Gisteren, op het Kerstfeest, was de Ramses in feestdos. De beide
dekken waren versierd met bloemen, groene planten, slingers, en
de Maatschappij bood den gasten een heerlijk en overvloedig maal
aan. Wij hebben toasten en speeches gehad. Van morgen al vroeg zijn
wij ontscheept te Keneh op 700 kilometers van Kaïro. De ezels wachtten
ons en in galop ging het door de velden, om den beroemden tempel van
Denderah te gaan zien, die door de oude Egyptenaren opgedragen was
aan de godin Hathor.
Het was een verrukkelijke rit door het frissche land, dat pas door de
eerste stralen van de zon verguld werd. Honderden mannen en vrouwen
werkten al in de velden en sneden de egyptische maïs, waarvan de
hooge, drie tot vier meter lange halmen bogen onder het gewicht
van den dikken kolf, die meer op een peer geleek dan op de gewone
maïs. Tal van ezels, die zwaar beladen waren, draafden heen en weer
tusschen het veld en de booten aan het strand van den Nijl.
Het fellahvolkje leek gelukkig en tevreden. Welk een verschil
ook tusschen gisteren en vandaag! Niet enkel wordt het niet langer
onderdrukt en uitgemergeld, maar het kan gemakkelijk geld leenen tegen
lagen interest, om uit de handen van woekeraars te blijven. In den
tijd der vroegere ellende was er nauwelijks een boer, die niet in de
handen viel van armenische en grieksche woekeraars, een der wonden
van het Egypte van vroeger.
Toen de regeering de groep Cassel-Suares machtigde, om de Nationale
Bank te stichten, stelde ze als voorwaarde, dat een zekere som
jaarlijks zou worden voorgeschoten aan de fellahs, die het verlangden
en die slechts negen percent zouden betalen, wat weinig was, vergeleken
bij wat de woekeraars eischten. Ondanks het aanvankelijk wantrouwen der
fellahs had de maatregel veel succes, en de Nationale Bank besloot,
een speciale bank te stichten, de Landbouwbank, waarvan het doel is,
de fellahs, te hulp te komen, die geld noodig hebben, hetzij om uit
den greep der geldschieters te raken, hetzij om het oogenblik van den
verkoop van hun oogst af te wachten. Uitstekend geleid door den heer
G. Scott-Daglish, heeft die bank veel steun gegeven.
Een ander liefdewerk van Sir E. Cassel betreft geneeskundige
hulp. Zooals bekend is, lijden zeer veel Egyptenaren aan
oogziekten. Die zijn er een ware plaag, waardoor duizenden verhinderd
worden, hun brood te verdienen.
Sir E. Cassel stelde ter beschikking van Lord Cromer een jaar of
drie geleden de som van een millioen francs, waarvan de interest
gebruikt moest worden, om het lot te verlichten van de ongelukkige
ooglijders. Sir Horace Pinching, de directeur van den Gezondheidsraad,
ried de vestiging van klinieken aan op het land, die dan van stad tot
stad en van dorp tot dorp zouden gaan, om allen te helpen, die hulp
behoefden. Twee klinieken, die rondgingen, werden georganiseerd,
en de dokters Mac Callan en Miller werden aan het hoofd ervan
gesteld. Duizenden ongelukkigen zijn reeds geopereerd en gratis
verpleegd, en de goede gevolgen zijn zoo groot, dat de autoriteiten
niet zouden aarzelen, het aantal klinieken te vermeerderen, als het
geld er voor te vinden was.
De tempel van Denderah is een der belangwekkendste uit Boven-Egypte. De
prachtig bewaarde ruïnen zijn grootsch en men staat verbaasd over
den arbeid, die eraan is besteed. Ik waag mij maar niet aan een
beschrijving. Heeft Mariette niet geschreven in zijn "Algemeene
Beschrijving van Denderah": "Er zouden vele jaren noodig wezen,
om het geheel te copiëeren en twintig groote boekdeelen om het te
beschrijven." Daartoe reikt mijn kader zeker niet!
"Ziet u daarginds die gemetselde muren? Dat zijn de oude muren van
Thebe! Toen ik een kind was," zoo vertelde mij de heer Legrain, die
vriendelijke, geleerde Egyptoloog, "en als ik dan las, dat wagens,
met talrijke paarden bespannen, over de muren galoppeerden als over
een boulevard, waar ze elkaar tegenkwamen en voorbijreden, keek ik
naar de maren om den tuin van onze villa in de omstreken van Parijs,
die wel 40 centimeter dik waren, en ik zei tot mijzelven: 'Dat kan
niet anders dan bluf zijn!'"
Thans werkt de heer Legrain sinds tien jaren met ongehoorden ijver
en groote wilskracht aan de reconstructie van de beroemde tempels
van Karnak, en in het bewuste gesprek, dat ik met hem voerde, ging
hij voort: "Welnu, thans geloof ik aan die fameuse muren, omdat ik
na al die voorbijgegane eeuwen nog met mijn rijtuig over hun ruïnen
kan rijden!"
En ik vraag mij af, wat men meer moet bewonderen, de ouden, die zulke
wonderen hebben gewrocht, of de modernen, die als de heer Legrain
het beste deel van hun leven geven, om de tempels voor ons te doen
herleven. Men moet naar Luxor, het oude Thebe, zijn gegaan en men
moet de tempels van Karnak hebben bezocht, om zich een denkbeeld te
vormen van de scheppende macht der oude Egyptenaren, als ook van de
geestkracht en het geduld van den man, die stukje voor stukje herstelt,
wat misschien de grootste tempel der wereld was. Als Mariette dacht,
dat twintig deelen noodig zouden wezen, om den tempel van Denderah te
beschrijven, hoeveel zouden er dan wel vereischt worden, om een juist
denkbeeld te geven van wat Karnak is geweest? Dat zijn tegenwoordig
nog de wonderbaarlijkste ruïnen van Egypte, zooals in den tijd van
hun pracht die tempels een der wonderen der wereld zijn geweest.
Stel u voor een ruimte, die ongeveer 900 000 vierkante meters groot
is, en die gedurende meer dan twee duizend jaren het heiligdom was,
waar Egypte, zijn vorsten en zijn volk, de schatten kwamen brengen,
die ze aan de goden wilden offeren. Tempels, gevuld met beelden en
gouden voorwerpen, ingelegd met ivoor en kostbare steenen, obelisken
van graniet, uit één stuk gehouwen in de steengroeven van Assoean;
honderden kilometers muur, bedekt met basreliëfs en schilderwerk,
tallooze reuzenzuilen, van boven tot beneden gebeeldhouwd, lanen van
geheimzinnige sfinxen... Verbeeld u dat alles en nog duizendmaal meer,
en ge zult u nog nauwelijks kunnen voorstellen, wat Karnak was veertig
eeuwen geleden.
In het midden van dien tempel vindt ge een zaal zoo ruim, dat onze
Parijsche Notre Dame er met gemak in gaat. Het is de zuilenzaal,
waar een heel woud van pilaren, gebeeldhouwde zuilen, hun trotsche
kapiteelen ten hemel heffen. Middenin zijn er twaalf, die 20 meter
hoog zijn, en aan de kanten zijn er 122, van 13 meter hoogte en 10
meter in omtrek. Het is prachtig en indrukwekkend. Maar sedert den
ver achter ons liggenden tijd, waarin Cambyses Thebe verwoestte,
hadden de bouwvallen van Karnak zich langzamerhand met zand bedekt,
en ook met puin en aarde, en alles was verdwenen, begraven tot op
den dag toen de Egyptologen hun opgravingen begonnen.
En toen men eenmaal de laan van sfinxen had ontgraven, en de
zuilenzaal, begonnen de enorme gebeeldhouwde zuilen te wankelen,
en later, in 1899, stortten er elf van in onder een oorverdoovend
geweld. De fundamenten, die ondermijnd waren door de veranderingen van
den waterstand van den Nijl, waren niet stevig genoeg meer. De ramp
scheen onherstelbaar; maar de heer Legrain was daar, en hij zwoer,
dat, wat het hem ook kosten moest, de omgevallen zuilen weer hun
plaats zouden innemen... en ze zijn er teruggekomen!
"Hoe kan u dat met mogelijkheid gelukt zijn?" vroeg ik.
"O," antwoordde hij met zijn innemenden glimlach, "dat was de
eenvoudigste zaak ter wereld... alleen nam het veel tijd, en veel
werk was ermee gemoeid. Eerst raapte men alle brokken van zuilen op;
ze werden genommerd. Toen dat gedaan was, zagen wij de fundamenten na,
en toen die gereed waren, werden de stukken van de zuilen één voor één
voor den dag gehaald en ter plaatse gebracht. Daarna moest er worden
begonnen met het afbreken van de andere zuilen, die ook dreigden te
vallen en hun grondslagen moesten eveneens worden versterkt. Anders
is het niets!"
Vol bewondering keek ik den man aan, die sinds tien jaren de bedrijven
van metselaar, ingenieur, bouwmeester en geleerde in zich vereenigt;
dan wendden zich mijn oogen omhoog naar de enorme steenmassa's,
en ik vroeg welke kracht ze zoo ver omhoog heeft kunnen voeren.
"Ja, ook dat is zeer gemakkelijk, en toch bedienen wij ons van
geen ander hulpmiddel van mechanischen aard, van geen enkele
beweegkracht. Wij doen, wat zeer waarschijnlijk de oude Egyptenaren
zelf ook deden... wij gebruiken aarde.
"Aarde?"
"Zeker, aarde. Naarmate de zuil of de muur hooger wordt, laten we
ook den omringenden grond rijzen. Er wordt grond aangevoerd, nog eens
grond en altoos weer grond, en zoo komt men tot heel bovenaan langs
een hellend vlak, waar men enkel stevige touwen en veel armen behoeft,
om de grootste steenen omhoog te voeren. Wij verplaatsen blokken van 50
000 kilogram, zonder dat er ooit eenig ongeval is gebeurd. Wat de aarde
aangaat..... wel! deze reuzentempel is sedert verleden jaar driemaal
gevuld en weer geledigd! Het werk, om den grond aan te brengen, en
weer weg te voeren, wordt verricht door honderden kinderen, die zeven
stuiver per dag verdienen; de mannen krijgen tien stuivers. Als er in
een gezin drie kinderen zijn, die voor zeven stuiver per dag werken,
doet de vader niets meer en leeft van zijn renten!"
"Maar waar krijgt ge den grond vandaan?"
"O, daar raakt ge een interessant punt aan. Wij halen dien van die
plaatsen in Karnak, waar nog geen opgravingen zijn gedaan, en zoo
doen wij dubbel werk. Zonder nog te denken aan de kostbaarheden,
die we vinden, steunen de vondsten, die wij verkoopen ook weer de
nieuwe werkzaamheden, die erdoor bekostigd kunnen worden. Kom mee,
dan zal ik u eens de bergplaats wijzen, die ons 698 standbeelden van
graniet, kalksteen, albast, versteend hout enz. heeft opgeleverd en
nog 12000 andere beeldjes van brons."
Ik volg den heer Legrain, die mij naar de opening van een reuzendiepte
brengt, waar naakte mannen waden en graven in slijk en water.
