9 Februari 1905.

Wij hebben Khartoem gisteren morgen verlaten, en we zijn allen

verrukt over het begin onzer reis. Hutten, bediening, voedsel, alles

is volmaakt, en wij glijden vroolijk en te midden van weelde naar

het centrum, gisteren nog één en al geheimzinnigheid, van Centraal

Afrika. Het weer is warm en mooi, en wij dragen onze kurkhoeden en

onze witte kleeren.

Het landschap heeft niets woests. Den geheelen dag zijn we gisteren

reusachtige weiden voorbijgevaren, eindeloos lang achtereen,

waar duizenden ossen, koeien, kalveren, ezels, schapen en paarden

vreedzaam graasden. Op de rivier amuseerden zich troepen wilde eenden,

en we vonden aan beide oevers van den breeden, majestueusen stroom

duizenden en duizenden ganzen, pelikanen en ibissen. Van morgen in

de vroegte, toen ieder zich op zijn gemak aankleedde, riep Makhmoed,

die op dek was, plotseling: "Een krokodil, heer, een krokodil!" Het

is ongeloofelijk, welke uitwerking dat woord "krokodil" had. In een

seconde waren wij alle zeven, heeren en dames, buiten onze hutten

in zeer lichte kleeding en volgden met de oogen nieuwsgierig de

richting, ons door den zwarten vinger van Makhmoed gewezen. Eerst

zagen we niets, dan eensklaps schreeuwden we allen tegelijk, en al

gesticuleerend, riepen we: "Daar, daar! zie, op het zand, juist van

dezelfde kleur... O, het beest slaapt in de zon!"

En inderdaad, op het gele zand van den oever zien we een

reusachtigen krokodil precies een hagedis in het groot. Op dat

gezicht ontwaakte het moordend instinct, eerst bij mevrouw Z.,

die ons toeriep: "De geweren! Gauw, uw geweren!" Toen vlogen de

drie van ons, die ons op jagen hadden voorbereid, weg en gilden:

"De geweren! Makhmoed! Mahomed! Wallad! O, lieve hemel, de geweren,

de patronen! Gauw!" Maar de geweren zitten in hun étui's, de patronen

in hun doozen, en daar de Abbas Pacha ondertusschen verder gaat,

is de krokodil al uit het gezicht verdwenen, eer wij gedaan hebben

met het roepen om de geweren.

Die luie krokodil heeft in ons bloedige instincten wakker gemaakt,

en we brengen den geheelen morgen door met het in orde brengen van

wapens en munitie. Eén oog op de geweren, het andere op den oever,

bespieden wij het zand met breeden en belangstellenden blik, maar

er zijn evenmin krokodillen als op de kade van het Louvre, en we

beginnen ernstigen twijfel te gevoelen omtrent het bestaan van dien,

die ons van morgen werd aangewezen.

Om twaalf uur hielden we stil in een dorp, om er geen kolen, maar

hout in te nemen; daar kolen drie of vierhonderd francs de ton kosten,

branden de stoombooten op den Witten Nijl enkel hout. Dit verklaart,

waardoor het land, waar wij doorheen varen en dat enkele jaren geleden

met bosschen was bedekt, thans bijna geheel ontwoud is. Terwijl een

heel bataljon negers hout aan boord brengt onder gezang en geschreeuw,

gaan wij het dorp eens rond, op zoek naar de "eerste indrukken"

over het binnenland van het zwarte werelddeel.

