WAT ER TE ZIEN EN TE HOOREN VALT TUSSCHEN KAÏRO EN FASCHODA.

Naar het Fransch van A. B. de Guerville.

Toen ik den vorigen herfst in Caux vertoefde, dat ideale

Alpenstationnetje boven Territet aan het meer van Genève, ontmoette

ik daar een mijner vrienden uit de jeugd, een diplomaat, die tien

jaren van zijn leven in Egypte had doorgebracht.

"Ik heb uw 'In Japan' gelezen," zei hij, "en nu ben ik besloten,

naar het land der chrysanthemums te gaan; ga met mij mee, om je oude

liefde terug te zien!"

"Neen, mijn waarde," antwoordde ik, "ik ga integendeel naar het

land, waar jij zoo vol van bent, niet naar de moesme's, maar naar

de mummies."

"Naar Egypte? Wat benijd ik je! Dat is een heerlijk

winterverblijf. Maar weet wel, dat je er niet enkel mummies ontmoet;

wat de vrouwen aangaat,... maar dat zul je zelf wel zien! Ga je

er weer een boek over schrijven? Ja? Dan benijd ik je niet langer;

dan beklaag ik je uit den grond van mijn hart, want die egyptische

quaestie, daar is eenvoudig niet uit te komen; er bestaat geen

ingewikkelder vraagstuk."

"Ik lach wat met de egyptische quaestie! Ik ga om het land; de

bewoners, hun zeden..."

"Goed zoo! Maar ik tart je, om daarover te spreken, zonder te roeren

aan de duizend en één lastige vraagstukken van financiëelen en

politieken aard, waar je in Egypte dadelijk tot over de ooren in zit."

Mijn vriend had gelijk. Ik had eigenlijk geen voorstelling van de

zware taak, die ik op mij had genomen. In enkele maanden Egypte te

willen begrijpen en in een enkel boekdeel zijn roemrijk verleden,

zijn krachtig en werkzaam heden, zijn hoopvolle toekomst te willen

beschrijven, is een onbegonnen werk. Ik wil daar dan ook niet mee

beginnen. Ik ga maar indrukken geven, beelden van mijn reis van Kaïro

naar Faschoda, en als ik er nu en dan eens een beschouwing aan toevoeg

over staatkunde en financiën en godsdienst, dan heb ik uit de beste

bronnen geput, namelijk uit wat ik hoorde van de hoogste egyptische

ambtenaren; van Engelschen, Franschen en anderen, allen mannen van

talent en gevoel, die in de paleizen, de ministeries, de legaties,

de weinige groote industriëele ondernemingen, onafgebroken werken

aan den opbouw van Egypte.

En kon ik nu maar twintig deelen schrijven in plaats van twintig

hoofdstukken!

"Wat hoor ik, je gaat naar Egypte onder duitsche vlag!" zei een mijner

vrienden te Marseille, en voegde er somber aan toe: "Waar moet het

heen? Eerst laten wij, Franschen, Egypte aan de Engelschen over, en

nu laten we de Duitschers den baas spelen in de Middellandsche Zee,

en die duivelsche Teutonen zijn overmoedig genoeg, om een expressen

dienst van paketbooten te openen tusschen Alexandrië en Marseille!"

Het ging mijn braven Marseillaan werkelijk aan het hart, en hij

had er reden voor. Inderdaad, terwijl de telkens terugkeerende

werkstakingen de groote fransche havens met ondergang bedreigen en

allen ondernemingslust fnuiken, werken de Engelschen, de Duitschers,

de Italianen onafgebroken, om zich daar te doen gelden, waar de

Franschen nog heeren en meesters waren.

Door het in het leven roepen van den nieuwen dienst tusschen Marseille

en Alexandrië, met een oponthoud van achttien uren in Napels, en

door daar twee van zijn mooiste stoombooten, de "Schleswig" en de

"Hohenzollern" voor te bestemmen, heeft de Norddeutsche Lloyd van

Bremen weer een van zijn meesterstukken volbracht.

Omdat ik het comfort van die nieuwe lijn had hooren roemen, wenschte ik

er kennis mee te maken, en ik heb bevonden, dat de lof niet overdreven

is geweest.

Na een vijfdaagsche reis met weinig goed weêr wierp de "Schleswig"

in de haven van Alexandrië het anker uit. Dadelijk waren wij omringd

door een massa booten met Egyptenaren, die vervaarlijk schreeuwden,

waarbij ze met niet minder kracht door Turken en Arabieren in hun

eigen booten werden ondersteund. Binnen enkele seconden was het schip

bezet door een bonte menigte van gidsen, tolken, hotelportiers,

schippers, agenten van reisbureau's en dergelijke personen. Een

babylonische spraakverwarring heerschte er aan boord, en de arme

verschrikte toerist ziet met ontzetting, hoe vijftig bruine of zwarte

duivels zich storten op zijn bagage. Maar dan verschijnt op het rechte

oogenblik iemand van de firma Cook, die met een stentorstem u toeroept,

dat ge u niet ongerust behoeft te maken, want dat hij zich met alles

belast. Daar daagt op het dek een kolossale Arabier op met een staf

van sterke dragers, wier bovenlijf in een rood buis is gestoken,

waarop in witte letters: "Thos. Cook and Son".

En als door een tooverslag is de orde hersteld, als een generaal op het

slagveld geeft de agent van de heeren Cook zijn bevelen aan de dragers,

staat beleefd de reizigers te woord met uitleggingen en verklaringen

en als men zich ongerust maakt over de douaneformaliteiten, glimlacht

hij en zegt geruststellend: "Er is geen douane voor u. Wij hebben

de speciale vergunning verkregen, alle bagage der reizigers te mogen

laten passeeren, zonder dat zij geopend wordt. U heeft ons slechts uw

recu's ter hand te stellen en u vindt uw bagage òf in het hotel, dat

u ons zult opgeven òf aan het station, gereed om met u naar Kaïro te

reizen." De directeuren van dit reisagentschap zijn niet ten onrechte

de niet gekroonde koningen van Egypte en het Oosten genoemd.

Moest niet keizer Wilhelm op zijn reis in Palestina zich met al

de zijnen in handen stellen van de heeren Cook, als ieder gewoon

toerist? De witte barken van het agentschap omringen nu de "Schleswig"

en met al onze bagage waren we er weldra in geïnstalleerd.

Om twaalf uur bestormden wij de express naar Kaïro, en de luxetrein,

van alle gemakken voorzien, bracht ons in drie uren naar de hoofdstad

door groote, goed bebouwde vlakten en wijde maïsvelden. Men zou zich

kunnen verbeelden, in het Westen van Amerika te zijn, als zich niet

nu en dan de kolossale gepluimde palmen aan het oog vertoonden. Dan

waren er dorpjes van gele leemen hutten met platte daken, waar stroo op

gedekt was en die meteen dienden voor kippenloop en geiten-, schapen-

en varkensstallen.

Op de slechte wegen gingen kameelen met zware lasten langzaam

voort in gelijkmatigen pas met den kleinen kop omhoog op den langen

hals. Hun logge gang doet nog te opvallender den gang van de egyptische

ezels uitkomen, dien sierlijken, vluggen gang, die hen zoozeer doet

verschillen van de broeders in Europa.

En toen Kaïro! Welk een veranderingen in weinige jaren! Men praat van

amerikaansche steden, die snel als paddestoelen verrijzen, maar wie

heeft ooit een oude oostersche stad zich zoo snel zien verjongen en

zoo volkomen zien ontwaken tot een nieuw leven als Kaïro na 1882, toen

Engeland de stad als met het stokje van een tooverfee aanraakte? De

vorderingen zijn zoodanig, dat men na ieder vijftal jaren weer veel

veranderingen en verbeteringen aantreft.

Alleen de hoofdstraat, Shariah-Kamel en het Operaplein zijn weinig

veranderd. Dat is nog altijd het drukste hoekje van de stad; daar

verdringt zich van den morgen tot den avond een dichte, bonte menigte.

Het zou niet mogelijk wezen, iets schilderachtigers te bedenken,

dan dit levend en bewegend panorama, waar het Oosten en het Westen

samenkomen en zonder eenigen schok op de natuurlijkste manier van de

wereld ineensmelten.

Het oog wordt allereerst getroffen door tallooze roode puntjes,

waar balletjes van zwarte zijde langs dansen. Dat is de fez, die op

zooveel verschillende hoofden rust, hoofden verschillend van type en

ras. Men ziet de heeren ver in de meerderheid, en zij hebben geen

andere oostersche kenmerken dan die fez, want ze kleeden zich naar

europeeschen trant, en velen naar den allerlaatsten smaak.

In de menigte ziet men negers, Arabieren in wijde gewaden, joden

met onrustige oogen, eunuchen, knappe egyptische soldaten, en onder

al die oosterlingen toeristen uit aller heeren landen, die alle

mogelijke talen spreken, vrouwen uit de groote en de halve wereld,

en hier en daar een gesluierde oostersche, die stil en geheimzinnig

zich voortspoedt.

De terrassen voor de koffiehuizen zijn alle bezet, en men drinkt er de

eeuwige turksche koffie en rookt de eeuwige egyptische sigaretten. Maar

praten kan men moeilijk op straat, want de straatverkoopers maken een

heidensch leven. Ze verkoopen van alles, loterijbriefjes, briefkaarten,

waslucifers, dadels, couranten, honig en zelfs vleesch en visch. Er

zijn vertooners van geleerde aapjes, arme Italianen, die afschuwelijke

violen mishandelen, een leger schoenpoetsers, en eindelijk, juist als

voor het Grand Hotel te Parijs, gidsen, die op klanten uit zijn en

die u voor een paar piasters alle merkwaardigheden van Kaïro willen

laten zien.

Op de buitenwegen is het al even druk. De victoria's, met vlugge

paarden bespannen, de karretjes, die als omnibussen voor de

inboorlingen dienst doen en vol mannen of vrouwen en kinderen zitten,

de wielrijders, de auto's, een oneindig aantal ezels met allerlei

personen en goederen beladen, fabelachtig bepakte kameelen, dat alles

warrelt er dooreen.

