Verandering van toon.--Waarom er zoo weinig goede schilders zijn. Middelen
om in de kunst gewissen voortgang te doen.
Er zijn in België oneindig veel kunstenaars. Maar waarom zijn er zoo
weinig, wier namen met eenigen luister omgeven zijn? Waarom bevinden velen
zich in broodsgebrek?
Hierop zou men oppervlakkig kunnen antwoorden met de bekende spreuk: _velen
zijn geroepen maar weinigen uitverkoren_. Of wel met de woorden van den
Franschen dichter:
Soyez plutôt maçon, si c'est votre métier.
Maar die redenen zijn alleen niet voldoende om de schaarschheid van goede
kunstenaren uit te leggen; er bestaan andere oorzaken, die eenen veel
verderfelijkeren invloed op den voortgang der jonge leerlingen uitoefenen,
en hunne bestemming den hals breken, eer zij nog weten kunnen, of zij
waarlijk tot het vak der kunsten geroepen zijn. Om deze oorzaken tastbaar
voor te stellen, zullen wij hier eene kleine schets ophangen van de wijze,
waarop een leerling, die _moet mislukken_, zijne studiën oefent.
* * * * *
Een vader denkt in zijnen zoon groote voorbeschiktheid tot de schilderkunst
te bemerken; wie denkt zulks niet van zijne kinderen?--Hij doet hem op eene
Academie of teekenschool zijner stad gaan. Lui en loom van gemoed, leert
dit kind dan toch na ettelijke jaren de beginselen der teekenkunde; of wel,
vlijtiger, leert hij ze in minder tijds.--En wij vooronderstellen, dat hij
waarlijk alles in zich hebbe om een groot kunstenaar te worden ..... maar
de hoogmoed, die bedrieger, die valsche raadsman, moeit zich met de zaak.
De vader slaagt de armen in de hoogte bij het zien der nog weinig
gevorderde studiën van zijnen zoon: het schijnt hem dat hij reeds mirakelen
doet. Hij gaat in herbergen, koffiehuizen en gezelschappen, en valt
iedereen lastig door het onophoudend verhaal van het vernuft des jongens.
Eenigen geven geloof aan de pocherij; zij verspreiden ze. Eindelijk gaat de
zoon in de gebuurte door voor een klein kunstwonder, en al die loftuigingen
komen aan zijne ooren. Hij blaast zich op,--en niet zoodra heeft hij eenige
dagen naar _Antieken_ geteekend, of hij moet een _atelier_ hebben; hij moet
schilderen, schilderijen maken:--hij, die nog geenen goeden neus uit zijn
hoofd kan teekenen!
Waarlijk, hij heeft een paneel en eenen schilderbak gekocht. Zijne nog
witte knevels komen beschaamd op zijne lippen staan; zijn haar groeit
schrikkelijk en wild op zijn hoofd, en de straatjongens roepen hem na met
het woord _Artist_.
Hij schildert dan;--maar wat zal het beteekenen? Het is een manneke, dat
op eene tafel ligt te slapen,--bemerkt, dat hij dan het aangezicht niet
schilderen moet, daarbij eene hesp in eenen schotel, met eenen hond, die er
aan komt bijten; in het verschiet wat kassen, potten, ketels, enz.
Aan die onbeduidende samenstelling arbeidt hij drie maanden; hij wrijft,
hij veegt, hij knoeit, hij steelt ..... en ziet! eindelijk komt er iets uit
zijne handen, dat van verre aan eene schilderij gelijkt.
De vader en de vrienden zeggen:
«Het is een Teniersken!»
Maar anderen zeggen met meer reden, dat het een armzalig broddelwerk is.
Het doorzicht is er niet in verstaan; de voorwerpen van de tweede diepte of
_plan_ zijn grooter dan die van de eerste; de beenen en armen hangen
gebrekkelijk aan het lichaam, of zijn te lang of te kort; de voorwerpen
vallen om; de hond is een raadsel, dat _Buffon_ zelf gewis niet zou hebben
kunnen oplossen.....
