2. Eijerland,

Aldus genoemd naar het verbazend groot aantal eijeren, dat hier

in vroegere jaren gevonden werd [32], was vroeger een afzonderlijk

eiland. Thans maakt het, vereenigd met Texel, waarmede het nu verbonden

is, het grootste van de reeks eilanden uit, welke zich van Hollands

Noordelijken uithoek tot naar den mond der Elve, uitstrekken en die

de overblijfselen uitmaken van den aaneengeschakelden duinzoom, die

oudtijds ook aan onze Noordkust, de binnenlanden tegen de woede van

den Oceaan gedekt heeft. Weleer bestond het Eijerland uit de van ouds

bekende Duinkom, gevormd door diluvische of oorspronkelijke gronden,

(waarop het geheel op zich zelf staande Eijerlandshuis [33] gevonden

wordt), en het tusschen dit Eijerland en Texel gelegene Buitenveld,

zijnde een aangeslibte grond.

Dit buitenveld bestond uit onbegroesde zandvlakten en begroesde

kweldergronden, waaruit zich oostwaarts eene menigte natuurlijke

kreken, hier zwennen of slufters genoemd, ontlastten, en waarvan de

zuidelijkste of de Hoogezands-kil, benevens de Noordelijkste of de

botrijke Roggesloot, de voornaamste waren.

Vóór ongeveer twee eeuwen spoelde het Noordzeewater, bij spring-

en stormgetijden, over deze door de aanslibbing der zee, opgehoogde

tusschenruimte, waarover het zich eenen weg naar den boezem der

Zuiderzee baande. Dit veranderde echter in de jaren 1629 en 1630,

toen Oud-Eijerland, door het opwerpen van eenen zanddam over die

vlakte, met het eiland Texel werd verbonden. Deze dam, welke thans

onder de benaming van Zanddijk bekend staat, vertoont zich nu als

eene duinketen, welke zich, ter hoogte van 18 tot 25 ellen, in eene

regte lijn uitstrekt van Maikeduin, noordelijk van de Koogerduinen,

tot voorbij Zanddijkshuis aan Oosterduin, over eene lengte van ongeveer

4700 ellen. Tot welke hoogte deze zanddijk oorspronkelijk opgeworpen

zij, is niet bekend; dit echter is zeker, dat hij zijne tegenwoordige

hoogte erlangd heeft, zoo door natuurlijke opstuiving, als door

kunstmatige helmbeplanting, welke nog heden ten dage, op last der

provinciale overheid, jaarlijks met de meeste zorg wordt onderhouden.

Door den aanleg van den voorschreven zanddijk, werd hier veel

buitenland aangewonnen, waarop in 1649 de Gecommiteerde Raden van het

Noorderkwartier eene groote landmanswoning lieten bouwen, welke sedert

dien tijd met het aangewonnen buitenland, waarop veel vee werd geweid,

afzonderlijk van het Eijerland verhuurd werd. Te dien tijde, werden

er op dit eiland vele konijnen en veel gevogelte gevonden. Er woonde

toenmaals een kastelein, naar wien het Eijerlandsche Huis nog wel het

huis van den kastelein genoemd wordt, en bij wiens woning toen slechts

twee boerenhuizen of schaapskooijen stonden. Op kleinen afstand van

des kasteleins woning, was eene vrij hooge kaap of steng, van waar

men een vrij en ruim uitzigt over den Oceaan had.--De meeuweneijeren

waren er ten eenenmale ontelbaar, en werden ingezameld van Mei tot

24 Junij, door en onder het opzigt van den kastelein, die daartoe bij

uitsluiting het regt bezat, en gemiddeld 7 à 8 helpers noodig had. Zij

werden òf op Texel verkocht, òf, en voornamelijk, naar Amsterdam en

elders verzonden; ook werden zij wel als een welsmakend geschenk naar

elders overgemaakt. Deze eijeroogst leverde den kastelein, behalve

zijn gewoon jaargeld, een ruim inkomen op, hetwelk door de opbrengst

der konijnen nog aanmerkelijk werd verhoogd.

