De baan der Kunst.--Verschillende klassen der Academie.--Prijs,
uitdeeling.--Waar men kennis maakt met Baron De Pret.
Sedert zijne aanneming op de Academie was Frans nog meer dan ooit op de
schilderkunst verslingerd geworden; alle spelen verveelden hem; er kwam
meer ernst in zijn gemoed, en hij verzelfstandigde zich met zijne hooge
bestemming. Papier en potlood verlieten hem nooit; en kreeg hij van zijne
ouders een Zondagsoordje, zoo hing hij het meteen aan een blad mannekens,
dat dan wel twintigmaal door hem werd nageteekend. Op de Academie werd zijn
voortgang er niet merkelijk door versneld; want hij bleef een geheel jaar
op de _Hoofden in omtrek_. Die gang was te traag voor zijnen onverduldigen
geest; geen wonder dus, dat hij, te huis zijnde, zich altijd eene klasse
verder tooverde dan op de Academie. Nog op den _Omtrek_ zijnde, teekende
hij reeds geschaduwde beeldekens na, die hij in de school, om zijne
leerzaamheid, van den Pastoor gekregen had. Het tweede jaar was Frans de
_eerste_ van het _Figuur in omtrek_. Hij won een lauwertaksken, dat hem bij
de prachtige prijsuitdeeling en onder handgeklap werd toegereikt.
Grootmoeder en moeder kusten haren zoon wel tienmaal, en in hunne
onwetendheid dachten deze vrouwen, dat de gedroomde rijkdommen nu
onfeilbaar op de komst waren. De vader alleen zag die vreugdebedrijven met
mistrouwen en beweerde, dat er nog geene groote kunst te vinden was in de
beelden, die zijn zoon nog dienzelfden dag geteekend had; maar hij kon de
vreugd der vrouwen niet verminderen.
Het vierde jaar behaalde Frans den tweeden prijs van het _Geschaduwd
Figuur_.
Nu was hij reeds vijftien jaar, en, daar hij nog al rijzig van gestalte
was, had hij reeds het voorkomen van een jonkman. Al zijne pogingen
strekten dan om op het _Antiek_ te kunnen gaan; maar dit gelukte hem niet,
alzoo er geene plaats op die klasse open was. In afwachting maakte hij
kennis met eenen leerling van het _Leven_ en vroeg hem alle weken, welk
_onderwerp_ er voor de _Samenstelling_ en _Uitdrukking_ gegeven was, en
teekende dan in stilte de gegevene onderwerpen, om ze door den leerling van
het _Leven_ te doen nazien. De eerste maal, dat hij eene _Samenstelling_
poogde te maken, had M. Van Bree het volgende _onderwerp_ gegeven:
«De schilder Brouwer, in eene herberg wel gedronken hebbende en zijn gelag
niet kunnende betalen, vraagt pen en papier, en maakt eene teekening op de
tafel, waarbij hij gezeten is. Terwijl komen de drinkebroêrs achter hem
staan; ja, er zijn er, die op de stoelen klimmen.»
Frans toonde deze _Samenstelling_ aan den leerling van het _Leven_.
Hoe weinig de eerste poging hem ook gelukt ware, ging hij niettemin vlijtig
voort, en maakte op korten tijd tamelijk goede _Samenstellingen_.
Alhoewel Frans door den dagelijkschen omgang met zijne kameraden de
aantrekkelijke zoetheid zijner inborst gedeeltelijk had verloren, was er
nochtans altijd evenveel gevoel en deugd in zijn hart.
Zijne grootmoeder had hij den diepsten eerbied en de warmste liefde
toegewijd. Dikwijls, wanneer de stokoude vrouw hem door de streelende
vooruitzichten aanmoedigde, riep hij met oogen, die van dankbaarheid
blonken:
«O, Grootmoeder, zoo ik schilder word en gelukkig ben, dat ik geld kan
verdienen, oh, dan zal ik u en mijne ouders al uwe zorgen en goedheid
vergelden. Dan zal ik maken, dat uwe oude dagen schoon en vroolijk zijn.
Gij zult mij nimmer verlaten, en ik zal nimmer trouwen om u altijd te
kunnen beminnen. Vrees niet, ik zal niet doen gelijk vele schilders, die
evenals ik uit arme burgers zijn voortgekomen, en die hunne ouders niet
meer kennen willen. Neen, indien ik eene overwinning in de kunst mocht
behalen, dan zou ik u met fierheid durven toonen en zeggen: daar is zij,
die mij tot schilder heeft gemaakt!»
De vreugdetranen leekten dan over de berimpelde wangen der oude vrouw, en
een wederzijdsche zoen was het slot van zulke liefdesbetuiging.
* * * * *
Nu begon Frans de echte baan der kunst in te treden: hij was op de klasse
van _Antiek_ of _Pleister_, en moest nu niet meer geteekende beelden
nabootsen, maar wel de schoone vormen van den _Apollo_ of den _Laocoön_ op
het papier teruggeven. Dit viel hem in het eerst moeilijk, et het duurde
toch al tamelijk lang, eer hij de middelen begrepen had om de hoogten en de
diepten, de lichten en de schaduwen wel en vloeiend uit te drukken. Hij
moest ter zelfder tijd de leergangen van _Samenstelling_ en van
_Uitdrukking_ volgen. In deze laatste oefening vond hij een bijzonder
behagen, en reeds aan zijne eerste proef, alhoewel gebrekkig, kon men
bemerken, dat hij groote geschiktheid had om de hartstochten op de
wezenstrekken uit te drukken.
