14 Februari.

Eergisteravond hebben wij het anker uitgeworpen voor den nacht

naast de schepen van den heer F., den Engelschman, die met zijn

vrouw uit Khartoem was vertrokken, zooals ik reeds heb verteld,

om een groote jachtexpeditie te ondernemen. Een derde schip, aan

kolonel J. behoorend, die een vriend van hen was, is ook hier;

maar tot onze verbazing troffen we mevrouw F. geheel alleen met de

soedaneesche bedienden.

"Mijn man," zei ze, "is met den kolonel twee dagen geleden per kameel

vertrokken, om olifanten te jagen; ze zullen wel niet eer dan over

twee of drie dagen terug wezen." Klinkt het niet als een wonder? Wij

zijn in Centraal Afrika, slechts enkele uren van Faschoda verwijderd,

en deze blanke vrouw, alleen te midden van de negers, wacht geduldig

en zonder eenige vrees. Waarlijk, de primitieve landen zijn minder

gevaarlijk voor de zwakke sekse dan de beschaafde!

"Heeren," zei mevrouw F. tot ons, "het doet mij genoegen, dat u gekomen

zijt. U hebt geweren, niet waar? Welnu, u zoudt mij een groot genoegen

kunnen doen, door een leeuw te dooden, die sedert een paar dagen hier

rondzwerft, en wiens aanwezigheid mijn bedienden schrik aanjaagt."

Een leeuw! Maar dat is juist wat wij zochten! O, die zal ons niet

ontkomen. Er werd krijgsraad gehouden. Wij riepen den Sjikari,

die ons uitlegde, dat de leeuw zich in den vroegen morgen naar het

binnenland terugtrekt, soms tot op grooten afstand. Wij zullen dus

moeten vertrekken eer de zon is opgegaan, en de ezels moeten nemen,

die mevrouw F. te onzer beschikking stelt, evenals enkele van haar

bedienden.

O, Tartarin, glorieuzer gedachtenis, als gij ons hadt zien

vertrekken!... Dwars door het struikgewas, door boschjes van

roodachtige boomen, welker takken lange dorens hadden, die onze

kleederen scheuren en ons bloedig verwonden, over uitgedroogde

terreinen met diepe spleten gaan wij met verrassende snelheid voort,

bewogen door den vurigen wensch, dien leeuw eens van aangezicht tot

aangezicht te zien. Een leeuw!... Dat was nog eens een historie, om aan

de vrienden te vertellen. Misschien konden wij op ons visitekaartje

laten graveeren: "Die en die, leeuwenjager". Wat zou dat het publiek

imponeeren! Wij kwamen aan een open plek in het bosch, met hoog gras

begroeid, en plotseling weerklonk uit die zee van gras een geweldig

gebrul... Dat is hij! Onze ezels trillen... en wij ook..... zij van

vrees, wij van opwinding.

"Hm," doet de Sjikari, "hij heeft ergen honger!"

Iemand trekt mij aan de mouw; het is Makhmoed. Hebt ge ooit een neger

zien verbleeken? Ik zweer, dat Makhmoed bleek was... hij zag er heel

leelijk uit, en de oogen puilden hem uit het hoofd. "Heer," zei hij,

"gevaarlijk, zeer gevaarlijk... verleden jaar heeft mijn broer..."

"Makhmoed, dat kun je mij later vertellen..."

Maar hij gaat achter mij voort: "Een leeuw doodde een engelschen

kapitein... zeer gevaarlijk... schiet goed, o heer!"

In de verte zagen we het hooge gras buigen onder de voetstappen van

den koning der dieren, en een tweede gebrul scheen de geheele natuur

te doen trillen.

"Hij heeft honger," herhaalt de Sjikari, "en hij gaat vlug naar het

boschje rechts van ons. Wij moeten er zien te komen, eer hij er is."