Tegenwoordig begrijpt men onder de benaming Eijerland zoowel het

voormalige Buitenveld als Oud Eijerland. Dit tegenwoordig Eijerland

strekt zich in eene N. N. O. rigting van Texel uit, en grenst

Noordwaarts aan het Eijerlandsche Gat, waardoor het van het eiland

Vlieland is gescheiden; Oostwaarts van de laagwaterlijn tot langs de

palen van den Noorder-Zeedijk van Texel; Zuidwaarts aan de limitpalen,

langs den Ruigendijk, welke vroeger de polders Oosterend, Waal en Burg,

als ook het Koogerveld, tegen overstrooming beveiligden, en Westwaarts

aan de Noordzee, waarin, ten Noordwesten van het Eijerlandshuis,

de gevaarlijke Eijerlandsche gronden liggen.

Het gansche Eijerland, dat het thans Noordelijk gedeelte van het Eiland

Texel uitmaakt, beslaat eene oppervlakte van 8000 bunders, waarvan

de Noordelijke en Westelijke stranden en duinen, ter grootte van

2200 bunders, aan de provincie behoorden, terwijl de overige, zijnde

domaniale gronden, die door nummerpalen afgedeeld en begrensd waren,

volgens den kadastralen legger, eene grondvlakte van 5807 bunders,

98 [] roeden en 83 [] ellen besloegen, en waarvan 2565 bunders

kwelderlanden waren, die tot weide gebezigd werden.--Bij eene latere

hermeting, werd Eijerland's oppervlakte groot bevonden te zijn 5852

bunders, 98 [] roeden en 91 [] ellen.--Genoemde kweldergronden werden

in vroegeren tijd met de oostelijke slikken en aanwassen door het

Domeinbestuur verpacht. De laatste verpachting in drie percelen, zoo

als dit steeds vroeger plaats greep, door de Permanente Commissie van

het Amortisatie-Sijndikaat, werd gehouden den 24sten Januarij 1833.

De toen verpachtte percelen waren:

1. Het Eijerlandshuis, met binnengronden en duinen, benevens een

gedeelte van het Buitenveld, groot ongeveer 180 bunders;--

2. Het Zanddijkshuis, grenzende noordwaarts aan het vorige perceel,

van den Zwarten paal in de Oosterduinen, langs de groote Zwen

naar Waltherduin, en zuidwaarts palende aan het hier na te melden

3e perceel (Kwelderbeek), bij paal b, onder den Zanddijk, groot

p.m. 1022 bunders;--

3. Kwelderbeek, groot 1363 bunders, dat Noordwaarts paalde aan

paal b en de Scheid-zwen, liggende Noordelijk van de Oosterbollen of

Directiekeet; Zuidwaarts aan de palen bij den Ruigendijk en paal 12 bij

den kwelder Maikenduin. Dirkje Maikeduin en de vallei de Nederlanden,

als ongans beschouwd wordende, werden afzonderlijk gebruikt, vermits

bij de voorwaarden van verpachting bepaald was geworden, dat de

Koogerduinen, Slufterbollen en andere deelen, alleen met getuurde

schapen en geen ander vee beweid mogten worden.

Deze perceelen werden voor den tijd van zes jaren verpacht, t. w.

Eijerlandshuis voor f 980. Op welk perceel de pachter in het laatste

zijner pachtjaren weidde 220 schapen, 35 runderen en 7 paarden,

welke laatsten gebezigd werden, zoo ter binnenhaling van het hooi,

als ten dienste der strandvonderij.

Zanddijkshuis, met Zanddijkshoe aan den Noordkant van de Roggesloot, en

een herdersstulp bij de Doodemansbollen, zuidwaarts van de Roggesloot,

voor f 1340. De pachter weidde hier 800 schapen, eenige koeijen en

paarden, benevens eenig jong vee.

Kwelderbeek, met de herderswoning op de Oosterbollen, aan den slufter

van dien naam, voor f 2140, hier werden geweid 1230 schapen, 6 paarden

en 20 runderen.

