III

De baan der Kunst.--Verschillende klassen der Academie.--Prijs,

uitdeeling.--Waar men kennis maakt met Baron De Pret.

Sedert zijne aanneming op de Academie was Frans nog meer dan ooit op de

schilderkunst verslingerd geworden; alle spelen verveelden hem; er kwam

meer ernst in zijn gemoed, en hij verzelfstandigde zich met zijne hooge

bestemming. Papier en potlood verlieten hem nooit; en kreeg hij van zijne

ouders een Zondagsoordje, zoo hing hij het meteen aan een blad mannekens,

dat dan wel twintigmaal door hem werd nageteekend. Op de Academie werd zijn

voortgang er niet merkelijk door versneld; want hij bleef een geheel jaar

op de _Hoofden in omtrek_. Die gang was te traag voor zijnen onverduldigen

geest; geen wonder dus, dat hij, te huis zijnde, zich altijd eene klasse

verder tooverde dan op de Academie. Nog op den _Omtrek_ zijnde, teekende

hij reeds geschaduwde beeldekens na, die hij in de school, om zijne

leerzaamheid, van den Pastoor gekregen had. Het tweede jaar was Frans de

_eerste_ van het _Figuur in omtrek_. Hij won een lauwertaksken, dat hem bij

de prachtige prijsuitdeeling en onder handgeklap werd toegereikt.

Grootmoeder en moeder kusten haren zoon wel tienmaal, en in hunne

onwetendheid dachten deze vrouwen, dat de gedroomde rijkdommen nu

onfeilbaar op de komst waren. De vader alleen zag die vreugdebedrijven met

mistrouwen en beweerde, dat er nog geene groote kunst te vinden was in de

beelden, die zijn zoon nog dienzelfden dag geteekend had; maar hij kon de

vreugd der vrouwen niet verminderen.

Het vierde jaar behaalde Frans den tweeden prijs van het _Geschaduwd

Figuur_.

Nu was hij reeds vijftien jaar, en, daar hij nog al rijzig van gestalte

was, had hij reeds het voorkomen van een jonkman. Al zijne pogingen

strekten dan om op het _Antiek_ te kunnen gaan; maar dit gelukte hem niet,

alzoo er geene plaats op die klasse open was. In afwachting maakte hij

kennis met eenen leerling van het _Leven_ en vroeg hem alle weken, welk

_onderwerp_ er voor de _Samenstelling_ en _Uitdrukking_ gegeven was, en

teekende dan in stilte de gegevene onderwerpen, om ze door den leerling van

het _Leven_ te doen nazien. De eerste maal, dat hij eene _Samenstelling_

poogde te maken, had M. Van Bree het volgende _onderwerp_ gegeven:

«De schilder Brouwer, in eene herberg wel gedronken hebbende en zijn gelag

niet kunnende betalen, vraagt pen en papier, en maakt eene teekening op de

tafel, waarbij hij gezeten is. Terwijl komen de drinkebroêrs achter hem

staan; ja, er zijn er, die op de stoelen klimmen.»

Frans toonde deze _Samenstelling_ aan den leerling van het _Leven_.

Hoe weinig de eerste poging hem ook gelukt ware, ging hij niettemin vlijtig

voort, en maakte op korten tijd tamelijk goede _Samenstellingen_.

Alhoewel Frans door den dagelijkschen omgang met zijne kameraden de

aantrekkelijke zoetheid zijner inborst gedeeltelijk had verloren, was er

nochtans altijd evenveel gevoel en deugd in zijn hart.

Zijne grootmoeder had hij den diepsten eerbied en de warmste liefde

toegewijd. Dikwijls, wanneer de stokoude vrouw hem door de streelende

vooruitzichten aanmoedigde, riep hij met oogen, die van dankbaarheid

blonken:

«O, Grootmoeder, zoo ik schilder word en gelukkig ben, dat ik geld kan

verdienen, oh, dan zal ik u en mijne ouders al uwe zorgen en goedheid

vergelden. Dan zal ik maken, dat uwe oude dagen schoon en vroolijk zijn.

Gij zult mij nimmer verlaten, en ik zal nimmer trouwen om u altijd te

kunnen beminnen. Vrees niet, ik zal niet doen gelijk vele schilders, die

evenals ik uit arme burgers zijn voortgekomen, en die hunne ouders niet

meer kennen willen. Neen, indien ik eene overwinning in de kunst mocht

behalen, dan zou ik u met fierheid durven toonen en zeggen: daar is zij,

die mij tot schilder heeft gemaakt!»

De vreugdetranen leekten dan over de berimpelde wangen der oude vrouw, en

een wederzijdsche zoen was het slot van zulke liefdesbetuiging.

* * * * *

Nu begon Frans de echte baan der kunst in te treden: hij was op de klasse

van _Antiek_ of _Pleister_, en moest nu niet meer geteekende beelden

nabootsen, maar wel de schoone vormen van den _Apollo_ of den _Laocoön_ op

het papier teruggeven. Dit viel hem in het eerst moeilijk, et het duurde

toch al tamelijk lang, eer hij de middelen begrepen had om de hoogten en de

diepten, de lichten en de schaduwen wel en vloeiend uit te drukken. Hij

moest ter zelfder tijd de leergangen van _Samenstelling_ en van

_Uitdrukking_ volgen. In deze laatste oefening vond hij een bijzonder

behagen, en reeds aan zijne eerste proef, alhoewel gebrekkig, kon men

bemerken, dat hij groote geschiktheid had om de hartstochten op de

wezenstrekken uit te drukken.

Weldra zal zijne hand de ingevingen van zijnen geest kunnen beantwoorden:

hij is op de klasse van het _Levend Model_ overgegaan. Nu gaat hij de

vormen van het menschenlichaam in de natuur zelve bestudeeren.