Met luidklinkend gebel vertellen u de electrische trams, dat Kaïro

een moderne stad is. Die trams zijn van een belgische maatschappij,

die veel geld verdient, maar niet veel zorg besteedt aan het gemak

der reizigers. De wagens zijn vuil en de conducteurs oneerlijk. Er is

een afgesloten gedeelte voor de haremdames, maar vreemde dames mogen

er geen gebruik van maken. Te gaan zitten naast een stoffigen neger

is niet aangenaam.

In de Shariah-Kamel, op het Operaplein en in aangrenzende streken

heeft men mooie winkels. De juweliers hebben prachtige uitstallingen;

er zijn veel parfumeriewinkels en nog meer banketbakkers. Noga en

turksche lekkernijen verkoopt men er wel; maar ge moet die zoeken

achter in den winkel; de voorgevel is voor zwitsersche chocolade; de

Gala Peter en de andere melkchocoladen hebben Egypte en zijn liefde

voor zoetigheid voor zich veroverd.

Maar zoo dan al dat schilderachtige hoekje van Kaïro niet veranderd

is, het overige deel van de stad doet het wel. De bevolking schijnt

aangegrepen door een dolle haast, om te bouwen. Reuzengroote, in

appartementen verhuurde huizen, groote paleizen en prachtige hôtels

vormen nieuwe wijken, waar tien jaren geleden slechts tuinen werden

gezien.

Egypte beleeft tegenwoordig een tijdperk van ongewonen bloei. Iedereen

verdient geld als water en daar de waarde van huizen en grond dagelijks

toeneemt, gaat ieder, die over kapitaal beschikt, aan het bouwen.

Tot voor weinige jaren gaven Egyptenaren van de middelklasse nog in het

geheel niet om comfort; gezinnen van twintig en meer personen woonden

in een paar vertrekken in vuile wijken. Nu is dat alles veranderd;

de familiën splitsen zich; de getrouwde kinderen willen op zichzelf

wonen en geven de voorkeur aan de nieuwe, gezonder en frisscher wijken.

Duizenden, die op den grond sliepen in hun vertrekken naar turkschen

trant, willen thans europeesche ledikanten hebben, en vorken en messen

vervangen met voordeel vinger en duim.

De snelle vlucht, die de stad heeft genomen, gaat nog onophoudelijk

voort en dringt zelfs tot de omringende woestijn door, op welker

verovering energieke kapitalisten het voorzien hebben. Boghos Nubar

pacha, zoon van den beroemden staatsman, staat aan het hoofd van een

maatschappij, die groote terreinen in de woestijn heeft aangekocht

voor de poorten van Kaïro, om daar een geheel nieuwe wijk te bouwen,

een stadje, zou men het kunnen noemen.

In den loop van hetgeen volgen zal, moet ik zoo dikwijls uitweiden

over de bekoring van Kaïro als winterverblijf, en ik zal het verblijf

daar zoo van harte aanbevelen aan allen, die het slechte jaargetijde

willen doorbrengen in een heerlijk klimaat en in omstandigheden,

waarin het hun aan niets ontbreekt, wat comfort aangaat, in een land,

rijk aan historische herinneringen en vol kunstschatten, dat ik hoop

wel gerechtigd te wezen, om, zonder dat men mij kan verwijten, Egypte

onrecht te doen, den wensch uit te spreken naar een verbetering,

waardoor Kaïro bevrijd moge worden van de plaag, die een geesel is

voor het land der Farao's, het stof.

Als er tegenwoordig niet genoeg water in de stad beschikbaar is,

om die kwelling voldoend te bestrijden, laat men het dan van elders

laten komen, of laat men andere middelen aanwenden, dat er een eind

kome aan die opwolking van stof en vuil, die zoo hoogst onaangenaam

zijn en bovendien gevaar meebrengen.

Als er geen stofplaag meer in Kaïro zal wezen en als er riolen zullen

zijn en de trams zindelijk zullen wezen, de apothekers geen afzetters

en de koetsiers niet brutaal zullen zijn en niet wreed voor hunne

arme paarden en het leven over het algemeen iets minder duur, dan

zal het in den winter een aardsch paradijs mogen heeten.

Gedurende de maanden, dat het seizoen duurt, zijn de hotels

het middelpunt van het mondaine verkeer, want in dat opzicht is

Kaïro veel meer een badplaats dan een hoofdstad. Het moet gezegd,

dat die hotels ook inderdaad aantrekkelijk zijn. Ze zijn grootsch

en vereenigen westersch comfort en oostersche weelde. Nog slechts

enkele jaren geleden telde Kaïro maar een enkel hotel, waar men weelde

aantrof, namelijk het Shepheard's hotel in het midden der stad in de

heerlijke tuinen, die oorspronkelijk hadden behoord bij het paleis van

Kiamil, dochter van Mohammed Ali. Daar kwamen historische personen,

beroemdheden en diplomaten samen, en de naam is in de heele wereld

bekend. Het lot van het hotel berust tegenwoordig in de handen van een

energieken man, den heer Charles Baelher, die het vak grondig kent

en ook bestuurder is van het Ghezireh Palace. Die beide prachtige

hotels zouden voor den roem der hotels in de stad kunnen volstaan,

maar de heer Georges Nungovich was ondernemend genoeg, een even groot

en mooi te bouwen, en het Savoy hotel verrees. Die drie verdeelen nu

de deftige en groote wereld onder elkaar, en de souvereinen en prinsen,

die Egypte bezoeken, stappen er af.

De heer Nungovich heeft nog twee andere groote hotels in Kaïro,

het Continental op het Operaplein en het Hotel d'Angleterre, dat

meer ter zijde ligt en kalmer is, maar even modern. Nungovich is een

zeer bekende figuur in Kaïro. Evenals de amerikaansche milliardairs

heeft hij zijn loopbaan onder aan de ladder begonnen in de hall van

een hotel. Hij verbergt dat niet, maar is er integendeel trotsch

op. Enkele jaren later vertrouwden engelsche officieren, die zijn

intelligentie en zijn eerlijkheid hadden opgemerkt, hem de leiding op

in hun cantine. Nog iets later vinden we hem terug als bestuurder van

het hotel d'Angleterre, en op dien tijd, meen ik, bewees hij aan het

engelsche leger een dienst, dien de officieren nooit hebben vergeten

en die hem, als het ware, stempelde voor den officiëelen hotelier

der officieren van Zijne britsche Majesteit. Ten gevolge van het

een of andere voorval verscheen onverwacht een engelsch regiment in

Kaïro. Er was geen enkele schikking getroffen om het te ontvangen

en geen kwartier gemaakt voor de officieren, die niet wisten, waar

te gaan logeeren. Aan het station vonden ze den heer Nungovich, die

den kolonel verklaarde, dat hij in het Hotel d'Angleterre kamers in

gereedheid had laten brengen voor alle officieren van het regiment.

Gedurende de weinige dagen, dat ze er vertoefden, werden de officieren

koninklijk onthaald en toen ze bij hun vertrek hun nota's vroegen,

werd hun geantwoord: "Die zijn er niet. De heer Nungovich is al te

gelukkig, de officieren van Zijne Majesteit te hebben ontvangen."

Talrijk zijn de gekroonde hoofden, die in de laatste jaren naar Kaïro

zijn gekomen en die den heer Nungovich met hun vertrouwen hebben

vereerd. Natuurlijk is er naijver tusschen de hotels Baelher en

Nungovich, maar die naijver doet hun geen kwaad en hij is uitmuntend

voor de vreemdelingen, want in alle doet men daardoor het onmogelijke

om den lof der bezoekers te verdienen. Trouwens de wedijver is meer

denkbeeldig dan werkelijk, en heeft ook eigenlijk thans geen reden van

bestaan meer, nu alle hotels een verzekerde toekomst hebben en een

goeden naam, terwijl er aan de vier hoeken van Kaïro andere groote

hotels worden gebouwd, om aan de nu reeds "ouden" concurrentie aan

te doen.

Inderdaad kunnen alle hotels niet meer den enormen toevloed van

vreemdelingen bergen, Europeanen en Amerikanen, die den winter in

Kaïro komen doorbrengen. Verleden jaar wist men niet meer, waar ze te

bergen, en men heeft mij gezegd, dat op één oogenblik oude wagons-lits

als geïmproviseerde hotels dienst moesten doen.

Die vreemdelingenstroom, die Egypte overstroomt, behoort tot wat

de hoteliers een "clientèle de grand luxe" noemen. Er is inderdaad

geld, veel geld noodig, om er den winter te slijten, en diegenen, die

uit alle oorden van de wereld komen, om van het heerlijk klimaat te

genieten, hebben er hun zakken vol van en geven met gulheid uit. Er

is onbeschrijfelijk veel weelde, een onafgebroken opeenvolging van

bals en feesten van allerlei aard.

Bovendien is er in de lucht van Egypte iets opwekkends, dat als tot

weelde-uitgaven en levensgenot prikkelt.

Buiten de groepen van de zeer rijke en deftige hotels kent men in

Kaïro nog de officiëele, de engelsche en de inlandsche wereld. Die

laatste is moeilijk te omschrijven en bestaat uit zeer rijke en zeer

gastvrije menschen, Grieken en Levantijnen vooral, die sinds tal van

jaren in Egypte wonen en de groote handels- en industrieondernemingen

in handen hebben evenals den geldhandel. Ze bezitten prachtige

huizen, ware paleizen, en leven in de grootste weelde. De oorsprong

van verscheiden dier fortuinen kan niet al te veel navraag lijden;

maar hij is dan ook dikwijls achter een dikken sluier verborgen, die

alleen een enkele maal eens wordt opgeheven door den een of anderen

ouden ingewijde.

De engelsche wereld, nu eens zonder de officiëele personen beschouwd,

is talrijk en trekt den neus op voor de familiën uit het land

zelf. Voor de Engelschen zijn Egyptenaren, Grieken, Turken, Armeniërs

allen negers. Ik maak geen grapjes, en hoe vreemd het moge schijnen,

ontwikkelde, verstandige en alleraardigste Engelschen zullen van een

Griek praten als van "that black man" of "that nigger".

Zelf weer door de officiëele wereld niet voor vol aangezien, leeft

het engelsche uitgaande publiek als op een eilandje, waar ze het best

maken met al hun sport. De Engelschman rijdt er paard, vaart met zijn

jacht, doet aan voetbal, tennis, polo en is tevreden en welvarend.