Het toenmalig zielental dezer drie pachthoeven, waarbij twee

herdershuishoudingen, bedroeg ongeveer een 30tal personen. Deze vijf

gezinnen erlangden hun bestaan in de schapenteelt, het zoeken van

eijeren, de konijnenjagt [34] en de strandvonderij.

Reeds vroeg echter was het denkbeeld ter bedijking van het Buitenveld

geopperd. Zoo vormde o. a. Leendert den Berger, woonachtig op het

buitengoed Brakenstein, tusschen het Oude Schild en De Burg, reeds

in 1573 het plan daartoe; tegen dit plan werd echter, vooral door

de Provinciale staten van Friesland, geijverd.--Eerst in 1835 kwam

het ontwerp ter bedijking van Eijerland, op eene uitgebreide schaal,

tot stand, ten gevolge van een, door vier personen, aan den Koning

daartoe gerigt verzoek. Den 21sten Februarij van dat jaar werd

het geheele Eijerland, tegen eene koopsom van f 90,000, te betalen

in 12 jaarlijksche termijnen, met eene interest van 2 1/2 % voor

het onbetaalde, te rekenen met 1 Januarij 1835, in vollen eigendom

overgedragen aan de H. H. Paulus Langeveld Kzn. te Giessendam, Willem

Langeveld Kzn. te Hardinxveld, Marcellus Leendert Plooster, te Ameide

en Tienhoven, alle aannemers van publieke werken, en Nicolaas Josephus

de Cock, Handelaar te Rotterdam.

De eigendomsoverdragt had plaats, als tiendvrije eigendom, op den

voet als Eijerland en het Buitenveld door het Rijk bezeten waren, en

onder de gewone voorwaarden van eigendomsovergang, met het regt van

visscherij en jagt.--Volgens contract, waren de koopers verpligt, de

gekochte en daartoe geschikte gronden, binnen den tijd van 8 jaren te

bedijken. Vooraf echter moesten de plannen dier bedijking ingezonden

worden aan, en goedgekeurd door het Ministerie van Binnenlandsche

Zaken, terwijl de koopers zich tevens moesten onderwerpen aan alle

verordeningen, welke opzigtens het bedijken, toen bestonden, of nog

gemaakt mogten worden; voorts werd bepaald, dat de koopers de duinen

op de domaniale gronden, door helmbeplanting moesten onderhouden,

terwijl het Rijk zich het regt voorbehield van overpaden voor wagens,

paarden en personen naar de door aanslibbing nog te verkrijgene

gronden, buiten de limiet van het verkochte land, en dat wel zonder

eenig bezwaar of onderhoud voor den Staat, voorts eene vaart op de te

graven kanalen, zonder eenige betaling of tegemoetkoming van tollen,

vaarten, bruggen, enz.

Inzonderheid waren er bij het koopcontract bepalingen vastgesteld, ten

opzigte van den van oudsher bestaande postrid, naar het Eijerlandshuis

en de gemeenschap met de postschuit van Vlieland, als ook van den

bijstand, zoowel aan den postillon als aan de schippers te verleenen.

Nadat de overdragt op deze wijze haar beslag had erlangd, werd er

door de respective koopers, in verband met andere geassociëerden,

eene Maatschappij opgerigt, welken den naam van Societeit van Eigendom

van Eijerland heeft, welke hare werkzaamheden onder het onmiddelijk

beheer, der drie eerstgenoemde Heeren, als deskundigen geadsisteerd

door een viertal deelhebbers, aanvaardden en al aanstonds het plan

ter bedijking ontwierp.--Dit plan werd in den verbazend korten tijd

van circa 20 weken, (van medio April, tot het begin van September,)

geheel voor eigen rekening, met 1500 werklieden ten uitvoer gebragt;

