Toen Lord Rochester even over vijf uur op den knop der electrische
schel drukte aan het huis met het naambordje: „F. Dumby”, kwam hem een
vriendelijke oude vrouw opendoen. Op zijn vraag naar Miss Green,
antwoordde zij:
„Miss Green verwacht u!” waarna zij den Lord in een eenvoudige, maar
keurig ingerichte kamer bracht.
Zij klopte aan de deur.
„Miss Green!”
De deur werd geopend en de geroepene verscheen op den drempel.
Lord Rochester moest dadelijk constateeren, dat zij werkelijk heel mooi
was, ondanks haar iets te forsche trekken, die echter verzacht werden
door het weelderige, goudblonde haar, hetzelfde haar, dat reeds
gisteren zijn aandacht had getrokken en zijn bewondering opgewekt.
Hij volgde Miss Green in de kamer. Het jonge meisje voelde zich
blijkbaar min of meer beschroomd.
Eerst nadat de Lord haar herhaaldelijk had verzekerd, dat hij in ’t
geheel niet meer boos op haar was, overwon zij haar verlegenheid en
vertelde hem van haar moeilijk leven.
De Lord luisterde met verveling naar haar en keek verstrooid om zich
heen.
Werkelijk schitterend zag het er in deze armoedige kamer niet uit.
Maar dat was juist goed. Des te gemakkelijker zou hij gewonnen spel bij
het jonge meisje hebben.
„Ach ja, Mylord”, besloot Miss Green, „het is geen prettig leven, dat
ik hier heb en gij zult nu wel begrijpen, hoe gelukkig het mij maakt, u
bij mij te zien. Het is heel lief van u, dat gij mij wilt helpen. En
juist in u stel ik vertrouwen. Ik heb vernomen, dat gij aan het hoofd
van allerlei vereenigingen voor liefdadigheid staat. Dat is mij
voldoende waarborg voor uw edele bedoelingen.”
Deze wending van het gesprek scheen den Lord niet te bevallen.
„Zeker, kindje, maar dat is van later zorg!” antwoordde hij. „Men moet
er zeer zeker voor waken, dat de onzedelijkheid in de lagere klassen
van het volk niet een steeds grooteren omvang aanneemt. Als men echter
met een mooi jong meisje alleen is...”
Hij probeerde haar te omhelzen.
Maar zij ontsnapte hem.
„Gij zijt een vleier, mylord”, lachte zij. „Maar ik ben in elk geval
blij, dat gij niet een streng, ernstig gezicht zet, zooals ik dat van
zoo’n zederechter had gevreesd. Natuurlijk, u strijdt tegen de
onzedelijkheid van andere menschen. Hahaha! Het is prachtig mooi!”
Zij lachte hartelijk en de Lord lachte mee.
Het werd heel gezellig, vooral toen Mrs. Dumby koffie binnenbracht.
Want Miss Green stelde er prijs op, haar voornamen gast een kopje
koffie aan te bieden. Ook presenteerde zij hem sigaretten. Zij rookte
zelf niet.
Zij had ze speciaal voor den Lord gekocht en het was alleen daarom dat
hij niet mocht weigeren, er een op te steken.
Hij had de sigaretten nauwelijks half opgerookt, toen hij een
eigenaardige gewaarwording bemerkte. Een zware loomheid maakte zich zoo
plotseling en met zulk een kracht van hem meester, dat hij zich
tevergeefs inspande, om zich er tegen te verzetten.
Reeds na weinige minuten vielen zijn oogen dicht, zijn hoofd op de
borst en hij was op de sofa, waarop hij zat ingeslapen.— — — —
Dadelijk veranderde het tooneel.
Eenige seconden keek Mary Green naar den slaper. Daarop haalde zij met
een snelle, behendige beweging de portefeuille uit zijn borstzak.
Nadat zij zich ervan overtuigd had, dat het papiergeld erin was, legde
zij de portefeuille voorloopig op tafel, om eerst iets anders te gaan
doen.
