1. De Prins-Hendrik-Polder.

Deze polder ligt in den Z. O. hoek van het eiland, en werd reeds ten

jare 1769, onder den naam van Polder Hoorn en Burg, ingedijkt. Deze

bedijking moest echter reeds spoedig zoodanig gewijzigd worden, dat

het middengedeelte van den dijk veelmeer binnenwaarts moest verlegd

worden, omdat door eene inbraak, eene groote diepte was veroorzaakt.

Ook in 1776 leed deze polder veel van stormvloeden, en werd in 1796

geheel geïnundeerd, en der baren prijs gelaten.--

Vóór dien tijd was hij hoogst waarschijnlijk voorzien van

eene uitwateringsluis, en werd droog gehouden door twee kleine

watermolens. Voorts bevonden er zich twee kapitale gebouwen, nabij den

Griedijk, waarvan de sporen lang zigtbaar zijn gebleven, en waarvan

het grootste den naam draagt van het Heerenhuis. Ook nabij de duinen,

is, in het huis Hooren en Burg, een overblijfsel van dien poldernaam

bewaard gebleven. De eigenaar van dit gebouw, dat door eenen dijk tegen

stormvloeden werd beveiligd, kocht in 1823, een gedeelte van de daarbij

liggende domaniale goederen, welke, liggende op eene hoogte van 0,70 el

boven vol zee, met elken stormvloed onderliepen. Er tierde echter eene

soort van fijn gras op, dat uitnemend voor schapenweide geschikt was.

Genoemde polder was door drie wegen doorsneden, onderling op gelijken

afstand van elkander verwijderd; terwijl een dwarsweg midden door

den polder, van den Griedijk naar den buitendijk, was opgeworpen;

met de verdere indeelingen van dezen polder, was hij in 264 percelen

gesplitst, waarvan een vierde tot bouw-, en het overige tot weiland,

vooral voor schapen, werd gebruikt. De tarwe, inzonderheid, die er

geteeld werd, was uitmuntend.--De bebouwde gronden grensden aan het

Hoorner Nieuwland, het Grie en het Weezenspijk.--

In 1846 werd aan den Heer P. Langeveld, C. S., te Texel, concessie

verleend tot wederindijking van voornoemde gronden, en wel, onder

den naam van Prins Hendrik Polder. Na getroffen overeenkomsten met

den aangrenzenden eigenaar D. de Graaf, het dijkskollegie van Texel en

andere besturen, werd eene maatschappij met 60 aandeelen opgerigt. Naar

het plan van den bekwamen opzigter en landmeter, P. van der Sterr,

werd de sluis aangenomen door J. van Haaften & Co. van Sliedrecht,

voor eene som van f 16,600, welke in September 1847 voltooid was. Met

het begin van 1847 werd eenen aanvang gemaakt met het leggen van den

dijk, die niet publiek werd aanbesteed, maar door concessionarissen

en deelhebbers, met een genoegzaam aantal werklieden gemaakt zoude

worden. Gebrek aan rijs, en andere bijkomende omstandigheden, werkten

echter zoodanig tegen, dat de dijk niet vóór den winter gereed konde

zijn, dien dan ook in dit barre getijde, groote schade werd toegebragt

door elken buitengewonen vloed en harden wind. Daarom besloot men

de verdere voltooijing van den dijk, ter lengte van 3522 el, aan te

besteden, ten gevolge waarvan de aanneming geschiedde door A. Visser,

Pz. en Co., van Sliedrecht, om denzelven vóór of op 1 Augustus 1848 te

voltooijen. Medio Julij echter was de dijk reeds voltooid, opgenomen

en goedgekeurd.

In het begin van 1848, werden er 42 aandeelen aangekocht door

Z. K. H. Prins Alexander der Nederlanden; terwijl de overige aandeelen

werden vertegenwoordigd door Jhr. P. A. Reuchlin, te Tiel.