Dat is de beroemde bergplaats, maar op de diepte, die men nu heeft
bereikt, vult ze zich met water, en het werk wordt er zeer door
bemoeilijkt.
Verderop woon ik andere opgravingen bij. De mannen zijn met houweelen
bezig en vullen manden met aarde, die door massa's kinderen al
dravend worden meegenomen naar een plaats, waar er zullen moeten
worden opgezet.
De historieschrijvers hebben altijd aangenomen, dat Thebe en Karnak
uit denzelfden tijd afkomstig waren, maar dat schijnt niet zoo te zijn.
"Inderdaad," zei de heer Legrain, "hebben wij thans onder de
fundamenten van Karnak bouwvallen ontdekt van een veel ouderen tempel,
die tot 5 of 6000 jaren vóór Christus opklimt. Dat was blijkbaar
een belangrijke tempel, en men treft op de steenen ervan zeer fijn
beeldhouwwerk aan. Zie hier maar eens naar dit basrelief."
En de directeur van Karnak liet mij een der heerlijkste in den steen
gehouwen kunstwerken zien, die ik nog ooit heb aanschouwd. Het stelde
een zeer schoon hoofd voor, en er waren bloemen op te zien en een
klein kuikentje.
"Wij geven aan al die dingen etiketten," zei de heer Legrain, "en dan
zal er getracht worden, dien onderaardschen tempel te reconstrueeren,
zooals Karnak weer opgebouwd wordt. Verleden jaar hebben we in een
hoekje ginds een tempeltje ontdekt, gewijd aan een oude, leelijke
godin, die, naar het schijnt, kinderen at. Ik heb alles weer ter
plaatse gebracht, komt u maar eens binnen; het is frappant."
Inderdaad stond er in het midden van het tempeltje een afschuwelijk
beeld, verlicht op fantastische wijze.
"De Arabieren zijn er gruwelijk bang voor," vervolgde de heer Legrain,
"en geen van mijn werklieden zou erin toestemmen, hier zonder mij
binnen te treden. Het zijn groote kinderen, die aan legenden en
spoken gelooven. Een van hen beweert, dat telkens als hij voorbij
het kerkhof gaat, hij geslagen wordt door wezens zonder hoofd, wier
lichamen vuur braken, en allen gelooven hem! Ook gaat het verhaal
van een boot, die vergaan moet zijn op een gewijd meer, en dat ik
die zal terugvinden. Het is zoo vreemd niet, dat de arme Arabieren
hun directeur, den eenigen Europeaan onder hen, voor een wonderdadig
wezen houden. Hij behoeft maar een plek met den vinger aan te wijzen,
en zie, men ontdekt er dingen, waarvan het bestaan zelfs niet werd
vermoed. Verleden jaar, toen ik thuis kwam van vacantie, zei ik tot
een van de opzichters: 'Zoek hier eens; daar moet een trap zijn.' En
werkelijk werd de trap gevonden. Ik had erover gelezen en de juiste
plek kunnen afleiden uit oude documenten, die in het Louvre worden
bewaard."
Wij zijn gekomen bij een prachtigen obelisk, en de in goud gegraveerde
letters vertellen ons, dat hij werd opgericht door koningin Makeré,
en dat het reuzenwerk, om hem uit een enkel blok te houwen in de
steengroeven van Assoean, hem naar Thebe te voeren met zijn gewicht
van 1 836 500 kilogrammen, de letters erin te graveeren en hem overeind
te zetten, verricht werd in zeven maanden!
Waarlijk, men zou het niet gedaan krijgen in zoo korten tijd met
alle middelen, waar wetenschap en en techniek tegenwoordig over
beschikken. Trouwens de beroemde koningin vermoedde wel, dat die
tour de force aan toekomstige geslachten bewondering zou inboezemen,
want ze verklaart, in gouden letters, op den obelisk gegrift, dat
ze het alles liet uitvoeren, opdat in latere eeuwen men zou zeggen:
"Is het mogelijk? Wat een prachtig werk!"
"Kom eens in mijn tuin kijken," zei de heer Legrain, en ik volgde hem
op een door muren omsloten plaats, waar ik zelfs niet de schaduw van
een bloem vond.
"Nee, je behoeft niet naar den grond te zien maar naar de muren;
kijk daar!"
En inderdaad, gebeeldhouwd op den wand met uitstekende fijnheid,
zag ik er alle mogelijke planten, een complete verzameling, een
echte tuinbouwtentoonstelling. Het is te begrijpen, dat alle dieven
uit Egypte, alle wederverkoopers van valsche of gestolen oudheden
erop uit zijn, de in Karnak ontdekte voorwerpen machtig te worden,
en het is geen gemakkelijke zaak, alle arbeiders te bewaken, die er
bezig zijn. Het vorige jaar hadden dieven samengespannen met enkele
der bewakers en hadden des nachts een gat gemaakt in den muur van het
kantoor van den heer Legrain, waarna ze twee beelden van groote waarde
stalen, die echter na duizenderlei moeilijkheden teruggevonden werden.
Ik raad de toeristen aan, alle verkoopers van antiquiteiten te
wantrouwen. Een van hen houdt er een eigenaardige manier op na. Hij
is een consul van een of ander land te Luxor en noodigt rijke
vreemdelingen op een arabischen maaltijd. Bij het dessert klinkt
de schel aan de poort, en de bedienden doen de mededeeling, dat er
inboorlingen zijn, die merkwaardige oudheden aanbrengen, pas dien dag
gevonden. Ze worden binnengelaten, en op raad van den consul koopen
de rijke vreemdelingen, die de verzoeking niet kunnen weerstaan,
de dingen, die het eigendom waren van hun gastheer.
Karnak was in den tijd van zijn bloei verbonden met den grooten tempel
van Luxor door een laan van sfinxen, ter lengte van twee kilometer en
drie meter breed. Uit dien laatsten tempel is de obelisk afkomstig
van de Place de la Concorde, en een tweede, precies aan den eersten
gelijk, staat nog te midden van de ruïnen.
Luxor, een stad, die op zichzelf niet zeer interessant is, wordt door
de nabijheid der koningsgraven en andere monumenten uit de oudheid een
der meest aantrekkelijke punten van Egypte. Het klimaat is er in den
winter alleraangenaamst, en men vindt er verscheiden hotels. Het Grand
Hotel Luxor, dat aan den vriendelijken en voorkomenden Franschman,
den heer Pagnon behoort, is het beste en meest populaire. Hoewel het
niet zeer nieuw is, biedt het alle gemakken, en tafel en bediening
schenen mij uitstekend. Het ligt in een mooien en schaduwrijken tuin,
iets zeldzaams in Boven-Egypte.
Luxors ligging is inderdaad zeer mooi, en de ouden zouden geen
beter plek hebben kunnen kiezen voor de stad, die gedurende vele
eeuwen de hoofdstad was der egyptische koningen. De Nijl stroomt
er majestueus door een wijd en vruchtbaar dal, omringd door hooge
en dorre bergen. Volgens Diodorus was Thebe de oudste stad van het
Nijldal, en hij neemt aan, dat de stad evenals Memphis gesticht
werd door Menes 4400 jaren vóór J. C. Ook Homerus bezingt de stad
en beschrijft haar als oneindig groot en prachtig met haar honderd
poorten en twintig duizend oorlogswagens.
De beroemde stad breidde zich niet alleen uit aan den rechteroever
van den Nijl, waar tegenwoordig Luxor ligt en waar men de ruïnen
van Karnak vindt, maar ook op den linkeroever, waar te midden van het
vruchtbare land we prachtige resten van bouwwerken vinden. Het Ramseum,
een reuzentempel, gebouwd onder Ramses II, de kolossen van Memnon,
twee groote beelden, die den hemel schijnen te bedreigen, de beroemde
tempel van Medinet Aboe, dat alles staat nog overeind en is hoogst
belangwekkend. Eertijds, toen Thebe bloeide, lag de necropool aan dezen
kant van den Nijl evenals de huizen der priesters, der balsemers, der
bouwmeesters en werklieden, die aan de graven arbeidden, de stallen
der heilige dieren, de scholen en de bibliotheken. Achter in het dal
verrijzen de bergen van Libye, waarvan de met graven bezette hellingen
op puimsteen gelijken. Links in een klein dal zijn de graven der
Koningen, en rechts in een ander dor en smal dal die der Koninginnen.
Die laatste zijn naar mijn bescheiden meening het interessantste en
wonderlijkste van heel Egypte, en ik zal nooit den indruk vergeten,
dien ik kreeg bij mijn bezoek.
Vergezeld door den heer Quibell, een alleraardigsten Schot,
inspecteur-generaal der antiquiteiten, verliet ik de Ramses vroeg in
den morgen bij zonnig, heerlijk weer. Wij zeilden over den Nijl, en
toen bestegen we de ezeltjes, die er op ons wachtten en galoppeerden
wel drie kwartier door bebouwde en vruchtbare velden, vóór we aan den
ingang van de vallei der koningsgraven kwamen, een smal dal tusschen
hooge, gele, dorre rotsen. De tegenstelling tusschen het veld vol
leven, waar wij vandaan kwamen en dezen weg van den dood, waar geen
vogel, geen insect, ook niet de schaduw van een levend wezen zichtbaar
was, en dat zonder eenigen overgang, was wel treffend. Ja, dit is wel
de weg des doods, het dal van het Nietzijn, waar men de open graven
vindt van de machtige monarchen, die om rustig hun laatsten slaap te
slapen, daar op de hoogte en in de laagte aan den rotswand de holten
hadden laten uitboren, en ze hadden laten versieren met beeldhouw-
en schilderwerk, om hun stoffelijke overblijfsel er te laten rusten.
O, koninklijke ijdelheid, die terwijl ge u liet begraven met uw
juweelen en edelgesteenten, uw ivoorwerken, uw vergulde meubels, niet
begreept, dat de dag zou komen, waarop uw priesters, die den toegang
tot uw graven moesten bewaken, zouden verdwijnen, waarop uw volk zou
uitsterven en waarop de roovers, belust op den rijken buit de deuren
zouden verbreken, de muren zouden beschadigen, de doodkisten zouden
openbreken, om er alles uit te halen tot de koninklijke mummie toe.
Toch was dat juist, wat er gebeurde. Volgens den heer Maspéro waren
de dieven ongeveer in het jaar 966 vóór Christus zoo sterk geworden,
konden zoo gemakkelijk de regeering trotseeren en hadden reeds zooveel
koningsgraven geplunderd, dat Auputh, zoon van Shasbank, besloot, ze
allen te laten openen en de koninklijke doodkisten te doen overbrengen
naar een enkele reuzenholte, een grafkelder, waar ze eerst op zeer
onverwachte wijze werden ontdekt ongeveer dertig eeuwen later.
