De Grootmoeder, _zij wroet tamelijk lang in haren zak_.--Och Heer! Zou ik
het verloren hebben? Ha, neen. Hier is het.--Ziet, Mijnheeren.--Het is nog
maar een kind, Mijnheeren.--Ik zeg niet, dat het portret goed gedaan is;
maar het lijkt toch een beetje.
(_De professoren geven elkander het stuk papier over. De eene bijt op zijne
lippen, de andere schijnt te moeten niezen; doch bij het bezien der
grootmoeder, die zich als vergelijkingsmiddel in het midden der kamer
plaatst, barsten zij eindelijk in eenen langen lach los._)
De Moeder, _stil tot de grootmoeder_.--Meken, zij lachen!
De Grootmoeder, _met blijdschap_.--Laat ze maar lachen; hoe meer hoe
liever. Ziet gij niet, dat ik het er om doe; nu komt Frans zeker op de
Academie.
De Moeder, _met twijfel_.--Ik geloof het niet.
De Grootmoeder, _tot de professoren_.--Ja, Mijnheeren, niemand heeft zijn
eigen zelven gemaakt ..... het is mijne schuld niet, dat ik niet meer
schoon ben.--Wat is een oud mensch?
M. Schafels.--Maar, Vrouw, hij heeft zeker betere dingen geteekend; hebt
gij geene andere bij u?
De Moeder.--Wel, Mijnheer, hij kan niets zien of hij teekent het uit. Daar
is de tamboer-majoor van het 6de, die heeft kennis in onze geburen; hij
was nog geene drie keeren door onze straat gegaan, of Fransken had hem al
op zijn papier staan..... Laat het eens zien, Meken.
De Grootmoeder; _zij geeft een stuk papier aan M. Van Bree_.--Ziet,
Mijnheeren! Dat gelijkt misschien nog beter.
(_De professoren doen geweld om zich te bedwingen; M. Schafels ligt met het
hoofd op de tafel._)
De Grootmoeder, _voortgaande_.--En met de St.-Andrieskerk is hij ook al
naar huis gekomen, en dat was schoon, met deuren en vensters nog al. Ik heb
het ook in mijnen zak:--ziet, Mijnheeren.