21 December.

Van morgen heb ik een schrik gehad, een hevigen schrik, en het

Nijlwater is er schuld aan. Er zijn op de Ramses uitstekende

badkamertjes en ik had mij een morgenafspoeling beloofd op prettige

en gemakkelijke manier. Vroeg wakker geworden, bestelde ik mijn bad

om zes uur. Enkele minuten later trad ik de badkamer binnen, en toen

kreeg ik den schrik. De prachtige badkuip was gevuld met eene bruine

of liever donkergele modder, dik en afstootend. Toen ik navroeg,

hoorde ik den Arabier, die, voordat hij de deur sloot, nog tot mij

zeggen: "Nijlwater heel zindelijk!" Très propre! Ik draai de kraan

om en er komt hetzelfde vloeibare slijk uit. En toen kreeg ik dit

moeilijke probleem op te lossen: "Zou ik niet schooner, maar minder

vuil zijn, als ik mij niet baadde dan als ik mij elken morgen in

dit slik dompelde?" Ik berekende, dat het twaalf dagen moest duren,

eer we te Assoean zouden wezen; in het eerste geval zou ik op mijn

huid een opeenhooping van 288 uren vet hebben en in het tweede twaalf

over elkaar gestapelde lagen vruchtbaar makend slib... Ik aarzel niet

langer en duik onder. Het gevoel is niet onaangenaam, maar ongelukkig

komt het mij in de gedachte, dat de Arabier, die natuurlijk lui is, wel

eens kon vergeten hebben, het water te vernieuwen voor de verschillende

passagiers, want het is toch altijd slijk, wat men ziet. Die gedachte

was niet prettig, en ik sprong gauw uit de badkuip. Daar er nog

niemand op was, waagde ik mij in mijn pyama op het dek. De regen had

opgehouden; maar wij voeren nog in den nevel. Eensklaps zag ik als door

een sluier hooge fabrieksschoorsteenen, toen veel daken van woningen

en eindelijk een woud van masten. Wij naderen een belangrijke stad;

het leek wel of we op de Theems waren in plaats van op den Nijl!

Nauwelijks heb ik bij mijzelven die meening uitgesproken, of een

zonnestraal, die brutaal den mist doorbreekt, valt op een hooge,

geheel witte en schitterende minaret. Haleluja, haleluja; God zij

geprezen; alleen met zijn hulp kan men een zoo groote verandering van

tooneel bereiken! Als door een wonder is de mist opgelost en zoo ver

het oog reikt, baadt zich de grond van Egypte, van leven tintelend,

in de gouden stralen van den mooien zonneschijn. Omlijst door een oase

van groen, lijkt de stad een wit juweel, met hier en daar een rose

of blauw vlekje, dat afkomstig is van een of ander lichtgeverfd huis.

De egyptische steden zien er veel beter uit van verre dan van

dichtbij. Wat op een afstand een prachtig paleis leek, is vaak maar

een armzalig krot, met instortende muren en vensters, waaruit het u

niet moet verbazen, een geit er den kop door te zien steken! Honderden

booten liggen vastgemeerd aan de oevers, en van alle kanten brengen

ezels, kameelen en zwaar beladen mannen er koren heen en uien, salade,

suikerriet, en koopwaren van allerlei aard, eronder begrepen balen

lompen, die den Nijl zullen afzakken naar Kaïro, Alexandrië, Europa en

Amerika. Wel ja, de agenten der groote amerikaansche papierfabrieken

komen hier stoffige lompen koopen en die ellendige vodden zullen u

en mij weer onder de oogen komen in den vorm van een geïllustreerd

tijdschrift of een geurig billet doux. Neen, er gaat niets verloren

in deze wereld. Kijk eens naar die wonderlijke bouwsels; het zijn

reuzenduiventillen, en ge ziet ze in massa langs den Nijl. Verbaast

het u, te vernemen, dat men hier duizenden duiven fokt, alleen om

hun excrementen als mest te gebruiken?

De stad ligt nu ver achter ons. Links verheffen in de verte

eigenaardige dorre, strenge bergen hun toppen met rechte en eentonige

lijnen naar de lucht. Er is geen enkele punt te onderscheiden; het

zijn bergtoppen, vlak als tafels. Van den Nijl tot aan de hoogte is

de woestijn aan het woord, want de terreinen liggen te hoog, dan

dat het vruchtbaarmakend water er kan worden heengevoerd. Rechts

daarentegen ziet men het schoone land van het vlakke en vruchtbare

Egypte met heerlijke bebouwde velden tot in de verte, den rijkdom van

het land. Mannen en vrouwen werken ijverig, terwijl myriaden kinderen

bijna naakt zich aan de oevers van den Nijl amuseeren. Overal is druk

bewegen; is intensiteit van leven.

Nu en dan gaan we voorbij dorpjes van leemen hutten, omringd door

palmboschjes, hutten, die er armoedig en ellendig uitzien te midden

van de rijke en vruchtbare natuur. Door de velden en langs de rivier

loopen lange rijen ezels, buffels, kameelen en vrouwen, die op het

hoofd groote kruiken dragen, alles duidelijk te onderscheiden tusschen

de vlakke aarde en den blauwen hemel.

Links de woestijn en de doode natuur, rechts de bebouwde velden,

vruchtbaarheid en rijkdom. Meer dan ergens is het hier het land der

tegenstellingen.

Hooge fabrieksschoorsteenen stooten hun rook uit naast sierlijke

minarets; hier verspreidt een moderne stoompomp het water van

den Nijl over de naburige velden, en ginder werken naakte mannen

onophoudelijk aan het omhoog voeren van het water door middel van een

antieke sakieh; in de verte zien we goederentreinen snel in een wolk

van stof verdwijnen, terwijl daarnaast zich langzaam heele reeksen

kameelen langzaam bewegen. Op een paar meters afstands van de meest

moderne suikerfabriek ziet men een fellah met liefde zijn lapje grond

bewerken met een ouden ploeg, bespannen met een ezel en een kameel,

vreemd span, dat er al sedert eeuwen voor gebruikt wordt. Hier staat

een moskee en ertegenover een oud christelijk klooster van de Kopten,

met een kruis boven den koepel. Op den Nijl zijn de tegenstellingen

even treffend; de Ramses met zijn stoommachines, electrische dynamo's,

weelde en comfort, passeert of kruist in vliegende vaart inlandsche

booten, beladen op phenomenale manier, dezelfde booten, die den Nijl

bevoeren twintig of dertig eeuwen geleden.

Het moderne Egypte: Wat er te zien en te hooren valt tusschen Kaïro en Faschoda De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 3 / 9 题