Er is in de wereld geen verrukkelijker weg dan de breede en mooie

avenue, die Kaïro met de pyramiden van Ghizeh verbindt aan den ingang

der woestijn. De weg is een tiental kilometers lang en aan beide

kanten staan prachtige en reusachtig groote boomen. Het is er op

alle uren van den dag druk. Des morgens vertoonen er zich de heeren

en de dames te paard; dan ook de ezels en muildieren en de lange

rijen kameelen, die naar de markt gaan of ervan terugkeeren. In den

namiddag rijdt er het elegante Kaïro in rijtuigen of automobielen,

en aan den linker kant van den weg brengt de electrische tram het

moderne, luidruchtige, vervelende element. Die breede weg werd in

enkele weken door den khedive Ismaël aangelegd in den tijd van de

opening van het Suezkanaal, opdat keizerin Eugenie, voor wie ook het

rijke Ghezireh Palace was gebouwd, in haar rijtuig tot aan de beroemde

pyramiden zou kunnen rijden.

O, die pyramiden, wat een dingen hebben zij al niet gezien in

de veertig en meer eeuwen vóór de heldendaden van Bonaparte en

daarna! Egyptenaren, Grieken, Turken, Franschen, Engelschen hebben in

de buurt om beurten hun tenten en hun vlaggen geplant, en tegenwoordig

komen de toeristen zich er verbroederen in een pelgrimstocht van

nieuwsgierigheid en pret.

Men gaat erheen om verschillende redenen. Vooreerst omdat het de

Pyramiden zijn, die men moet hebben gezien, om over de steenkolossen

te kunnen meepraten. In de tweede plaats omdat ze een aangenaam doel

zijn voor een uitstapje en dat de woestijn met haar opwekkende, zuivere

lucht een groote bekoring uitoefent. Enkelen komen er, om zich te laten

photografeeren met de Pyramiden, om aan de ongeloovigen overtuigend

te bewijzen thuis, dat ze er wezenlijk geweest zijn; maar helaas,

hoevelen van hen zijn gefopt geworden door den photograaf, die maar een

pseudo-photograaf was en wiens toestel een ledig sigarenkistje was met

een zwarten doek erover! Na dan een poos geposeerd te hebben, gaf men

zijn naam en adres op, offerde zijn tien gulden, om eenige dagen later

te vernemen, dat men alles bedorven had door een zenuwachtige beweging!

De nabijheid der Pyramiden wordt onveilig gemaakt door de troepen

Bedoeïenen, die wilden uit de woestijn, die van roof en afzetterij

leven. In hun lange jurken, met een tulband op het hoofd en goed

gewapend, komen ze op de toeristen af en doen allerlei aanbiedingen

voor een bezoek aan den Sfinx en de Pyramiden of voor de beklimming

van deze laatste.

De beklimming van de Groote Pyramide is moeilijk en vermoeiend. De

snelheid, waarmee de Bedoeïenen er tegen opklauteren, is werkelijk

phenomenaal. Een menigte toeristen laten er zich toe verleiden. Twee

Bedoeïenen zijn gewoonlijk voldoende, om er een man tegen op te

hijschen; maar ze ondernemen het werk met hun drieën, als er een dame

in het spel is.

Aan den voet der Pyramiden bij den ingang der woestijn vindt men een

der beste egyptische hotels, het Mena House. Op het theeuur zijn

de terrassen bezet door een vroolijke en luidruchtige menigte. De

onmetelijke en prettige salons, de heerlijke eetzaal, een overvloedige

en uitstekende keuken, een reusachtig zwembassin in de open lucht,

velden voor tennis en croquet maken van dat hotel een der aardigste

verblijven van Egypte. De stallen zijn uitmuntend voorzien, en men

kan er tegen matige prijzen rijtuigen krijgen, rijpaarden, kameelen

en zandwagens, dat zijn karretjes, waarvan de wielen zoo breed zijn,

dat ze over het zand glijden zonder erin te zakken, waardoor men,

zonder zich te vermoeien, mooie tochtjes in de woestijn kan doen.

Er worden dikwijls bij Mena House groote sportfeesten gegeven, die druk

bezocht werden. De wedrennen van kameelen zijn allerdolst. Die dieren

begrijpen precies, waar het om gaat en stellen het grootste belang

in den strijd, dien ze willen winnen. Den vorigen winter greep een

kameel, die boos was, dat een ander hem voorbij streefde, den ruiter

van den mededinger bij het been en gaf er een leelijken knauw in.

Op een half uur sporens afstands van Kaïro ligt een andere, ook zeer

bekoorlijke en veelbezochte plek, eveneens in de woestijn, maar

in een andere richting. Dat is Heloean, een dorp, beroemd om zijn

zwavelhoudend water. De badinrichting, het Grand Hotel en het Badhotel

behooren aan de maatschappij der Nungovich-hotels en zijn, zooals

men verwachten kan, in alle opzichten uitstekend. Hier is geen stof,

geen vuil, geen rumoer. Een droge lucht, die opwekkend en heerlijk is

en een ideale kalmte. Er is daar nog een zeer goed hotel, het Tewfik

Palace, en dan heeft men er veel pensions. Heloean ligt tegen bergen

aan en op een van deze vindt men een hotel-sanatorium, El Ayat, dat een

paar jaren geleden geopend is. In dat heerlijk gelegen huis vinden de

zieken en herstellenden alle mogelijke comfort en zorgvolle verpleging.

Er is te Heloean een uitstekende golfclub en een renbaan, die alle

gasten van Kaïro samenbrengen.

In 1892 volgde de tegenwoordige khedive zijn vader Tewfik Pacha op. Die

laatste was vrij plotseling gestorven; maar het schijnt haast, alsof

hij een voorgevoel van zijn vroegen dood heeft gehad, want toen de

kroonprins uit Weenen, waar hij studeerde, eenige maanden vóór het

overlijden van zijn vader de vacantie in Egypte doorbracht, liet Tewfik

den kroonprins Abbas meerderjarig verklaren, ofschoon de prins er nog

niet den vereischten leeftijd voor had bereikt. Door het besluit werd

een regentschap vermeden en daardoor kon de tegenwoordige khedive

den troon bestijgen, ofschoon hij wettig nog niet meerderjarig was.

De jonge Abbas Hilmi had terstond een zeer besliste meening over zijn

rechten en plichten als souverein. Daar hij nog niet persoonlijk had

ervaren, welke rol Engeland in Egypte speelde, moest hem natuurlijk

de tegenwoordigheid van een vreemd leger in zijn vaderland hinderen,

en zoo kwam hij er dan ook terug met een hart vol vrees.

Lieden uit zijn omgeving en meer of minder officiëele vreemdelingen

maakten van deze stemming gebruik, om den jongen en toen nog onervaren

vorst te drijven tot een openlijke breuk met Engeland, door hem te

verzekeren, dat op den dag van den strijd de fransche bajonnetten en

de russische Kozakken achter hem zouden staan.

Dapper en vol zelfbeheersching, wees hij den Engelschen op een goeden

dag de deur; toen omziend, om te zien, wie hem volgden, vond hij

een ledig... Diegenen zelfs, die hem geraden hadden, hielden zich

lafhartig schuil op het oogenblik van den strijd.

In 1878 had Engeland vóór de poorten van Konstantinopel aan Rusland

een "Halt!" toegeroepen, en het groote keizerrijk had geen schrede

verder gedaan.

Twintig jaren later te Faschoda riep Engeland Frankrijk een

"Achterwaarts!" toe, en de rijke en machtige Republiek moest wijken

voor de keizerin der zeeën...

Zoo ook antwoordden de Engelschen op de afwerende beweging van den

khedive: "Wij zijn de sterksten en wij zullen blijven!" En Egypte,

dat nog zwak was op dat oogenblik, moest zich schikken.

Het is waar, dat Engeland den goeden smaak had, erbij te voegen:

"Wij wenschen slechts uw belang; wij erkennen uw souvereiniteit en

wij willen niets anders dan u helpen met al onze krachten, om uw land

een herleving te doen ondergaan." Het was een harde slag, maar hij had

voor Zijne Hoogheid meer waarde dan tien jaren van levenservaring. De

jonge vorst kende van dien tijd af de waarde van de vriendschap,

de zwakheid van zijn eigen land en wat hijzelf vermocht.

Hij nam in het administratieve den raad van Engeland aan, maar bewaarde

al zijn vorstelijke prerogatieven en wist ze te doen eerbiedigen. In

den aanvang weigerde hij de hem toegestoken hand aan te nemen, want hij

wilde, eer hij den Engelschen zijn vertrouwen schonk, hen aan het werk

zien, zoodat de betrekkingen koel, officiëel en uit de hoogte waren.

Met buitengewone wilskracht begon hij studie te maken van de behoeften

van zijn land, en langzamerhand begon hij te bemerken, dat Engeland

woord hield en dat er eerlijk en trouw voor het wezenlijk belang van

Egypte werd gewerkt.

Toen, maar ook toen eerst, aanvaardde hij het verdrag en in het

jaar van de toenadering tusschen Frankrijk en Engeland bracht Zijne

Hoogheid een vriendschapsbezoek aan koning Eduard en werd in Londen

gevierd en geëerd.

In den loop der vele gesprekken, die ik met den khedive heb

mogen voeren, heeft hij mij zelf verzekerd, dat zijn betrekkingen

met Engeland en de staatssecretarissen en andere raadgevers en

ambtenaren van engelschen landaard uitstekend zijn, dat er van zijn

kant, noch van dien der egyptische ministers eenige wensch bestaat,

om het beschavingswerk op eenige wijze te hinderen en dat zij allen

van ganscher harte aan de opleving van Egypte meewerken.

In het kort, ik kan verklaren, dat Zijne Hoogheid tevreden is over

den tegenwoordigen staat van zaken, en zoolang Egypte niet een graad

van beschaving heeft bereikt en niet machtig genoeg is geworden, om

in alles op eigen wieken te drijven, geeft hij er verre de voorkeur

aan, op Engeland te steunen en gebruik te maken van de lessen en

raadgevingen der bekwaamste kolonisators ter wereld dan een steun te

zoeken bij andere mogendheden.