Weldra zal zijne hand de ingevingen van zijnen geest kunnen beantwoorden:
hij is op de klasse van het _Levend Model_ overgegaan. Nu gaat hij de
vormen van het menschenlichaam in de natuur zelve bestudeeren.
* * * * *
Sedert eenigen tijd was er eene merkbare verandering in de levenswijs van
Frans omgegaan. Hij had begrepen, dat een schilder, zonder allerhande
kennis ten minste oppervlakkig te bezitten, niet gemakkelijk een goed
kunstenaar kan worden en der kunst zelve geene eer kan toebrengen; daarom
zocht hij naar boeken over geschiedenis, kostumen en oudheden; kocht of
ontleende ze en bracht al zijne avonden door met ze te bestudeeren en er
krabbelingen naar te maken, om zich de hand in de _Samenstelling_ te
oefenen.
Wanneer Frans een werk aantrof, dat hem eenige schoone gedachten
inboezemde, voerde hij deze onmiddellijk op het papier uit, en vormde zich
op deze wijze eene rijke verzameling van studiën en krabbelingen, die hem
later zeer nuttig moesten zijn. Wat hij ook vinden mocht, dat hem oorzaak
tot het oefenen van zijnen geest gaf, hij maakte er gebruik van, en had,
dit doende, het ware middel gevonden om een goed en geleerd kunstenaar te
worden.
Al die vlijt, al die moeite, gepaard met eene ingeborene geschiktheid,
deden onzen jongen kunstenaar met groote stappen vooruitspoeden; hij snelde
in de studie al zijne kameraden voorbij. In den loop van 1839, en in zijn
negentiende jaar zijnde, behaalde hij meest al de eerste prijzen van de
hoogere klassen der Academie.
Het onderwerp, dat voor den prijskamp van _Samenstelling_ gegeven was,
moest eene openbare halsrechting in Spanje vertoonen. Frans maakte daarvan
eene schoone schets; doch er was nog eene betere ingebracht, want hij
verkreeg slechts den tweeden prijs. Dan, in den prijskamp van _Uitdrukking_
was hij gelukkiger en overtrof daarin al zijne medekampers.
Eindelijk, voor overmaat van geluk, behaalde Frans dit jaar den eersten
prijs van _Teekening naar het levend Model_, zijnde dit het hoogste punt,
dat men in dien tijd op de Academie bereiken kon.
Op den dag der prijsuitdeeling kon men onder de aanschouwers eene oude
vrouw zien zitten, die telkenmaal, als de naam van Frans werd uitgeroepen,
van haren stoel opsprong en met geweld eenen traan van blijdschap in elk
harer oogen terughield. Haar hart was vol gelukzaligheid: zij had haar
kind, haren beminden Frans, reeds viermaal bekroond gezien, en met vier
zilveren of gouden medailles, onder een lang handgeklap, van de verhevene
stelling zien komen.
De Burgemeester had hem gekust, de Gouverneur had hem de hand gedrukt! En
de grootmoeder zag dit alles in verrukking, ja met verdwaaldheid aan.
De prijsuitdeeling gedaan zijnde, wilde de heer Baron De Pret in zijn eigen
rijtuig den bekroonde huiswaarts voeren, doch eerst nam hij hem mede naar
zijne eigene woning, beschonk hem daar met een glas wijn, en gaf hem eenige
kostelijke boeken over kostumen en oudheden ten geschenke, benevens eenige
belangrijke raadgevingen.
Onderweg had Frans op de vragen van Baron De Pret met rechtzinnigheid
geantwoord en hem met zooveel liefde van zijne grootmoeder gesproken, dat
de Baron de oude vrouw zien wilde.
Toen het rijtuig in het St.-Andrieskwartier en omtrent de woning van Frans
kwam, werd de koetsier gedwongen zijne vaart te vertragen en de paarden op
stap te doen gaan,--zooveel volk stond er in de straten. Het gansche
kwartier was te been; jong en oud wedijverde om aan Frans, den jongen van
hunne parochie, eer en hulde te bewijzen; overal werd hij begroet door een
lang en schaterend gejuich.
De Baron stapte met Frans uit het rijtuig in zijn huis en sprak eenige
vriendelijke woorden tot zijne ouders, waarna hij vertrok.
De moeder en de grootmoeder van Frans waren niet verre van zot te worden;
de vader zelf was vol hoogmoed. Hoe kon het met de vrouwen anders
zijn?--Baron De Pret, die edele beschermer der kunsten, was in hun huis
geweest; hij had hen aangesproken, en het gansche kwartier wist het; al de
geburen betoonden hun eerbied of benijdden hun geluk!
Maar wat verrukking was het niet, wat eer!--Des avonds kwam er eene
talrijke Harmonie voor de deur der arme woning spelen!
Bovenal bracht het deuntje _Waar kan men beter zijn_ de vreugd tot den
hoogsten top in de harten der vrouwen. Grootmoeder, alhoewel stijf en
verstramd door den ouderdom, sprong nog eens als eene jonge meid van haren
stoel op, huppelde de kamer rond, greep Frans en zijne moeder bij de hand
en dwong hen in eenen _rondedans_ te draaien, terwijl zij met eene heesche
stem het liedje zong:
Waar kan men beter zijn,
Waar kan men beter zijn
Dan bij zijn beste vrienden?
Wij zijn kontent;
Wij hebben geenen vent
Laat ons drinken,
Laat ons schenken,
Gelijk wij zijn gewend!
Hare stem werd weldra verdoofd door het razend geroep der leerlingen van de
Academie, die voor de deur stonden en tot barstens toe schreeuwden:
«Vivat Frans!..... Vivat de Primus!»
Wie zou de vreugdetranen tellen, welke op dezen dag door dit gelukkige
huisgezin werden gestort?.....