en weldra zag men eene oppervlakte van 3165 bunders land, door

eenen dijk van 11.122 1/2 el lengte, tegen de overstrooming der zee

gewaarborgd. Deze dijk werd aan Woltherduin begonnen, en strekt zich

van daar, in 10 regte lijnen, tot aan den Ruigendijk uit.--De lengte

dier lijnen is echter zeer verschillend; zoo is b. v. de eerste

1608, en de 9de 283 ellen lang, terwijl de dijkshoogte gemiddeld

3.50 el boven vol zee verheven is.--De dijk is voorzien van twee

steenen duikersluizen. Beiden hebben denzelfden inhoud, alhoewel de

Noordelijkste, alwaar de dijk het zwaarste is, de grootste lengte

heeft, beiden zijn 2 ellen breed en diep. De bodem van den drempel

ligt 2.37 ellen onder volzee, of 2.86 ellen onder terrein.

Van deze sluis, welke het eerste stroomde, en die daartoe dan ook

eene veel betere ligging heeft dan die der Hoogezands-kil, werd de

dam, in September doorgestoken en het water ingelaten door den Heer

Marten Douwes Teenstra, Directeur van Landbouw, die tevens met de

indeeling en het cultiveren van den Eijerlandschenpolder belast was.

Te gelijk met het leggen van den dijk, werd, aan de binnenzijde er

van, een kanaal gegraven van 20 ellen == terrein breed, en 12 ellen

in den bodem. Dit kanaal leverde het grootste gedeelte der, tot het

maken van den dijk, benoodigde specie op.

Over het geheel is Eijerlands bodem een vrij gelijk terrein, dat

gemiddeld 0,50 el, boven volzee gelegen is, uitgenomen eenige begroeide

zandvlakten. Deze zandvlakten zijn, van den Ruigendijk afkomende,

op Texel bekend, als: het Lammerbults-zand, dat ten westen van den

Meeuwenbol ligt; de Bolletjes (gebroken land met bollen), Koebultszand,

Arm der Hoogezandskil en Oosterduin-zand, bij Zanddijkshuis; terwijl

de voornaamste kreken, welke allen in het Dijkskanaal uitloopen,

van die zelfde zijde afkomende, zijn: De Ruigendijks-zwen; de Breg-

of Kwelder-zwen; de Kabeljaauwslufter; de Hoogezands-kil, de Kruisbalg;

de Huisjeskreek of Oosterbollen-zwen; de Scheid-zwen; de Rogge-sloot;

de Kleine-Zwen en de Groote-Zwen of Wolther-duins-kil.

De indijking nu volbragt zijnde, ging men al dadelijk tot de

ontginning over, en reeds in Augustus en September 1835, werden er

op 6 kavels land, te zamen ter grootte van 26 1/2 bunders, proeven

genomen met winterkoolzaad; den 12den Augustus werd de eerste akker,

door den directeur van Landbouw, den reeds genoemden Heer Teenstra,

met koolzaad bezaaid. Deze proefstukken lagen langs het kanaal, en

bepaaldelijk het Noordelijkste op den Noorderhoek van de Groote Zwen

bij Woltherduin, terwijl de overigen afgezonderd van elkander, tot

aan den Ruigendijk lagen. Men droeg zorg de bezaaide stukken lands,

door het opwerpen van aarden dammen of dijkjes, hier tuinen genoemd,

tegen het indringen van vee, te beschutten; en ofschoon het gezaaide

veel door droogte leed, en later bovendien nog, ten gevolge van het

niet in tijds afstroomen der sluizen, door het hooge binnenwater

voor het meerendeel verloren geraakte, zoo leverde het echter nog

343 mudden zaad op, waarvan het Zuidelijkste stuk het meest rendeerde.

In den nazomer van 1835, en gedurende den daaraanvolgenden winter,

werd Eijerland door wegen, slooten, togten en greppen ingedeeld. Tot

basis dier indeeling nam men den Zanddijk, terwijl men op evenwijdigen

afstand van dezen, twee strekkende wegen afgroef. De Oostelijkste,

welke het naast aan den nieuwen dijk ligt, en Hoofdweg wordt geheeten,

heeft eene breedte van 14 ellen. Ter wederzijde loopt eene sloot van

5 ellen breedte, op eene diepte van 1 1/2 en 1/2 el in den bodem;

voorts aan elke zijde eenen berm van 1 el en 1/2 el talud, terwijl

de kruin eene breedte van 11 ellen heeft, met eene tonrondte van

0.90 el boven terrein. Deze Hoofdweg strekt zich van den Ruigendijk,

of limietweg, in eene regte lijn, 7447 1/2 ellen uit, tot dáár waar

hij tegen de tweede dijklinie stuit.