Tot hiertoe is het kwaad nog niet groot: de jongen luistert nog naar
raadgeving van meerdere kunstenaren; hij gaat nog naar de teekenschool,
alhoewel hij er met tegengoesting leert.
Maar, o ongeluk! een vriend van zijn huisgezin of een arm, onkundig
liefhebber geeft hem honderd franken voor zijn schilderij!
Nu is de bom geborsten..... Hij wil en zal een _atelier_ hebben, dat niet
in het huis zijns vaders zij, opdat men voortaan vrage: waar is het
_atelier_ van zulk eenen? Hij neemt en bederft eenen jongen, en heeft dus
eenen _élève_ of leerling: dus is hij Meester..... Zal hij op de Academie
voortgaan in de teekenkunde? Zal hij, die Meester is, tusschen leerlingen
zitten? Dit kan immers met zijne opgeblazenheid niet samenstaan?
Dienvolgens verlaat hij de Academie of Teekenschool.
Wat kan er nu van den zoo gezegden kunstenaar geworden? Hij kan niet
teekenen; hij kent niets van het samenstel van het menschelijk lichaam;
doorzicht is hem eene vreemde wetenschap.....
Hij kan zijne teekenstudie te huis vervorderen,--zou men kunnen
denken,--maar het is onder schilders eene bekende waarheid, dat hij, die
aan het schilderen geraakt, meest altijd eenen afkeer van het teekenen
krijgt.
Neen, die ongeleerde kunstenaar blijft zijn geheele leven lang knoeien,
verkoopt van tijd tot tijd eene slechte en onbeduidende schilderij en
sleept zijne bittere dagen tusschen hoogmoed, nijd en moedeloosheid. Hij is
afgunstig op iedereen, spreekt kwaad van zijne kunstgenooten ..... en
sterft meubelschilder.
En misschien was hij geroepen om zijn vaderland te verheerlijken! Misschien
lagen rijkdom, eer en geluk voor hem bestemd; maar zijne slechte studiën
hebben hem in den grond geboord, en zijn ingeboren vernuft ten onnutte
gemaakt.
Wij moeten het bekennen, enkele werkzame geesten beseffen in dien toestand
de middelen om zich nog te redden, en redden zich inderdaad; maar daartoe
behoeft geene kleine hoeveelheid moeds. Wij kennen er, die een gedeelte van
den dag en menigen avond zich oefenen in de teekenkunde, die lezen,
onderzoeken en vergelijken, en niets nalaten om den verloren tijd in te
winnen. Wij kennen er, die door zoeken en door zwoegen zich eene
eigenaardige kleur hebben aangeschaft; die arbeiden van den morgen tot den
avond, en door echt schoone voortbrengsels zich onderscheiden. Tot deze
werkzame kunstenaren zijn onze harde woorden niet gericht. Integendeel,
dezen prijzen en achten wij als mannen, die veel bijbrengen tot den roem
der Vlaamsche school. Nooit is een arbeid met moed ondernomen en met
standvastigheid voortgezet, of zijne vruchten waren gewichtig en
aanzienlijk.
Neen, onze looden waarheden vallen op den hals van hen, die hunnen tijd in
zorgeloosheid verspillen; die gedurende een gering gedeelte van den dag aan
een knoeiwerk arbeiden, en misschien noch potlood, noch krijt in hun bezit
hebben; die in een geheel jaar niet eenen enkelen avond uit de herberg
blijven, en daar door pochen en zwetsen doen gelooven, dat de kunst in
praten bestaat; zoodanig dat zelfs eenvoudige menschen de schouders er van
optrekken;--van hen, die met eene ongehoorde waanwijsheid over alles durven
oordeelen, en denken, dat het genoeg is met den naam _Artist_ behangen te
zijn, om de _Science infuse_ of ingeboren wetenschap te bezitten, zonder
dat het noodig zij ooit een boek in de hand te nemen ..... van hen, die de
kunst verlagen door hunne hoogmoedige onwetendheid!
