IV. MET DE MAAIERS.

Luid ratelt de maaimachine door ’t hooiland. De zwaluwen zwermen er om

heen en vinden een gemakkelijke en rijke buit in ’t gewriemel van de

wolken van vliegen en mugjes, die uit het vallend gras worden

opgeschrikt. Boven de zwaluwen staan hoog in de lucht de jammerende

kievieten, grutto’s en tureluurs, die hun jongen bedreigd zien, of die

zelfs nog een laat legsel te bebroeden hebben.

Wij maken het dien vogels niet gemakkelijk. Tot den eersten Mei mogen

ze volgens de wet van hun eieren beroofd worden, en als ze dan goed en

wel eindelijk rustig opnieuw een poging meenen te kunnen wagen, komt

die maairamp. Geen wonder, dat dan velen het opgeven en die trekken dan

naar de duinen en heide, om daar nog eens opnieuw een kansje te wagen.

Zoo komt het dan, dat wij menigmaal in de Julimaand de kieviet of de

grutto nog broedend vinden op hooge heete duinhellingen. Maar het

ergste is nog, dat de honderden van jonge vogels uit hunne

schuilplaatsen worden verdreven en zoo zij al niet vernield worden door

zeis of maaimachine, gevaar loopen van gemakkelijk overweldigd te

worden door roofvogels, hermelijnen, bunsings, ratten, egels en

spitsmuizen, om niet eens nog te gewagen van de boerenkatten of

schijnheilige ooievaars.

Dat is allemaal heel treurig, maar er is weinig aan te doen. ’t Is

onvermijdelijk, dat de beesten in ’t gedrang komen. Je zoudt eigenlijk

een soort van vluchtheuveltjes moeten aanleggen, waar de maaier niet

komen mocht.

De Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten probeert zoo iets. Zij

heeft op ’t eiland Texel in het midden van den rijken hooipolder Waal

en Burg een stuk hooiland gekregen, groot zeven hectaren. Daar wordt nu

pas gemaaid, eenige weken nadat de rest van den polder gemaaid is,

zoodat gedurende dien tijd alles wat op de kale velden zich onveilig

waant, bij ons een schuilplaats vinden kan.

Verleden zomer ben ik daar eens gaan kijken. Ons stuk lag nog in rust,

maar overal elders in den polder waren ze druk aan ’t hooien. Het was

een lust, om nu in „De Steert”, zoo heet ons bezit, naar jonge vogels

uit te zien. Het zat er letterlijk vol van. In iederen vierkanten meter

vond je een jonge vogel weggedoken; meeuwen, sterntjes, kievieten,

tureluurs, grutto’s, kluiten, pleviertjes, kemphanen (54), van heel

jong af tot bijna vlug. De ouden kwamen ze behoorlijk opzoeken en

voeren. Aan den oever van een plas, vlak in de buurt dartelden al

eenige honderden jongen rond, die al op eigen beenen konden staan en

met een week of drie hun eerste reis naar verre streken zouden

aanvaarden.

Natuurlijk is het voor die waadvogels en zwemvogels nog al gemakkelijk,

om aan het gevaar te ontkomen; ze kunnen loopen, zoodra ze uit ’t ei

komen, of ten minste een korten tijd daarna. ’t Komt er dus alleen maar

op aan, of er een veilige schuilplaats in de buurt is.

De leeuweriken, piepers en kwikstaartjes hebben het echter moeilijker

en daarvan gaat ook menig broedsel verloren. Intusschen heeft men

waargenomen, dat bij ’t naderend gevaar de oude vogels met hutje en

mutje verhuisden en heel cordaat hun jongen wegsjouwden naar betere

oorden. Wie in de gelegenheid is, om dergelijke avonturen bij te wonen,

moet niet verzuimen er op te letten.