Maar dit belet Abbas Hilmi niet, voor sommige van die mogendheden een

oprechte vriendschap te gevoelen en een groote bewondering. Zijne

Hoogheid heeft voor Frankrijk een voorkeur, die hij zeer beslist

aan den dag legt, en elk jaar komt hij zijn vacantie te Divonne

doorbrengen, waar hij dan rustig leeft als een gewoon, eenvoudig,

deftig reiziger.

De volksfantazie, die ervan houdt, zich den khedive voor te

stellen als wonend in een weelderig paleis, zijn dagen slijtend

op gemakkelijke sofa's en divans tusschen zachte kussens, omringd

door de vrouwen van zijn harem, terwijl hij lekkernijen eet en een

narghileh rookt, die volksverbeelding zou zeer verrast wezen, als

ze bespeurde, wat inderdaad een feit is, dat de khedive de man is,

die het van alle Egyptenaren het drukst heeft. Men zou bijna geen

gevulder en beziger leven kunnen leiden. Zijn officiëele plichten,

het bestudeeren van wetten, het onderteekenen van besluiten, het

presideeren van ministersvergaderingen, het verleenen van audiënties,

het houden van recepties, het bijwonen van parades, al die bezigheden

van een souverein zouden voor velen reeds een zware taak zijn. En

toch vindt Z.H. buiten dat alles den tijd nog in het groot aan

landbouw en veeteelt te doen, zijn grondbezit steeds uit te breiden,

heele wijken te laten bouwen bij steden en dorpen in het open land,

reuzenuitgestrektheden vruchtbaar te laten maken ter ontginning, en

zijn groote goederen te doorreizen per spoor, met zijn jacht, in een

dahabieh, per rijtuig, per automobiel, te paard of op een kameel en

dan nog, om van zijn eigen penningen een spoorlijn te laten bouwen,

die Egypte met Tripolis zal verbinden. En denk nu niet, dat de khedive

zich slechts met de groote lijnen van al zijn plannen bezighoudt,

aan anderen het meeste werk overlatend. Dat zou een groote dwaling

zijn. Zeker, hij heeft raadgevers en dienaren van groote beteekenis,

zooals het hoofd van de Daïra Kassa, het civiele huis, Z. Excellentie

de Martino pacha, die hem allen groote diensten bewijzen, maar het

blijft niettemin waar, dat de khedive alle quaesties grondig bestudeert

tot in de kleinste bijzonderheden.

De voornaamste verblijven van den khedive zijn het paleis van Abdine in

Kaïro, waar alle officiëele recepties plaats hebben; het Koebbehpaleis

buiten op tien kilometer afstands van de stad, waar Zijn Hoogheid

het grootste deel van het jaar met zijn echtgenoote, de Khedivah,

en hun kinderen woont; het paleis van Alexandrië en eindelijk het

paleis van Montazah aan zee op eenige kilometers van Alexandrië.

In het Abdinepaleis ontving Zijn Hoogheid mij voor de eerste maal in

gezelschap van den heer W. Riddle, gezant van de Vereenigde Staten.

De tijden zijn voorbij, waarin onverschillig welke onbeteekenende

consul zich in het paleis mocht vertoonen met een colbertje en slappen

hoed, en vragen, om te worden ontvangen, of de khedive dat aangenaam

vond of niet. Wat de zwakheid van Tewfik verdragen had, was met hem ten

einde, en Abbas Hilmi wist van den eersten dag af, zich voor te doen

als de souverein en zich als zoodanig te doen eerbiedigen. Onnoodig

dus, hierbij te voegen, dat, als aan alle buitenlandsche hoven,

de vreemde vertegenwoordigers hun verzoek om een audiëntie moeten

richten tot den groot-ceremoniemeester, die het overbrengt aan Zijn

Hoogheid, en dat men niet kan worden ontvangen dan in groot uniform

of in rok en hoogen hoed.

Beneden in de vestibule staan de soldaten van de garde en haie

geschaard en boven aan de groote, marmeren trap treffen we de

ceremoniemeesters en kamerheeren, die ons geleiden in een eerste en

ruime wachtzaal, en na eenige minuten zijn wij binnengetreden in de

ontvangzaal, waar Zijn Hoogheid ons wacht. De vorst kwam glimlachend op

ons toe met uitgestoken hand en na een krachtigen handdruk gingen we

zitten, waarna de sigaretten werden opgestoken en het gesprek begon,

eerst in het Engelsch, later in het Fransch. De khedive spreekt

beide talen uitstekend, evenals het Duitsch en natuurlijk Turksch

en Arabisch.

Zelfs zijn verbitterdste politieke vijanden erkennen gaarne de

bekoring, die uitgaat van de persoonlijkheid van dezen vorst, en

een van hen had mij gezegd: "O, zeker, ge zult hem innemend vinden,

dat is het ware woord; hij is een charmeur en hij zal u bekoren,

maar... wees op uw hoede!"

Ik ben in het geheel niet op mijn hoede geweest, en ik heb mij daar

best bij bevonden.

Het gesprek was gekomen op de reis, die ik ging doen naar Soedan

en op de afrikaansche spoorwegen; ik nam de vrijheid, Zijn Hoogheid

te vragen naar den spoorweg, dien zij op haar kosten laat aanleggen

tusschen Alexandrië en Tripolitanië, en ziehier het antwoord, dat ik

ontving: "Het land, dat zich ten westen van Alexandrië uitstrekt,

is aan de reizigers totaal onbekend. Men nam gewoonlijk aan, dat

het een onmetelijke woestijn was, met enkele oasen op afstanden van

twintig of dertig dagreizen voor kameelen.

"Toch kwamen een groot aantal karavanen door die woestijn, tenzij uit

de bedoelde oasen of uit Tripolitanië en brachten allerlei soorten

van producten naar Alexandrië.

"Ik besloot eens een lange reis te paard te doen door dit onbekende

land. Tot mijn groote verbazing vond ik geen zandwoestijn, zooals ik

verwachtte, maar een rijken grond, geschikt voor allerlei cultures. De

aarde is niet zoo donker van kleur als die dichtbij den Nijl, maar het

is duidelijk, dat ze ten tijde van de Romeinen een talrijke bevolking

heeft gevoed.

"Wij hebben er ruïnen van steden en dorpen aangetroffen en

boerenhoeven, die door Romeinen waren bewoond, en nu nog zijn er

in die zoogenaamde woestijn genoeg steenen van al die ruïnen, om

honderden dorpen te bouwen."

"Op een avond," zoo ging de Khedive voort, "sloeg ik mijn tent op

aan den grooten weg. Ik kon eerst niet slapen en bleef ook verder den

geheelen nacht wakker, doordat onafgebroken karavanen voorbijtrokken

van beladen kameelen.

"En terwijl ik in de lange uren de langzame, zware passen van den

kameelenoptocht hoorde en het gefluit van de geleiders, dacht ik aan

de uren, dagen, weken, maanden, die door die Bedoeïenen op de wegen

worden zoekgebracht, en ik zeide tot mijzelven: 'Maar als er dan

zooveel zijn, zou men best een spoorweg voor hen kunnen aanleggen;

dat zal een uitmuntende zaak wezen voor hen en waarschijnlijk ook

voor de aanleggers.'

"En later toen ik naar den kant van Tripolitanië de rijke oasen zag,

waarvan de voortbrengselen niet konden worden vervoerd; de dieren,

die niet konden worden verkocht en die gevoed werden met vijgen en

dadels, waarmee men niet wist, wat aan te vangen, was spoedig mijn

besluit genomen; ik zette mij terstond aan het werk en begon met den

aanleg van dien spoorweg."

"En is Uwe Hoogheid tevreden over den uitslag?"

"Tevreden? Maar ik ben er verrukt van. Ik heb nog slechts een

honderdtal kilometer aangelegd; welnu, wat de koopmansgoederen aangaat,

hebben wij in het eerste jaar een millioen kilogrammen vervoerd; dit

jaar (1905) zullen we boven de zes millioen komen. Ik was begonnen, een

lijn met smal spoor te bouwen, maar dat was een vergissing, en ik stel

er thans een lijn met gewone spoorbreedte voor in de plaats. Naarmate

we vorderen en de oasen naderen, zal de handel steeds levendiger

worden. Onlangs heb ik een drukke markt bijgewoond in het dorp, dat

eindpunt was van den spoorweg. Nu, daar waren karavanen gekomen uit

Tripolis, en om u een denkbeeld te geven van de belangrijkheid van

de markt, wil ik u enkel zeggen, dat er 22 000 schapen waren!

"De samenkomst was bij uitstek schilderachtig, want men zag er

Bedoeïenen in den allerprimitiefsten staat. Veel van de overeenkomsten,

die werden gesloten waren gewone ruilhandel, daar deze menschen

zeer weinig geld hadden. Men kon er nog een paard koopen voor 50

francs. Mijn bedoeling is, de bevolking aan te moedigen, om in de

dorpen, waar de trein passeert, op vaste dagen week- en jaarmarkten

te openen."

"En tot hoever denkt Uwe Hoogheid den spoorweg voort te zetten?"

Toen antwoordde mij de khedive met een opgewonden, van hoop en energie

stralend gezicht:

"Tot waar toe? Maar mettertijd natuurlijk tot aan de grens van

Tripolitanië, en ik hoop wel, dat er dan in Tripolis menschen zullen

zijn, die zich verstandig genoeg toonen en genoeg ondernemingsgeest

hebben, om een spoorlijn aan te leggen, die zich aansluit bij de

mijne. Denk eens aan, dat men dan in Egypte zal kunnen komen na een

overtocht van twaalf uren van Messina naar Tripolis in plaats van de

drie dagen, die men nu noodig heeft om van Brindisi naar Alexandrië te

komen, of van de vijf dagen van Marseille naar diezelfde haven. Een

luxetrein zou hen van Tripolis naar Kaïro vervoeren. Die dienst zou

twee of drie keeren per week kunnen loopen en ook wel dagelijks in

het drukke seizoen."

Over spoorwegen sprekend, werd de khedive ertoe gebracht, ons een

anecdote te vertellen in zake de reis van zijn zuster, de prinses

Hadidja Hanoem, die met haar man prins Abbas de tentoonstelling te

Saint Louis had bezocht het vorig jaar.

