INDRUKKEN VAN ZWEDEN

Naar het Fransch van Gustave Babin.

Toen President Fallières in Juli zijn bezoek aan Zweden bracht, zond

een der medewerkers van de _Illustration_ zijn reisindrukken aan het

blad. Hij had namelijk kort te voren het land gezien en achtte het

oogenblik geschikt, om zijn landgenooten iets te vertellen over de

mooie natuur daar en over het karakter en de ontwikkeling der bewoners.

Over Gotheborg, zegt hij, kwam ik op een helderen Zondagmorgen in

Zweden. Wat een lieve stad en hoezeer neemt ze den vreemdeling in

voor het land, waarvan ze een der voornaamste ingangspoorten vormt! Ik

geloof niet, dat er ergens ter wereld een haven bestaat, die u zulk een

ontvangst bereidt en ik vergeet niet, hoe zonnig Marseille er uitziet,

noch hoe rijzig en schoon zich de klokketorens van Rouaan verheffen,

of hoe heerlijk rustig zich de wijde wateren van Bordeaux voordoen.

Gotheborg lijkt mij het type van een zweedsche stad, bedrijvig

en mooi, doorsneden door heldere grachten, in het bezit van veel

schaduwrijke plekjes, bekoorlijk en zindelijk, zindelijk vooral,

tot in het verfijnde toe. Want de zindelijkheid, die door den

H. Augustinus een hoofddeugd werd genoemd, is misschien de voornaamste

eigenschap van het zweedsche volk, eigenschap, die dadelijk in het

oog valt en later telkens zich opdringt aan den bezoeker met bijna

te sterken drang. Het is na Stockholm de voornaamste stad van Zweden

met minstens 150000 inwoners. De aankomst in de haven, waaromheen

hooge, naakte rotsen zich verheffen; dan de invaart in de rivier,

die door de stoomboot een half uur ver wordt opgevaren tusschen de

voor anker liggende zeilschepen en zware, rookende vrachtvaartuigen,

langs kaden, waar het blonde hout ligt opgestapeld, dat alles is

reeds schilderachtig. En de stad zelve is verrukkelijk.

Wij kwamen er in de volle lente, een late, noorsche lente, waarin

alles tegelijkertijd bloeit binnen enkele dagen, seringen en gele

klaprozen en allerlei andere zomer- en lentebloemen.

Zooals men Stockholm heeft genoemd het noorsche Venetië, zoo heeft

men Gotheborg met hollandsche steden willen vergelijken. Inderdaad

vestigden er zich in de zeventiende eeuw kooplieden, die uit

Holland kwamen, legden er grachten en kanalen aan en steenen kaden

en ontwierpen er rechtlijnige straten. Maar nauwelijks heeft men dat

ingenieurswerk bewonderd, of er doen zich vergezichten voor in heerlijk

groen, een lange, breede laan van groote boomen, voortloopend tot in

blauwe, wazige verten, de Nya-allee. Zij verdeelt de stad in tweeën

en heeft aan haar linkerkant een reeks van villa's, met meestal een

voortuin vol bloemen en rechts een reusachtig park met de heerlijkste

wandelwegen. Als men let op de uitgestrektheid van die terreinen,

schijnt het park buiten verhouding groot in vergelijking met de

provinciestad, waar het bij behoort. De groene plek, die daar ligt

tusschen de huizenzee, beslaat inderdaad een goed vierde deel van de

oppervlakte der stad.