In kleine strooien hutjes wonen heele families opeengehoopt en

omringd door hun geiten, hun schapen, kippen en magere, uitgeteerde

honden. Wij zien slechts oude, leelijke en verdroogde vrouwen,

en geheel naakte kinderen, zeer vuil, en bijna alle aangetast door

leelijke oogziekten. Die afschuwelijke oude negerinnen gevoelen zich

toch nog dochteren Eva's en zijn niet van coquetterie vrij te pleiten,

want ze versieren zich met colliers en ringen, en haar gekroesde haren

zijn verdeeld in honderden kleine, vette vlechtjes. Tegenover een

der hutten woonden we het kappen bij van een vrouw, wier gerimpelde

en verdorde bekoorlijkheden al langen tijd geen uitwerking moeten

hebben gehad. Een andere vrouw vlecht haar de kleine vlechtjes

opnieuw en trekt aan de gekroesde haren, wat wel pijn schijnt te

doen. De operatie duurt bijna den geheelen dag. Makhmoed praat met

haar en vertelt ons dan kalm: "Die vrouw wordt voor de bruiloft mooi

gemaakt, ze gaat trouwen!" Och, Heer, dan is er nog hoop voor alle

oude jonge juffrouwen, die ik ken; als ze maar hier wilden komen,

zouden ze spoedig getrouwd zijn!

Langzamerhand werden alle vrouwen uit het dorp met onze aanwezigheid

bekend, en ze kwamen aanloopen en gingen om ons heen staan. Wij,

mannen, interesseerden haar in het geheel niet. Blanken, die hebben

ze dikwijls gezien, en ze vinden hen denkelijk zeer leelijk... Maar

de dames in ons gezelschap! Dat is wat anders! Dat moet in de oogen

der negervrouwen wel iets heel bijzonders wezen! Die mooie, witte

japonnen, die geborduurde lijfjes, die hoeden met linten en bloemen,

die sierlijke parasols, die fijne laarsjes van wit leder... Arme

negerinnen, haar vrouwelijk instinct zegt haar, dat het alles mooi is,

chic... en ze komen nog nader, vol bewondering en eerbied.

Dan trekken de blonde, als goud glanzende haren, die gegolfd en

geparfumeerd zijn, de aandacht en ze komen in verrukking. De kanten

en strooken van de rokken wekken niet minder de bewondering, en de

dames kunnen haast niet weg komen van de plaats. "Als die vrouwen

niet zoo leelijk waren," zei een van ons, "zou ik lust hebben den

volgenden winter met een heele scheepslading rokken hier te komen;

wat zou ik een succes hebben!"

En een van onze dames: "Niet de leelijkheid vind ik het ergst,

maar de odeur, dien die vrouwen verspreiden! Dat is afschuwelijk,

laat ons weggaan!"

Het is zeker, dat de "natuurlijke geur" van de soedaneesche vrouwen

sterk is en afstootend, maar zij zijn eenstemmig in de bewering, dat

ze den geur der blanken verschrikkelijk vinden! Om drie uur waren we

te El Duem gekomen, een der grootste plaatsen in Soedan, en het punt,

waar het leger van Hicks Pacha den Nijl verliet, om zich landwaarts

in te begeven en er den dood te vinden.

De gouverneur der stad, majoor Butler en een andere engelsche officier,

die van onze aankomst verwittigd waren, kwamen ons begroeten en

namen ons mee, om de bazars te gaan zien. Een dichte menigte volgde

ons, blijkbaar ten hoogste geïnteresseerd. Van alle kanten riepen de

kooplieden ons aan, struisvogelveeren zwaaiend, of degens en sabels,

Derwischlansen, struisvogeleieren en eigenaardige waterkruiken van

gebakken aarde of van leder met ivoren stoppen.

Al die menschen zagen er vroolijk en goedig uit. Hoe kan men het

gelooven dat El Duem zeven jaren geleden een middelpunt was van

het bloedigst fanatisme, evenals Khartoem? Nu is alles er kalm,

en de engelsche officier, die hier woont, heeft, om de wetten te

doen gehoorzamen door de bevolking van tien duizend zielen, precies

zeventien inlandsche gendarmen! Is dat niet treffend?

Een eindeloos aantal kameelkaravanen brengt hier enorme hoeveelheden

caoutchouc aan, die per schip verder naar Omdoerman worden vervoerd.

Wij hebben juist de aankomst van een karavaan bijgewoond, en de

reuzenviervoeters, stoffig en vermoeid van de lange reis, geven

geen onduidelijke teekenen van blijdschap over de aankomst. Uit

zichzelven gaan ze liggen en wachten geduldig, dat men hen van hun

lasten ontheffe, twee groote zakken caoutchouc, waaruit de geleider van

de karavaan ons dikke stukken laat zien, zeer trotsch op de qualiteit.