Het schijnt, dat in 1871 een Arabier, namens Abd er Rasul Ahmed, bij
toeval den ingang tot den kelder vond en, begrijpend hoeveel schatten
er moesten zijn, besloot, ze ten eigen bate te exploiteeren. Hij
deelde zijn ontdekking mee aan zijn twee broeders en aan zijn zoon, en
gedurende enkele jaren verkochten onze man en zijn medeplichtigen aan
de toeristen voorwerpen van groote waarde, maar van kleine afmeting,
die ze gemakkelijk uit de schuilplaats naar hun huizen konden
meenemen. De belangstelling der Egyptologen werd echter eindelijk
wakker, en in 1881 begaf de heer Maspéro, die toen directeur was
van het Museum te Kaïro, zich naar Luxor, om daar een onderzoek in
te stellen. Na tallooze moeilijkheden, te veel om hier op te noemen,
werd de bergplaats eindelijk ontdekt, en de koninklijke mummies werden
naar Kaïro gevoerd, waar ze al gauw werden tentoongesteld in de glazen
vitrines van het Museum.
Twee jaar later begon de mummie van een der koninginnen een weinig
aangenamen geur te verspreiden en ze moest worden uitgepakt; er volgde
weldra een andere koningin, die geheel bedorven was en begraven moest
worden. Toen werd het besluit genomen, alle mummies uit te pakken, en
te luchten, en men begon met Ramses II. Hij was de eerste souverein
van Egypte, wiens lijfelijk omhulsel aan de wereld werd geopenbaard
3200 jaren na de mummifiëering.
Zelfs zooals ze nu zijn, ontdaan van de dooden en van de meubels
en andere artikelen, die er werden bewaard, zijn de koningsgraven
nog hoogst belangwekkend. De beeldhouwwerken en de basreliëfs zijn
prachtig bewaard, en veel van het schilderwerk is na zooveel eeuwen
nog ongeloofelijk frisch en levendig van kleur.
Van de vijftig koningsgraven, waar de historieschrijvers van gewagen,
zijn, geloof ik, een veertigtal teruggevonden en thans voor het
publiek geopend. Ze zijn alle in de rots uitgehouwen en bestaan uit
lange gangen, die naar ruime kamers voeren, waarvan de laatste,
het eigenlijke graf bevattend, 100 tot 160 meter van den ingang
is verwijderd.
Voor de oude Egyptenaren was hun graf niet enkel een doodkist in een
gat gestopt, maar een ruim vertrek, bewonderenswaardig versierd en
gedecoreerd door de grootste schilders en beeldhouwers van hun tijd,
en waarin de doode gemakkelijk zich kon bewegen en genieten van het
comfort, waaraan hij gewend was. Dus treffen we op de muren en zuilen
prachtig weergegeven tooneelen aan uit hun werkelijke leven en uit
het toekomstig bestaan, dat ze zich hadden voorgesteld.
De heer Quibell geleidde mij eerst naar het graf van Meremptah, nog
pas enkele maanden geleden ontdekt en dat nog niet voor het publiek
was opengesteld.
De gangen en kamers waren electrisch verlicht, zoodat men alle
bijzonderheden kon bewonderen; maar de grafkamer, het heiligdom, was
in volslagen duisternis gelaten toen we er binnentraden. Plotseling
vulde zich de sombere holte met helderheid, en onder de schitterende
electrische lampen zag ik een reuzengroote fijne figuur van grijs
graniet, op den rug liggend, de handen gekruist op de borst. Het
effect, dat dit bewonderenswaardige beeld maakte, gebeeldhouwd op
het deksel van de kist, was onvergetelijk. Het graf echter, dat
van alle den diepsten indruk op mij maakte, was dat van Amenhotep,
waarschijnlijk omdat het het eenige was, waarbij zich de mummie in
de doodkist bevond.
Midden in het heiligdom staat een prachtige, groote marmeren doodkist,
rood van kleur, waar het deksel van is afgenomen, en waarin de doode
rust. Een gedeelte van de windselen, die om hem heen waren geslagen,
zijn losgemaakt, en zijn hoofd, zijn hals en schouders ziet men
zwart en verdroogd. Het is onmogelijk, den indruk te beschrijven,
dien het gezicht van dezen machtigen monarch maakt, die daar 3500
jaar na zijn dood rust zoo klein en verschrompeld, in het licht der
Edisonlampen. Welk een wreede spot der menschelijke dingen! Diep in
den berg een grot te hebben gegraven, waarin men, ontoegankelijk voor
de heele wereld, meent eeuwig te zullen kunnen slapen, en dan zulk
een plaats dagelijks bezocht door de toeristen van de heeren Thomas
Cook en Zoon!
Korten tijd na mijn vertrek uit Luxor werd nog een koningsgraf
ontdekt door den heer Theodoor Davis, een Amerikaan die een bekend
Egyptoloog is en die zijn winters doorbrengt met archeologische
onderzoekingen. Men kan zich gemakkelijk de vreugde van den heer
Davis voorstellen, toen hij na zijn lange, moeilijke en kostbare
nasporingen eindelijk zijn pogingen bekroond zag met succes en het
graf, het bewuste graf, zich voor hem opende.
Zoo ik dan al het ongeluk had, Luxor te verlaten eer die nieuwe
ontdekking gedaan was, ik had ten minste het geluk, korten tijd
daarna de toespraak te hooren, die over het onderwerp gehouden werd
door den heer Maspéro. Ik heb onder het luisteren een der prettigste
uren van mijn leven doorgebracht. Met den grootsten eenvoud, in een
duidelijken en gemakkelijken stijl, op zachten en boeienden toon
legde de directeur der oudheidkundige onderzoekingen ons uit, dat het
ontdekte graf dat was van de koningin Tia, vrouw van Amenhotep III,
die vijftien eeuwen vóór de christelijke jaartelling leefde.
De heer Maspéro bracht verdiende hulde aan de rijke vreemdelingen,
die zooals de heer Davis, met hun fortuin en met eigen inspanning
aan zijn departement steun verleenen, en daarna vervolgt hij: "De
opgravingen gedaan door den heer Davis, hadden plaats in een hoek,
van het Koningendal, waar de meeste Egyptologen dachten, dat niet
veel zou worden gevonden. Het toeval heeft gewild, dat de heer Davis
daar juist een der belangwekkendste ontdekkingen heeft gedaan uit
onzen tijd. Het graf van koningin Tia was inderdaad onaangeroerd,
ofschoon er in den romeinschen tijd dieven aan het werk moeten zijn
geweest. Maar die bepaalden zich ertoe, de juweelen weg te nemen en
ze raakten al het andere niet aan.
"Wij hechtten er zooveel aan, dit graf te zien, juist zooals het was,
dat we er binnendrongen door een kleine opening, juist groot genoeg
voor kinderen, dieven of... archeologen. Dichtbij den ingang vonden
we op den grond een prachtigen kever, Scarabeus, en albasten vazen,
blijkbaar door de dieven onderweg verloren, een duidelijk bewijs,
dat het graf geopend was geworden.
"Groot was onze vreugde, dat het heiligdom ongeschonden was en vol
was met vele voorwerpen, die het leven van het verleden ons voor den
geest riepen. Op den steenen muur, die het tot nu toe van de wereld
had afgezonderd, waren sporen te zien van vuile handen, slijkerige
handen, al zooveel eeuwen dood, die het hadden gesloten, naar men
meende, voor eeuwig. Daar verrees de oudheid als levend vóór ons.
"Midden in de ruime doodkist lag een rood kussen, en daarnaast stond
een stoel van vrij modern voorkomen, Empire-stijl, maar met iets echt
egyptisch erbij. Wat verder was een vergulde armstoel, met rechte
pooten, die aan den stijl van Lodewijk XVI deed denken en daartegenover
weer een armstoel van ontwijfelbaar egyptische afkomst. Er was nog
een heele voorraad meubels, groote zwarthouten kisten en 72 kruiken,
die offeranden en levensmiddelen inhielden, eenden, gazellebouten,
gedroogd vleesch, brood en koren, en in enkele kruiken aanzetsel van
wijn en van reukwateren, die erin bewaard waren geworden. Een groote
vaas, die omgevallen was, liet een dikke, gele vloeistof uitstroomen,
honig en, wonderlijk gezicht, op dat oogenblik zagen we er zich een
bij op neerzetten, die van buiten was gekomen! Daarnaast lagen gouden
voorwerpen, en dingen van ivoor en zilver; ook vonden we een zeer
groote kist uien!"
Dan gaf de heer Maspéro ons interessante inlichtingen over het
leven der oude Egyptenaren in het algemeen, en in het bijzonder over
koningin Tia, die, naar het schijnt, een zeer merkwaardige vrouw moet
zijn geweest.
Nadat de Ramses ons drie dagen had gegund voor het bezoek aan het oude
Thebe, begaven we ons weer op weg den Nijl op van Luxor naar Assoean
in heerlijk weder, het weer, dat aan Boven-Egypte een verrukkelijke
lente geeft midden in den winter. Terwijl wij hier profiteerden
van warme en zonnige dagen, vertelden ons de telegrammen, dat heel
Europa rilde van kou en dat Zuid-Frankrijk onder de sneeuw lag, ja,
dat het ook in Algerië had gesneeuwd!
Het was druk op den Nijl. Een menigte groote booten voeren naar
beneden en andere gingen stroomop, en aan de oevers waren op maar
eenige meters afstands van elkander de fellahs onophoudelijk bezig,
water te putten uit de oude sjadoefs; ze scheppen tot 30 000 liter
water per dag, maar werken dan ook van zonsopgang tot zonsondergang
voor.. vijftig centimes!
Tusschen Luxor en Assoean, houden de groote toeristenbooten van Cook,
die er twee dagen over doen, stil te Esneh, Edfoe en Kom Ombo. Het
eerste plaatsje is een vrij belangrijk stadje met groote huizen en
drukke bazaars. De tempel is nog maar ten deele ontgraven, en een
enkele zaal is slechts voor het publiek te zien. Te Edfoe daarentegen
vindt men een reusachtigen tempel, die begonnen was onder de regeering
van Ptolemaeus III, 237 jaar vóór Christus en waaraan niet minder dan
180 jaren werd gewerkt. Hij was geheel verborgen onder puin en zand
en aarde, waar hutten en stallen op waren gebouwd, en werd ontdekt
en aan het licht gebracht door Mariette.
De tempel van Kom Ombo, waar de booten niet meer dan een uur
ophouden, heeft belangwekkend beeldhouwwerk, en op eenige meters daar
vandaan verheft zich een kolossale steenen schoorsteen, omringd door
afschuwelijke moderne gebouwen, die behooren bij de onderneming van de
heeren Cassel en Suares. Niemand had er nog aan gedacht, de gronden
aan te koopen, die lagen in de buurt van Kom Ombo, eenvoudig omdat,
met het oog op hun hooge ligging boven den Nijl, men het onmogelijk
achtte, ze te besproeien. En thans werken er stoompompen, die zoo
krachtig zijn, dat het kinderspel is, er het water tot 15 meter
hoogte mee op te voeren. De bedoelde groep kocht dus dertig duizend
feddans grond, die haar op niet meer dan honderd francs de feddan
te staan kwamen, toen alle werkzaamheden afgeloopen waren, en die
gemakkelijk het viervoud van den prijs zullen opbrengen bij verkoop,
tenzij de heeren den grond verhuren en er niets tegen hebben tot in
verre tijden twintig percent voor hun kapitaal te maken.