Toch zijn er nog andere beplante gedeelten, het Wasapark, het

Brunspark en de Gamla-allee, die zoowat in alle wijken plekjes groen

brengen. Alle regeerders, die in steden zoo zuinig zijn met de open

terreinen, kunnen hier een lesje nemen. En dat is nog niet alles. Pas

heeft men het oude fort Skansen en de arbeiderswijk Annedal achter

zich gelaten, en dat is niet verder dan een kwartiertje rijdens,

of er ligt een prachtig bosch vóór ons, het Slottskog. Het is

groot, heuvelachtig, van kloven doorsneden en grillig door de kale

rotspartijen. Knoestige eiken staan er naast blanke berken, trotsche

dennen en aardige, bloeiende haagdoorns. Het windje, dat het water

van de mooie vijvers rimpelen doet, speelt met de veêren van trotsche

zwanen. Het bosch heeft allen zwier van ons Bois, met de zindelijkheid

bovendien, die netheid en keurigheid, waar ik zeker nog telkens op

zal terugkomen, en waar de bezoekers hier van kindsbeen af aan zijn

gewend geraakt. Overal, aan de boomen en op de grasperken hangen

en staan van die groote manden van vlechtwerk, waarin men papieren

en overblijfselen van op het gras genoten maaltijden deponeert. De

gazons zijn er dan ook keurig en smetteloos als het mooiste tapijt.

Een eenvoudig vigelantepaard, dat coquet stapte als een volbloed,

bracht ons buiten de stad langs de Danska vagan, den weg, dien de

Denen volgden toen ze Gotheborg kwamen innemen. Het landschap is

er allerliefst met de kleurige, houten villa'tjes onder het dichte

gebladerte en Oregrut, het geliefde doel van de uitstapjes der

Gotheborgers.

Nog meer dan in Frankrijk schijnt de burger in Zweden behoefte

te gevoelen, nu en dan de stad te verlaten en zich buiten te gaan

vermeien. Stockholm bij voorbeeld is des zomers als uitgestorven; in

alle huizen ziet men neergelaten stores, en de stroom van toeristen,

die dan in de stad neerstrijkt, kan er lang niet die levendigheid

aan geven, die Stockholm in den winter kenmerkt. De hotels zijn

intusschen vol in de warme zomerdagen; heele karavanen van toeristen

verdringen er elkander, en elegante victoria's, heftig tuffende

auto's en alle mogelijke andere voertuigen brengen de bezoekers,

die alles in haast willen zien, naar de verschillende musea, naar het

koninklijk paleis en het belvédère van Katarinahissen, van waar men

het klassieke panorama kan bewonderen van de stad met haar eilanden,

haar schitterende watervlakten en haar parken.

Wat het aantal boomen betreft, lijkt Stockholm, de oppervlakte in

aanmerking genomen, veel minder goed bedeeld dan Gotheborg; maar

de open plekken worden in de hoofdstad gevormd door de wateren van

het Mälarmeer en door de zee-armen, die in de stad binnendringen,

er eilandjes en schiereilandjes bespoelen en waaraan fleurige, witte

booten u aan elke kade tot varen uitnoodigen naar een der zeven duizend

eilandjes van den Skargard, of naar een der twaalfhonderd van den

Mälar, of wel naar een der modeplaatsjes in de buurt, Saltsjöbaden,

Vaxholm en Dalarö.

Toch wuiven tusschen de steenen, op pleinen en in tuinen, prachtige

boomen hun bladerpluimen. Daar zijn de Bungstraed-garden, de

Humle-garden, de Skansen, die laatste een merkwaardig museum in de

open lucht, waar oude, eerbiedwaardige huizen, die uit de provincie

zijn overgebracht, verstrooid liggen in een der mooiste wandelparken,

die men zich kan voorstellen. Die heele wijk trouwens, waar de Skansen

en de Djurgarden liggen, is een enkele uitgestrekte tuin.

Daar heb ik in de nachten, waarin schemering en dageraad elkaar

ontmoeten, onvergetelijke uren gesleten. Geen zuchtje in de lucht,

geen trilling op het water, waarin de weerschijn van de purperen en

koperen tinten der ondergaande zon zich mengt met de rose en groene

schijnsels van den ontwakenden morgen. En wie niet genoeg had aan

die pracht midden in de stad, kan in de onmiddellijke nabijheid

het Hagapark vinden, waar ten overvloede een tram heen leidt, en

waar in diepe schaduw van zeer hoog geboomte, aan een stille baai

de koninklijke lustverblijven liggen, of wel hij kan iets verder

de prachtige laan van eeuwenoude beuken volgen naar Ulriksdal, het

eenvoudige verblijf van koningin Sophie.

