Gisteren een ideale avond. Op het dek hebben wij tot zes uur 's avonds
een heerlijk zonnebad genomen. Men zou meenen, in Juni te zijn. Ik
kan niet meegaan met diegenen, die zeggen, dat de Nijl eentonig is;
voor mij, ik vind er elke minuut weer wat anders te zien, en ik zou
er weken willen varen, zonder vrees mij te zullen vervelen.
Onze drogman is naast mij komen zitten. Hij is een knap man, prachtig
type van een Arabier en zeer intelligent. Hij spreekt vier of vijf
talen vloeiend en heeft verleden jaar veel maanden doorgebracht op de
tentoonstelling van Saint-Louis. De Yankees hebben hem willen verbazen,
maar het is hun niet gelukt. Toen zij hem slaapwaggons en liften en
allerlei vernuftige machines hebben willen toonen als blijken van
het amerikaansch genie, zei hij slechts: "O, ja; gijlieden maakt die
dingen en wij koopen ze; gij zijt de werklieden, die arbeiden en wij
zijn de heeren, die uw werk betalen."
Tegen den middag werd de zon verduisterd; er woei een verschrikkelijke
wind, en reuzenstofwolken stoven brullend uit de woestijn in de
hoogte. Wij kwamen juist bij het station Beni Hassan en op den
oever wachtten ons de ezels en de jongens, met veel bewoners
van de plaats en kinderen, die de boot bestormen met den kreet:
"Bakschisch! Bakschisch!" O, die bakschisch, dat is een der wonden
van het Oosten en meer in het bijzonder van Egypte. Het is het kleine
geschenk, het drinkgeld, waar met opgehouden hand ieder op wacht. Het
woord vergezelt van het eene einde van Egypte tot het andere de naar
den toerist uitgestoken handen, en deze geeft zonder nadenken, in zijn
gelukkige stemming links en rechts de kleine witte geldstukjes. Het is
intusschen een betreurenswaardige gewoonte, want duizenden individuen,
die zoo in den winter het kleine sommetje bijeenbedelen, dat ze noodig
hebben om te leven--want men leeft van zoo weinig in Egypte--zeggen
allen arbeid vaarwel en geven zich geheel over aan luiheid en bedelen.
Lord Cromer, aan wien niets ontsnapt, heeft onlangs laten drukken in
een circulaire, die aan alle toeristen is ter hand gesteld en overal is
aangeplakt, hoeveel kwaad de bakschisch doet en hij verzocht daarin,
om ten behoeve van de inboorlingen zelven de edelmoedigheid niet zoo
ver te drijven en alleen te betalen voor bewezen diensten.
Dadelijk na het ontbijt bestijgen wij onze ezels, en ondanks den wind,
die als een storm blaast, gaan we naar de graven, die daarboven in
de rots zijn uitgehold. Er zijn er 29, uitkomend op een terras op
den top van den berg en dagteekenend van een 4500 jaren geleden. Ze
zijn uiterst belangwekkend, niet alleen om hun aanleg, maar vooral
om alle tooneelen uit het egyptische leven van dien tijd, die op de
wanden zijn gebeeldhouwd en nog duidelijk zijn als veertig eeuwen
her. Enkele dier tooneelen doen ons deelnemen aan jachten in de
woestijn, aan dansen, aan den aanval op een vesting, aan militaire
schouwspelen en toernooien. Wij zien vrouwen aan het weven, herders hun
kudden naar de slachtbank geleidend, barbiers, ververs, worstelaars,
danseressen en eindelijk tooneelen uit het eigen leven van den man,
die het graf liet maken.
Het interessantste van de 29 graven is van een vorst, die 2400 jaren
vóór Christus leefde. Op de zuilen en muren vertoonen ons het schilder-
en beeldhouwwerk alle daden van zijn leven, waar hij trotsch op kon
zijn. De opschriften zijn talrijk en op een ervan vraagt de vorst
allen, die zijn graf zullen bezoeken, te bidden, opdat vele geschenken
aan zijn schim zullen worden gebracht: "O gij, die het leven bemint
en den dood verfoeit, bidt, dat duizenden brooden en kannen bier en
duizenden ossen en veel gevogelte geofferd worden aan de nagedachtenis
van dezen zegevierenden vorst!"
Iets verder zingt hij zijn eigen lof en vertelt ons, dat hij goed
en edelmoedig was, dat hij zijn stad en zijn vaderland liefhad, dat
alle groote werken werden ondernomen door zijn zorgen en dat hij zoo
gezegend regeerde, dat de lof van zijn volk ten hemel stijgt.
Zeker, lieve vriend, ik geloof u op uw woord; mijn middelen veroorloven
mij niet, duizenden stieren te offeren aan uw nagedachtenis; maar
als ge uit den hoogen hemel, waar ge zeker troont, als ge geen
afschuwelijke fratsenmaker zijt geweest, den wind tot zwijgen kondt
brengen, die ons in tweeën snijdt en het stof, dat ons verblindt,
beloof ik te uwer eer een fijne flesch te drinken, zoodra we terug
zijn aan boord van de Ramses.
Helaas, de oude Egyptenaar waardeert blijkbaar mijn edelmoedigheid
niet, want de storm wordt nog al erger, en wij hebben de grootste
moeite, om weer ons schip te bereiken.
Terwijl wij op het goed beschutte dek de thee gebruiken, verspreidt
zich het gerucht, dat de passagiers dien avond de inlandsche dansen
zullen opvoeren. Groote ontroering! Er wordt naar den drogman gezocht,
en die verklaart ons onder hoofdschudden, dat de dansen niet meer
gegeven worden. Enkele jaren geleden werden twee of drie avonden van
de reis met de inlandsche dansen gevuld; maar de directie heeft ervan
afgezien, omdat de vertooningen dikwijls onkiesch waren.
Tegen zes uur ging de wind liggen; de palmen hielden op met het woedend
schudden van hun pluimhoofden, en wij woonden een van die prachtige
zonsondergangen bij, die een der glories zijn van het Nijldal. Welke
pen van een dichter, welk schilderpenseel zal ooit kunnen weergeven,
wat de natuur den verbaasden blikken biedt en opvoert voor den
opgetogen geest? Geleidelijk neemt het licht af; de nacht valt,
en aan den horizon verdwijnt de zon in purperen en gouden tinten,
eerst van ongekende helderheid, maar spoedig versmeltend tot groote
zachtheid. Een diepe stilte schijnt zich over de gansche natuur uit te
spreiden; in het Oosten wordt het totaal duister, terwijl het Westen
rood wordt en daarna verbleekt tot een lichte goudkleur, die al bleeker
wordt en ten slotte plotseling voor volkomen duisternis plaats maakt.