Eindelijk kwam de Ramses twaalf dagen na het vertrek uit Kaïro te
Assoean aan den eersten waterval van den Nijl. Ten allen tijde
zijn die stad en het beroemde eilandje Elephantine er tegenover
beschouwd als een der belangrijkste punten van Egypte. Het was lang de
grensstad, waar de Egyptenaren, de Perzen, de Romeinen en eindelijk
de Anglo-Egyptenaren hun garnizoenen hielden. Aan den overkant van
den waterval ligt Nubië, dan volgt Soedan, zoo wijd en uitgestrekt
en tot voor kort nog zoo geheimzinnig.
Tegenwoordig is Assoean een belangrijke en volkomen moderne plaats,
die in den winter niet enkel druk is door vreemdelingenbezoek van de
toeristen, door booten en treinen dagelijks aangevoerd, maar ook door
een steeds aangroeiend aantal vreemdelingen, die er den heelen winter
blijven. Het klimaat is mogelijk wel wat veel opgehemeld. Het is zeer
warm, droog en zonnig en mist en regen zijn er, om zoo te zeggen,
onbekend; maar het moet erkend, dat die groote droogte van de lucht
het klimaat ontzenuwend maakt, en dat men nu en dan er kennis maakt met
een kouden, doordringenden wind. Daarom is het er voor zwakke personen
niet zonder gevaar. In den zonneschijn en beschut voor den wind,
braadt men heerlijk in de maand Januari; maar als de wind opsteekt,
dringt die dadelijk door de kleederen heen en men voelt zich kil en
onaangenaam. Men ontmoet dan ook niet zelden menschen in wit flanel
gekleed en met een kurkhoed op het hoofd, maar met een overjas of
deken over den arm.
Met wat voorzichtigheid en overleg kan men een verkoudheid voorkomen,
maar ik zou niet genoeg kunnen herhalen, dat zelfs overigens sterke
menschen voorzichtig moeten wezen. Dit aanvaard zijnde, ben ik echter
bereid, te erkennen, dat Assoean in den winter een ideale plek is voor
diegenen, die in de open lucht willen leven. Als men zijn dagen op den
Nijl doorbrengt in een bootje, de hoeken en hoekjes van de elanden
Elephantine en Philae bezoekt, tennis speelt of golf, de woestijn
ingaat per ezel of kameel, nooit zal men zich behoeven te vervelen en
elke minuut zal men kunnen genieten van den goddelijken zonneschijn,
die versterkend en prettig is.
Er zijn drie prachtige hotels te Assoean, waarvan twee reusachtige
moderne paleizen zijn. Het Cataracthotel, dat aan de heeren Cook
behoort, wordt uitstekend bestuurd door een Franschman, den heer
Pagnon, eigenaar ook van de hotels te Luxor, en is zeer mooi gelegen op
een hoogte en op het Zuiden. De salons, halls, terrassen, bibliotheek,
biljardzaal, enz. zijn prachtig ingericht en de groote, moorsche
eetzaal is heerlijk. De keuken is uitmuntend en overvloedig en de
service laat niets te wenschen over. Het laat zich gemakkelijk denken,
hoe groot de moeilijkheden moeten wezen, die overwonnen moeten worden,
om een dergelijke onderneming te leiden en elken dag op 1000 kilometers
afstands van Kaïro een afwisselend menu, dat een groote restauratie in
Parijs geen oneer aan zou doen, voor te zetten aan honderden personen,
hongerig geworden door het verblijf in de buitenlucht. Het is werkelijk
wonderbaarlijk, dat men op de grens van Nubië tegen redelijke prijzen
al het comfort vindt, hetwelk wij gewoon zijn duur te betalen in de
hotelpaleizen van Ostende, Baden Baden, Nice en Monte Carlo.
Op het eiland Elephantine verrijst te midden van prachtige tuinen een
ander paleis, het Savoy-hotel, behoorend aan de Anglo-American Co. en
even populair als het Cataracthotel. En dan is er nog in de stad en
dichtbij de landingplaats het Grand Hotel van Assoean, behoorend
aan den heer Pagnon, niet zoo luisterrijk als de andere, maar ook
zeer goed. Evenals te Kaïro zijn de hotels de groote middelpunten
voor het mondaine verkeer. Men doet er aan allerlei sport en des
avonds kan men er concerten, bals, bridgepartijen en dergelijke
feestelijkheden genieten. Nu en dan hebben er gymkhana-wedstrijden
plaats, harddraverijen van ezels en kameelen; en mannen, vrouwen en
kinderen, ouden en jongen stellen er levendig belang in.
Assoean is ontwijfelbaar het schilderachtigste plekje van
Boven-Egypte. Aan beide kanten van den Nijl verheffen zich hooge
bergen, bijna geheel met goudgeel zand bedekt, en hier en daar gekroond
door eeuwenoude ruïnen. Tusschen de stad en het eilandje Elephantine,
dat geheel in het groen ligt, heeft de Nijl een snellen stroom, waar
zich honderden dahabiehs en booten door bewegen, terwijl de roeiers
hun eentonig liedje onophoudelijk doen hooren.
Hoogerop ligt dan de eerste waterval en de versnellingen doen het
water zich al brullend tusschen de rotsen voortbewegen. Ik heb nooit
schooners gezien dan een zonsondergang te Assoean, en er zou een
andere pen dan de mijne noodig zijn, om de bewonderenswaardige en
fantastische tinten te beschrijven, die de lucht en de stroom en de
bergen dan aannemen. Het is verrukkelijk, en wie dat eenmaal heeft
aanschouwd, vergeet het nimmer.
Kameelen zijn er zeer in trek; vooral de dames houden van het
groote rijdier, maar het is een krachtige lichaamsbeweging, die niet
ieder kan verdragen. De uitstapjes per ezel of kameel in de buurt
van Assoean zijn zeer belangwekkend. Het kamp der Besharins, op een
half uur afstands dichtbij de ruïnen van een oud arabisch kerkhof, is
een gezocht doel voor een tochtje. Die Arabieren (van het kamp, niet
van het kerkhof) met lange haren en een zonderling type vertoonend,
wonen in ellendige tenten van vlechtwerk en zoo primitief, dat het
hun niet aan schilderachtigheid ontbreekt.
Onnoodig te zeggen, dat er in Assoean beroemde graven zijn, als
overal in Egypte. Men heeft er de bekende granietgroeven, waaruit de
oude Egyptenaren hun obelisken en beelden en grafmonumenten hebben
gehaald. Men kan er nu nog een onvoltooiden obelisk vinden, die
dertig meter lang is. Op eenigen afstand van Assoean, niet ver van
het begin van den waterval, ligt de tempel van Philae, de sierlijkste
en elegantste der egyptische tempels. Gelegen op het eiland van
denzelfden naam, behoort die "Parel van Egypte" eigenlijk al tot
Nubië. De inboorlingen noemen hem "Gesiret Anas en Wogud" met den
naam van den held uit een der verhalen van de Duizend en één Nacht,
die daar naar de egyptische overlevering zijn geliefde terugvond.
Het eiland Philae ligt juist midden in de ruimte, die gevuld kan zijn
door het enorme réservoir van Assoean, zoodat op den tijd, als het
bekken gevuld is, het geheele eiland en bijna de geheele heerlijke
tempel onder het slijkerige Nijlwater verdwenen zijn. De geleerden,
de archeologen van de geheele wereld stelden zich in beweging, toen
tot aanleg van het réservoir besloten werd en smeekten, dat toch
een andere plaats mocht worden gekozen. Het zou onmogelijk geweest
zijn, over den geheelen loop van den Nijl een plek te vinden, die zoo
geschikt was voor het bekken, en tusschen den sierlijken tempel en de
werken, die den landbouwrijkdom van Egypte bijna zouden verdubbelen,
aarzelden de ingenieurs niet en offerden Philae op. Toch moet erkend,
dat zeer belangrijke werken werden uitgevoerd, om het merkwaardige
monument te bevestigen, en de regeering heeft niet minder dan 350
000 francs met dit doel uitgegeven.
Daarbij schijnt het, dat het water, hetwelk naar aller berekening den
beroemden tempel zou hebben moeten verwoesten, dien waarschijnlijk
heeft gered. In zijn rapport over 1904 maakt lord Cromer de opmerking,
dat bij zijn bezoek aan de werken, toen men ermee bezig was, hij
getroffen werd door den deplorabelen toestand van de fondamenten,
die binnen kort de instortingen van sommige deelen van den tempel
ten gevolge zou hebben gehad.
Ook de heer Edouard Naville schreef in het Journal de Genève:
"Ik behoor tot hen, die herhaaldelijk door middel van de pers en op
wetenschappelijke congressen geprotesteerd hebben tegen den aanleg van
den dam te Assoean.... Maar thans kan ik zeggen, dat de archeologen
niet te klagen hebben. Het monument is behoed voor allen verderen
achteruitgang voor lange jaren, en het water schijnt geen nadeeligen
invloed op het gesteente uit te oefenen, behalve dan in een paar
vertrekken, die geen andere opening hebben dan een lage deur en dus het
vocht niet verliezen, zoodat er zich salpeter tegen de wanden afzet.
"Zelfs zou men kunnen vragen, of in sommige opzichten de tempel van
Philae niet in beter conditie is gekomen dan de meeste egyptische
gebouwen. Sinds verscheiden jaren maken de groote tempels door,
wat ik zou willen noemen een crisis van seniele aftakeling. Zijn de
opgravingen daar schuld aan? Ik zou het niet durven tegenspreken. Het
is zeker, dat men al te dikwijls in de haast, om de prachtige
overblijfselen aan het licht te brengen, zich niet in voldoende mate
rekenschap heeft gegeven van de vraag, of ze nog sterk genoeg waren,
om te blijven staan, en of ze geen behoefte hadden aan den steun,
die hun verstrekt werd door de bergen van puin of door de dorpen, die
ter halver hoogte van de pilaren en tusschen de zuilen waren gebouwd.
"Te Philae zou hetzelfde gebeurd zijn als elders. De tempel zou
langzamerhand verzakt zijn; men zou nu eens een zuil hebben zien
omvallen, dan weer een architraaf, en er zou voor het herstel gewacht
moeten zijn op voldoende geldelijke hulp. Thans is de bevestiging tot
stand gebracht en wel voor langen tijd, en onder dankbetuiging aan de
egyptische regeering voor den spoed, waarmee ze zich die opoffering
heeft getroost, kan men rustig de toekomst afwachten".
Helaas, dat er zich toch alweer donkere wolken aan den horizon hebben
samengetrokken. De ingenieurs begonnen ervan te spreken, den dam te
Assoean te verhoogen met zes meters. Dat zou de dood voor Philae
wezen! De verhooging van den dam is een zaak van het allerhoogste
gewicht voor Egypte, en de kundigste ingenieurs hebben ervoor gepleit,
omdat de watervoorraad van het reuzenréservoir erdoor zou toenemen, en
omdat een veel grooter gebied zou kunnen worden besproeid en dus op de
woestijn zou kunnen worden veroverd. Maar de egyptische ministers en
hun raadsman Sir William Garstin zijn voorzichtige lieden en wilden
de quaestie niet overhaast beslissen. Daarom werden twee bekende
geleerden, de heeren W. Atcherley en Karl Pearson, erover gehoord,
en hun meening, dat men zich van het weerstandsvermogen van den dam
ook een te hoog denkeeld kan vormen, heeft ertoe geleid, dat andere
plannen zijn opgekomen omtrent een nieuwen dam boven Assoean. Dus
zal Egypte altijd nog wel eenige jaren moeten wachten, eer het een
groote hoeveelheid water krijgt voor zijn landbouw. Ik geloof niet,
dat dit een ramp is. De tegenwoordige voorspoed is zoo groot, dat
een periode van betrekkelijke kalmte niet anders dan goed kan zijn,
ook om het land op zijn verhaal te doen komen van de speculatiewoede
van den laatsten tijd.