Wanneer dan zullen deze ongelukkigen begrijpen, dat de kunst een tempel is,
waar men niet binnentreedt zonder voorbereiding?--waar men niet ingaat,
vooraleer men door het water der leerzaamheid de vlekken der onkunde van
zijnen schedel gewasschen hebbe? Wanneer zullen zij beseffen, dat men het
vaderland niet vereeren kan, vooraleer men zich zelven eeren en achten
doet? Nimmer.--Begrijpt de waanwijsheid?
Jongere leerlingen! gij, die uwe teekenstudiën begint, geeft acht op mijne
woorden! Voorwaar, ik zeg het u, wilt gij schilder worden en glorie zoeken,
leert dan alles, wat er in de kunsten kan geleerd worden,--dan zult gij
rijk aan kennis zijn; uw vernuft zal zich zonder moeite ontwikkelen, uwe
hand zal kunnen gehoorzamen aan de inspraak van uwen geest, en niets zal in
het uitvoeren uwer scheppingen een hinderpaal zijn. Leert en arbeidt in uwe
jonge jaren ..... zoo niet, moogt gij deze woorden als eene voorzegging
aannemen: _vergeten knoeier--arm leven--en bitter brood_!
V
De geschiedenis van Frans wordt treurig.--Hoe Baron De Pret de kunsten
aanmoedigt.--Groote rampen, die Frans overvallen.--Hoe hij eindelijk het
loon zijner werkzaamheid krijgt.--Wat hij nu is en hoe hij nu leeft.--Slot.
Zij dwalen, die denken, dat men met de grootste geschiktheid van geest, met
het fijnste ingeboren vernuft en met de beste studiën zoo maar in korten
tijd kan schilder worden; neen, er verloopen nog al eenige lange maanden,
somtijds wel jaren, eer men de kleuren en verven meester wordt en over deze
als over gehoorzame werkstoffen kan beschikken. Men maakt zooveel
gebrekkelijk schilderwerk, eer men een goed tafereel voor den dag brenge!
Dit begon het huisgezin van Frans, en hij zelf nu eerst bitter te gevoelen.
Zijne ouders hadden voor hem alle opofferingen gedaan zonder de minste
achterdocht, omdat zij niet twijfelden, of Frans zou eerlang een groot loon
voor zijne werken krijgen; maar, eilaas! hoe bedrogen de goede lieden zich!
Hunne opofferingen werden noodzakelijk allengs grooter en lastiger,
naarmate hun zoon dichter bij de mannenjaren kwam. Hij moest alle
oogenblikken verf, penseelen of doeken hebben; en al deze kosten moesten
genomen worden op de geringe winst van het kantwerk van Meken en op het
dagloon des vaders.
De twee vrouwen hielden lang voor den man verborgen, dat zij geld ontleend
hadden; eindelijk bekenden zij hem, dat zij tot aan den hals in de schuld
staken. Dit verschrikte den eerlijken en fieren werkman zeer; hij ging meer
dan eens met verdriet naar zijn werk, doch hij sprak geen enkel bitsig
woord tegen Frans of tegen de vrouwen. Hij zelf was hoogmoedig over zijnen
zoon geworden en begreep dat het nu geen tijd meer was om terug te keeren.
Hij verkropte dan in stilte de schaamte, die de gedachte van schuld te
hebben hem veroorzaakte, en zag eene bittere toekomst te gemoet.
Een eenvoudig voorval redde het droeve huisgezin uit dien dreigenden nood.