"Ik heb altijd zelf," zei de vorst, "den grootsten lust gehad,

naar de Vereenigde Staten te gaan en ik zou nooit vermoed hebben,

dat de prinses, mijn zuster, er nog eerder zou komen dan ikzelf. Zij

heeft mij een prachtige collectie photografieën meegebracht, waarvan

verscheiden in buitengewone omstandigheden zijn genomen. De prinses

had het ongeluk, een spoorwegramp mee te maken, en in plaats van het

hoofd te verliezen, zooals bijna allen, die met haar te zamen waren,

photografeerde ze het tooneel! En even koelbloedig was zij, toen ze

aan boord was van een petroleumboot, die in brand vloog!"

Dat is heusch interessant. De kalmte en de tegenwoordigheid van de

egyptische prinses zijn kenschetsend voor het land, waar zooveel

vrije en sterke vrouwen wonen.

Niet alleen naar de grens van Tripolitanië richt zich de jonge en

sterke energie van den khedive. In het hartje van Kaïro wil hij aan

zijn onderdanen voordoen, hoe ze moeten bouwen.

Ik heb er al op gewezen, dat hier overal een bouwwoede de wereld

schijnt te hebben aangegrepen. Aan alle kanten verrijzen nieuwe

gebouwen, maar daar de eigenaars zooveel mogelijk geld willen

verdienen, wordt er slecht gebouwd en goedkoop, wat, daar er

hooge huren worden betaald, groote winsten oplevert van 12 tot 15

procent. Maar hoe lang zullen die slechte huizen duren?

Nu heeft Zijne Hoogheid besloten, een zoo goed als geheel nieuwe wijk

te doen verrijzen, maar niet van kartonnen huizen. De woningen, of

eigenlijk de groote woningpaleizen, die thans op haar gronden worden

opgetrokken, zullen de eerste echt moderne huizen in Kaïro zijn,

soliede en voorzien van alle moderne gemakken, lift, bad, telefoon

enz. Maar zij zullen slechts 6 of 8 procent opbrengen, echter met de

kans, dat ze dien interest langen tijd achtereen zullen opleveren, lang

nog nadat de slechte krotten zullen zijn ingestort met hun 15 procent.

Korten tijd na mijn terugkeer uit Soedan had ik een audiëntie bij

den khedive in Abdine, het paleis in Kaïro, en zijn Hoogheid had de

vriendelijkheid, mij uit te noodigen, een namiddag met haar in het

Koebbehpaleis door te brengen.

Per rijtuig begaf ik mij erheen na een heerlijk ritje van ongeveer een

uur, en nauwelijks had ik de treden van de marmeren stoep achter mij,

of ik zag Zijn Hoogheid mij te gemoet komen zonder eenige plechtigheid,

met uitgestoken hand, terwijl hij de andere in het zakje van zijn

blauw flanellen vest hield.

"Blij, u weer te zien in mijn echt home!"

En mij medenemend naar den salon, waar we op een groote sofa plaats

namen, voegde Z.H. erbij: "Want zooals u weet, woon ik hier, niet

in Kaïro. Het Abdinepaleis dient alleen voor officiëele recepties;

daar heb ik nooit gelogeerd. Zelfs na mijn groot jaarlijksch bal kom

ik midden in den nacht altijd hier terug. Ik houd veel van buiten,

en hier vind op een paar pas afstands van de stad en de ministeries

rust en kalmte, zonder étiquette en officiëele pose. Hier leid ik

het leven van een landedelman."

Op een tafel onder zijn bereik lag een groot plan van de bezitting,

en daarop werd mij de toer aangewezen, die wij gingen maken. In

een zeer wijden kring behooren alle gronden aan den khedive, die

op eenigen afstand, aan de oevers van het Ismaïliakanaal een andere

prachtige bezitting heeft. Het was zijn droom geweest, die met het

domein van Koebbeh samen te voegen; maar de waarde der terreinen is

zoo toegenomen, en dat wel zoo ongeloofelijk snel, dat het onmogelijk

is geworden.

"Die gronden," legde Z. H. uit, "zijn de beste van Egypte. Ik heb

de mijne gekocht eenige jaren geleden voor 759 francs de feddan;

tegenwoordig kan ik geen feddan krijgen van de aangrenzende onder

5000 francs. Een feddan is ongeveer 4000 vierkante meters.

"U heeft zeker wel opgemerkt," vervolgde de khedive, "dat er in Egypte

noch oude paleizen, noch burchten en kasteelen zijn, met uitzondering

altijd van het officiëele Abdinepaleis in Kaïro, en ik zou u niet

kunnen spreken over de woningen van mijn voorvaderen. Inderdaad wilde

het gebruik, dat de paleizen, gedurende hun leven door mijn voorvaderen

bewoond, altijd buiten gelegen, na hun dood werden verwoest. Deze

bezitting is de eenige, die bewoond is geweest sinds den tijd van

Ibrahim pacha, maar het was maar een klein huis. Ik heb het groote

paleis laten oprichten, dat ge hier thans ziet en alle bijgebouwen,

die ik u ga toonen."

Van boven van de stoep af zag ik den tuin onderstboven gehaald,

met groote gaten, hoopen steenen en een honderdtal mannen bezig met

houweelen en spaden.

"Ik laat mijn geheelen tuin omwerken," legde de khedive uit, "en

ik heb daartoe een groot meester in de tuinkunst laten overkomen,

den heer André uit Parijs, die reeds als zoodanig groote bekendheid

heeft verkregen."

Beneden aan de trap wachtte ons een bekoorlijk mandenwagentje,

overdekt door een grooten parasol, en bespannen met twee verrukkelijke

pony's. Zijne Hoogheid greep de teugels en ik nam naast haar plaats,

en, vergezeld door een enkelen groom, die achterop zat, reden we weg

in vluggen draf.

Wij volgden een lange, schaduwrijke laan van oude boomen, aan welker

eind een kleine moskee lag, welker witte minaret sierlijk tegen den

blauwen hemel afstak. Wij traden een mooien tuin binnen, en zagen

daar middenin een allerliefst huis met een vroolijk en vriendelijk

voorkomen.

"Ik breng u," zei de vorst, "naar de bijzondere school, die ik

heb gesticht en waar ik gratis een tweehonderdtal kinderen laat

opvoeden. De leertijd duurt vijf jaren, en als ze de school verlaten,

verzeker ik hun dadelijk een positie bij het een of andere van mijn

eigendommen. In een paar woorden ik vorm hier de beambten en dienaren,

die ik noodig heb."

Nooit heb ik een school gezien, die zoo frisch en luchtig

was ingericht, en zoo vroolijk en zonnig was gelegen. Het was

eenvoudig verrukkelijk. De licht geschilderde wanden waren bedekt

met schilderijen en teekeningen, en lucht en licht drongen binnen

door verbazend groote open vensters. In de eerste en de tweede klasse

dragen de kinderen, allen met de fez op het hoofd, witte, egyptische

kleederen, terwijl in de drie andere klassen de reeds veel grooter

scholieren uniformen hadden van wit linnen met vergulde knoopen.

Alles zag er zoo smakelijk en netjes uit, dat men die jongens zou gaan

benijden. Ze zien er trouwens ook recht tevreden en intelligent uit.

Het leerplan is er speciaal op ingericht, goede landbouwers te vormen

en opzichters. Er wordt natuurlijk lezen, schrijven en rekenen geleerd,

dan gezondheidsleer van mensch en dier, landmeten en dergelijke vakken.

Het interessante ondernemen strekt Zijn Hoogheid tot eer en is ook

een glorie voor de leeraars, die er blijkbaar op gesteld zijn, het

khediviale werk te doen slagen.

Toen we weer in het rijtuigje zaten, bezochten we achtereenvolgens de

groote dépots voor den katoenoogst en de havenschuren, de archieven

der bezitting, den brandweerpost en eindelijk in ponygalop de groote

paardenstoeterijen, waar een tallooze menigte paarden worden opgevoed,

waaronder ik prachtige, jonge dieren van zuiver arabisch bloed zag.

Verderop liepen in de groene velden veel mooie, zwitsersche koeien

en beesten van Jersey evenals ghamoesahs, inlandsche runderen, die

men hier haast niet zou herkennen, als men zich de magere, stumperige

ghamoesahs herinnert van arme boeren.

Toen wij de Koebbehbezitting verlieten, ging een gendarme te paard

voor ons uit, en zoo reden we vlug door het land, dat ons scheidde

van het tweede domein.

In de dorpen, die we doorgingen, liepen de bewoners uit, om hun

souverein te groeten met dien sierlijken groet, die bestaat uit een

buiging, met de hand op het hart.

Wij kwamen ten laatste bij een groot, hoog gelegen terrein, waar een

reusachtige steenfabriek lag, en Zijn Hoogheid verklaarde mij: "Dit

terrein is zoo hoog, dat het onmogelijk was, er eenig irrigatiewerk

tot stand te brengen, en het was altijd beschouwd als tot niets

nut. Toen ik echter had ontdekt, dat de grond uitstekend geschikt

is voor het maken van steenen, heb ik de terreinen gekocht en ik

laat ze nu afgraven tot op het niveau der omliggende gronden, door

van de overtollige aarde gebruik te laten maken voor het bakken van

steenen, die wij veel meer opbrengen dan de kosten van terrein en

arbeid te zamen."

Wij reden langs keurig onderhouden velden, katoenaanplantingen,

waarbij de khedive mij uitvoerig de cultuur uitlegde, en kwamen zoo bij

het kanaal van Ismaïlia, waar Z. H. een groote stoompomp heeft laten

zetten, die overdag naar de domeingronden water voert en electriciteit

bij nacht.

En eindelijk na een bezoek te hebben gebracht aan de dorpjes, gebouwd

voor zijn boeren, stonden we op den terugweg stil bij den tuin,

waar een reuzenboom, uitgeput van ouderdom, zijn takken uitspreidt,

waarvan vele dood waren. Dat was de Boom der Heilige Maagd, een boom,

waaronder, naar de overlevering wil, de Heilige familie moet hebben

uitgerust.

In het paleis teruggekeerd, werd ons ijs voorgezet, dat Z.H. verkiest

boven thee, en nog een uur bleef ik onder de bekoring van het gesprek

van den vorst. Hij deed mij verhalen, waarin historische herinneringen

werden opgehaald, en ik moest zijn fijnen geest bewonderen en de ruime,

liberale opvattingen van dezen oosterschen vorst.