Men reist tegenwoordig naar het hart van Soedan, naar Khartoem en
Omdoerman, dat eenige jaren geleden de hoofdstad der Derwischen was,
even gemakkelijk als naar Petersburg of Chicago. Ik kan er zelfs
bijvoegen, dat in den winter de reis van Assoean naar Khartoem een
der interessantste, prettigste en gemakkelijkste is, die men kan
ondernemen. De temperatuur is heerlijk, noch warm, noch koud; regen
en vochtigheid zijn onbekende zaken, en van den morgen tot den avond
geniet men een schitterenden zonneschijn, door geen wolkje verduisterd.
Tot Wadi Halfa reisde ik per boot en toen we na vier dagen die
plaats bereikten, werd de tocht per Soedanspoorweg voortgezet over
Berber, waar de verbindingslijn met Soeakim naar het Oosten gaat,
naar Khartoem. Een inconveniënt op die gemakkelijke reis in den _train
de luxe_ is het stof, dat door de gesloten vensters binnenkomt; maar
dat zal mettertijd zeker verdwijnen, als de maatschappij waggons
zal hebben aangeschaft, als in gebruik zijn op den amerikaanschen
spoorweg van Omaha naar San Francisco, waar men door een even stoffig
zandlandschap reist zonder iets van het stof te merken.
Tegen zeven uur in den morgen bereikt de reiziger Khartoem. Hij is
er eigenlijk al den vorigen avond aangekomen, maar te laat om aan
wal te gaan. De aankomst heeft plaats tegenover Khartoem op den
tegenoverliggenden oever van den Blauwen Nijl. Khartoem ligt aan
die rivier een weinig boven haar samenvloeiing met den Witten Nijl,
waarna ze samen den Nijl vormen.
Per kleine stoomboot wordt men naar Khartoem overgezet. Uit de vuile
slaapwaggons komend, ademt de reiziger met volle teugen de zuivere,
droge, opwekkende lucht in en verbaast zich, dat op zulk een vroeg
morgenuur midden in den winter de zon met haar stralen het tooneel
reeds in gouden licht zet. Op den breeden stroom varen booten met
groote, witte zeilen, dan kleine booten met negerroeiers, die een
eentonig lied zingen, en stoombooten met hooge dekken en helder wit
in de verf, vervullen de lucht met hun gefluit. Khartoem ziet men
liggen in een ware oase van groen. Het prachtige witte paleis van den
gouverneur trekt dadelijk de aandacht, met de engelsche en egyptische
vlaggen beide erboven wapperend, en ernaast de lange steenen gebouwen
van de ministeries, een groote school en veel aardige villa's te
midden van tuinen.
De boot houdt stil aan de aanlegplaats van het hotel, het groote hotel
van Khartoem, nog maar sedert een jaar geopend, geloof ik. Het is een
lang gebouw van twee verdiepingen, omgeven door enorme galerijen,
waar alle kamers op uitkomen, een niet juist aangename inrichting
voor diegenen, die van rust en ongestoordheid houden.
De reizigers hebben den vorigen winter geklaagd over het hotel te
Khartoem. De prijzen zijn hoog, de service laat te wenschen over,
en de maaltijden zijn ver van goed. Het is waar, dat men niet moet
vergeten, in Soedan te zijn, maar daar de stad wel goede dingen
aanbiedt, waar de officieren en de inwoners der plaats het rechte
gebruik van weten te maken, is het onvergefelijk, dat het hotel er de
reizigers niet van laat profiteeren. De leiders van de maatschappij,
die het hotel bestuurt, denken enkel aan groote voordeelen, en ik
heb allen grond voor het vermoeden, dat de regeering, die haar den
grooten en prachtigen tuin verhuurt, waarin het huis is gebouwd voor
de belachelijk kleine som van 1250 francs per jaar, haar tot rede
zal brengen, zoodat verbeteringen onderweg zijn.
De hoofdweg in Khartoem loopt langs den Blauwen Nijl, een breede, met
jonge boomen beplante weg, die des avonds electrisch verlicht wordt en
waaraan groote, deftige huizen met mooie tuinen zijn gelegen. Dat gaat
zoo verscheiden kilometers door. Ge treft daar ook den Botanischen en
Zoölogischen Tuin, waar leeuwen en andere wilde dieren in kooien zijn
opgesloten in een heerlijk park, vol van de uitgezochtste specimina der
afrikaansche flora. Dan volgen het hotel, vele particuliere huizen,
bewoond door engelsche officieren, het post- en telegraafkantoor,
het groote gebouw waar de kantoren zijn van de regeeringsambtenaren,
het paleis van den gouverneur, de italiaansche katholieke zendingspost,
de Club, nog weer villa's, Gordon College enz.
Langs die mooie laan komt ge telkens engelsche Tommies tegen, soldaten,
in khakipakken gekleed, en soedaneesche soldaten, zwart als ebbenhout,
lang van stuk en met beenen zonder kuiten van ongeloofelijke lengte
en magerheid. Ook ontmoet men er Arabieren en negers van zoowat alle
bedrijven, negerinnen met groote manden of kruiken op het hoofd en
met verrassende gratie gedrapeerd in lange zwarte shawls, want er
bestaat een verordening, die de inboorlingen te Khartoem dwingt,
"zich te kleeden". Zeker geeft die gewoonte, om zware lasten op
het hoofd te dragen, aan de negerinnen die rechte houding en dien
bevalligen en krachtigen gang.
Khartoem breidt zich niet enkel langs de rivier uit, maar ook naar
den woestijnkant; daar vindt men ook breede en mooie straten, maar
enkel meer bescheiden huizen, kantoren en banken.
Rijtuigen ziet men bijna niet in de hoofdstad van Soedan. Het hotel
heeft een pony en een tonneau, en alleen de gouverneur-generaal heeft
verscheiden équipages en een automobiel, terwijl enkele officieren
er een eigen wagentje op na houden. Rijpaarden en vooral ezels zijn
de gewone vervoermiddelen.
In afwachting van den dag, waarop Khartoem huurrijtuigen zal hebben,
ziet men voor het hotel een dozijn jinriksja's, maar helaas, de lange
Soedaneezen kunnen niet als de dappere, kleine Japannertjes urenlang
draven. Hijgend, zweetend en blazend trekken ze het rijtuigje met
moeite voort, terwijl men zich verbijt van ergenis, als men ten
minste haast heeft. Met twee man ervoor gaat het een beetje gauwer,
maar het best is, een ezel voor een jinriksja te laten loopen; dat
werkt verjongend en herinnert aan de lang vervlogen tijd, toen men
met een bokkenwagen door de Champs Elysées reed! Een ezel voor het
kleine trekwagentje, dat heb ik heerlijk gevonden, en ik had haast
stilgehouden in de woestijn, om er poffertjes van zand te bakken!
En als de reiziger dat alles goed heeft gezien, de paleizen, de
villa's, de tuinen, waar de vogels in de boomen zingen en de bloemen op
de perken geuren, de breede lanen, waar de Soedaneezen heel beschaafd
flaneeren; als hij zijn volle aandacht heeft geschonken aan deze
aardige stad, die daar zoo modern in het hartje van Afrika ligt en
waar rust en orde en arbeidzaamheid heerschen, zal hij zich met de
grootste verbazing afvragen en tegelijk met onbegrensde bewondering:
"Is het mogelijk, dat ik mij op dezelfde plek bevind, waar Gordon
en de zijnen nog zoo kort geleden door dweepzieke en bloeddorstige
horden van den Mahdi werden vermoord, en waar ik nauwelijks zeven jaar
geleden niets dan ruïnen zou hebben gevonden? Is het mogelijk, dat
deze bloeiende stad pas gisteren is geboren op de plaats van de oude
soedaneesche hoofdstad, die getuige is geweest van de heldenfeiten
en het bloedig drama, in de geschiedenis bekend als 'de verovering
en het verlies van Soedan'?"
Ja, hoe onwaarschijnlijk het moge klinken, het was inderdaad hier,
dat de egyptische veroveraars onder Ibrahim hun vlag plantten ten
tijde van de regeering van Mohammed Ali. En hier ook speelden zich de
tragische tooneelen af, waarvan Gordon pacha de hoofdpersoon was. Er
woont te Khartoem nog een persoon, wiens gevoelens men wel graag eens
zou willen ontleden, als hij in zijn uniform vol decoraties en op een
prachtig paard, door de mooie lanen galoppeert. Dat is Slatin pacha,
de vroegere gevangene van den Mahdi, thans inspecteur-generaal van de
regeering van den Soedan. Welk een roman is zijn leven! Lees zijn boek
"Vuur en zwaard in Soedan", en ge zult u verbazen over alles, wat een
menschelijk wezen niet al kan uitstaan aan moreel en physiek lijden.
Hij was Oostenrijker en trad in dienst bij de troepen in Soedan, toen
Gordon er voor de eerste maal gouverneur-generaal was. Toen het land
in opstand kwam, om den Mahdi te volgen, was Slatin gouverneur van
de provincie Darfoer, die hij zoo goed mogelijk verdedigde. Hij deed
zijn plicht tot op het oogenblik, waarop de tegenstand onmogelijk
was geworden. In het begin van de crisis, toen hij hoorde, dat
zijn soldaten aarzelden of ze hem wel zouden volgen, omdat hij
christen was, ging hij tot den mohammedaanschen godsdienst over in
de tegenwoordigheid van al de vereenigde troepen.
Gordon was indertijd verontwaardigd, toen hij het bericht hoorde
en sprak met bitterheid over die buitenlandsche officieren, die hun
geloof verloochenen en bereid zijn, het Christendom vaarwel te zeggen,
om hun huid te sparen. Ik geloof, dat Slatin minder aan zijn eigen
leven dacht dan aan zijn provincie en aan de egyptische troepen, die
onder zijn bevel stonden en die hij wilde redden tot op het oogenblik,
dat hij, naar hij meende, versterking krijgen zou. Die bleef echter
uit en eindelijk gaf Slatin, wien de Mahdi beloofde, hem het leven te
sparen, zich over. Hij werd eerst vrij goed behandeld, want daar hij
de taal kende, kon hij, naar de Mahdi bedoelde, als het noodig was,
met de ongeloovigen onderhandelen te Khartoem.
Maar Slatin moest de nederlaag van het leger aanschouwen en hij was
diep getroffen, toen hij van den dood van Gordon hoorde, den generaal
en den superieur, dien hij had bewonderd en liefgehad. Hij, Slatin,
werd in boeien geslagen, werd een tijdlang aan alle mogelijke
martelingen onderworpen, tot eindelijk de Khalief hem in zijn
dienst nam en hem als slaaf aan zich verbond. Dat duurde wel twaalf
jaren, tot Slatin in Maart 1895 wist te ontsnappen en Assoean te
bereiken. Nauwelijks weer in het land der beschaving, bood hij zijn
diensten weer aan Engeland en Egypte aan en was een groote steun
voor de slotexpeditie onder bevel van lord Kitchener. Daar hij Soedan
uitmuntend kende en vertrouwd was met de bewoners en de taal, zoowel
als met de sterke en de zwakke punten van de Derwischen, kon hij
natuurlijk belangrijken raad geven.