Meken ging sedert eenigen tijd alle dagen een gebed lezen in de
St.-Andrieskerk, voor het beeld der bedrukte moeder. Eens dat zij na haar
gebed huiswaarts keerde, ontmoette zij Baron De Pret in
St.-Andrieskerkstraat. De edelmoedige man herinnerde zich de wezenstrekken
der oude vrouw, en vroeg haar met veel goedheid, hoe het met haar ging, en
of zij nu tevreden was. Hierop volgde natuurlijkerwijze eene lange klacht
van grootmoeder; des te meer, daar zij niet anders kon denken, of die
weldoener der kunstenaren was haar door toedoen der Moeder Gods ter hulp
gestuurd. Zij bedroog zich niet in haar geloof, de goede vrouw! De Baron
vatte hare magere hand in de zijne en sprak glimlachend tot haar:
«Waarom hebt gij mij dat niet eerder gezegd? Wees maar gerust, vrouwken.
Kent gij M. Wappers?»
«Ja, Mijnheer de Baron.»
«Welnu, zeg aan Frans, dat hij bij M. Wappers alle maanden vijf en twintig
franken mag halen: ik zal ze daar leggen voor hem.»
Hiermede ging de Baron van haar weg en liet haar ontsteld staan. Gedurende
eene halve straat weegs bezag hij met ontroering twee ronde tranen, die
Meken als een verbond van eeuwige erkentenis op zijne hand gestort had!
De weldadigheid van Baron De Pret liet aan Frans toe, zijne studiën zonder
hartzeer te vervorderen; hij geraakte dan zoo ver, dat hij het durfde
ondernemen een schilderij samen te stellen en uit te voeren.
Een onvoorzichtige, ja, veeleer een domme vriend deed hem gelooven, dat
zijn werk goed was, en dat hij het in de bestendige vertoonzaal of
_Exposition permanente_ moest ophangen.--Maar, hoe betreurde Frans zijne
onbezonnenheid! Zijn tafereel, dat inderdaad nog gebrekkig was, werd des te
meer beknibbeld en des te luidruchtiger afgekeurd, omdat het van een
beginneling kwam, die zich nog geene eeuwige verdedigers of _opzetters_ had
aangeschaft.
Hij maakte schoonere en betere schilderijen; doch de reeds ingewortelde
vooringenomenheid stiet hem telkens terug. Nu scheen het, alsof hij nergens
goed voor ware, alsof hij nimmer iets anders dan broddelwerk zou kunnen
voortbrengen. Dit vooroordeel was ten laatste zoo sterk aangegroeid, dat
zijne weinige vrienden zelven zijn werk niet durfden prijzen, uit vreeze
van door te gaan voor _épiciers_ of onkundigen van slechten smaak.
Verstooten uit den kring der kunstenaren, altijd achteruitgeplaatst door
mannen, die minder vernuft hadden dan hij, bekend voor eenen knoeier, bleef
Frans echter leeren en arbeiden; maar zijne schilderijen bleven ook, ter
bewondering van zijn Meken, tegen de wanden zijner arme woning hangen.
Dit zij eene les voor alle jonge kunstenaren! Al wie voor de eerste maal
eene schilderij ten toon hangt met de wetenschap, dat hij eene betere maken
kan of zou moeten kunnen maken, is een dommerik, die zich zelven eene
onherstelbare schade doet. Want, is het niet bij het eerste voortbrengsel
van eenen kunstenaar dat men over zijn verleden, zijn tegenwoordig en zijn
toekomend vernuft oordeelt? En wat moeite, wat uitsteken gewrocht zal er
niet noodig zijn om dit eerste oordeel te niet te doen? Die, welke de
slechte schilderijen gezien hebben, zien daarom altijd de goede niet, en
blijven dus bij hunne eerste gedachte.
Meer dan eens nog beweende Frans bitterlijk zijne eerste onvoorzichtigheid;
dikwijls, wanneer hij voor een paneel op zijnen zolder of _atelier_ gezeten
was, sloeg hij zich met de vuist op het voorhoofd en riep:
«Hoe is het mogelijk! Wat domheid, wat verblindheid heeft mij gedreven? Ik
wist, dat mijne schilderij vol gebreken was. En ze ten toon hangen? Ho, ik
was zeker van mijne zinnen.....»