Het verdere beheer en toezigt over de werken van verkaveling, bemaling

en voltooijing, werd vervolgens opgedragen aan den Ingenieur van den

Waterstaat Jhr. J. Ortt van Schonauwen [31], door wien het bouwen van

eenen vijzelwatermolen, en andere werken werd aanbesteed.--Daarna werd

de polder opgemeten, in kaart gebragt, en het op de kaart voorgestelde

plan van verkaveling goedgekeurd; welke verkaveling den 20 September

1848 werd aanbesteed.--

Reeds bevorens, in Maart, was de opbouw eener boerderij aanbesteed

geworden, welke werken allen, uitgezonderd een gering gedeelte der

verkaveling, in den loop deszelfden jaars werden voltooid; terwijl

men in het begin van 1849, het ingesloten water, reeds tot 0,20 el

beneden het laagste land, had uitgemalen.--

De bedijking van den Prins Hendrik-polder, had echter vier der

duikersluisjes, welke in de dijken der omliggende polders tot

uitwatering dienden, ingesloten en buiten effect gesteld, waardoor

men dus genoodzaakt werd om sluizen te bouwen in den dijk des nieuwen

polders.--Diensvolgens besloot men, ééne sluis met drie openingen daar

te stellen, om door gezamenlijke uitstrooming, buiten beter diepte

te kunnen behouden. De grootste of noordelijke dezer openingen dient

alsnu tot ontlasting van het water uit de oude landen van Texel,

dat voor de Zuidhaffeldersluis gelegen in den Texelschen zeedijk,

nabij de Redoute wordt aangevoerd; de middelste opening dient

regtstreeks tot uitwatering van den Prins Hendrik-polder zelven,

terwijl eindelijk de derde of zuidelijke opening tot lozing van het

water in de polders Hoorner-Nieuwland en Buitendijk dient.--Midden door

den polder heeft men eenen hoofdweg gelegd ter breedte van 9 ellen,

benevens twee kruiswegen, welke den eersten regthoekig snijden, en

strekkende tot naaste communicatie met de sluis en den gemeenteweg,

tusschen de dorpen den Burg en den Hoorn, terwijl de hoofdweg eene zeer

geschikte gelegenheid aanbiedt tot vervoer van goederen en gewassen,

van en naar den beschelpten Texelschen zeedijk, en verder van en naar

de haven van het eiland.

De polder is verdeeld in 22 kavels, ieder van 20 bunders, uitgenomen

de eerste en laatste kavel, welke eene kleinere oppervlakte hebben;

iedere kavel is weder verdeeld in 3 of 4 onderdeelen.

De oppervlakte van den Prins-Hendrik-polder is vrij effen en vlak. Het

hoogste gedeelte vindt men langs de dijken van het Hoorner-Nieuwland,

de Grie en het Weezenspijk. De geheele oppervlakte beslaat 430 bunders;

de eene helft klei-, de andere zandgrond.

Door de bedijking van den genoemden polder, zijn ook de landen

van wijlen D. de Graaf, ter grootte van ongeveer 60 bunders,

ingesloten. Deze waren in 1848 reeds grootendeels bebouwd met tarwe,

winter-koolzaad, rogge en garst, welke gewassen eenen voordeeligen

oogst hebben opgeleverd. Ook buiten den dijk van den polder, aan

het Horntje, bezat genoemde D. de Graaf eenige landerijen, groot 16

bunders, welke mede in 1848 bedijkt zijn, waarbij voor een gedeelte

gebruik is gemaakt van den nog overgebleven dijk van 1769.

Behalve de landhoeve, die voor rekening van Z. K. H. Prins Hendrik in

1848 op Kavel No. 19 werd gebouwd, liet Jhr. P. A. Reuchlin, op Kavel

No. 20, mede eene aanzienlijke boerderij zetten, terwijl er mede in dit

jaar, ook op de landerijen van D. de Graaf, eene bouwhoeve is gesticht.

Aldus erlangde Texel, door de bedijking van den Prins-Hendrik-polder,

eene belangrijke aanwinst, naardien daardoor bijna 530 bunders lands

aan de zee ontwoekerd zijn.

Het Eiland Texel en Zijne Bewoners · 第 42 / 54 题