Toen Khartoem heroverd was, wilde hij behooren tot de pioniers,
die daar bleven om de stad uit het puin te doen herrijzen en mee te
helpen aan het beschavingswerk, dat werkelijk te bewonderen valt en
dat in zes jaren van den uitgestrekten Soedan een land heeft gemaakt,
waar na zooveel onrust kalmte en orde zijn teruggekeerd.
Het is onbetwistbaar, dat hij zeer groote diensten heeft bewezen
en hooggelijk gewaardeerd wordt door den gouverneur-generaal, Sir
Reginald Wingate. Deze is een zeer beminnelijk man, eenvoudig en
vriendelijk van aard, maar tevens een man met een vasten wil en veel
energie. Hij spreekt vloeiend Fransch en onderhoudt zich gaarne in
die taal. Ik heb zeer interessante gesprekken met hem gevoerd over
de toekomst van Soedan, die hem natuurlijk zeer ter harte gaat,
en hij voorziet zoo geen snelle dan toch een zekere ontwikkeling.
De vorderingen van den vooruitgang, meent hij, dat van drie dingen
zullen afhangen, waar wij niet dadelijk al te groote verwachtingen
van moeten koesteren, namelijk van meer arbeidskrachten, meer en beter
middelen van gemeenschap en meer water. Er komen arbeiders te kort in
Soedan; denk eens, dat er nauwelijks twee millioen inwoners zijn met
een in evenredigheid veel te groot aantal vrouwen en kinderen, terwijl
er tien millioen waren een twintigtal jaren geleden. Maar de Arabieren
en Soedaneezen zijn vruchtbare rassen, en met de rust zal de bevolking
wel vlug toenemen; maar dat zal men niet zoo dadelijk bemerken.
De nieuwe spoorweg van Berber naar Soeakim aan de Roode Zee was ook
een onderwerp van gesprek tusschen ons. "Wij staan daardoor," zei
de generaal, "rechtstreeks in verbinding met de zee en hebben een
haven in Soedan. Daarheen zullen de goederen worden vervoerd, waar
de Soedan behoefte aan heeft en van daar zullen de waren vertrekken,
die het kan uitvoeren."
"Wordt er in sommige kringen niet beweerd," vroeg ik, "dat die lijn,
die aangelegd is met geld, dat de egyptische regeering heeft geleend,
aan dat laatste land nadeel zal toebrengen, omdat ze den handel tot
zich zal trekken, die thans over Alexandrië gaat en tot Assoean van
de egyptische spoorwegen gebruik maakt?"
"Inderdaad," antwoordde de gouverneur glimlachend, "die theorie is te
berde gebracht, maar ze houdt geen stand. Zoolang Soedan afhankelijk
blijft van dien eenigen, langen en kostbaren weg over Egypte en den
Nijl, kunnen de ondernemingen van den handel er geen hooge vlucht
nemen. Alles zou blijven wat het nu is, en Egypte zou de kleine sommen
innen waar u van spreekt, zonder eenige kans dat die vermeerderden. Wel
zal de nieuwe lijn afbreuk doen aan de inkomsten van Egypte, maar daar
het budget van Soedan ervan zal profiteeren en onze inkomsten erdoor
zullen toenemen, omdat de handel snel zal groeien, dank zij de nieuwe
afzetmarkt, zullen wij allereerst aan Egypte interest kunnen betalen
van het geld, dat het ons heeft voorgeschoten en eindelijk... dat is
het belangrijkste, hoe meer de provincie Soedan zich zal ontwikkelen,
des te spoediger zal ze geldelijk onafhankelijk wezen."
"En het water, generaal?"
"O, wat het water betreft, zal Soedan voordeel trekken uit de groote
plannen van Sir William Garstin. Maar dat zijn nog maar plannen, die
eerst binnen enkele jaren verwezenlijkt kunnen worden. De egyptische
regeering laat in samenwerking met mijn officieren de zaak onderzoeken
door een commissie, en wij zullen waarschijnlijk tot een resultaat
komen, dat in het klein helpt, in afwachting van de grootere plannen
met het vergroote reservoir. Er zijn al enkele bevloeiingskanalen
gegraven, en Soedan kan water erlangen uit den Nijl in den zomer op
een tijdstip, waarop dat aan den egyptischen landbouw in het minst
geen nadeel kan berokkenen. Want Egypte wil ons natuurlijk niet
toestaan, dat wij het berooven van het kostbare water, waar zijn
bestaan aan hangt."
Omdoerman aan de overzijde van Khartoem is in veel opzichten een
belangwekkende plaats. Er zijn tegenwoordig nog 60 000 inwoners,
terwijl er in den tijd van den Mahdi een bevolking woonde van
meer dan 400000 zielen. De markten van Omdoerman zijn beroemd,
en lange karavanen van kameelen, komend van het Zuiden, brengen
er, evenals talrijke booten, elken dag de producten uit Centraal
Afrika. Caoutchouc, suikerriet, doerrah, een soort van koren, dat tot
voedsel dient voor menschen en dieren, ivoor, struisveeren en vele
andere voortbrengselen worden er op reuzenpleinen uitgestald. Het is
merkwaardig, de lange rijen kameelen te zien aankomen, als ze weken en
weken geloopen hebben, om uit het binnenland van het zwarte werelddeel
hun zware vrachten aan te voeren. Het is een sympathiek dier, ijverig,
volhardend en met weinig tevreden.
De tijd zal wel niet ver meer zijn, dat een spoorweg Omdoerman met
de provincies Darfoer en Kordofan zal verbinden, waarvan de rijkdom
groot is, en die genoeg negerkoren voortbrengen, om geheel Soedan
te voeden en er nog van uit te voeren in groote hoeveelheid. De
maat, die te Kordofan vijf francs kost, wordt te Omdoerman met 28
francs betaald, waaruit duidelijk blijkt, hoe duur het vervoer per
karavaan van kameelen komt, het eenige middel van transport dat nu
ter beschikking is.
Men heeft te Omdoerman paardenmarkten, markten voor ezels en kameelen
en zeer belangwekkende bazars. Daar vindt men soedaneesche wapens,
struisvogeleieren, wonderlijke leêren portemonnaies, door de vrouwen
aan een draad om den hals gedragen, ceintuurs met leeren franje,
helder gekleurde rieten manden, voorwerpen van ivoor, karwatsen en
zweepen van hippopotamusleder, en een heele straat, waar zilversmeden
wonen. Armbanden, ringen, zegels, doosjes, servetringen zelfs, alle
vreemd en mooi bewerkt, maar waar zulke enorme prijzen voor worden
gevraagd, dat het wel blijkt, hoe ook hier als elders de komst van
toeristen het sein is geworden voor een exploitatie in het groot.
Men kan heele morgens zoek brengen aan de markten en bazars. Men voelt
er zich als overgebracht in een andere wereld, bijna als op een andere
planeet, en men moet langs den winkel van een inlandschen kleermaker
gaan, waar een twintigtal Singernaaimachines een heidensch lawaai
maken, om zich te overtuigen, dat men toch niet zoo ver verwijderd
is van de beschaving, dan men eerst dacht.
Er zijn te Omdoerman historische gebouwen, als de ruïnen van het
graf van den Mahdi, het huis van Slatin pacha en een groot gebouw,
waar de relieken uit het verleden worden bewaard, pistolen, geweren
en sabels, die aan de Mahdisten hebben toebehoord, en de zonderlinge
hoofddekkels, die ze droegen; daar zijn duizenden van, die men voor
een spotprijsje kan koopen. Iets verder kan men de kanonnen van den
Khalief zien, kanonnen ook, die bij het leger van Hicks of te Khartoem
hebben dienst gedaan, en eindelijk de rijtuigen en de piano van Gordon
in zeer vervallen staat.
Ik moet bekennen, dat ik erdoor geschokt was, daar onder een afdak
de herinneringen te vinden aan den held, die te Khartoem viel. Zou
men er geen plaatsje voor hebben kunnen inruimen in de onbewoonde
benedenverdieping van het paleis van den gouverneur-generaal?
Naast het leeggeplunderde graf van den Mahdi staat het huis van
den Khalief, waar hij heeft gewoond met zijn vier vrouwen en 400
bijwijven. Men kan alleen in zijn particuliere vertrekken komen
door eindelooze gangen, die bij elken hoek werden bewaakt, zoozeer
vreesde hij te worden vermoord. Het huis is ongelukkig ledig; het
zou belangwekkend geweest zijn, er de voorwerpen te vinden, waarvan
de Khalief zich bediende en er een soort van mahdistisch museum van
in te richten.
Rustig en kalm is de bevolking van Omdoerman aan haar dagelijksch
werk, doet zaken met Egyptenaren en Europeanen en zendt haar kinderen
naar de uitstekende scholen, die de regeering heeft geopend. Wie
kan begrijpen, dat het nog nauwelijks zeven jaar geleden is, dat de
plaats een middelpunt was voor het grofste fanatisme op godsdienstig
gebied? Fanatisme en despotisme, daar had de bevolking te veel van
geleden en ze had genoeg van den Khalief, den Mahdi, van de emirs
die hun alles ontnamen, zelf in overvloed en weelde leefden en de
menschelijke kudde lieten omkomen van honger! De dweepzucht van den
derwisch is thans verdwenen, want hij begrijpt zelf, dat hij het nu
beter heeft dan vroeger, nu rust en vrede en gerechtigheid hem in
staat stellen, de vruchten van zijn arbeid te oogsten.
Mijn bediende Makhmoed heeft mij dat op zijn manier uitgelegd. "De
derwisch is ook een mensch, de Soedanees ook en de Arabier eveneens,
allen tevreden nu en houden van den Engelschman, omdat de engelsche
meester rechtvaardig is. De arme man kan nu naar den moedir gaan;
hij wordt ontvangen en aangehoord; hem wordt recht verschaft, zelfs
tegen rijke menschen, zelfs tegen een Engelschman."
Ik geloof, dat Makhmoed gelijk heeft; de tijden zijn veranderd,
en de bevolking is er niet rouwig om. Maar laat ons naar Khartoem
terugkeeren. Er is een veerboot, een stoomferryboot, die op vaste uren
den geheelen dag door over de samenvloeiing der beide Nijls vaart, en
als ge geen paard, noch een ezel hebt, vindt ge aan de landingplaats
een alleraardigst tramtreintje, dat u naar het midden van de stad zal
brengen. Een vondst, die tram, die, als alle verbeteringen in Khartoem,
te danken is aan kolonel Stanton. Die energieke man zou zelfs graag
het stof willen doen verdwijnen, waar Khartoem veel te veel van heeft,
en dat geen eer is voor de stad, en ik geloof inderdaad, dat het
hem gelukken zal, als hij maar over genoeg geld kan beschikken op
zijn budget. Hij heeft een uitmuntend middel gevonden, om het stof
te binden, namelijk een residu van caoutchouc, dat heel goedkoop is;
de zoo behandelde weg wordt hard, glad en stofvrij. De gomming van
een lange laan heeft niet meer dan 1000 francs gekost.