* * * * *
Maar zijne ongelukken waren nog niet ten einde.
Alsof God hem in de baan der kunst beproeven wilde, werd hij in eens door
twee schrikkelijke rampen geslagen. Zijn vader, die aan het lossen der
schepen arbeidde, brak door het vallen eener ton zijnen rechterarm, die
daarenboven nog ten deele was verpletterd.
Drie dagen later stierf zijn weldoener Baron De Pret!
Dit laatste ongeluk trof het arme huisgezin zoodanig, dat zij allen twee
dagen in tranen doorbrachten, zonder bijna een woord te spreken.
* * * * *
Op den dag der begrafenis van Baron De Pret volgde eene ootmoedige
_vigilante_ van verre den lijkstoet. Te Hemixem en bij de begraafplaats
gekomen, stapten drie personen uit het geringe rijtuig. Zij gingen nevens
het kerkhof in eenen zijdeweg en waren gedurende de begrafenis niet
zichtbaar.
Toen alles gedaan was, en de prachtige koetsen al de aanschouwers der
lijkplecht op de baan van Antwerpen in volle vaart stedewaarts voerden, zag
men drie personen met stille stappen het kerkhof binnentreden. Het was
Frans, die zijne stokoude grootmoeder onder den arm hield, terwijl zijne
moeder haar aan de andere zijde ondersteunde. Niemand zag hen, want alles
was doodstil op het kerkhof, en de grootste eenzaamheid heerschte er.
Ziet gij ze alle drie, met roodgeweende oogen, met snorkenden adem, dien
hoop versch opgeworpen aarde genaken? Daar rust hij, die het goed in stilte
deed.....
O, zegt niet, dat de deugd niet geëerd, niet beloond wordt: de tranen dezer
menschen wegen duizend in de schaal van God!
Ziet, de vrouwen knielen neer op den hoop aarde.
Zij vouwen de handen te zamen en buigen het hoofd naar het lijk: hunne
lippen bewegen.....
Spreken zij ook in rethorische taal? Zijn hare woorden berekend, gemeten en
geschreven, opdat zij ze niet vergeten? O, neen, zij kennen maar één gebed,
hun door den Zaligmaker zelven geleerd: zij bidden en herbidden het
krachtig en alvragend Onze Vader! Hunne stemmen worden helderder, als zij
murmelen:
«Vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven onzen schuldenaren.
Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons, nu en in de ure onzes doods.
Amen.»
Hunne zielen, hunne tranen, hunne zuchten zeggen het overige tot den Heer.
Slaap gerust, o Goede! Wij planten geene bloemen op uw graf: zij zijn niet
onsterfelijk als de heugenis uwer ontelbare weldaden..... Uwe ziel ontvange
in den schoot der Godheid een loon, dat de wereld niet geven kon.
Maar waarom knielt Frans niet op het graf? Waarom? Hij is verslonden door
droefheid; hij voelt zich niet meer leven en heeft vergeten, waar hij zich
bevindt. Ziet, daar staat hij als een steenen beeld, met het hoofd op de
borst, met de nijpende hand aan het voorhoofd. Hoe blinken de rollende
tranen, die zijnen oogen ontsnappen! Ongelukkige jongeling! Wie beschrijft
de doodende wanhoop, die uw hart tot barstens toe verkropt?
Ontwaak! Ziet gij niet, dat die koude aarde de gezondheid uwer grootmoeder
krenken zal! De avond vindt haar wellicht nog geknield en weenend. Heb
moed, keer terug naar uwe woning.....
