....
Zou zij nu eìndelijk komen, zou zij nu eìndelijk afdalen, dragend het
zachte erbarmen in haar blanke handen, met het koninklijke medelijden
in de kuische plooien van haar witte gewaad?....
Het schitterende paleis leek wel de hemel-woning van een God den Vader
boven de donkere, sombere stad van weedom en van zonde....
En héél zijn ziel riep haar, om nu te komen, eìndelijk te komen, om
genade en verlossing te brengen in de ellende van haar groote, groote
stad....
Toen voelde hij opeens een hand op zijn schouder, en een wèlbekende
stem riep zijn naam.
„Paulus?... Maar, jongen, wat sta je hier te peinzen, op die brug?....”
Maar Paulus durfde niets te zeggen van prinses Leliane aan zijn vriend.
Dit was té heilig voor een ander, dit leefde té voorzichtig, in een
veiligen hoek van zijn ziel. Enkel dat andere kon hij zeggen.
—„Wat een ontzettend gezicht,” zeide hij, „hier op deze brug. Hoe
verschrikkelijk toch, die rivier vol donkere booten, en aan weerszijden
die hooge huizen van de stad, en dan die mist, die zoo dreigend
opstijgt, en die ontzettende geluiden overal. Het werd me ineens zoo
bang, Elias! En wat wordt het koud; ik ril er van!”
„Ja, mijn jongen,” antwoordde Elias, „nu breekt er een heel kwade tijd
aan. We zijn nu al in ’t begin van den winter, en dan komen we in ’t
hartje van de misère. Je weet nog niet, wat het zeggen wil, winter,
mijn brave!.... Zie je hier wel goed al die bruggen?.... vooral de
brug, waar we hier op staan?.... zie je die breede bogen en die zuilen
van onderen, en dáár, die welvingen, aan den wal.... dat wordt nu het
nachtleger van de ellendige proletariërs dezen winter.... daar slapen
ze, om niet te bevriezen van de koû.... want nu is het uit met de
bankjes in de plantsoenen, en de vrije velden buiten.... daar zouden ze
bevriezen.... hier onder die bruggen, mijn brave, dicht op elkaar
gekropen, als vee, waar ze ten minste beschut zijn tegen sneeuw en
ijzigen wind, slapen ’s winters geen hónderden, maar duizenden
menschen, onze broeders, onze zusters, en moeders met kinderen, zóó
maar op den harden grond.... o, als die bruggen er niet waren, die
goede, wèldoende bruggen.... en vooràl deze, de Koninginnebrug.... hier
slapen de proletariërs zóó maar voor niets, in de schaduw van háár
koninklijken naam.... en zij zelve woont dan veilig in de warmte, in de
zon....”
Vragend keek Paulus hem aan.
—„In de zon?.... hoe bedoel je dat?”....
—„Wel, in deze koude wintermaanden gaat de koninklijke prinses naar den
eeuwigen zomer in Monte-Regina.... je weet toch wel, die groote
badplaats aan de Middellandsche zee, waar die beroemde speelbank
is?.... Haar Koninklijke Hoogheid kan toch niet haar teedere leden
blootstellen aan de ijzige winden en de felle vorst van het Noorden,
waar haar millioenen Leliënstadsche onderdanen goed voor zijn... zij
brengt iederen winter een tijd in een of andere badplaats door in het
Zuiden—en dit jaar zal het Monte-Regina zijn, dat stond vanavond in de
courant... iedereen die het maar éénigszins doen kan van de
wèlgestelden in de maatschappij gaat natuurlijk ’s winters naar het
Zuiden, dat weet je toch wel.... de aristocratie, en de
kapitalisten.... die kunnen toch niet met wintervoeten loopen, mijn
beste jongen.... dat moet je toch vòelen.... dat is goed voor den
proletariër en den kleinen man....”
—„Gaan die naar ’t Zuiden.... naar de warme zon?....” vroeg Paulus,
naïef.... „terwijl hier duizenden op den harden grond, onder de bruggen
slapen, om niet te bevriezen?”....
—„Ja, zéker, kereltje.... wat heeft dat met elkaar te maken.... daar
hebben zij niets mee uit te staan, en het is hún schuld niet, zeggen
ze....”
„-Monte-Regina... ja, daar heb ik van gehoord en gelezen... moet daar
niet enorm worden gespeeld?... en is het er zóó mooi?....”
„Het is er een paradijs, Paulus. Ik ben er ééns geweest, toen ik nog
héél jong was, en het onrecht nog niet wist... het is daar alles
eeuwige lente en eeuwige jeugd... de zachte lucht is doordroomd van
zoete bloemen-geuren, en de zee is er van het wondere-azuur, dat een
weerschijn is van de allerheiligste hemelen.... en in die prachtige
natuur, terwijl híer duizenden en duizenden wegteren van koude en
gebrek, loopen dáár de pratte poenen van het parasitisme, en spelen er
roekeloos met millioenen, die aan het proletariaat zijn onttrokken....