Geld en water, misschien ook geld als water, wenscht kolonel Stanton
voor zijn hervormingen; water vooral, want als men dat maar over
de woestijn uitgiet, die Khartoem omgeeft, groeien alle boomen,
planten en bloemen er met ongeloofelijke snelheid. In de tuinen en
langs den Nijl wint men den geheelen winter aardbeien, doperwten,
slaboonen en alle andere denkbare groenten; maar het hotel zet ze
niet aan de gasten voor!
Er zijn te Khartoem een engelsche en een egyptische sociëteit. De
officieren der beide landen, die in dienst zijn van de soedansche
regeering, verbroederen zich nooit met elkander. Een Engelschman
vertelde mij dienaangaande: "Wij zijn gescheiden door een golf,
die niet kan gedempt worden, zelfs niet door een onnoemelijk aantal
whisky-soda'a in den loop der officiëele aangelegenheden."
Hier ontmoeten ze elkaar evenals te Kaïro officieel; op de kantoren
zijn de verhoudingen gewoon en prettig; ze gebruiken onder het
behandelen der zaken een whisky-soda of een kop koffie en zullen samen
een sigaret rooken, maar dan gaan ze ieder naar hun eigen club of hun
"home" en daar kennen ze elkander niet meer, of het moest nu en dan
zijn op een diner of een officiëele receptie; maar zelfs daar wordt
met het verschil rekening gehouden, want de gouverneur-generaal houdt
aparte ontvangdagen voor de Egyptenaren en andere voor de Engelschen.
Ik herinner mij mijn verbazing, toen op een bal, gegeven in ons hotel
door de "Egyptian cavalry" ik er alleen de engelsche officieren van
het corps zag verschijnen en hun genoodigden, onder wie er geen enkele
Egyptenaar was. Die laatsten worden zeker wel gehinderd door de manier,
waarop ze door de Engelschen worden behandeld, die wel gevreesd en
geëerbiedigd, maar niet geliefd zijn bij de Egyptenaren.
Welke reden kunnen ze hebben, om zoo de Egyptenaren, in het leger
met hen samen thuis behoorend, op een afstand te houden? Dat hebben
ze mij eens op de volgende wijze uitgelegd:
"Wij kunnen te zamen werken... wij kunnen samen oorlog voeren... maar
we kunnen niet en famille met hen converseeren.
"De Egyptenaar zal ons nooit bij zich te huis aan zijn vrouw
voorstellen of aan zijn vrouwen, of het moesten jonge menschen met
moderne ideeën wezen, die een Levantijnsche of Europeesche hebben
getrouwd. Meestal laat de reputatie van die dames te wenschen over, en
waarom zouden we haar in ons huis ontvangen en de Egyptenaren aan onze
vrouwen en dochters voorstellen, waar we weten, dat onze opvattingen
en hun houding, waar het vrouwen geldt, zooveel verschillen van de
onze? Dat is de voornaamste reden, die ons van de Egyptenaren scheidt
in het particuliere leven, maar het is niet de eenige. Hun gewoonten,
hun zeden, hun begrippen over hygiëne, hun denkbeelden over moraliteit
zijn anders dan de onze, en eindelijk, mijn waarde, wij wenschen ham
te eten aan het ontbijt en zij willen dien niet!"
De engelsche officieren stellen veel belang in hun egyptische
soldaten en werken krachtig ten einde er goede troepen van te maken,
omdat het hun plicht is en ze betaald worden om dat te doen, maar
ze voelen geen genegenheid voor die manschappen. Integendeel, ze
hebben de soedaneesche soldaten veel liever, ofschoon die moeilijker
te leiden zijn. Het zijn geen garnizoentroepen, maar veldtroepen,
die men altijd op de een of andere wijze moet bezighouden. De zwarten
hebben een hekel aan Egyptenaren, terwijl ze vol toewijding zijn voor
hun engelsche officieren. Dat is wel een interessant verschijnsel.
Indien ooit Egypte of de suzereine staat Turkije de neiging mocht
voelen, van Engeland de souvereiniteit over Egypte op te eischen,
die nu verdeeld is, zouden de soedaneesche troepen zich als één man
om de Union Jack scharen en blij zijn, dat er iets te vernielen was,
vooral zoo dat iets egyptisch was.
In het paleis van den gouverneur zijn Sir Reginald en lady Wingate de
vriendelijkste gastheer en gastvrouw, die men zich denken kan. Alle
reizigers, die aanbevelingsbrieven voor hen hebben, bewaren de
liefelijkste herinnering aan hun gastvrijheid en aan de déjeuners,
diners en tuinpartijen, gegeven in het paleis, vooral aantrekkelijk
door den eenvoud en de hartelijkheid, die er heerschen. Die
tuinpartijen, die bijna iedere week in den winter plaats hebben
in het heerlijke park bij het paleis, missen alle stijfheid en het
ceremoniëel van gewone officiëele plechtigheden. De gouverneur ontvangt
in flanellen costuum en met den Panamahoed, en zijn officieren zoowel
als de andere genoodigden volgen zijn voorbeeld.
Thee en ververschingen worden gepresenteerd onder een groote tent, waar
de gouverneur-generaal en lady Wingate zelf hun vrienden bedienen. Een
militaire muziek, op eenigen afstand opgesteld, laat bekende melodieën
hooren, en terwijl sommigen praten, wandelen en rooken, spelen anderen
tennis of croquet. Men meent in een park bij een kasteel in Europa
te zijn in den zomer, als men niet hier en daar de wuivende kroon
van een palmboom zag en de zwarte soldaten-muzikanten, en ook ginder
te midden van het groen het standbeeld van Gordon, dat herinnert aan
het geweldige verleden. Op zijn bronzen kameel zit Gordon natuurlijk
en levendig afgebeeld en kijkt naar het Zuiden, van waar de vijand
kwam, terwijl hij den rug naar het Noorden wendt, van waar hij hulp
kon verwachten, die nooit opdaagde!
Ik ben tegenwoordig geweest bij een feest in het paleispark, dat mij
levendig heeft geïnteresseerd, namelijk dat, hetwelk gegeven werd ter
eere van den hertog en de hertogin van Connaught, die de gasten waren
van den gouverneur en lady Wingate. Ook de prinsessen Margaretha en
Patricia waren erbij; ze brachten met hun ouders dien winter eenige
dagen te Khartoem door. Op denzelfden dag van hun aankomst werd er
een receptie in het park gegeven, waarbij alle leden der regeering,
de engelsche en egyptische officieren, de mohammedaansche sjeiks,
de soedaneesche hoofden en de doortrekkende vreemdelingen, die de
gouverneur kende, waren uitgenoodigd.
Bij mijn aankomst zag ik, dat op een der heerlijkste plekjes in het
park een tent was opgeslagen voor de prinsessen en lady Wingate. Het
was juist tegenover de treden van de paleisstoep, een open tent. Links
vóór een tweede groote tent, die als buffet was ingericht, waren
de Engelschen en de vreemdelingen gegroepeerd. Rechts stond het
"arabische" buffet, waarvoor de egyptische officieren zich ophielden
en naast hen, in hun schilderachtige kleederdrachten, hun mantels
en tulbanden, de muzelmansche hoofden. Hier en daar staken de pieken
omhoog van de soedaneesche soldaten, lange, slanke mannen, zwart als
ebbenhout. Plotseling heft de militaire muziek het "God save the king"
aan, en de hertog en de hertogin van Connaught, de gouverneur-generaal
en lady Wingate en de jonge prinsesjes, elegant en bekoorlijk, maken
hun verschijning, gevolgd door een stoet van schitterende officieren.
De omgeving maakte dit alles zeer belangwekkend. Wij zijn hier onder
den blauwen hemel van Soedan, op de plaats zelve, waar Gordon viel,
en in een ideaal park, vol groen en bloemen en frischheid, waar de
vogels hun melodieuse stemmetjes mengen onder de tonen der militaire
muziek. Kijk eens naar die soedaneesche hoofden, die vertegenwoordigers
van het volk, dat gisteren nog alleen aan moord en doodslag dacht,
zie hen buigen, glimlachend en tevreden, voor den broeder van den
koning van Engeland en voor den vertegenwoordiger van den Khedive,
generaal Wingate. Aanschouw dit vredige en sierlijke tooneel, waar de
lichte toiletjes zich mengen onder de met decoraties bedekte uniformen
en onder de gewaden van de muzelmansche sjeiks, in de schaduw van het
standbeeld van den gewroken Gordon. Zie dat alles, en in een opwelling
van bewondering zult ge herhalen, wat de hertog van Connaught zelf
mij zeide: "Is het niet bewonderingswaardig? Khartoem is in zes jaar
een groote en mooie stad geworden; geheel Soedan is tot rust gebracht,
en dat is alles tot stand gekomen door een handjevol mannen met zeer
gebrekkige hulpmiddelen, het is verwonderlijk!"
Het programma der feesten, gegeven ter eere van hunne koninklijke
hoogheden, omvatte onder andere aantrekkelijkheden bootwedstrijden,
een tentoonstelling van landbouw en tuinbouw, een militaire taptoe des
avonds bij het licht van duizenden toortsen, waarbij de vereenigde
muziek van de engelsche, egyptische en soedaneesche regimenten een
monsterconcert zouden geven onder den met sterren bezaaiden hemel,
die in den Nijl werd weerkaatst, en eindelijk een groote parade.
Die laatste had plaats buiten de stad, bij het begin der woestijn, en
nooit zal ik dat prachtige schouwspel vergeten. Infanterie, cavalerie,
artillerie, Egyptenaren en Soedaneezen, passeerden in de voorbeeldigste
orde, dan kwamen de troepen te paard en de artillerie deed een charge
in galop, die het woestijnzand in wolken deed opvliegen, hetzelfde
zand, dat vroeger is opgejaagd door de regimenten van Ibrahim en
Gordon en de gewapende horden van den Mahdi.
"Wat zegt u ervan?" vroeg mij een engelsch officier, die naast
mij stond.
"Eerlijk gezegd, ik vind het bewonderenswaardige paradesoldaten;
ze zijn prachtig, en indien hun krijgsmanshoedanigheden aan het
uiterlijk beantwoorden, hebt u het recht, er trotsch op te zijn."
"Welnu, op mijn beurt in oprechtheid gesproken, ik wil u dit
zeggen. Het zijn nu uitmuntende troepen, en zeker, wij hebben ons
best gedaan, om ze zoo ver te brengen. Maar u moet niet gelooven,
dat de egyptische officieren ons niet geholpen hebben. De meesten
hunner werken met onvermoeiden ijver en een groot volhardingsvermogen,
en ze zijn inderdaad best in staat, hun manschappen aan te voeren en
te leiden. Maar kijk eens... zie daar eens..."
Tusschen den blauwen hemel en het gele zand komt een bijna onzichtbare
lijn, gelijk van kleur met den grond, als een lange slang nader met
ongeloofelijke snelheid, lenigheid en energie. Dat zijn de 700 man
van het engelsche regiment, dat te Khartoem ligt. Er is in hun houding
zoo iets mannelijks, sterks en krijgshaftigs, dat ik er ontroerd van
word, en ik zou willen toejuichen en "bravo" roepen, zooals aan het
slot van een parade te Longchamp, als de cavalerie in snelle charge
aankomt en alles in stofwolken hult.