Des anderen daags sprak Frans op droeven toon in dezer voege tot zijne
ouders:
«Wij zijn ongelukkig en arm; ik ben de schuld van al uw verdriet, ik weet
het. Maar laat mij u eene vraag doen, en antwoordt mij openhartig;--kunnen
wij nog drie maanden bestaan zonder het minste geld te winnen?»
Deze vraag bleef eenen langen tijd zonder antwoord. De moeder, die wist,
wat haar zoon zich voorstelde, ging bij den zieken man en overwoog de zaak
met hem; dan sprak zij:
«Drie maanden, ternauwernood, maar niet langer.»
«Welaan,» hernam Frans, «ik ga eene poging doen. Nog ééne schilderij zal ik
maken, eene enkele; en verkoop ik die niet in korten tijd ..... dan, o
moeder, o grootmoeder, dan word ik meubelschilder!»
Dit laatste woord kostte hem moeite om uit te spreken; doch hij herstelde
zich welhaast en vroeg nogmaals, of men hem drie maanden gerust en
onverhinderd wilde laten werken. Zijne ouders stemden toe in zijn
voornemen.
Frans ging bij M. Wappers en kreeg daar de laatste vijf en twintig franken,
die zijn weldoener er voor hem had nedergelegd. Voor een gedeelte van dit
geld kocht hij verven, sloot zich den dag daarna op den zolder zijner
woning en schetste in doodverf het onderwerp, dat hij behandelen wilde, op
het doek.
Het was het kerkhof van Hemixem met een versch gesloten graf, waarop twee
vrouwen zaten te bidden; op de tweede diepte zag men een jong mensch in de
uiterste wanhoop staan weenen; ter zijde, de muren der kerk; in het
verschiet een weelderig landschap.
Gedurende twee maanden en een half arbeidde Frans zonder ophouden; hij ging
het kerkhof van Hemixem met de bijwerken naar de natuur afschilderen; en
deed zijne moeder en grootmoeder als modellen voor zich zitten.
[Afbeelding: Arbeidde Frans zonder ophouden. (Bladz. 120.)]
Nooit had een kunstenaar met meer vuur, met meer liefde of meer drift aan
een tafereel gearbeid. Frans was vervuld met zijn onderwerp; en gedurende
al den tijd door hem aan zijn werk besteed, had hem het hoofd gebrand als
dat van eenen koortsige.
Kon dit tafereel slecht zijn? Neen, er moest een stempel van vernuft op
geteekend staan;--en het was ook zoo.
Frans kreeg op tijd van betaling eene lijst. Ditmaal had hij eene andere
inspraak: hij zond zijn tafereel naar de Vertoonzaal te Keulen in
Duitschland..... Zou hij daar gelukkig zijn?--Dan, de schilderij was weg en
bleef weg, zonder dat men er iets van vernam.
De armoede, zooals zij ze nog nooit gevoeld hadden, kwam het wachtend
huisgezin overvallen. Dan aten zij bitter brood en waren als ter neer
geslagen door eene schrikkelijke onttoovering. Die, welke den meesten moed
toonde, was het goede Meken; zij droeg in stilte al hare kleederen en haar
goud naar den berg van Barmhartigheid en troostte de anderen. Maar dit kon
niet lang duren; de kleederen van Frans en die der moeder moesten ook
eindelijk naar den berg; ja, de medailles en eereteekens werden bij den
bakker verpand voor eenige brooden!
Men had schuld gemaakt bij den vleeschhouwer, bij den kruidenier; de bakker
wilde niets meer uit zijnen winkel laten gaan, en niemand wilde meer iets
borgen aan den _poveren artist_,--zoo noemde men Frans in het kwartier. De
wekelijksche huishuur was van de geheele maand nog niet betaald geworden,
en de huisbaas had reeds driemaal eenen _Huissier_ gezonden om hun de
betaling af te eischen.
