De Moeder.--Elf jaar, Mijnheer.
M. Wappers.--Dit zou men niet zeggen. Zie, moeder, als ik u eenen raad mag
geven, laat hem dan liever nog een jaar of twee naar de school gaan; want
hier zou hij toch niets leeren. Hij is te klein en kan nog niet aan de
tafels staan.
De Grootmoeder, _bedroefd_.--Och, Mijnheer Wabbes!..... Hij heeft er zoo
eene goesting voor;--zie, de tranen komen al in zijne oogen, och arme!
(_Het kind beziet beurtelings al de professors met eenen smeekenden blik;
zijn gelaat is zoo sprekend en zoo zoet, dat het eenen diepen indruk op hun
gemoed maakt._) En dat gij wist, Mijnheeren, hoe hij altijd bezig is met
teekenen!
De Moeder, _invallende_.--Ja, Mijnheeren, hij is er altijd mede bezig. Al
etende, al drinkende, tot in zijn bed toe, maakt hij niets dan mannekens.
Ons geheele huis staat er vol van..... Gisteren avond heeft hij zijn
Meken, die daar staat, nog uitgeteekend.
De Grootmoeder.--Ja, het is waar, Mijnheer.
(_De professors betuigen eene groote nieuwsgierigheid._)
M. Snyers.--Daar steekt misschien iets in dit kind. Hebt gij het portret
niet bij u, moeder?
De Moeder.--Ja, Meken heeft het in haren zak.