Eenigen tijd later noodigde Z. H. mij uit, met haar een zeer

belangwekkend uitstapje te doen. Om negen uur in den morgen vertrokken

we van het paleis te Koebbeh en reden naar het kanaal van Ismaïlia,

waar een der stoomjachten van Z. H. ons afwachtte. Wij begaven ons

op dek, en de khedive nam het commando op zich.

"Dit kanaal," merkte de vorst op, "gaat van Kaïro naar Ismaïlia,

waarheen het het zoete water van den Nijl brengt. Als zooveel andere

groote en belangrijke werken, heeft het zijn ontstaan te danken aan het

initiatief van fransche ingenieurs. Die hadden zelfs gedacht, dat men,

door het dieper en breeder te maken, Kaïro kon verheffen tot den rang

van zeehaven, O, wat zijn er in dit land veel dingen, die wij aan den

ondernemingsgeest en de werkkracht van Franschen te danken hebben! Ik

berekende onlangs, dat de materiëele belangen van Frankrijk in Egypte

meer dan drie milliarden vertegenwoordigen... En het land heeft dat

alles in den steek gelaten voor Marokko, waar het geen belangen heeft!"

Terwijl hij sprak, keek ik den zoo eenvoudigen en zoo weinig

oosterschen vorst aan, die, gekleed in een engelsch costuum, met

gele schoenen, zonder eenige kostbaarheid, zonder decoraties er

geheel uitzag als een volmaakte gentleman, tevens op dit oogenblik

een volleerd jachtbestuurder.

Wij voeren voorbij de gevangenissen van Aboe Zabad, het grootste bagno

van Egypte, waar vele honderden dwangarbeiders, nauwlettend bewaakt

door soldaten, beziggehouden worden met steenen kloppen. Inderdaad

zijn er onder het woestijnzand steengroeven, waarvan de opbrengst in

Kaïro en elders wordt verkocht.

De dwangarbeiders waren bij de nadering van het khediviale

jacht in een rij langs het kanaal opgesteld, met afgewend gelaat,

want die ongelukkigen hebben het recht niet, den souverein te zien

voorbijgaan. Alleen de bewakers maken front en brengen den militairen

groet.

Toen we het bagno voorbij waren, gaf de khedive het bevel weer over

aan den kapitein en deed mij naast zich neerzitten.

"Ik ga," zei hij, "u de geschiedenis verhalen van het domein, dat we

zullen bezoeken. Eenige jaren geleden, toen ik over dit kanaal reisde,

merkte ik, zooals u ook kunt doen, op, dat links de gronden, die door

het water van den Nijl goed besproeid worden en er sinds jaren door

gedrenkt zijn, goed bebouwd en rijk zijn. Zie maar, hebt u ooit een

prachtiger en vruchtbaarder grond gezien? Er zijn veel dorpen met

een welvarende bevolking. Rechts daarentegen waren er niet anders

dan stinkende moerassen, kuilen en hoogten en modderpoelen over een

breedte, afwisselend tusschen 2 en 3 kilometer, en daarna volgde tot

in het oneindige de woestijn met haar bergen en dalen. Plotseling

kwam er een gedachte bij mij op. U weet, dat het voldoende is, het

Nijlwater bij het zand der woestijn te brengen, om er vruchtbaren

grond van te maken?

"Ik dacht dus, dat als men die moerassen opvulde en nivelleerde, door

ze met zand gelijk te maken, en daarbij de noodige irrigatiewerken

aan te leggen, men ten slotte uitstekende gronden moest verkrijgen.

"Alleen de étiquette weerhield al degenen, die ik erover sprak, ervan,

mij in mijn gezicht uit te lachen en voor dwaas te verklaren; maar

men verheelde mij niet, dat mijn plan onuitvoerbaar was. Ondanks al

die beweringen zette ik mij aan het werk; ik kocht groote terreinen

en deed een beroep op de bevolking aan de andere zijde van het

kanaal. Honderden ossen en ezels werden gebruikt, om zand aan te

dragen, en ten slotte, waarde vriend, is de onderneming een reusachtig

succes geweest, dat mijn verwachtingen tot hier toe overtreft. Ik

heb er nu een domein van 2500 feddans. Alle werkzaamheden inbegrepen,

heeft de feddan mij 425 francs gekost. Welnu, pas is een stuk grond

klaar, of de bewoners aan de overzij van het kanaal vechten erom,

wie het huren zal, en ik verhuur de gronden voor 140 francs de feddan,

waardoor ik 30 percent van mijn geld maak.

"Of ik tevreden ben? Zeker, ben ik dat; maar u kunt mij gelooven,

dat mijn voldoening minder voortspruit uit het financiëele succes

dan uit de vreugde, die ik ondervind, als ik zie, dat doode gronden

tot leven worden gewekt en dat schoone oogsten hun groen vertoonen

of hun gouden halmen op plaatsen, waar gisteren slechts dor zand

en ellendige moerassen te vinden waren. Zie toch eens, en bedenk,

dat er hier vroeger niets waren dan modderpoelen en moerassen!"

En inderdaad zoo ver het oog kon reiken, tot aan het begin van

de groote woestijn, was het kanaal rechts van ons omzoomd door

bewonderenswaardig bebouwde velden, die alle bewijzen geven van

uitstekend vruchtbaar te wezen.

"En denk eens aan, dat we al het eerste jaar oogsten van den grond,

die pas nog zand was en dat wel zonder van mest gebruik te maken. Het

Nijlwater en de zon van Egypte bewerken dat wonder."

Tegen den middag kwamen we op die plek van de domeinen, waar de khedive

bezig is, ruime stallen te laten bouwen en een groote woning voor zijn

rentmeester en de beambten, een huis, waar hij ook voor zichzelf een

geschikt pied à terre heeft.

Daar het huis nog niet gereed was, had Z. H., die hier elke week komt,

er een dahabieh, een der mooiste Nijlbooten, die ik ooit heb gezien met

groote slaapkamer, badkamer, salon, eetzaal en alle geriefelijkheden.

Op die dahabieh ontbeten wij te zamen, en Z. H., die een fameus eter

is, deed aan het eenvoudige, maar uitstekende maal alle eer aan,

waarbij ik hem trouw gezelschap hield, want de lange tocht had mij

eetlust gegeven.

De vorst drinkt geen spiritualia, rookt niet en speelt niet.

"Maar u moet niet denken," zei hij, terwijl ik alleen wijn en likeur

gebruikte en zijn uitstekende sigaren rookte, "dat ik als deugdzame

poseer. Wijn bekomt mij niet goed en tabak ook niet, en de bekoring

van het hazardspel heb ik nooit kunnen begrijpen. Ik heb uren te

Ostende naar spelers staan kijken, heb hen duizenden en duizenden

zien winnen en verliezen, en niets ter wereld zou mij hebben kunnen

doen besluiten, met hen mee te doen... Bij mij is dat een instinctieve

afkeer van het spel... Er steekt in het geheel geen verdienste in."

Na ons maal aan boord van de dahabieh bereikten we te paard en in

een gietenden regen het station Enchas, waar de speciale trein van

Z. H. ons wachtte en ons naar Kaïro terugbracht.

Ik heb al verteld van de spoorlijn, die Abbas Hilmi laat aanleggen

op eigen kosten tusschen Alexandrië en Tripolis.

Wetend, hoezeer die quaestie mij interesseerde, wilde de vorst mij

vóór mijn vertrek uit Egypte het genoegen doen, mij mee te nemen op

een inspectiereisje naar die werken.

Bij die gelegenheid ontving de khedive mij in het paleis te Montazah,

nog vóór negen uur 's morgens.

Van alle khediviale paleizen is dat van Montazah het minst bekend. Ik

mag wel zeggen, dat met uitzondering van de intieme kennissen,

enkele raadslieden en enkele weinige personen, niemand dat huis

kent, dat als zeer particuliere woning van den khedive staat

aangeschreven. Officiëele ontvangsten hebben er niet plaats en het

publiek wordt er niet toegelaten.

Flauwtjes weet men, dat een paar jaren geleden de plek van deze

bezitting nog met zandduinen was bedekt, en dat Abbas Hilmi haar met

zijn gewone energie herschapen heeft in een nestje van groen.

Mijn trein stond stil bij het eigen stationnetje van Montazah en ik

vond er een mij door Z. H. gezonden rijtuig.

De toegang tot het domein is afgesloten door reuzenpoorten,

die een vesting verbeelden; maar daarachter zijn mooie lanen en

prachtige bloem- en grasperken, aan welker einde men in de verte

boven boombouquetten uit twee witte paleisjes aan zee ontwaart,

waartusschen op het blauw der heerlijke zee onder den azuren hemel

bootjes drijven met lichte, witte zeilen.

Op het ruime terras van het paleis wachtte mij de khedive en voerde

mij in zijn werkkabinet, een vroolijk zonnig vertrek, waar alles op

de liefhebberijen van den vorst wees.

De muren hingen vol platte gronden en kaarten van de domeinen, en de

tafels waren bedekt met rapporten en adviezen. Achter het bureau hing

een groote photografie van een locomotief, "een van de Compagnie du

Nord", zei Z. H., "die mij tusschen Parijs en Calais 180 kilometer

in het uur heeft laten afleggen!"

Enkele minuten later stapten we in een rijtuigje met twee pony's,

oude dieren.

"Dit zijn mijn eerste paarden," zei de khedive, "die, welke mij gegeven

werden, toen ik nog een kleine jongen was en waarop ik de kunst van

mennen moest leeren. Zou u gelooven, dat die dieren al 25 jaar oud

zijn? Zij leven hier gelukkig en rustig; ze hebben hun pensioen. Ik

gebruik ze alleen voor kleine ritjes; maar u zult eens zien, hoe

flink ze nog zijn en hoe ze hun best doen, als de weg stijgt."