Op eenen namiddag van de maand September was de armoede in dit huisgezin
tot den hoogsten top gerezen. Niemand had er iets gegeten sedert den avond
van den vorigen dag. De _Huissier_ was hen komen waarschuwen, dat hij nog
eens te zes ure zou wederkeeren, en dat, indien zij dan de huur niet
betaalden, zij des anderen daags 's morgens met al hun huisraad zouden
worden op straat gezet.
Meken hield de hand van Frans en poogde hem te troosten; de moeder weende
in stilte; de vader, die zijnen arm nog droeg, zat bij den schoorsteen en
zag de kamer in met sombere blikken. Eensklaps borst de werkman in tranen
los.
Nooit had Frans zijnen vader zien weenen,--het was de eerste maal in zijn
leven. Ook dit gezicht schokte hem als een donderslag, er steeg een akelige
schreeuw uit zijne keel, en hij viel knielend neer voor zijnen vader:
«O vader, vader!» riep hij, «gij weent?--Gij! O, stil u, morgen word ik
meubelschilder..... Ik zal drie franken elken dag winnen.....»
De werkman hief zijnen zoon van den grond op en drukte hem tegen zijn hart.
«Frans,» sprak hij, «ik leg de schuld niet op u, jongen; maar wij zijn zoo
ongelukkig! Ik stort tranen, omdat ik bijna razend ben--dat ik niet werken
kan. Wij hebben honger; ons ingewand scheurt van pijn. Wie zal ons eten
geven, vóórdat de nacht kome? Waar zullen wij gaan, als men ons op de
straat zal gezet hebben? Is het niet om zot te worden of om zijn eigen te
verdrin.....»
Frans sloot zijnen vader met kracht tegen zijne borst, en smoorde dit
laatste en schrikkelijke woord op zijne lippen door eenen nijdigen zoen.
Terwijl vader en zoon dus aan elkander vastgestrengeld waren, werd de deur
der kamer opengestooten. Een man met eene lederen tasch op den rug, stak
zijne hand en eenen brief vooruit.
Door een geweldigen sprong rukte Frans zich los van zijnen vader en greep
naar den brief; maar de drager trok hem terug en sprak op dorren toon:
«Een brief van Duitschland: twee franken!»
Twee franken! in welke verborgene plaats van dit huis bevindt zich die
schat?--Twee franken--voor menschen, die van honger vergaan?
Wie kan de droefheid en de martelpijn van dit huisgezin beschrijven? De
brief behelst wellicht het einde hunner rampen;--hij misschien moet hunne
tranen drogen, hun eten geven en hen van de verjaging bevrijden..... En
ziet, terwijl zij met kloppenden boezem den brief bestaren en smeeken om
hem te mogen openen, wil de drager heengaan en al hunne hoop
verscheuren.--De aarde brandt onder de voeten dier ongelukkigen; zij
stampen van ongeduld; zij rukken zich de haren uit..... De arme Frans
wringt zich ineen, dat zijne leden kraken: hij wordt als een dwalend schip
door de baren van den rampspoed heen en weder geslingerd; hij hoopt en
vreest ter zelfder tijd: die brief is wellicht de haven der verlossing, hij
ziet ze ..... en zij gaat hem ontsnappen!
De moeder knielt voor den brievendrager; zij heft hare smeekende handen tot
hem.....
Ha! hij weent,--hij heeft geen steenen hart. Daar! hij geeft den brief aan
Frans met deze woorden: «Neem hem maar. Ik ben ook arm, maar ik kan het
toch niet langer aanzien.»
Frans opende den brief langzaam en met angst; elke plooi werd als met
voorzichtigheid ontvouwen.--Maar niet zoodra had hij zijne oogen op den
inhoud geworpen, of de spieren van zijn aangezicht begonnen stuiptrekkend
zich te bewegen: hij werd bleek als een doode en een akelige schreeuw
bonsde uit zijne borst door de kamer. Hij leunde op de tafel, en de brief
viel uit zijne hand op den vloer.