Natuurlijk hebben de planten nog meer van ’t maaien te lijden dan de

vogels, doch daar denkt niemand om. Toch heb ik wel eens spijt, als ik

de mooie hooge ganzebloemen (89) zie vallen en de blauwe

ooievaarsbekken.

Gelukkig zijn de meeste er op berekend, om zoo’n zomerschen tegenspoed

te boven te komen. Sommige hebben juist tegen dien tijd hun zaden

gerijpt, andere hebben het voornaamste deel van hun lichaam onder den

grond en vervangen het afgemaaide gedeelte weer door nieuwe spruiten,

’t zij nog in denzelfden herfst, ’t zij in ’t volgend voorjaar.

De schok van de machine, de stoot van de zeis rukt de bepluisde

vruchten los van paardebloem (36) of boksbaard (97) en op hun groote

parachuten zweven die zelfs met het zachte zomerkoeltje nog honderden

meters ver en kunnen juist op de afgemaaide plekken gemakkelijk den

grond bereiken, waar hun zaden zullen ontkiemen.

De paardebloem is ieders vriend, de konijnen smullen van zijn sappig

lof, leverzieke menschen eten zijn molsla op hoop van beterschap,

kinderen maken kettingen en krulstukken van zijn stengels, allerlei

gedierte gaat te gast op zijn bloemen. Alleen het proper renteniertje

verwenscht de plant, omdat hij hinderlijk wordt in ’t gave gazonnetje

van den tuin. Om dezelfde reden haat hij de smalbladige weegbree (90).

Maar meer nog houd ik van de boksbaard (97), hoofdzakelijk alweer, om

de herinnering aan mijn kinderjaren, maar toch ook wel om zijn

botanische eigenschappen. Toen wij jongens waren van een jaar of tien

hadden wij nog al eens reden, om ons te beklagen over de hardhandigheid

van ouders of onderwijzers, die ons meestal verkeerd begrepen. Zij

meenden het niet te mogen billijken, wanneer wij eens in een speelsche

bui een heusche ezel in de school dreven of wanneer wij op ons eigen

houtje wegbleven van catechesatie. Dat liep dan meestal uit op

strafwerk of vermaningen, of op wat wij altijd nog het beste begrepen

en waardeerden: een flink pak slaag.

Daartegen kwamen wij dan weer in verzet en wij stichtten een soort van

club, om vrij te leven en onafhankelijk van onze ouders in ons

levensonderhoud te voorzien. We wilden ons eigen kostje ophalen en in

den zomer ging dat ook tamelijk wel en hielden we reusachtige

maaltijden van aardappelen, gebraden onder de asch, wilde aardbeien,

min of meer toebereide paling, die we zelf hadden gevangen, en ook heel

veel boksbaard.

Die noemden we toen geen boksbaard, maar koekoeken en wij aten de heele

plant, rauw. De melkrijke wortel werd van zijn zwarten schil ontdaan en

de jonge malsche zijtakken waren al dadelijk eetbaar en smaakten

overheerlijk, zoet en sappig en geurig. Ik geloof eigenlijk, dat de

boksbaard ook wel echt als groente gekweekt is; in ieder geval is hij

zeer na verwant aan de schorzeneeren. Bij Grave groeide hij veel,

zoover de vette Maasklei reikte en we hebben er honderden van

opgepeuzeld; met de gepiepte aardappelen was het de voornaamste spijs

in onze rooverskeuken.

Natuurlijk is onze club verloopen, zooals ’t met alle clubs ten slotte

gaat. Ook hebben onze ouders nooit gemerkt, dat we buitenshuis veel

aten; er kon altijd nog wel meer bij. Doch nu, bijna veertig jaar

later, peuzel ik nog dikwijls een versch spruitje van onze oude

koekoeken op.