Wij gaan verder, en bij den ingang van het boschje stappen we af. Met

den vinger aan den trekker en wijd geopende oogen stappen we verder

in dat bosch, dat niet groen is, maar roodachtig, juist van de kleur

der wilde dieren. Men kan maar op een paar meter afstands zien, en

er bestaat kans, dat we ons plotseling neus aan neus met den leeuw

zullen bevinden. Op dat oogenblik wijst een van onze drijvers ons de

versche sporen van een buffel. Het moet een zeer groote zijn, maar,

waarschuwt de drijver, onze verlofbewijzen geven ons niet het recht,

buffels te schieten.

"Vooruit, vooruit!" roept mijn vriend, "dood aan den buffel. Al moet

ik alle mogelijke boeten betalen, al moet ik ervoor in de gevangenis,

de buffel, de buffel!"

Er is met jagers evenmin rede te plegen als met verliefden, en wij

gaan weer voort, transpireerend uit alle poriën. Een andere drijver

roept ons naar de grens van het bosch. Wij snellen toe, en op 700

tot 800 meter afstands van ons zien we een open ruimte, waarover

zich een groote kudde antilopen beweegt! Nu doet zich de vraag voor,

of ze van de soort zijn, die wij mogen schieten. Eerlijk gezegd,

wij weten er niets van; we zouden het niet kunnen zeggen, als de

dieren tien pas van ons verwijderd waren, en dus is het ons totaal

onmogelijk op 800 meter afstands.

"Naar den drommel met het verlof," zegt mijn vriend, "ik zal dan toch

een gebraden antilopenboutje hebben, wat het mij ook moet kosten." Wij

sluipen voorzichtig verder, maar bij de wijde, open ruimte, waar

de antilopen grazen, durven we niet verder uit vrees, dat de schuwe

dieren ons zouden bemerken. Nu niet langer geaarzeld; er moet weer

geschoten van de plek waar we staan, een goeden halven kilometer ver.

"Pang, Pang!" knallen de geweren, en op hetzelfde oogenblik vliegt

de heele kudde weg! Ze hebben nog geen tweehonderd meter afgelegd,

of ze keeren om. Hebben ze den leeuw geroken? Weer vliegen ze in onze

richting, maar altijd op 500 meter afstands... Vuur! En gelukkig,

twee antilopen bijten in het zand; maar één ervan staat op en hinkt

weg. Wij hebben er dan toch één ... het is wel geen leeuw, maar enfin,

het is beter dan niets ...

Ik wachtte op Makhmoed, die in het bosch bij de ezels is gebleven,

en toen we weer bij ons gezelschap waren bij de gevallen antilope,

lijkt het, of mijn beide vrienden elkaar boos aankijken. De één kwam

mij tegemoet en zei zacht: "Daar kan men zich nu geen idee van vormen;

nu heeft die vent de brutaliteit, te beweren, dat hij de antilope

heeft gedood, en ik weet zeker, dat mijn kogel het heeft gedaan!"

Nee maar, dat is aardig! Ze hebben er geen van beiden aan gedacht,

dat het wel mijn kogel van geweest zijn! Ik heb niets gezegd, want ik

ben er niet zeker van, dat de antilope behoort tot de soort, die wij

het recht hebben te jagen... en als er nu een boete is te betalen,

moeten zij het maar uitmaken, als ze dan beiden zoo zeker zijn,

het doodelijke schot te hebben toegebracht.

Wij brachten na een korte visite aan Faschoda, een bar stuk woestijn,

nog een bezoek aan een amerikaanschen zendingspost aan de Sobat,

waar de landbouwende paters onder het volk der Sjilloeks veel goed

doen. Een der Sjilloekhoofden, Okokwon, bracht een bezoek aan boord,

dat wij ook beantwoordden, waarna de heele bevolking van zijn dorp

ons naar boord terug geleidde.

De zon stond reeds laag aan den horizon, toen de _Abbas Pacha_ weer

den weg naar Khartoem insloeg, den weg tevens naar de beschaving. Het

spijt ons, niet dieper in Centraal Afrika te kunnen doordringen,

maar de tijd is om, we moeten terug... maar, zoo we hopen, komen we

een anderen keer weer!

Het moderne Egypte: Wat er te zien en te hooren valt tusschen Kaïro en Faschoda De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 8 / 9 题