Lord Rochester stiet een kreet van woede uit.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Ongeveer op denzelfden tijd, toen Lord Rochester uit zijn diepen slaap
ontwaakte, hielden kapitein Baxter en zijn mannen de lange, donkere
gestalte vast in de studeerkamer van den Lord.
Toen er echter licht was gemaakt, bleek de teleurstelling groot te
zijn.
De bevende, doodelijk verschrikte jonge man was een der bedienden van
het huis, die gekomen was om zijn meester een telegram te brengen, dat
zoo juist bezorgd was.
Het was geadresseerd aan: „Kapitein Baxter, per adres Lord Rochester,
enz.”
Daar het donker was geweest in de studeerkamer van zijn meester, had
hij eerst niet durven binnengaan.
En hij was niet weinig ontsteld geweest, toen hij, terwijl hij den knop
van het electrische licht, vlak bij de brandkast, had willen omdraaien,
plotseling bij de keel was gegrepen.
Van alles wat men tegen hem had geroepen, had hij niets begrepen.
Baxter had zijn vergissing ingezien en den bediende het voor hem
bestemde telegram uit de hand getrokken.
Waarschijnlijk een boodschap van den Lord.
Nauwelijks echter had hij het voor de oogen van zijn beambten geopend
en gelezen, of zijn gelaat werd vaalbleek en zijn handen beefden zóó
hevig, dat het papier op den grond viel.
„O, die duivel!” riep hij uit, op een stoel neervallend.
Marholm bukte zich met een spottend lachje, nam het telegram op en las
zijn kameraden op halfluiden toon voor:
„Lieve kapitein, doe verder geen moeite! Het geld is sinds een half
uur in mijn bezit! Tot den volgenden keer dus!