Wij hebben Khartoem gisteren morgen verlaten, en we zijn allen
verrukt over het begin onzer reis. Hutten, bediening, voedsel, alles
is volmaakt, en wij glijden vroolijk en te midden van weelde naar
het centrum, gisteren nog één en al geheimzinnigheid, van Centraal
Afrika. Het weer is warm en mooi, en wij dragen onze kurkhoeden en
onze witte kleeren.
Het landschap heeft niets woests. Den geheelen dag zijn we gisteren
reusachtige weiden voorbijgevaren, eindeloos lang achtereen,
waar duizenden ossen, koeien, kalveren, ezels, schapen en paarden
vreedzaam graasden. Op de rivier amuseerden zich troepen wilde eenden,
en we vonden aan beide oevers van den breeden, majestueusen stroom
duizenden en duizenden ganzen, pelikanen en ibissen. Van morgen in
de vroegte, toen ieder zich op zijn gemak aankleedde, riep Makhmoed,
die op dek was, plotseling: "Een krokodil, heer, een krokodil!" Het
is ongeloofelijk, welke uitwerking dat woord "krokodil" had. In een
seconde waren wij alle zeven, heeren en dames, buiten onze hutten
in zeer lichte kleeding en volgden met de oogen nieuwsgierig de
richting, ons door den zwarten vinger van Makhmoed gewezen. Eerst
zagen we niets, dan eensklaps schreeuwden we allen tegelijk, en al
gesticuleerend, riepen we: "Daar, daar! zie, op het zand, juist van
dezelfde kleur... O, het beest slaapt in de zon!"
En inderdaad, op het gele zand van den oever zien we een
reusachtigen krokodil precies een hagedis in het groot. Op dat
gezicht ontwaakte het moordend instinct, eerst bij mevrouw Z.,
die ons toeriep: "De geweren! Gauw, uw geweren!" Toen vlogen de
drie van ons, die ons op jagen hadden voorbereid, weg en gilden:
"De geweren! Makhmoed! Mahomed! Wallad! O, lieve hemel, de geweren,
de patronen! Gauw!" Maar de geweren zitten in hun étui's, de patronen
in hun doozen, en daar de Abbas Pacha ondertusschen verder gaat,
is de krokodil al uit het gezicht verdwenen, eer wij gedaan hebben
met het roepen om de geweren.
Die luie krokodil heeft in ons bloedige instincten wakker gemaakt,
en we brengen den geheelen morgen door met het in orde brengen van
wapens en munitie. Eén oog op de geweren, het andere op den oever,
bespieden wij het zand met breeden en belangstellenden blik, maar
er zijn evenmin krokodillen als op de kade van het Louvre, en we
beginnen ernstigen twijfel te gevoelen omtrent het bestaan van dien,
die ons van morgen werd aangewezen.
Om twaalf uur hielden we stil in een dorp, om er geen kolen, maar
hout in te nemen; daar kolen drie of vierhonderd francs de ton kosten,
branden de stoombooten op den Witten Nijl enkel hout. Dit verklaart,
waardoor het land, waar wij doorheen varen en dat enkele jaren geleden
met bosschen was bedekt, thans bijna geheel ontwoud is. Terwijl een
heel bataljon negers hout aan boord brengt onder gezang en geschreeuw,
gaan wij het dorp eens rond, op zoek naar de "eerste indrukken"
over het binnenland van het zwarte werelddeel.