De bank alléén, Paulus, maakt er een netto winst elk jaar van zes en
twintig millioen... denk eens, beste kerel, wat een schat dat is....
wat de arme bliksems, die hier ’s nachts onder de bruggen slapen, om
niet te bevriezen, daaraan zouden hebben!”....
Paulus zweeg. Hij zag over de grijze rivier, waar de zware, zwarte
booten zuchtten en steenden, uitstootend hun donkere wolken van
rook.—Hij zag ook de hooge, dreigende schoorsteenen in ’t rond, en
hoorde het dreunen van de zwoegende, slovende stad. Een benauwing kwam
over hem, en hij greep Elias’ arm.
„O! Al die booten... al die schoorsteenen...” zeide hij toen.... „hoe
vrééselijk lijkt me dat allemaal ineens....”
„—Maar, jongen, die booten,” antwoordde Elias ironisch.... „dat is de
hándel.... en die fabrieken ook... dat heet de wèlvaart van een
land.... de industrie, de nijverheid.... daar wordt een land gróót
van.... dat wil zeggen: daar wordt een kleine minderheid kapitalisten
rijk van, en de groote meerderheid, die ’t eigenlijke werk doet, blijft
er juíst nog door in leven, en verhongert niet.... Al die duizenden,
die daar zwoegen in die booten en op die fabrieken, doen dat eigenlijk
alléén om een paar honderd kapitalisten rijk te maken... Als één zoo’n
rijke meneer in Monte-Regina zijn Havanah van vijf francs rookt na zijn
diner van vijftig, moeten daar naar verhouding minstens een twintigtal
andere menschen een heelen dag voor sjouwen, om het financiëele
evenwicht te bewaren... en dat noemen ze dan de handel, de wèlvaart....
zóó zit dat in elkaar... al dat getob en gesloof hier om je heen is ten
bate van énkelen, niet van allen... Kijk, daar gáát weer zoo’n boot...
mooi hè?... volbeladen met goederen die worden verkocht... zie je al
die sjouwers daar aan de kaai, met hun zakken en hun kisten?... daar
kan er weer een voor naar ’t Zuiden... Maar laten we hier nu niet
blijven staan, loop mee een eindje op, ik moet naar een vergadering van
de partij, bréng me zoo ver...”
Zwijgend liep Paulus naast hem mede.—De brug was vol voetgangers en
rijtuigen. Alles holde heen en weer, zenuwachtig, gehaast.—Het werk van
den avond begon.—Bleeke couranten-jongens renden vooruit met de nieuwe
editie van den avond, om het eerst op de Boulevards te zijn,
schreeuwend den naam van hun blad, met een eentonig-droef geluid.—Een
paar prostituées uit de oude stad, zich reppend naar de nieuwe, waar de
meeste vreemdelingen kwamen, gingen hem rakelings voorbij. Ééne, met
een flets misère-gezicht, lonkte tegen hem, rillend onder haar
versleten boa. En hij had haar kunnen zoenen, een heel zachte
wanhoopskus van innig medelijden.
„—Ik moet naar die vergadering om te spreken over de aanstaande
verkiezingen,” zeide Elias. „We moéten weer een paar zetels winnen dit
jaar, en ik ben vol moed.”
Maar Paulus begreep niets van de hoop, die in Elias’ oogen blonk. Op
vijfhonderd zetels in het Parlement had Elias’ partij van de
sociaal-democraten er nu nog geen honderd. En bóven dat Parlement stond
het Hooge Huis, bijna geheel uit den voornaamsten adel en groote
kapitalisten samengesteld, dat met één veto alle door dat Parlement
aangenomen wetten kon vernietigen.
En ondertusschen bleef het onrecht, bleef de groote leugen van de
christelijke maatschappij voortbestaan, ongestoord.
—„Heb je nu al véél in de boeken gelezen, die ik je gaf?” vroeg Elias
weer.
„O ja!” zeide Paulus, „héél veel.... en ik dánk je er wèl voor.... ik
ga nu al véél meer weten.... ik begrijp nu meér....”
Maar de toon, waarop hij het zeide, was moedeloos. Ja, hij had veel
gelezen; het was wáár. Maar de boeken hadden hem niet voldaan. Hij had
gelezen de groote werken van sociaal-economen, véél over de economie,
en de staathuishoudkunde, en vooral over de natuurlijke, sociale
evolutie, waar Elias’ partij nu alle heil van verwachtte. Volgens die
schrijvers was de sociale verbetering in den loop der tijden een
absolute, logische noodzakelijkheid, die in de natuurlijke,
onvermijdelijke orde der dingen lag, en met wiskunstige zekerheid was
aan te geven, als het gevolg, dat uit een oorzaak moest voortkomen. Het
was alles nog maar een kwestie van den tijd, die een onvermijdelijke
overgang behoefde.—
Maar uit géén dier boeken had gesproken het groote erbarmen, de
goddelijke chariteit, die Paulus bij intuïtie het éénige geneesmiddel
wist voor de universeele ellende. O! Dat placide geloof in de tijden,
in de toekomst, waar de misère van nú dan toch reddeloos verloren voor
bleef!.... En hij was altijd blijven droomen van een plotselinge
revelatie, een wonder van ontzaglijke goedheid, een goddelijke genade,
die opééns zegenend de handen uitbreidde over het wereld-leed.