In alle steden, ook de bescheidenste, vindt men die vereeniging

van straten met heerlijke parken en tuinen, besproeid door vijvers

en rivieren, waar men wandelt langs groenende oevers. Het land is

waterrijk bij uitnemendheid. Sla een kaart van Zweden open; overal,

in het noorden, het midden en het zuiden ziet ge de blauwe plekken

van reuzenrivieren of van meren, die als ware zeeën zijn. Er is een

gebied, dat zoo overvloedig gezegend is in dat opzicht, dat zelfs

de Zweden er verbaasd van zijn, zoodat een van hun spreekwoorden

zegt: "Toen God de wateren scheidde van het vaste land, vergat hij

Sudermanland". Inderdaad is dat deel van de kaart, dat de buurt van

Stockholm voorstelt, niet veel anders dan een enkele azuren vlakte. Men

zou nog eerder de sterren aan den hemel kunnen tellen dan die plassen,

die meren en lagunen, die de landen omsluiten als de openingen van

een fijnmazig net.

Van die meren, die ik zag uit de portieren van den waggon, die daar

lagen te spiegelen in het licht der volle zon, of bleek en koel

schenen in het lichte schijnsel der late avondzon, heb ik alleen

het Siljanmeer gezien van dichtbij. Ik heb het bezocht, ben het

overgestoken van Raetvik naar Leksand en van Leksand naar Raetvik en

Mora, en dan ook het Orsameer, zijn buurman, aan welks oevers wij op

een namiddag een aardig uitstapje maakten.

Men heeft het Siljanmeer wel "het oog van Dalecarlië" genoemd; een

stralend gouden oog, want de wateren van het meer, hetzij ze komen

uit de veengronden van de naburige bosschen of dat de ijzerhoudende

bodem er doorheen schijnt, zijn donker, warmgeel, hoogblond, als de

vlechten van de meisjes aan zijn oevers.

Dalecarlië! Alleen al om den schoonen klank, om de euphonie zou men

een provincie liefhebben, die dezen bekoorlijken naam draagt. Dalarne

klinkt hij in het Zweedsch. En het is inderdaad een heerlijk land met

forsche, lenige, flink gebouwde knapen, recht als de berken zijner

bosschen, en met allerliefste meisjes. Van Wahlberg en Osterlind

tot Zorn en Carl Larsson hebben de zweedsche schilders zich erop

toegelegd, die landschappen van Dalecarlië weer te geven op het doek,

en het leven van de boeren en hun kinderen te schetsen. Het is iets

als het Bretagne van Zweden, een der weinige terreinen, waar de mooie

kleederdrachten uit ouden tijd zijn bewaard gebleven, de kleurige,

schilderachtige costumes, die in de verschillende districten der

provincie nog zeer van elkaar onderscheiden zijn.

Het doet zonderling aan, die menschen, die zóó van een schilderij

van Frans Hals of Jan Steen schijnen te zijn weggeloopen, dan

des zondags uit de kerk komend, hun fietsen te zien bestijgen. De

Dalecarliërs zijn een trotsch volkje; het zijn vurige vaderlanders,

naijverig op de beteekenis van hun eigen provincie. Mij klinkt nog in

de ooren de toon van warme overtuiging, waarvan de stemmen trilden

der drie jonge meisjes met groote bundels veldbloemen in den arm,

toen ze op de stoomboot, waarmee wij van Raetvik kwamen, op ons

verzoek het volksliedje van Mora zongen, waarin de woorden voorkomen:

"De vreemdeling ziet uit de hoogte op ons neer; maar ik heb u lief,

mijn dierbaar land!"