In kleine strooien hutjes wonen heele families opeengehoopt en
omringd door hun geiten, hun schapen, kippen en magere, uitgeteerde
honden. Wij zien slechts oude, leelijke en verdroogde vrouwen,
en geheel naakte kinderen, zeer vuil, en bijna alle aangetast door
leelijke oogziekten. Die afschuwelijke oude negerinnen gevoelen zich
toch nog dochteren Eva's en zijn niet van coquetterie vrij te pleiten,
want ze versieren zich met colliers en ringen, en haar gekroesde haren
zijn verdeeld in honderden kleine, vette vlechtjes. Tegenover een
der hutten woonden we het kappen bij van een vrouw, wier gerimpelde
en verdorde bekoorlijkheden al langen tijd geen uitwerking moeten
hebben gehad. Een andere vrouw vlecht haar de kleine vlechtjes
opnieuw en trekt aan de gekroesde haren, wat wel pijn schijnt te
doen. De operatie duurt bijna den geheelen dag. Makhmoed praat met
haar en vertelt ons dan kalm: "Die vrouw wordt voor de bruiloft mooi
gemaakt, ze gaat trouwen!" Och, Heer, dan is er nog hoop voor alle
oude jonge juffrouwen, die ik ken; als ze maar hier wilden komen,
zouden ze spoedig getrouwd zijn!
Langzamerhand werden alle vrouwen uit het dorp met onze aanwezigheid
bekend, en ze kwamen aanloopen en gingen om ons heen staan. Wij,
mannen, interesseerden haar in het geheel niet. Blanken, die hebben
ze dikwijls gezien, en ze vinden hen denkelijk zeer leelijk... Maar
de dames in ons gezelschap! Dat is wat anders! Dat moet in de oogen
der negervrouwen wel iets heel bijzonders wezen! Die mooie, witte
japonnen, die geborduurde lijfjes, die hoeden met linten en bloemen,
die sierlijke parasols, die fijne laarsjes van wit leder... Arme
negerinnen, haar vrouwelijk instinct zegt haar, dat het alles mooi is,
chic... en ze komen nog nader, vol bewondering en eerbied.
Dan trekken de blonde, als goud glanzende haren, die gegolfd en
geparfumeerd zijn, de aandacht en ze komen in verrukking. De kanten
en strooken van de rokken wekken niet minder de bewondering, en de
dames kunnen haast niet weg komen van de plaats. "Als die vrouwen
niet zoo leelijk waren," zei een van ons, "zou ik lust hebben den
volgenden winter met een heele scheepslading rokken hier te komen;
wat zou ik een succes hebben!"
En een van onze dames: "Niet de leelijkheid vind ik het ergst,
maar de odeur, dien die vrouwen verspreiden! Dat is afschuwelijk,
laat ons weggaan!"
Het is zeker, dat de "natuurlijke geur" van de soedaneesche vrouwen
sterk is en afstootend, maar zij zijn eenstemmig in de bewering, dat
ze den geur der blanken verschrikkelijk vinden! Om drie uur waren we
te El Duem gekomen, een der grootste plaatsen in Soedan, en het punt,
waar het leger van Hicks Pacha den Nijl verliet, om zich landwaarts
in te begeven en er den dood te vinden.
De gouverneur der stad, majoor Butler en een andere engelsche officier,
die van onze aankomst verwittigd waren, kwamen ons begroeten en
namen ons mee, om de bazars te gaan zien. Een dichte menigte volgde
ons, blijkbaar ten hoogste geïnteresseerd. Van alle kanten riepen de
kooplieden ons aan, struisvogelveeren zwaaiend, of degens en sabels,
Derwischlansen, struisvogeleieren en eigenaardige waterkruiken van
gebakken aarde of van leder met ivoren stoppen.
Al die menschen zagen er vroolijk en goedig uit. Hoe kan men het
gelooven dat El Duem zeven jaren geleden een middelpunt was van
het bloedigst fanatisme, evenals Khartoem? Nu is alles er kalm,
en de engelsche officier, die hier woont, heeft, om de wetten te
doen gehoorzamen door de bevolking van tien duizend zielen, precies
zeventien inlandsche gendarmen! Is dat niet treffend?
Een eindeloos aantal kameelkaravanen brengt hier enorme hoeveelheden
caoutchouc aan, die per schip verder naar Omdoerman worden vervoerd.
Wij hebben juist de aankomst van een karavaan bijgewoond, en de
reuzenviervoeters, stoffig en vermoeid van de lange reis, geven
geen onduidelijke teekenen van blijdschap over de aankomst. Uit
zichzelven gaan ze liggen en wachten geduldig, dat men hen van hun
lasten ontheffe, twee groote zakken caoutchouc, waaruit de geleider van
de karavaan ons dikke stukken laat zien, zeer trotsch op de qualiteit.