De kamer was vervuld met droefheidsgillen; Meken hief de armen ten hemel;
de moeder viel achterover op haren stoel; alsof al hare spieren met lamheid
geslagen waren.
Frans deed geweld om te spreken. Het was zichtbaar, dat hij iets zeggen
wilde, doch het kon niet over zijne bevende lippen. Eindelijk brak zijne
spraak los; hij raapte den brief op, vloog met open armen naar zijne
grootmoeder en riep met schrale stem:
«Meken! Moeder! Vader! Ik ben schilder! Vijfhonderd franken voor mijne
schilderij!»
De vier gelukkigen lagen in elkanders armen, zich rukkende, zich zoenende,
zich streelende,--en een verward geschal van vreugderoepen vervulde de
kamer.
Na de eerste betuiging van liefde en blijdschap betoonden de vrouwen hare
nieuwsgierigheid om den inhoud van den brief te kennen. De jongeling, die
het Duitsch tamelijk wel kende, vertaalde hun den brief, die luidde als
volgt:
Keulen, den.....
_Mijnheer,_
Het tafereel, dat ons door u is toegestuurd geworden, onder den titel van
_het Graf van eenen Weldoener_, is door de liefhebbers veel bezocht en
geprezen geworden. Ik acht mij gelukkig, u te kunnen aankondigen, dat het
door den heer E..... onzer stad is aangekocht tegen den door u opgegeven
prijs.
Gij zult, bij het vertoonen dezes, de som van 500 franken kunnen ontvangen,
ten kantore van M. L....., bankier uwer stad.
Met niet minder genoegen zult gij vernemen, ik hoop het, dat de heer E.....
een tweede tafereel van dezelfde grootte van u verlangt. De betaling zal er
van gedaan worden, zoodra gij het aan mij zult hebben doen geworden.
De geheimschrijver
van het Keulsch Kunstvereen.
«Ho!» riep Frans eene tweede maal, «nu ben ik schilder! Grootmoeder, nu ben
ik schilder!»
«Ja, kind,» antwoordde Meken met eenen fieren blik, «heb ik het u niet
gezegd? Nu zijn wij zoo rijk, dat wij geen eind aan ons geld zullen vinden!
Laat ze nu maar zeggen: _de povere artist_! Dat ziet gij wel, God is toch
goed; wij hadden al te veel uitgestaan. Ik zal nog negen dagen voor
Onze-Lieve-vrouw van de Zeven Weeën gaan bidden, om haar te danken. En nu,
Frans, jongen, nu maar vroolijk het onze genomen van hetgeen onze Heer ons
gegund heeft.--Nu zullen wij wel eene stoop kriekbier kunnen krijgen en een
pond of twee varkensribbekens.--Laat ons nu maar smullen!--de
brievendrager, dat goede mensch, zal meedoen.»
Een kwartier later hoorde men reeds van aan de deur de varkensribben in de
pan kissen; de reuk van het gebraad droeg als een bode het gelukkig nieuws
in de gebuurte; het roode kriekbier stond uitgeschonken op de tafel en de
brievendrager was dien avond, met Frans en zijne ouders, eens recht
vroolijk.
Des anderen daags werden twee goede heelmeesters bij den vader geroepen. De
verpande kleederen, de medailles werden gelost en al de gemaakte schuld
betaald.
Van dit oogenblik af arbeidde Frans met moed en zekerheid; zijne
schilderijen werden verkocht, eer zij nog voltooid waren, en hij kon weldra
aan de vragen der liefhebbers niet meer voldoen.
Nu woont Frans met zijne ouders niet meer in het arm huis; zij hebben nu de
gedroomde twee stagiën en schoone kamers, fraai behangen, versierd met
nette meubels..... De vader werkt niet meer op de kaai; hij rookt zijne
pijp bij eene sierlijke stoof van Marckelbach.
Meken heeft eene meid om haar te dienen, en de liefde van haren Frans om
haar op deze aarde gelukkig te maken.