Bosschen en mijnen zijn de voornaamste rijkdom van Zweden. Zweden

is het houtrijkste land van de geheele wereld; het brengt een vijfde

deel voort van al, wat er gebruikt wordt. Op de 41 millioen hectaren

die Zweden groot is, komen, als men de meren eraf trekt, bijna 20

hectaren voor, die met wouden zijn bedekt; dat is dus 48 procent of

bijna de helft van het land. Mijlen en mijlen ver loopen de treinen,

in welke richting men ook reist, door zuilengangen van heerlijke

bosschen. Hoe verder men naar het noorden komt, des te meer berken

verschijnen tusschen de dennen. Maar de berken zijn er weinig in tel;

men bewondert wel hun fijn gebladerte, maar ze hebben niet veel waarde,

en eerst in Lapland worden ze weer meer op prijs gesteld, omdat daar

de pijnen niet tegen het klimaat kunnen.

Nu en dan wordt het bosch dunner, en men ontmoet een frisch groene

weide, afloopend naar een stil meer, dat als in een groene schelp

rust. Maar dan buigt de hijgende locomotief alweer in de sombere

gangen onder de hooge pijnboomen naar een blauwachtigen uitgang heel

in de verte, en de waggons zijn met harsgeuren gevuld. Werklieden zijn

bezig in de blauwe schaduwen van het bosch, en de schitterlichten van

hun glimmende bijlen doorflitsen de schemering. Zij hakken en vellen

en schillen en doen de kale boomen meevoeren met den stroom van de

rivier in de buurt. En kolenbranders bouwen groote stapels en branden

de houtskool, dat nuttige boschproduct, terwijl weer anderen in de

lage, moerassige deelen der dalen turf graven, de brandstof der armen.

Door de rivieren hebben de bosschen van Zweden zoo groote waarde,

want zij maken de exploitatie van het woud mogelijk. Ook voor de

toekomst is Zweden op zijn rivieren aangewezen, want die zullen met

hun watervallen en stroomversnellingen het land tegen lage prijzen

de electriciteit verschaffen. Wij zijn de Angermanna-elf afgevaren,

na ons te Sollefteote hebben ingescheept. Boomstammen gleden met onze

boot mee, tot wij te Hernösand waren. Toen nam een andere boot ons op,

om ons naar Sundsvall te brengen. Het was een heerlijke tocht. Alles

aan de oevers der rivier was aantrekkelijk: de dorpjes met de roode

en groene houten huisjes, de visschershutten met de er voor liggende

bootjes en de altijd weer terugkeerende houtstapels van nieuwe,

goudgele planken.

"Ga vooral de scholen zien, als ge in Zweden zijt," had men mij

gezegd. En de aansporing was haast overbodig, want overal, in de

kleinste plaatsjes, als ge een huis ziet, dat er beter en vroolijker

uitziet dan alle andere, waar bloemen vóór de wijd open vensters staan,

en aardige veranda's er uitlokkend uitzien, daar hebt ge honderd tegen

één een volksschool, een folkskolan, voor u. En ik heb in Stockholm

een groote handels- en industrieschool bezocht, waar beide geslachten

te zamen worden opgevoed. Ik wou, dat ik alle zalen kon beschrijven,

die laboratoria, de keukens voor het kookonderwijs der meisjes,

de muziek- en de teekenzaal. Het was alles grootsch, weelderig,

licht en vroolijk en doelmatig. O, paedagogen van Frankrijk, gaat

daar eens kijken, om beschaamd te worden en het voorbeeld te volgen.

"Je moet in den winter terugkomen," zeiden de vrienden, die ik ginder

heb gemaakt. En ze prezen de prettigheid en gezelligheid der korte

dagen, waarin de schemering niet week, en hun sport, de glorie van

hun meesleepende sport, het schaatsenrijden, de skiwedloopen, het

zeilen op het ijs, de wedrennen te paard over de besneeuwde vlakten,

het vliegen met een zeiljacht over de ijsvlakte, en de vroolijke

avonden bij kunstlicht! Misschien....