De Postweg, welke 1280 ellen westelijker ligt, is gelegen tusschen

slooten van 2 ellen, waarvan de Oostelijke later tot 5 ellen is

verbreed, en heeft eene breedte van 10 ellen. Ook de dwarsslooten

hebben diezelfde breedte, en zijn insgelijks palende aan slooten

van 2 ellen breed.--Door de twee genoemde strekkende hoofd- en vier

dwarswegen is Eijerland regelmatig verdeeld in sectiën van 200 bunders

ieder; elke sectie bevat 10 gelijke perceelen, elk ter grootte dus

van 20 bunders, welke in metjes, van éénen bunder elk, door greppen,

ter breedte en diepte van 1/2 el zijn afgedeeld.--Diensvolgens hebben

op Eijerland de bunders eenen langwerpig vier hoekigen vorm. Die,

tusschen de Roggesloot en Eijerlands-huis, zijn 250 ellen lang en 40

ellen breed, en die, tusschen de Roggesloot en Ruigendijk, zijn 312

1/2 bij 32 ellen.--

De hooi- en weilanden bij Eijerlandshuis, reeds vroeger met slooten

doorschoten, heeft men in den ouden vorm gelaten. Deze, zich hier

bevallig voordoende duinkom, heeft aan de tegenovergestelde zijde,

gevaarlijke N. W. loopende buitengronden, welke eene hoogst gevaarlijke

offerbank voor de zeelieden uitmaken, en als zoodanig ook op de

zeekaarten aangeteekend zijn.

De Noordelijkste uithoek van Eijerland, welke sterk vooruitspringt,

draagt den naam van het Engelsche kerkhof, ter oorzake van de

menigte schipbreukelingen, welke hier den dood vonden en begraven

werden. Geen wonder, dat men van Engelsche zeelieden, bij het spreken

over Eijerland, meermalen hoort zeggen: Damm Egg Island! [35]

In het jaar 1836, werd de ontginning der gronden met meerder kracht

doorgezet; terwijl daarbij tevens de veeteelt, door den aankoop van

runderen en schapen zeer werd uitgebreid.

De oogst van de, in de Lente van genoemd jaar, aan den grond

toevertrouwde zaden, welke bestonden uit 62 1/2 bunders zomergarst,

78 bunders zomerkoolzaad, 15 bunders haver, 4 bunders maartegarst,

10 bunders aardappelen, 2 bunders meekrap, benevens 2 bunders

paardenboonen, was, ten gevolge van het buitengewoon drooge en schrale

jaargetijde, gansch niet voordeelig.

Evenwel werd de landbouw, ondanks den aanvankelijken tegenspoed,

met ijver doorgezet en uitgebreid, zoodat reeds in Julij, Augustus

en September, 817 bunders alleen met winterkoolzaad (waaronder 47

bunders met wit bloeijend) werden bezaaid. Van andere graansoorten

zaaide men minder, namelijk 5 bunders garst, 5 bunders tarwe en 4

bunders rogge.--Eene groote hinderpaal bij de bebouwing, bestaat in

den ongelijksoortigen grond.