Bliksemsnel wierp zij haar kleeren af en ontdeed zich van haar
vrouwelijke vormen. Deze hadden hun bestaan te danken aan gutta-percha
kussentjes, waaruit, toen zij erop drukte, de lucht ontweek.
Maar ook met haar verdere bekoorlijkheden zag het er niet veel beter
uit.
Ook het prachtige, goudblonde haar verdween en een zwarte mannenkop
kwam te voorschijn.
En mannelijk waren ook de gelaatstrekken, toen Miss Green voor den
spiegel haar gelaat van schmink en verf had gereinigd.
Kortom, wat er overbleef, was de slanke, gespierde gestalte van een
jongen, knappen man.
Hij wierp een spottenden blik op den slapenden Lord.
„Droom zacht, Lord Edward Rochester, edele beschermer van vrouwelijke
deugd!” mompelde hij, terwijl hij uit een klein koffertje, dat hij van
achter een gordijn te voorschijn haalde, een gesteven overhemd met
toebehooren en een elegant wandelpak nam.
„Ik hoop, dat u bij het ontwaken geen al te groote teleurstelling
wacht!”
Binnen eenige minuten had hij zich verkleed.
De vrouwenkleeren liet hij, zonder er zich verder om te bekommeren,
liggen. De gutta-percha bekoorlijkheden vouwde hij op en stak ze,
evenals de pruik, in zijn jaszakken.
Eerst nu keek hij weer naar de portefeuille. Hij nam er den inhoud uit,
telde het geld na en stak alles bij zich.
In plaats van het bankpapier stak hij een briefje in de portefeuille,
dat hij met zijn vulpen geschreven had.
Nadat hij den Lord de portefeuille weer in den zak had gestoken, ging
hij aan de deur luisteren.
Het portaal was leeg. Onopgemerkt bereikte de jonge man de deur en
reeds twee minuten later nam hij bij de eerstvolgende zijstraat een
rijtuig.
Intusschen sliep de edele voorzitter van de „Vereeniging tot opheffing
van gevallen vrouwen” nog steeds den slaap der rechtvaardigen.
Eerst na een uur werd hij door een schudden aan zijn arm gewekt.
Mrs. Dumby, die het vreemd voorkwam, dat het in de kamer van de haar
tot dusverre onbekende Miss Green zoo merkwaardig stil en donker bleef,
had eindelijk moed gekregen en aangeklopt.
En nu kostte het haar geen geringe moeite om den Lord, dien zij tot
haar verbazing alleen en in diepen slaap had gevonden, wakker te
krijgen.
Hij herinnerde zich eerst niets van het voorgevallene, want door de
opium, die de sigarette had bevat, was hij nog half verdoofd.
En daarop greep hij verschrikt naar zijn borstzak.
Goddank, de portefeuille was er nog!
Toen hij ze echter te voorschijn haalde en opende, werd hij doodsbleek.
Het geld was weg.
De portefeuille bevatte alleen een briefje. Diep zuchtend las de Lord
het bij het licht van de door Mrs. Dumby gebrachte lamp.
„Edele beschermer!
Waarom zijt gij niet bij uw brandkast gebleven? Ik had u immers
geschreven, dat ik tusschen 5 en 7 uur de vierduizend pond eruit
zou halen!
Kan men nog meer doen?
Maar dat komt ervan, als de beer uitgaat om honing te snoepen!
De oude man, dien gij gisteren met een schunnige aalmoes hebt
afgescheept, heeft nu meer gehaald.
Zulke liefelijke, onschuldige schepseltjes als dat, wat gij lastig
zijt gevallen, zijn niet bestemd voor oude huichelaars.
Probeer niet, het de goede Mrs. Dumby lastig te maken!
Zij weet van niets, ik heb de kamer eerst twee uur geleden gehuurd.
En bovendien zou het niet in uw voordeel zijn, als het bekend werd,
op welke wijze Lord Rochester vierduizend pond heeft verloren.