Wij reden langs mooie, breede wegen, met boomen beplant, en daarna

langs een steenen kade, die om de baai van Montazah liep en een

uitstekende natuurlijke haven omzoomde, en Z. H. vervolgde:

"Ik heb eene home willen hebben voor het voorjaar en den herfst,

en ik ben op kleine schaal begonnen met den aankoop van eenige

zandduinen. Ik voerde er het Nijlwater heen, en dadelijk werd het zand

tot vruchtbare aarde, en boomen en bloemen ontsproten. Toen vergrootte

ik de bezitting, en langzamerhand ontstond dit landbouwbedrijf,

waartoe nu bijna 4000 feddans behooren.

"Ik had eerst slechts een klein paleisje gebouwd voor mijn persoonlijk

gebruik. Later heb ik voor mijn gezin dit tweede paleisje laten

zetten in een waar nestje van groen. De kinderen zijn heel gelukkig

hier en genieten zóó van de groote vrijheid, dat het een genoegen is,

ze erheen te brengen."

Rondom het paleis staan allerlei paviljoens; men vindt er grotten,

allerlei wilde en gekweekte bloemen en in een kleine, beschutte baai

hebben de vorstelijke kinderen hun zeebad.

Iets verder van huis ziet men groote hoenderhoven en moderne

konijnenhokken op rotsachtigen bodem, waar de konijnen niet

kunnen graven, om zich in onderaardsche holen te verbergen; dan

een reuzenduiventil met duizenden vogels, terwijl men bovenop dat

vogelhuis een prachtig uitzicht heeft over het geheele domein en de

kust der Middellandsche Zee tot Alexandrië.

Door velden, waar groote papavers in het koren bloeiden, bracht de

weg ons naar dennenaanplantingen, dan naar een parkje, waar vijftien

duizend moerbeiboomen waren geplant, waarvan de bladeren tot voedsel

moesten dienen voor de massa's zijdewormen, en daarna naar de hoeven,

de stallen en het fabrieksgebouw, waar twee enorme dynamo's electrische

verlichting leverden.

"Ik zal u ook eens laten zien," zei Abbas Hilmi, "waar die beweegkracht

buitendien voor gebruikt wordt. Laat ons hier binnengaan, waar ik een

groote houtzagerij en meubelmakerij heb laten inrichten, die erdoor

van beweegkracht wordt voorzien. Wij vervaardigen hier de deuren en

vensters en het houtwerk voor de woningen van al mijn domeinen en

dorpen, alsook het fijnere arabische snijwerk voor mijn paleizen."

Daar zag ik een volkomen moderne zagerij, waar een menigte arbeiders

in opgewekte stemming aan het werk waren en even ophielden, om ons

te groeten.

Z. H. maakte met ieder een praatje, keek naar hun werk, sprak zijn

oordeel uit en gaf aanmoedigende wenken. Velen van die arbeiders

waren meer dan tien jaren in zijn dienst, als ze hun plicht doen,

houdt de khedive hen lang, en doet veel voor hen; maar ze moeten dan

ook inderdaad hun beste werk leveren. Ze waren allen goed gekleed en

toen ik een opmerking daarover maakte, zei de khedive, dat er veel

Alexandrijnen bij waren, en dat die altijd zeer op nette kleeding

gesteld waren.

In een klein paviljoen waren de telegraaf- en telefoondiensten

gevestigd, particuliere ondernemingen van den khedive, die daardoor

onafhankelijk is van de Engelschen. Hij kan nu telegrafeeren naar

geheel Europa zonder van de engelsche kabels gebruik te maken. Dat

resultaat is op zeer eenvoudige manier verkregen, namelijk door

Montazah met een bijzonderen draad te verbinden met de ottomaansche

telegraaf, die door Klein Azië naar Konstantinopel gaat. Daar

Montazah telefonisch verbonden is met alle khediviale paleizen,

is Z. H. volkomen onafhankelijk in het zenden van berichten.

Door een laan van bloeiende oranjeboomen en langs reeksen van perziken

en abrikozen kwamen wij in het paleis terug, om te dejeuneeren. In

de groote eetzaal was de reuzentafel ledig, en aan een klein tafeltje

in een vensternis was voor ons beiden gedekt.

Het was een allersmakelijkst déjeûner en ik had daarbij gelegenheid,

met Z. H. over godsdienst te spreken. De khedive is zeer godsdienstig;

en al eerbiedigt hij de vreemde godsdiensten, die zich in Egypte

hebben gevestigd; hij duldt nooit inmenging in de zaken van het

geloof, waar hij in Egypte het geestelijk hoofd van is. Dat weten de

Engelschen wel, en zij spreken het bij iedere gelegenheid luide uit,

dat ze niet voornemens zijn zich ermee te bemoeien.

"In die aangelegenheid ga ik alleen met mijn geweten te rade," sprak

de khedive; "men zou mij eerder het hoofd moeten afslaan dan mij te

bewegen afstand te doen van de rechten en plichten, die ik heilig

acht. En daarin staat het geheele volk aan mijn zijde; het zou niet

den geringsten aanslag op zijn geloof dulden."

"Er is gezegd, dat Uw Eerwaarde ervan droomde, met behulp van Engeland

den sultan te vervangen als hoofd der muzelmansche wereld, u van

Mekka meester te maken en u tot sultan te doen uitroepen."

"Dat is een dwaasheid, een zotheid en een kwaadaardigheid," antwoordde

Z. H. en haalde de schouders op; "ze is in de wereld gebracht door

menschen, die mij willen benadeelen bij den sultan."

"Maar laat ons dan de quaestie omkeeren. Gelooft u niet, dat Engeland

zou hebben kunnen hopen, zich van Uwe Hoogheid te bedienen en van

de Mohammedanen in Egypte en Indië, om den duitschen invloed in

Konstantinopel tegen te gaan?"

"Gedachten zijn tolvrij. De Engelschen kunnen zoo iets hebben gedacht,

maar ik twijfel eraan. Zij moeten weten, dat ik er mij nooit toe zou

leenen, de hand te steken in een zaak, waardoor een christelijke natie

invloed kreeg op het lot van den Islam. En dan zie ik ook niet in,

wat Engeland erbij zou winnen."

Onmiddellijk na het ontbijt gingen we naar het station, waar we

den trein gereed vonden staan, die altijd wordt gebruikt voor de

uitstapjes op de lijn van Marioet. Hij bestaat uit een sierlijk

blinkende locomotief, verbonden met een klein glazen salonnetje, van

waaruit de khedive zelf den trein bestuurt. Aan den trein bevinden

zich nog een salonwagen en een gewone waggon voor de bedienden,

die onze five o'clock tea of liever ons ijs bij zich hadden.

Vlug reden wij door de velden, die Montazah scheiden van Alexandrië

en de voorsteden van die stad, om zoo te komen bij het eindpunt

van de staatsspoorwegen, welker station en andere gebouwen ook door

Z. H. worden gebruikt. Hier begon nu de particuliere lijn, die al

een honderdtal kilometer lang is, niet door een zandwoestijn gaande,

maar door bebouwd land, waarvan weer een groot gedeelte aan den

khedive toebehoort.

Dit is het land der Bedoeïenen en die vrije en moedige mannen zijn

den spoorweg volstrekt niet vijandig gezind, maar werken aan den

spoorweg en aan het plaatsen van de telefoon, waarvan reeds tweehonderd

kilometer toen gereed waren.

Het was een drukte van belang, en de treinen die ons tegenkwamen en

die reizigers, vee en goederen vervoerden, waren boordevol. Aardige

dorpjes, gebouwd door Z. H., vervangen hier en daar de armoedige

tenten der Bedoeïenen, en het is onbetwistbaar, dat de bewoners

van die verloren en vergeten streken er dankbaar voor zijn, dat de

khedive hen is komen oproepen tot een nieuw leven. Indien ze al in

het begin even verschrikt zijn geweest, thans hebben ze vertrouwen

gekregen en wachten met ongeduld op de inwijding der geheele lijn,

die hun het zal mogelijk maken, een winstgevenden handel te drijven

tusschen het rijke Tripolitanië en de markten van Alexandrië en Kaïro.

Wij toefden aan het tegenwoordige eindpunt onder de veranda van

een klein huis, eenvoudig als een soldatentent, dat de khedive soms

bezoekt, om toezicht op het werk te houden en zagen de woestijnbewoners

aan den arbeid onder leiding van de officieren van Z. H. Toen we weer

in den salonwagen zaten, verklaarde de khedive mij, hoe deze lijn

uitsluitend met economische bedoeling was aangelegd en niets met de

politiek had uit te staan. Maar de menschen, die nu de beteekenis

uit handelsoogpunt inzien, en er jaloersch op zijn, zouden er wel

moeilijkheden voor in den weg willen leggen, door in sommige kringen

de meening te verspreiden, dat de khedive politieke bedoelingen

heeft. De beide mogendheden echter, die het meest geïnteresseerd zijn

bij Tripolitanië, Turkije en Italië, weten uitstekend, dat de lijn

van Marioet geen bedreiging is en dat niet zou kunnen zijn... Zij is

en zal blijven een débouché voor de producten, die het schoone land

in zulk een overvloed voortbrengt.

Uit al, wat ik van den egyptischen vorst heb gezien, blijkt, dat

hij een hoogstaand mensch is, die op een leeftijd, waarop veel

vorsten slechts aan hun genoegen denken, zonder ophouden bezig is,

om de hulpbronnen van zijn land te vermeerderen en daarbij tevens

zijn eigen fortuin te vergrooten. Hij geeft aan zijn volk het mooie

voorbeeld van werkzaamheid en wijst aan zijn onderdanen den weg tot

welvaart en rijkdom, dien zij zullen hebben te volgen, om vooruit

te gaan. En zoo maakt de khedive door zijn karakter en zijn gedrag,

als het ware, de dwaasheden goed, waaraan zijn grootvader Ismaël zich

schuldig maakte en ook de zwakheden van zijn vader Tewfik. Egypte

bezit thans een souverein, waar het trotsch op kan wezen.

Den Nijl opvaren! Die drie woorden hebben in alle talen en sedert

het begin der wereld de ideale reis aangeduid, de mooiste, die men

kan ondernemen. De Grieken en Romeinen droomden er al van honderden

jaren geleden, en de Croesussen van dien tijd ondernamen wat toen

een lange en dure reis was, om de ruïnen van Thebe en het eiland

Elephantine te zien.