Het hoogere gedeelte van Eijerland, dat uit geel zand, plantenvezelen

en een weinig klei bestaat, bevat eene aanmerkelijke menigte

schadelijke insecten, waarbij vooral wordt opgemerkt een', het

koolzaad zeer benadeelend, gebronsd schaaldiertje, met zes pooten,

en ter grootte bijna als een graankorrel. Bijna overal op Eijerland

is de grond zandig en ligt, zelfs in de beste gedeelten, waar men,

ter diepte van 1/2 el, eene bruinachtige, door dierlijke gelei

eenigzins vette, bovenkorst vindt, zooals tusschen den Ruigendijk en

de Hoogezands-kil. Voor het overige bestaat de grond grootendeels

uit zand, doorgroeid en gemengd met eenig humus of teelaarde,

plantenvezelen en eene geringe hoeveelheid klei; zoodat het niet anders

kan, of zelfs de beste gronden van den Eijerlandschen polder, zullen al

spoedig met eene vette bemesting ondersteund moeten worden.--Uitgenomen

deze voor bebouwing vatbare streken, welke echter slechts 1/5 van

Eijerland beslaan, is het overige te zandig en te dunbodemig om de

kosten der bebouwing goed te kunnen maken, al vergadert men de mest

ook op Eijerland zelf, en al vermeerdert men die door stalvoedering

en graanbemesting; althans zal dit nog eene reeks van jaren het geval

moeten zijn.

Op sommige plaatsen van den Eijerlandschen polder, treft men een

grof en geelachtig zand aan, met eenen broek- of moerachtigen

bovengrond, welks bovenste gedeelte of bovenvilt, eene donker

bruine kleur heeft, en uit welken taaijen aardlaag een water

van dezelfde kleur sijpelt. Deze gronden, welke, aangezien zij

ongeschikt voor schapenweiden zijn, tot hooilanden worden gebezigd,

liggen bij Eijerlandshuis, in den duinkom bij Moesbergen; bij

de Kleine of Oosterduinen, langs den Zanddijk, en vooral ook bij

Maikeduin. Vroeger staken de toenmalige bewoners van Eijerland uit

deze aardsoort eene soort van turf, tot eigen gebruik. Het gemis aan

behoorlijke waterloozing uit deze gronden, deed voorheen, een voor

de schapen, zeer nadeelig grasgewas ontstaan, waardoor deze dieren

ongans werden; eene andere schapenziekte, [36] wordt aan het drinken

van het poelwater geweten.

Eene groote oorzaak, voor de schraal- en dorheid van den Eijerlandschen

polder, meent men te moeten toeschrijven aan zijne ligging in

de nabijheid der zee, door het zeewater, om verder afgelegene

kweldergronden eene vettere en meer vruchtbare slib en klei aanvoert,

omdat deze langer daarin hangen blijft dan de zooveel zwaardere

zanddeelen.

De hoogere zandbollen, welke mede dor en zeer onvruchtbaar zijn,

vindt men veelvuldig tusschen de Hoogezandskil en de Roggesloot.

Beter dan de landbouw aanvankelijk op Eijerland mogt slagen, ging

het met de schapenteelt, welke tak van nijverheid, op Texel in het

algemeen, schijnt te huis te behooren. De Societeit van Eigendom van

Eijerland had reeds in 1836, 2454 vliezen wol afgeleverd, welke, na op

de schapen te zijn gewasschen, (waardoor de wol p. m. 30 % in gewigt

verliest,) een netto gewigt van 6794 kilo opleverden, welke hoeveelheid

eene som van f 11379.95 opbragt, zijnde het kilo verkocht ad f 1,675.

Daarbij viel ook de hooibouw zeer ten genoege der Societeit uit,

naardien er omtrent het midden van October, reeds 780 voeren hooi,

te zamen wegende 546,000 kilo, benevens meer dan 200 voeren ruigte

en biezen, gereden waren.

Zes jaren later heeft men bij Maikeduin eene eendenkooi aangelegd.

Eindelijk ging in 1841 de Societeit van eigendom van Eijerland

uit elkander, waarna Eijerland, door verdeeling en door verkoop

bij percelen, thans den eigendom van onderscheidene particulieren

is geworden. De landbouw wordt in Eijerland, door afwisselende

bebouwing der gronden, steeds geregeld voortgezet, en levert op de

beste gedeelten voortdurend goede resultaten.

Het Eiland Texel en Zijne Bewoners · 第 43 / 54 题