Maar ik heb dit jaar alvast drie lentes beleefd. Vooreerst die in

Frankrijk, zoo heerlijk en bekoorlijk, en dan twee in Zweden, die

in het zuiden bij aankomst en die van Lapland aan het slot van mijn

reis. Driemaal heb ik de seringen zien bloeien; nog den laatsten dag

hing hun geur langs den weg.

Twee dagen sporens van Stockholm brengen den reiziger naar het

treffende tooneel van de middernachtzon. Men zou het moeten aanschouwen

aan den oever van den wijden oceaan, maar dan zou ik een denkbeeldige

lijn moeten passeeren, een douane, een grens. De Zweden hebben er

in hun patriotisme een eer in gesteld, niet langer daar in het hooge

noorden bij den buurman datgene te gaan zoeken, wat ze bij zich tehuis

kunnen hebben.

Daarom is er te Abisko, aan den spoorweg van Stockholm naar Narvik

in Noorwegen, die een groot deel van Lapland doorsnijdt, een van

die eenvoudige, maar geriefelijke hotels gebouwd, die er zooveel

in het land worden gevonden. Abisko ligt in het uiterste noorden

van Zweden. Daar gaan de menschen in Juni en Juli in menigte heen,

en ook tal van vreemdelingen komen er de middernachtzon zien.

Den eersten Juli om kwartier over twaalf passeerden wij onder

vreugdekreten den poolcirkel, welke denkbeeldige lijn langs den

spoorweg aangeduid wordt door een bord op een paal met het eenvoudige

woord "Polcirkeln". Bij het volgend station, 500 meter verder, vloog

ieder naar de brievenbus, om postkaarten te verzenden, gestempeld

van den "Poolcirkel".

Na het diner werd een oogenblik besteed aan het panorama, dat er

te zien was van de esplanade van het hotel en daarna begaven wij

ons om tien uur op weg. Dadelijk traden we een bosch binnen van

kleine berken; nietige bloempjes bloeiden in het gras, en de weg was

steil den berg op, waar het schouwspel het mooist moest zijn. Over

rotsblokken bereikten we den top, een klein plateau, waar enkel wat

korstmossen groeiden en gras, dat dood leek, verdroogd en geel. Maar

wij vonden onze moeite ruim beloond. In het westen was de lucht nog

in goudglans gehuld en reeds glom in de spleet tusschen twee rotsen

in het oosten het licht van den morgen, terwijl de gletschers achter

ons zich rood begonnen te kleuren. De kille adem van den morgen deed

zich gevoelen. Het was een vreemd, zonderling licht, dat ons omvloeide,

een licht om nooit te vergeten.

Nu moesten wij nog het kamp der Lappen bezoeken; want in dit seizoen

kan dat op deze breedte reeds gebeuren, daar het zachte weer dat

volk elk jaar naar het zuiden voert. In de buurt van ons klein

hotel in Abisko was een kamp; rendieren graasden er dichtbij, en

de tenten waren er opgeslagen. Deze Lappen zijn vereuropeescht. Ze

zaten den avond te voren nog geen kwartier met ons in den waggon,

of ze begonnen goederen uit te pakken, die ze ons wilden verkoopen,

specimina van laplandsche industrie. Bij het bezoek aan de tenten

was het niet anders; door de reten hadden ze ons zien aankomen met

mijn photografietoestel, en er was vrij wat parlementeeren noodig,

eer ze wilden poseeren. Ze kennen den toerist en weten, hoe ze het

meeste van hem loskrijgen! Wie weet, hoe spoedig de Lappen zelf het

toestel gebruiken! Gelukkig diegene, die Lapland gezien heeft, eer

de nieuwere tijd er zijn intocht heeft gehouden!

Het moderne Egypte: Wat er te zien en te hooren valt tusschen Kaïro en Faschoda De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 9 / 9 题