* * * * *

Sedert eenigen tijd was er eene merkbare verandering in de levenswijs van

Frans omgegaan. Hij had begrepen, dat een schilder, zonder allerhande

kennis ten minste oppervlakkig te bezitten, niet gemakkelijk een goed

kunstenaar kan worden en der kunst zelve geene eer kan toebrengen; daarom

zocht hij naar boeken over geschiedenis, kostumen en oudheden; kocht of

ontleende ze en bracht al zijne avonden door met ze te bestudeeren en er

krabbelingen naar te maken, om zich de hand in de _Samenstelling_ te

oefenen.

Wanneer Frans een werk aantrof, dat hem eenige schoone gedachten

inboezemde, voerde hij deze onmiddellijk op het papier uit, en vormde zich

op deze wijze eene rijke verzameling van studiën en krabbelingen, die hem

later zeer nuttig moesten zijn. Wat hij ook vinden mocht, dat hem oorzaak

tot het oefenen van zijnen geest gaf, hij maakte er gebruik van, en had,

dit doende, het ware middel gevonden om een goed en geleerd kunstenaar te

worden.

Al die vlijt, al die moeite, gepaard met eene ingeborene geschiktheid,

deden onzen jongen kunstenaar met groote stappen vooruitspoeden; hij snelde

in de studie al zijne kameraden voorbij. In den loop van 1839, en in zijn

negentiende jaar zijnde, behaalde hij meest al de eerste prijzen van de

hoogere klassen der Academie.

Het onderwerp, dat voor den prijskamp van _Samenstelling_ gegeven was,

moest eene openbare halsrechting in Spanje vertoonen. Frans maakte daarvan

eene schoone schets; doch er was nog eene betere ingebracht, want hij

verkreeg slechts den tweeden prijs. Dan, in den prijskamp van _Uitdrukking_

was hij gelukkiger en overtrof daarin al zijne medekampers.

Eindelijk, voor overmaat van geluk, behaalde Frans dit jaar den eersten

prijs van _Teekening naar het levend Model_, zijnde dit het hoogste punt,

dat men in dien tijd op de Academie bereiken kon.

Op den dag der prijsuitdeeling kon men onder de aanschouwers eene oude

vrouw zien zitten, die telkenmaal, als de naam van Frans werd uitgeroepen,

van haren stoel opsprong en met geweld eenen traan van blijdschap in elk

harer oogen terughield. Haar hart was vol gelukzaligheid: zij had haar

kind, haren beminden Frans, reeds viermaal bekroond gezien, en met vier

zilveren of gouden medailles, onder een lang handgeklap, van de verhevene

stelling zien komen.

De Burgemeester had hem gekust, de Gouverneur had hem de hand gedrukt! En

de grootmoeder zag dit alles in verrukking, ja met verdwaaldheid aan.

De prijsuitdeeling gedaan zijnde, wilde de heer Baron De Pret in zijn eigen

rijtuig den bekroonde huiswaarts voeren, doch eerst nam hij hem mede naar

zijne eigene woning, beschonk hem daar met een glas wijn, en gaf hem eenige

kostelijke boeken over kostumen en oudheden ten geschenke, benevens eenige

belangrijke raadgevingen.

Onderweg had Frans op de vragen van Baron De Pret met rechtzinnigheid

geantwoord en hem met zooveel liefde van zijne grootmoeder gesproken, dat

de Baron de oude vrouw zien wilde.

Toen het rijtuig in het St.-Andrieskwartier en omtrent de woning van Frans

kwam, werd de koetsier gedwongen zijne vaart te vertragen en de paarden op

stap te doen gaan,--zooveel volk stond er in de straten. Het gansche

kwartier was te been; jong en oud wedijverde om aan Frans, den jongen van

hunne parochie, eer en hulde te bewijzen; overal werd hij begroet door een

lang en schaterend gejuich.

De Baron stapte met Frans uit het rijtuig in zijn huis en sprak eenige

vriendelijke woorden tot zijne ouders, waarna hij vertrok.

De moeder en de grootmoeder van Frans waren niet verre van zot te worden;

de vader zelf was vol hoogmoed. Hoe kon het met de vrouwen anders

zijn?--Baron De Pret, die edele beschermer der kunsten, was in hun huis

geweest; hij had hen aangesproken, en het gansche kwartier wist het; al de

geburen betoonden hun eerbied of benijdden hun geluk!

Maar wat verrukking was het niet, wat eer!--Des avonds kwam er eene

talrijke Harmonie voor de deur der arme woning spelen!

Bovenal bracht het deuntje _Waar kan men beter zijn_ de vreugd tot den

hoogsten top in de harten der vrouwen. Grootmoeder, alhoewel stijf en

verstramd door den ouderdom, sprong nog eens als eene jonge meid van haren

stoel op, huppelde de kamer rond, greep Frans en zijne moeder bij de hand

en dwong hen in eenen _rondedans_ te draaien, terwijl zij met eene heesche

stem het liedje zong:

Waar kan men beter zijn,

Waar kan men beter zijn

Dan bij zijn beste vrienden?

Wij zijn kontent;

Wij hebben geenen vent

Laat ons drinken,

Laat ons schenken,

Gelijk wij zijn gewend!

Hare stem werd weldra verdoofd door het razend geroep der leerlingen van de

Academie, die voor de deur stonden en tot barstens toe schreeuwden:

«Vivat Frans!..... Vivat de Primus!»

Wie zou de vreugdetranen tellen, welke op dezen dag door dit gelukkige

huisgezin werden gestort?.....

Hoe men schilder wordt · 第 14 / 17 题