De tijden zijn hierin niet veranderd, en men kan op geen prettiger

manier den winter doorbrengen dan door langzaam den beroemden stroom

op te varen aan boord van een dahabieh. Die booten, die men in Kaïro

gemakkelijk kan huren, hebben alle mogelijke comfort. Nog pas weinige

jaren geleden waren alle dahabiehs zeilbooten en men voer zachtjes

naar believen van den wind en hield ongeveer overal op. Tegenwoordig

nu ieder min of meer haast heeft, maakt men stoomdahabiehs, even

geriefelijk als de andere, en met het gemak, dat men altijd reizen

kan en, hoe het weer ook moge zijn, weg kan komen van plaatsen,

waar het iemand niet bevalt.

Maar dahabiehs liggen niet binnen het bereik van alle beurzen; naar

het aantal der personen, die te zamen reizen, kosten ze van tien tot

vijftien duizend francs per maand, met alle kosten inbegrepen. Als

men met z'n achten of tienen is, is het niet te veel; is men maar met

twee, dan wordt het te duur en als men alleen is, hetgeen ook voorkomt,

zelfs in Egypte, is het te duur en ook te eenzaam.

Gelukkig, dat de beroemde Cookdienst bestaat met zijn toeristenbooten

tusschen Kaïro, Luxor en Assoean. Er zijn expressbooten, die

minder duur zijn en een kortere reis maken. De toeristenbooten

zijn zeer populair en verdienen het te zijn, want het is werkelijk

onmogelijk, zich grooter comfort voor te stellen. De Ramses, de

Ramses III en de Ramses de Groote, die dezen dienst verzorgen,

zijn prachtige stoombooten, in niets gelijkend op de paketbooten

van de oceanen. Hun diepgang is zeer gering, nauwelijks een meter,

geloof ik, en de geheele bouw ligt ver boven het water als een

groot huis met drie verdiepingen. Buiten de slaapkamers, de eetzaal,

de bibliotheek, de rookkamer, is er op het dek juist in het midden

van het schip en over de geheele breedte een heerlijke ruimte, die

een groote hall vormt. Tafels, leunstoelen, sofa's, groene planten,

mooie oostersche tapijten maken die hall tot het meest geliefde plekje

voor de reizigers.

Daar komt men samen na de maaltijden om er de koffie te gebruiken;

de afternoon tea wordt er gepresenteerd; men babbelt er, speelt er

kaart of doet er aan muziek, terwijl de oogen, als ze willen, de

mooie oevers van den Nijl kunnen volgen. Als de avonden koel zijn,

worden groote tentzeilen neergelaten rondom het geheele dek, en zoo

verkrijgt men een reuzensalon, vroolijk verlicht door een menigte

electrische lampen en waar gedanst kan worden. De tafel aan boord is

overvloedig en uitstekend.

Overal waar iets belangwekkends te zien is, houdt de boot stil,

en ezels en gidsen, zoo noodig draagstoelen, wachten de reizigers,

en dat alles is in de kosten van het plaatsbiljet inbegrepen. Sedert

enkele jaren hebben de heeren Cook niet meer het monopolie van

de Nijlbooten. De Anglo-American Nile Co. heeft een op den hunnen

gelijkenden dienst en die ook niets te wenschen overlaat uit het

oogpunt van comfort en inrichting. De prijzen zijn dezelfde en wisselen

al naar gelang van de hut van 1000 tot 1500 francs voor een reis van

drie weken.

Het belangrijkste personnage aan boord is de drogman, die de

tochten regelt en in verschillende talen alle gewenschte inlichtingen

geeft. Laat mij u enkele aanteekeningen uit mijn notitieboekje geven,

die een uittreksel zijn van wat hij te zeggen heeft en mijn eigen

ervaring vertellen.

Aan boord van de Ramses,

20 December 1904.

Wat een weêr! Is het mogelijk, dat wij in Egypte zijn? De lucht is

zwart en het regent in stroomen. Trots de kapotjas ben ik doornat

geworden tusschen het hotel en de aanlegplaats.

Waarom zijn er geen gesloten rijtuigen in Kaïro? Het is waar, dat de

dagen van zeer slecht weer hier zeldzaam zijn; maar ze komen voor en

van tijd tot tijd doet de winter zich eens gevoelen. (Men moet niet

vergeten, dat de winter van 1904 op 1905 zeer streng was en dat er

sneeuw viel, zoowel in Algiers als in Tunis). Na prachtige dagen van

zonneschijn gevoelt men het verschil dubbel, en men moet daarom niet

naar Egypte gaan zonder warme winterkleêren. Het is een verfoeilijk

klimaat voor borstlijders, ten minste Kaïro is dat, omdat er teveel

stof en vuil is. Iemand, die er lang gewoond heeft, zei mij, dat hij

het een misdaad oordeelde, een borstlijder erheen te zenden. Dit jaar

is er veel mist in Kaïro. Men beweert, dat het klimaat verandert, dat

de bevloeiingswerken en de in grooten getale aangeplante boomen den

regen aantrekken en de vochtigheid, die eertijds onbekend waren. De

Turken zeggen, dat het van de engelsche bezetting komt, die nevels

en influenza heeft meegebracht.

Bij de aanlegplaats word ik bestormd door een menigte Arabieren, die

allen beweren, dat zij mijn bagage naar de boot hebben gebracht. Ik heb

twaalf stuks, en ze zijn met hun veertigen! Ze zijn onverdragelijk. Ik

zou trek hebben, hun stokslagen toe te dienen.

Met al de vlaggen doorweekt en slap, heeft de Ramses zich droevig op

weg begeven en we laten Kaïro achter, gehuld in een grijzen sluier. Het

hagelt! Op dek gezeten, gewikkeld in groote overjassen, kijken we

naar de vlakke en trieste oevers. Hier en daar schijnen geestdriftige

hengelaars niet te bespeuren dat het regent dat het giet. In de velden

zitten de fellahs bij het gesneden riet, en huiverend gillen zij bij

het voorbijgaan van de boot.

Eén uur. Een uitstekend ontbijt heeft ons getroost en verwarmd,

en daar zijn we bij het station Bedrachein. Van hier gaat men per

ezel naar Sakkarah en de ruïnen van Memphis. Dapper en gewapend met

overschoenen, verlaten wij de Ramses, heeren en dames, en zetten ons

op de ezeltjes. De situatie is zoo belachelijk, en er zijn onder ons

zulke bijzondere typen, dat we allen beginnen te lachen. Naar Egypte

komen, om zich te laten doorweeken en een roode punt aan den neus

te krijgen, dat is toch al te gek. Enfin, nu hebben we dan eens niet

van het stof te lijden.

Twee uren ezelrijdens door overstroomde velden en palmbosschen--het

zou heerlijk wezen, als de mooie zon van Egypte ons bestraalde, maar

helaas! Laat ons intusschen niet onrechtvaardig zijn; zulk weêr als

vandaag is in dit land zoo goed als onbekend. Wij komen op de plek

waar vóór duizenden jaren Memphis moet gelegen hebben, de beroemde

stad, door Menes gesticht, die zoo groot was, de stad namelijk, dat

men een half uur moest loopen, om erdoor te wandelen. Bergjes aarde,

beschaduwd door palmen, zijn alles, wat wij er nu op een afstand van

zien! Eer we er zijn, gaan we voorbij de reuzenbeelden van Ramses II,

onder palmen op den grond uitgestrekt en meer dan acht meter hoog.

Daar zijn we eindelijk vóór een huisje met een groot modern

terras. Hier woonde Mariette, de beroemde fransche Egyptoloog, die in

1851 het graf van den Apisstier ontdekte en later de groote necropolis

Sakkarah. Mariette, die gedurende dertig jaren de opgravingen in Egypte

leidde, die de geheele oude beschaving deed herleven en meer deed

dan iemand anders, om licht te verspreiden over de historie van Egypte.

Apis was de heilige stier, dien de bewoners van Memphis aanbaden,

juist als men in andere steden van Egypte honden, katten en zelfs

krokodillen aanbad. Over smaken en gewoonten moet men maar niet gaan

twisten. Nu zijn in Memphis de graven der heilige stieren beroemde

monumenten geworden, die men moet gaan zien; ieder graf heeft zijn

eigen kapel. De geschiedenis leert ons, dat Apis uit een koe werd

geboren, die toen ze een kalf zou baren door een bliksemstraal werd

getroffen en Apis ter wereld bracht, geheel zwart, met een wit teeken

op het voorhoofd, de teekening van een arend op den rug en dubbele

staartharen. In onze dagen zou men Apis naar Barnum sturen ... vroeger

maakte men er een god van.

Maar daar zijn we gekomen aan de doodenstad. De necropolis van

Sakkarah is acht kilometer lang en anderhalven kilometer breed, en die

onmetelijke uitgestrektheid is overdekt met de vreemdste monumenten. Er

zijn in die opeenhooping van ruïnen echte meesterwerken. De

gebeeldhouwde reliëfs en ook de geschilderde zijn interessant; zij

stellen het geheele leven voor van dit groote volk en laten ons zien,

hoe dertig eeuwen geleden gezaaid werd en geoogst, hoe men booten

maakte en meubels, hoe de maaltijden werden bereid en hoe de ganzen

werden vetgemest. Ik zeg niets meer dan de waarheid, maar ik heb een

aardig reliëf gezien, waarop een naakte heer met volle handen de dieren

voederde, die de smakelijke ganzenlever fourneeren. O Straatsburg,

gij, die geen basreliëfs hebt, om uwe industrie te illustreeren,

waardoor ge heden beroemd zijt, wie zal er aan u en uw _paté de foie

gras_ denken over zes duizend jaren? Volg mijn raad, oude stad in

den Elzas, en laat basreliëfs maken. Laat Memphis u tot voorbeeld

strekken! Stormenderhand door Cambyses ingenomen in 525 vóór Christus,

bezet door de Perzen, verwoest door de Christenen onder Theodosius,

met den grond gelijk gemaakt door de Muzelmannen en God weet welke

ervaringen nog meer doorgemaakt, en toch ondanks dat alles zijn de

basreliëfs gebleven en toonen ons in het jaar onzes Heeren 1905,

hoe men in Memphis ganzen vetmestte.

Het moderne Egypte: Wat er te zien en te hooren valt tusschen Kaïro en Faschoda De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 2 / 9 题