M. Wappers.--Wel, leer dan maar goed;--en wacht een weinig, ik zal met M.
Van Hool eene plaats voor u gaan zoeken.
De Grootmoeder; _met blijdschap tot Fransken gaande_.--Bedank die heeren en
kus uwe hand!
(_Het kind kust zijne hand en beziet beurtelings al de professoren,
blijkbaar om ze allen te bedanken. Vervolgens gaat het bij zijne moeder en
grootmoeder en beziet haar met tranen van blijdschap in de oogen._)
M. Wappers, _tot de vrouwen_.--Gaat gij lieden maar naar huis, Vrouwkens.
Fransken blijft op de Academie.
De Grootmoeder, _knikkende_.--Gij zijt bedankt, Mijnheer Van Bree; gij zijt
bedankt, Mijnheer Wabbes; bedankt altemaal, Mijnheeren.--Kom nu maar aan,
Annemie;--'t is nu wel!
(_Zij gaan de deur uit en begeven zich naar huis langs de
Minderbroedersstraat._)
De Moeder, _met blij gemoed_.--Wel, Meken, wie zou dat toch zeggen! Wat is
toch iemand, die nog nooit iets gezien of bijgewoond heeft! Wij, die zoo
bang waren om voor de heeren te komen..... Maar zie, ik mag wat zijn, als
ik niet liever met die menschen zou te doen hebben dan met die van ons
kwartier. Hoe beleefd en hoe goed dat zij waren! Zij hebben met ons
gesproken gelijk zuster en broer.--Dat zijn nu eerst menschen!..... Een
geluk dat M. Wabbes u geholpen heeft, of gij bleeft er wat schoon in
steken!
De Grootmoeder.--Ja, M. Wabbes, die is goed voor de burgermenschen; dat
weet ik toch al lang. Zie, hij gaat zelf eene plaats voor ons Fransken
zoeken, alsof het zijn eigen kind was!
De Moeder.--Ja, M. Van Bree toch ook, Meken.
De Grootmoeder.--Och! het zijn altemaal goede menschen.
(_De vrouwen gaan dus koutend tot in hunne woning._)
* * * * *
Fransken had eene plaats op de Academie bekomen. Van dien dag af begon hij
de baan, die hij intrad, met een weinig kennis van zaken te beschouwen. Hij
begreep, hoe langzaam en hoe moeilijk de studie der kunst zijn moest, daar
hij, die gedroomd had van mannekens en schilderijen, nu reeds eenen
geheelen morgen, met het zweet op zijn aanschijn, gepoogd had eenen grooten
neus na te teekenen, zonder in die poging te hebben kunnen gelukken; maar
hij zou te huis zich zelf vergoeden voor de lastige studiën. Daarom bezag
hij met driftige aandacht al de beelden, die in het bereik van zijn gezicht
waren, en prentte wel in zijnen geest, waar hun de oogen, neus en mond in
het hoofd stonden, en hoe hun de armen en beenen aan het lichaam hingen.
Dan vol van deze herinneringen, verliet hij de Academie na het eindigen der
lessen, en begaf zich naar het Kasteelplein, dat niet verre van zijne
woning gelegen was, en waar hij wist dat de soldaten op dit oogenblik bezig
waren met krijgsoefening te leeren. Na hen een half uur bezien te hebben,
liep hij naar huis en viel seffens aan het teekenen. Weldra toonde hij aan
zijne grootmoeder een stuk papier, terwijl hij zegepralend uitriep:
«Zie, zoo staan de soldaten op het Kasteelplein!»
«Maar hoe is 't godsmogelijk!» riep de verwonderde grootmoeder.
[15] _Deezeken_ beteekent Jesus in de taal der kinderen.
[16] Stamel zoo niet.
[17] De naam Rubbens wordt evenals de naam van Wappers, met weglating der
voorlaatste letter, door het volk uitgesproken.