Wat doet het er toe, dat deze soldaten zoo jong zijn, dat hun
khaki-uniform onelegant is, als de borst, die erdoor bedekt wordt, maar
bezield is met een vasten wil en een onwankelbaren moed, waartegen
alle aanvallen van de dweepzieke Derwischen werden afgeslagen als
tegen glas.
Het was zeer schoon... Maar als standbeelden kalm, scheen geen der
aanwezige Engelschen er iets van te bespeuren.
Ja, het is al heel mooi, dat men naar Khartoem kan komen in het jaar
1905, en de geheele reis door van alle mogelijke weelde en gemakken kan
profiteeren; maar is het aan velen bekend, dat men de reis met alle
moderne comfort kan voortzetten tot in het hartje van Afrika? Zonder
nog te spreken van den Blauwen Nijl, dien men kan opvaren tot de hooge
plateau's van Abessynië, men kan ook tegenwoordig zich naar Faschoda
begeven, naar Lado en naar het Congogebied en Gondokoro in Oeganda,
even gemakkelijk, alsof die plaatsen aan de Seine lagen of aan den
Rijn; het eenige verschil is, dat ze verder af zijn gelegen en dat men
dus meer tijd noodig heeft. Gondokoro ligt 4490 kilometer van Kaïro
af. In twee maanden gaat men thans den Nijl op tot aan de plaatsen,
waar het land nog bevolkt wordt door krokodillen, door nijlpaarden,
door leeuwen, olifanten, giraffen, buffels en rhinocerossen, terwijl
men dan reist door de landen, bewoond door de woeste stammen der
Sjilloeks en der Dinka's, daar, waar nog zoo kort geleden Stanley en
Marchand enkel konden doordringen met ongeloofelijke moeilijkheden
te midden van verschrikkelijke gevaren en van onuitsprekelijke
ontberingen.
En ik herhaal het, die reis wordt volbracht met dezelfde veiligheid
en hetzelfde comfort, als de tocht van Kaïro naar Assoean. Onnoodig
te zeggen, dat ze honderdmaal interessanter is, en wat het klimaat
aangaat, dat is in den winter eenvoudig ideaal. Voor ik de manier
beschrijf waarop ikzelf de reis deed, en die de aangenaamste is,
maar ook de duurste, wil ik in het kort vertellen, hoe men haar op
andere manier kan doen.
Ter zijde laat ik vooreerst den dienst, ingesteld door de Maatschappij
die den naam draagt van de Sudan Developing Co. tusschen Khartoem
en Goz Aboe Goma, dat maar op 300 kilometer afstands is gelegen. De
reis duurt zes dagen op het minst belangwekkende deel van den Witten
Nijl. De nieuwe en goed ingerichte stoomboot heeft te veel diepgang
en loopt bij iedere reis gevaar, vast te raken, zooals verleden jaar
gebeurde op een zandbank halfweg, en er verscheiden dagen te blijven
zitten, wat ver van aangenaam is.
De regeering van Soedan heeft een maandelijkschen dienst, die veel
belangrijker is. Haar booten varen den Nijl op tot Gondokoro in
Oeganda, een afstand van 1825 kilometer van Khartoem, en doen een
maand over de reis heen en terug. De prijs van een biljet is 1700
francs en men vindt aan boord electrisch licht, warme en koude baden,
en bediening en tafel, die niets te wenschen overlaten. Er wordt
vaak stilgehouden, verschillend van dertig minuten tot twee uren,
en voor de personen, die eenvoudig Centraal Afrika eens willen zien
en den Soedan in al zijn uitgestrektheid alsook een hoek van Belgisch
Congo en Oeganda, is die dienst het meest practische middel, om hun
doel te bereiken.
Maar ik kan hem niet aanbevelen aan diegenen, die willen jagen,
want het oponthoud is niet lang genoeg op de verschillende plaatsen,
en natuurlijk vindt men het groote wild en zelfs het kleine niet vlak
bij de aanlegplaatsen der booten. Voor de jagers is het eenige, wat
hun voldoening kan schenken, dat ze een boot huren, waarmee ze zich
overal kunnen ophouden waar ze verkiezen. De stoombooten zijn uit
den aard der zaak het comfortabelst; maar ze zijn ook het duurst. De
inlandsche zeilschepen kan men voor een dragelijken prijs krijgen en
zij varen den Nijl bijna even vlug op als de stoombooten, daar de wind
krachtig en geregeld uit het Noorden blaast in den winter. De rivier
afvaren met den wind van voren duurt langer; maar als men haast heeft,
om terug te zijn, kan men zich met niet te lange tusschenpoozen laten
opnemen door een gouvernementsboot.
Terwijl ik in Khartoem was, vertrokken een Engelschman, een groot
liefhebber van jagen, en zijn vrouw naar Centraal Afrika op een
expeditie van twee maanden. Ze hadden twee naggars, dat zijn inlandsche
vaartuigen. Op het grootste was een tent opgeslagen van matwerk,
midden op het dek. Die bevatte twee veldbedden, een waschtafel,
tafels, stoelen, enz. De kok, de bedienden en de bemanning waren op
het achterschip. De tweede naggar bevatte vier kameelen, zes ezels en
verscheiden inlandsche bedienden, een jager van beroep, een Sjikari,
die alle gewoonten van de wilde dieren kende en de plaatsen, waar ze
het meest voorkomen. Zij hadden ook tenten bij zich en een geheel kamp,
waardoor ze met hun kameelen en hun ezels hun schepen konden verlaten
en tochten van verscheiden dagen konden ondernemen in het binnenland,
waar de olifanten en de andere groote dieren te vinden waren.
Terzelfdertijd vertrokken twee Franschen, twee heeren uit Rouaan,
voor een kleine expeditie van veertien dagen. Ik zag hen, toen ze
terugkwamen, en ze waren verrukt, omdat ze twaalf tot vijftien honderd
gevederde dieren hadden geschoten, waarvan enkele van buitengewone
grootte. Daar ze geen tijd hadden gehad voor tochten te land, hadden
ze maar een enkele boot gehuurd en hadden noch ezels, noch tenten
meegenomen. Dat jachtpartijtje had hun 670 francs per week gekost,
per persoon 335 francs; in dien prijs waren begrepen het schip,
het tafel- en beddegoed, de bedienden, alles.
Een belangrijker expeditie met twee schepen, kameelen, ezels en
een kampuitrusting zou voor twee personen komen op 1000 francs per
week. Natuurlijk vermindert de prijs voor ieder, als men met meer
personen gaat en voor langer tijd. Voor al zulke ondernemingen moet
de reiziger zich wenden tot den heer Angelo Capato, wiens groote
winkels te Khartoem alles bevatten wat men maar kan noodig hebben,
en die zich met de organisatie van reizen en jachtpartijen belast
tegen vaste prijzen, die niet te hoog zijn. Het is een zaak, die
alle vertrouwen verdient, en waarbij men voor geen moeilijkheden of
onaangenaamheden te vreezen heeft.
De jagers moeten een verlofsbewijs hebben. De regeering stelt er
twee te hunner beschikking; het kleine vergunt, leeuwen te dooden,
krokodillen, wilde geiten, gazellen, kleine antilopen, eenden,
pelikanen, zwanen, reigers, ibissen en nog allerlei ander gevederd
wild. Alleen het groote verlof bewijs vergunt, op olifanten te
schieten, op nijlpaarden, buffels, elanden, groote antilopen enz.
De zeilschepen bieden natuurlijk slechts een betrekkelijk comfort, en
wie daar niet mee tevreden is, moet een stoomboot huren, in welk geval
het eenvoudigst is, zich rechtstreeks te wenden tot het gouvernement,
of liever tot commandant Bond Bey, den vriendelijken en welwillenden
directeur van het departement van schepen en stoombooten.
Dat deed ik, en met zes vrienden, onder wie drie dames, huurden wij de
Abbas Pacha, een groote en mooie boot met drie dekken. De huurprijs
was 500 francs per dag alleen voor schip en bemanning. Wij moesten
ons voor al het andere wenden tot den heer Capato, die ons een
uitstekenden kok bezorgde, een europeeschen, en een soedaneeschen
hulpkok, verder bedienden en al het noodige proviand. Een echte
kruidenierswinkel en comestibleszaak werd aan boord geïnstalleerd,
met ingemaakte waren van allerlei aard, roode en witte wijnen,
champagne, Münchener bier, mineraalwater in overvloed, cognac, whisky
en verschillende likeuren. Al, wat we niet gebruikten, werd door den
heer Capato teruggenomen; maar de phenomenale Soedandorst leegde een
onnoemelijk aantal flesschen!
Wij namen in ons ruim 250 kilo ijs mee, dat een week goed bleef,
en daar Capato ons nazond met iedere boot, die den Nijl opvoer,
hebben we er slechts één dag gebrek aan gehad. Vóór op het benedendek
hadden we een echten stal, een koe, om versche melk te hebben, schapen,
lammeren, kippen, kalkoenen en duiven, die geslacht werden naar gelang
er voor de keuken behoefte aan was. Er waren telegrammen langs den
Nijl vooruitgezonden naar verschillende stations, waarheen men voor
ons versche visch, eieren en groenten bracht.
Aan deze bijzonderheden kan men zien, dat onze tafel goed en
overvloedig voorzien was. De bedienden, het eten en drinken kwamen
ons op 250 francs per dag, wat met de huur voor de boot 750 francs
was of ongeveer 107 francs per dag en per persoon, want wij waren
met ons zevenen.
Het was een kleine som voor al de geriefelijkheden, die wij genoten,
vooral als men bedenkt, dat het een reis was in Centraal Afrika.
De Abbas Pacha is een groote stoomboot, juist nieuw geverfd en
opgeknapt bij gelegenheid van het bezoek van den hertog van Connaught,
die er bij verschillende uitstapjes gebruik van had gemaakt. Op het
benedendek was achter de groote eetzaal; in het midden de machines
en de ruimen voor de bemanning; van voren onze "winkel", de stal en
de hoenderhof.
Er was op het bovendek een salon, tien groote hutten met twee
slaapplaatsen, die op het dek uitkwamen, twee badkamers met douches,
en, net als op de Cookbooten een groote ruimte midden op het dek, die
de geheele breedte innam en een hall vormde, waar wij tafels hadden
staan, leunstoelen, en luierstoelen, en waar we dikwijls gebruik van
maakten, ook om er onze maaltijden te houden. Heel boven was er nog een
dek, dat, daar het de volle breedte en de volle lengte van het schip
innam, een groot promenadedek was en bij zonsondergang een ideaal
waarnemingsplekje vormde. De salon, de hutten, de dekken, alles was
electrisch verlicht, en nooit zouden wij hebben kunnen vermoeden,
dat men zooveel comfort kon genieten op den Witten Nijl. De reis
van veertien dagen, die wij deden aan boord van de Abbas Pacha was
interessant en prettig, en de volgende opmerkingen zullen daar maar
een flauw denkbeeld van kunnen geven.