Na met ons thee te hebben gedronken aan boord van de Abbas, heeft de
gouverneur ons verlaten, en wij wachten alleen op Makhmoed, om het
anker te kunnen lichten. Ik heb hem uitgezonden om struiseieren te
koopen. Eindelijk is hij terug; hij had ruzie gehad met den verkooper
over de vraag, wie schuld had aan het breken van een der verkochte
eieren.
Wij hebben in de laatste dagen zooveel nijlpaarden en krokodillen
gezien, dat we ze niet meer tellen; we zijn er blasé van en doen geen
stapje, om ze te zien. Hippopotamussen zijn er een aantal in de rivier,
badende, plonsende of zich langzaam latende drijven aan de oppervlakte
van het water. Soms zijn ze alleen, of een groep van zes, zeven of
acht vertoont zich, terwijl elders weer een familie bijeen is, vader
hippo, moeder hippo en de kleine hippo's. Er zijn zulke groote bij,
dat wij ze op een afstand voor eilandjes houden.
Wat de krokodillen betreft, die tellen we al lang niet meer. Sinds
zijn we honderden voorbijgevaren en hoewel we een vijftigtal hebben
geschoten, hebben we maar een enkelen teruggevonden, een kleinen, die,
hoewel zijn kop verbrijzeld was door twee ontplofbare kogels, zich nog
woedend verdedigde tegen onze mannen. Eindelijk hangt zijn huid in de
zon te drogen en ruikt bijna even sterk als een soedaneesche negerin!
De manier, waarop de onzen zich in het water wierpen, om den krokodil
weer op te visschen, was prachtig. Welk een minachting van het
gevaar! Ze vreezen den dood blijkbaar in het geheel niet, en lachend
zeggen ze van een mensch even koelbloedig als van een krokodil:
"He is finished!" hij is er geweest. Die uitdrukking gebruiken ze vaak.
Het land, dat eerst weidenrijk was, wordt nu beboscht; apen schommelen
in de boomen, en nu en dan varen we voorbij dorpen van kleine
hutten. Als wij stilhouden om hout in te nemen, komen de negerinnen
uitloopen en zingen en dansen aan den oever. De zonsondergangen zijn
onbeschrijfelijk schoon; men heeft er in Europa geen flauw denkbeeld
van, welke prachtige lichteffecten de zon, die aan den horizon
verdwijnt, hier teweeg kan brengen. In een zee van vlammen daalt
een roode bol, en dan worden de tinten zachter en alleen het Westen
blijft nagloeien, terwijl het Oosten donker wordt. De Nijl lijkt
een stroom van vuur, waarop als zwarte reuzenstippen de nijlpaarden
statig drijven.
Wij bleven op het bovenste dek, onder den indruk van het schoone
schouwspel, tot de duisternis volkomen was geworden, en na het
diner keerden we er terug, om te genieten van den aanblik van
den sterrenhemel. De lichtjes aan het firmament schijnen hier veel
talrijker, grooter en schitterender dan in het Noorden, en spiegelen
zich als gouden puntjes in het zilveren water van den Nijl. Avond op
avond is het Zuiderkruis te zien. In dezen tijd van het jaar steken de
inboorlingen de struiken in brand, die aan den oever een groote hoogte
bereiken, opdat er weer jong groen op de plaats kunne opschieten. Op
sommige plaatsen strekken die enorme vuren zich langs den Nijl uit
over een lengte van verscheiden kilometers, en we varen tusschen twee
vlammende oevers, die naar den hemel hun bloedig schijnsel werpen en
dien in vuur schijnen te zetten. Men zou denken, in een reuzenhel te
wezen! Het is grootsch, en de tegenstelling is niet onder woorden
te brengen, als, nadat de vuren voorbij zijn gegleden, we weer in
de duisternis achterblijven, waarin enkel de sterren glinsteren,
met aan elken kant van ons de sombere, donkere wouden, waaruit af en
toe het gebrul van een leeuw opgaat.