Na met ons thee te hebben gedronken aan boord van de Abbas, heeft de

gouverneur ons verlaten, en wij wachten alleen op Makhmoed, om het

anker te kunnen lichten. Ik heb hem uitgezonden om struiseieren te

koopen. Eindelijk is hij terug; hij had ruzie gehad met den verkooper

over de vraag, wie schuld had aan het breken van een der verkochte

eieren.

Wij hebben in de laatste dagen zooveel nijlpaarden en krokodillen

gezien, dat we ze niet meer tellen; we zijn er blasé van en doen geen

stapje, om ze te zien. Hippopotamussen zijn er een aantal in de rivier,

badende, plonsende of zich langzaam latende drijven aan de oppervlakte

van het water. Soms zijn ze alleen, of een groep van zes, zeven of

acht vertoont zich, terwijl elders weer een familie bijeen is, vader

hippo, moeder hippo en de kleine hippo's. Er zijn zulke groote bij,

dat wij ze op een afstand voor eilandjes houden.

Wat de krokodillen betreft, die tellen we al lang niet meer. Sinds

zijn we honderden voorbijgevaren en hoewel we een vijftigtal hebben

geschoten, hebben we maar een enkelen teruggevonden, een kleinen, die,

hoewel zijn kop verbrijzeld was door twee ontplofbare kogels, zich nog

woedend verdedigde tegen onze mannen. Eindelijk hangt zijn huid in de

zon te drogen en ruikt bijna even sterk als een soedaneesche negerin!

De manier, waarop de onzen zich in het water wierpen, om den krokodil

weer op te visschen, was prachtig. Welk een minachting van het

gevaar! Ze vreezen den dood blijkbaar in het geheel niet, en lachend

zeggen ze van een mensch even koelbloedig als van een krokodil:

"He is finished!" hij is er geweest. Die uitdrukking gebruiken ze vaak.

Het land, dat eerst weidenrijk was, wordt nu beboscht; apen schommelen

in de boomen, en nu en dan varen we voorbij dorpen van kleine

hutten. Als wij stilhouden om hout in te nemen, komen de negerinnen

uitloopen en zingen en dansen aan den oever. De zonsondergangen zijn

onbeschrijfelijk schoon; men heeft er in Europa geen flauw denkbeeld

van, welke prachtige lichteffecten de zon, die aan den horizon

verdwijnt, hier teweeg kan brengen. In een zee van vlammen daalt

een roode bol, en dan worden de tinten zachter en alleen het Westen

blijft nagloeien, terwijl het Oosten donker wordt. De Nijl lijkt

een stroom van vuur, waarop als zwarte reuzenstippen de nijlpaarden

statig drijven.

Wij bleven op het bovenste dek, onder den indruk van het schoone

schouwspel, tot de duisternis volkomen was geworden, en na het

diner keerden we er terug, om te genieten van den aanblik van

den sterrenhemel. De lichtjes aan het firmament schijnen hier veel

talrijker, grooter en schitterender dan in het Noorden, en spiegelen

zich als gouden puntjes in het zilveren water van den Nijl. Avond op

avond is het Zuiderkruis te zien. In dezen tijd van het jaar steken de

inboorlingen de struiken in brand, die aan den oever een groote hoogte

bereiken, opdat er weer jong groen op de plaats kunne opschieten. Op

sommige plaatsen strekken die enorme vuren zich langs den Nijl uit

over een lengte van verscheiden kilometers, en we varen tusschen twee

vlammende oevers, die naar den hemel hun bloedig schijnsel werpen en

dien in vuur schijnen te zetten. Men zou denken, in een reuzenhel te

wezen! Het is grootsch, en de tegenstelling is niet onder woorden

te brengen, als, nadat de vuren voorbij zijn gegleden, we weer in

de duisternis achterblijven, waarin enkel de sterren glinsteren,

met aan elken kant van ons de sombere, donkere wouden, waaruit af en

toe het gebrul van een leeuw opgaat.

Het moderne Egypte: Wat er te zien en te hooren valt tusschen Kaïro en Faschoda De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 7 / 9 题