M. Van Bree.--Vrouwken, het is zeker voor dit jongsken, dat gij komt?

M. Snyers.--Om eene plaats voor hem op de Academie? Gij moogt niet bang

zijn, Vrouw. Spreek maar ronduit, en zeg maar wat gij begeert.

De Grootmoeder, _met eenen dankbaren glimlach_.--Wel, Mijnheeren, wat zijt

gij toch goed! Ja, Mijnheer Van Bree, ja, Mijnheer Wabbes, als gij de

goedheid wilt hebben om ons Fransken (_zij brengt het kind vooruit_) op de

Academie te laten komen ..... gij weet niet hoe blij wij zullen zijn.

Hoe men schilder wordt · 第 5 / 17 题