22 December.

Gisteren een ideale avond. Op het dek hebben wij tot zes uur 's avonds

een heerlijk zonnebad genomen. Men zou meenen, in Juni te zijn. Ik

kan niet meegaan met diegenen, die zeggen, dat de Nijl eentonig is;

voor mij, ik vind er elke minuut weer wat anders te zien, en ik zou

er weken willen varen, zonder vrees mij te zullen vervelen.

Onze drogman is naast mij komen zitten. Hij is een knap man, prachtig

type van een Arabier en zeer intelligent. Hij spreekt vier of vijf

talen vloeiend en heeft verleden jaar veel maanden doorgebracht op de

tentoonstelling van Saint-Louis. De Yankees hebben hem willen verbazen,

maar het is hun niet gelukt. Toen zij hem slaapwaggons en liften en

allerlei vernuftige machines hebben willen toonen als blijken van

het amerikaansch genie, zei hij slechts: "O, ja; gijlieden maakt die

dingen en wij koopen ze; gij zijt de werklieden, die arbeiden en wij

zijn de heeren, die uw werk betalen."

Tegen den middag werd de zon verduisterd; er woei een verschrikkelijke

wind, en reuzenstofwolken stoven brullend uit de woestijn in de

hoogte. Wij kwamen juist bij het station Beni Hassan en op den

oever wachtten ons de ezels en de jongens, met veel bewoners

van de plaats en kinderen, die de boot bestormen met den kreet:

"Bakschisch! Bakschisch!" O, die bakschisch, dat is een der wonden

van het Oosten en meer in het bijzonder van Egypte. Het is het kleine

geschenk, het drinkgeld, waar met opgehouden hand ieder op wacht. Het

woord vergezelt van het eene einde van Egypte tot het andere de naar

den toerist uitgestoken handen, en deze geeft zonder nadenken, in zijn

gelukkige stemming links en rechts de kleine witte geldstukjes. Het is

intusschen een betreurenswaardige gewoonte, want duizenden individuen,

die zoo in den winter het kleine sommetje bijeenbedelen, dat ze noodig

hebben om te leven--want men leeft van zoo weinig in Egypte--zeggen

allen arbeid vaarwel en geven zich geheel over aan luiheid en bedelen.

Lord Cromer, aan wien niets ontsnapt, heeft onlangs laten drukken in

een circulaire, die aan alle toeristen is ter hand gesteld en overal is

aangeplakt, hoeveel kwaad de bakschisch doet en hij verzocht daarin,

om ten behoeve van de inboorlingen zelven de edelmoedigheid niet zoo

ver te drijven en alleen te betalen voor bewezen diensten.

Dadelijk na het ontbijt bestijgen wij onze ezels, en ondanks den wind,

die als een storm blaast, gaan we naar de graven, die daarboven in

de rots zijn uitgehold. Er zijn er 29, uitkomend op een terras op

den top van den berg en dagteekenend van een 4500 jaren geleden. Ze

zijn uiterst belangwekkend, niet alleen om hun aanleg, maar vooral

om alle tooneelen uit het egyptische leven van dien tijd, die op de

wanden zijn gebeeldhouwd en nog duidelijk zijn als veertig eeuwen

her. Enkele dier tooneelen doen ons deelnemen aan jachten in de

woestijn, aan dansen, aan den aanval op een vesting, aan militaire

schouwspelen en toernooien. Wij zien vrouwen aan het weven, herders hun

kudden naar de slachtbank geleidend, barbiers, ververs, worstelaars,

danseressen en eindelijk tooneelen uit het eigen leven van den man,

die het graf liet maken.

Het interessantste van de 29 graven is van een vorst, die 2400 jaren

vóór Christus leefde. Op de zuilen en muren vertoonen ons het schilder-

en beeldhouwwerk alle daden van zijn leven, waar hij trotsch op kon

zijn. De opschriften zijn talrijk en op een ervan vraagt de vorst

allen, die zijn graf zullen bezoeken, te bidden, opdat vele geschenken

aan zijn schim zullen worden gebracht: "O gij, die het leven bemint

en den dood verfoeit, bidt, dat duizenden brooden en kannen bier en

duizenden ossen en veel gevogelte geofferd worden aan de nagedachtenis

van dezen zegevierenden vorst!"

Iets verder zingt hij zijn eigen lof en vertelt ons, dat hij goed

en edelmoedig was, dat hij zijn stad en zijn vaderland liefhad, dat

alle groote werken werden ondernomen door zijn zorgen en dat hij zoo

gezegend regeerde, dat de lof van zijn volk ten hemel stijgt.

Zeker, lieve vriend, ik geloof u op uw woord; mijn middelen veroorloven

mij niet, duizenden stieren te offeren aan uw nagedachtenis; maar

als ge uit den hoogen hemel, waar ge zeker troont, als ge geen

afschuwelijke fratsenmaker zijt geweest, den wind tot zwijgen kondt

brengen, die ons in tweeën snijdt en het stof, dat ons verblindt,

beloof ik te uwer eer een fijne flesch te drinken, zoodra we terug

zijn aan boord van de Ramses.

Helaas, de oude Egyptenaar waardeert blijkbaar mijn edelmoedigheid

niet, want de storm wordt nog al erger, en wij hebben de grootste

moeite, om weer ons schip te bereiken.

Terwijl wij op het goed beschutte dek de thee gebruiken, verspreidt

zich het gerucht, dat de passagiers dien avond de inlandsche dansen

zullen opvoeren. Groote ontroering! Er wordt naar den drogman gezocht,

en die verklaart ons onder hoofdschudden, dat de dansen niet meer

gegeven worden. Enkele jaren geleden werden twee of drie avonden van

de reis met de inlandsche dansen gevuld; maar de directie heeft ervan

afgezien, omdat de vertooningen dikwijls onkiesch waren.

Tegen zes uur ging de wind liggen; de palmen hielden op met het woedend

schudden van hun pluimhoofden, en wij woonden een van die prachtige

zonsondergangen bij, die een der glories zijn van het Nijldal. Welke

pen van een dichter, welk schilderpenseel zal ooit kunnen weergeven,

wat de natuur den verbaasden blikken biedt en opvoert voor den

opgetogen geest? Geleidelijk neemt het licht af; de nacht valt,

en aan den horizon verdwijnt de zon in purperen en gouden tinten,

eerst van ongekende helderheid, maar spoedig versmeltend tot groote

zachtheid. Een diepe stilte schijnt zich over de gansche natuur uit te

spreiden; in het Oosten wordt het totaal duister, terwijl het Westen

rood wordt en daarna verbleekt tot een lichte goudkleur, die al bleeker

wordt en ten slotte plotseling voor volkomen duisternis plaats maakt.

Het moderne Egypte: Wat er te zien en te hooren valt tusschen Kaïro en Faschoda De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 4 / 9 题