Toen Elias hem, vóór de deur van het vergaderlokaal, de hand ten
afscheid had gedrukt, keek Paulus hem mistroostig na.
Daar zou nu het gedelibereer weer beginnen, het organiseeren en
propagandeeren, en wàt al niet meer, om eindelijk dan weer een paar
sociaal-democraten in het Parlement te krijgen. Maar ondertusschen
duurde de misère voort, en werden de ongelukkigen van nú er niet door
geholpen. Al die duizenden, in het vuil en de modder van „De sloppen
der verlorenen”, al die zwoegende slaven in de bedompte mijnen en
fabrieken, al de jammerlijke vrouwen, veilende haar klagelijk lijf, zij
zouden allen in het onrecht reeds lang ellendig zijn gestorven, vóór
dat de meerderheid in het Parlement het goede zou willen. Wat hadden
zij er aan, dat de sociale evolutie geleidelijk zou vooruitgaan, als
zíj dan toch in déze tijden reddeloos waren verloren?
En hij voelde het intuïtief, een stelsel, dat de Liefde niet erkende,
en enkel op een koude noodzakelijkheid was gebaseerd, hoéveel heil het
in een verre toekomst ook zou kunnen brengen, zou nooit het wonder
kunnen doen, dat hij verwachtte.
Want een wonder verwachtte hij. Het kón zoo niet blijven, als het nú
was. Niet honderden jaren later, maar nú moest het Recht al komen. Een
groot licht zou over de wereld gaan, en een oneindige liefde, een
goddelijke genade zou de eindelijke transformatie doen gebeuren. De
reine, christelijke deernis, waarvan Jezus Christus had gesproken, zou
dan de harten der menschen beroeren, en, door dit heilige gevoel
geleid, zou alles van zélf geopenbaard zijn, en alle menschen zouden
broeders worden, en als broeders alles deelen. En dit zou alles zóó
simpel en natuurlijk zijn, zoo zonder éénige verwarring of complicatie,
dat kinderen het begrijpen zouden, en ieder verbaasd zou staan, dat
alles vroeger zóó duister had kunnen schijnen.
Langzaam was in de laatste tijden het denkbeeld in hem gerijpt, dat het
wonder alléén maar van de prinses Leliane kon komen, de hoogste, de
reinste, de heiligste uit het gansche land. Uit de verwarring van de
vele geleerde lectuur, die hij doorworsteld had, was één simpele
gedachte in hem opgekomen, die hem de éénige uitweg scheen uit dat
droeve doolhof van theorieën en systemen. Het was zoo heel eenvoudig,
vond hij, in zijn groote naïeveteit. De prinses woonde daar zoo ver,
zoo hoog verheven boven het weedom der wereld, in haar ongenaakbare,
witte paleis, en de smartkreten der verdrukten, zij drongen niet tot
haar door. Welnu, hij zou trachten toegang tot haar te krijgen, en haar
te spreken. Marcelio had zooveel invloed, en zou hem zeker helpen. En
als hij dan was toegelaten tot haar heilige presentie, dan zou hij
eerbiedig op de knieën zinken, en haar vertellen van het leed, dat hij
gezien had, en haar koninklijke ontferming afsmeeken over de
verdrukten. Haar wezen was reinheid, en haar onschuldig aangezicht was
liefde, en het zoete medelijden woonde in de plooien van haar witte
gewaad. Haar heilig hart zou wijd opengaan, en het groote wonder zou
uit haar gebeuren.—Over de dorre wetten en de constituties, en alles
heen, zou haar groote liefde uitstralen en het volk bereiken, dat
smachtend wachtte.
Als van háár koninklijke wezen de beweging uitging, zouden allen wel
moeten volgen, en de rijken zouden liefderijk tot de armen komen, met
bloemen in hun handen. Het was zoo heel eenvoudig, als je er over
dacht. De liefde zou het wonder doen, door háár blanke ziel begonnen,
en wie zou ééne bete broods nog kunnen genieten, als hij wist, dat een
ander van honger lag te sterven, en wie zou niet gaarne de helft van
zijnen dronk willen missen, als hij zag, dat naast hem iemand
versmachtte, en als de heilige prinses Leliane de moeder van al haar
kinderen van het volk wilde zijn, wie zou dan niet zijns broeders
hoeder willen wezen?....