Ik ben anders niet zoo heel erg meer ingenomen met het kauwen van

grassprietjes, het eten van graankorrels uit de aar en dergelijke

liefhebberijen. Het is namelijk bij die gelegenheden mogelijk, dat je

schimmelkiempjes in je krijgt, die zeer gevaarlijke ontstekingen teweeg

kunnen brengen. Je krijgt dan een soort van veeziekte, die

straalschimmel heet en dikwijls een doodelijk verloop kan hebben.

Vergenoeg je daarom maar liever met de gebruikelijke eetwaren.

Ook zonder al die snoeperij is de boksbaard nog altijd een weideplant

van den eersten rang. Zijn stengels en bladeren, knoppen en bloemen, ze

zijn allemaal even mooi van vorm en kleur. De open bloem is veel

levendiger dan de paardebloem, doordat het aantal der afzonderlijke

bloempjes niet zoo groot is, terwijl de donkere meeldraden mooi

afwisselen met ’t helder geel.

En ’t aardigst van alles is wel de omstandigheid, dat de bloem alleen

open is gedurende de morgenuren; na twaalven vind je maar zelden nog

een open boksbaardbloem. Hij heet dan ook zeer gepast „morgenster” en

de Engelschen noemen hem: „John go to bed at noon” of ook wel „nap at

noon”, wat je zoudt kunnen vertalen door middagdutter.

Waarom die bloem zich nu zoo gedraagt, dat weet niemand, ’t is alweer

een van de vele duizenden bijzonderheden uit ’t leven der bloemen, die

wij nog hebben te onderzoeken. ’t Komt er alleen maar op aan, om de

zaak op de goede manier aan te pakken. Doch er is geen enkele winkel

waar ze eieren van Columbus verkoopen.

We zien nog eens uit naar andere hooge bloemen, die moeten vallen onder

de zeis. In de allerbeste weilanden, die de hoogste pacht opbrengen,

staan de minste mooie bloemen; ’t is daar voor meer dan 90% gras, en

dat is maar goed ook. De middelsoort hooilanden echter zijn al bonter

en als die bontheid afkomstig is van klaversoorten, of wikken dan is

zij nog zeer welkom.

Wat is die vogelwikke (69) een prachtige plant met zijn fijn verdeelde

bladeren en de rijke trossen van paarse vlinderbloempjes.

Een van mijn allermooiste herinneringen is die aan een ritje in den

regen, dat ik verleden zomer deed langs een hoogen dijk op Texel. ’t

Was vlak voor den hooitijd en de hooilanden van Westergeest waren op

zijn mooist: geel van de boterbloemen, rood van de zuring maar bovenal

blauw van de wikke, zoo diep blauw, dat ik moest denken aan de

bloemenpracht van Zwitserland.

Ik ben toen naar den eigenaar van dat hooiland gegaan, om hem te

vragen, wat voor wikkesoort hij daar gezaaid had, of wat voor

kunstgrepen hij had verricht, om ze zoo mooi te krijgen, doch kreeg tot

mijn groote vreugde geen ander bescheid, dan dat het de gewone

vogelwikke was en dat het land geen enkele bijzondere bewerking had

ondergaan. De edele vochtige Texelsche lucht, de zon, die daar door

geen rook of stof wordt verduisterd, hadden die bloemen hun diepe tint

geschonken. Zelfs de kleine gele klavertjes, steenklaver en hopklaver

(30) maken daar nog een heel dappere vertooning.

Ook het gedoornd stalkruid (71), dat nu juist niet zoo’n graag geziene

gast in de weiden is, heeft er veel mooiere en kleuriger bloemen. Wie

dat niet gelooven wil, moet het zelf maar eens gaan zien, ge behoeft

niet te denken, dat ik Texel voorspreek want ik ben eigenlijk een

Limburger en houd dolveel van ons heele land, Noord, Oost, Zuid en

West.

In Oost-Nederland geven de weiden op plantkundig gebied wel eens

verrassingen. In Limburg langs de Maas vond ik heele weiden bedekt met

mooie langstengelige sleutelbloemen (19) en met Haarlems klokkenspel

(68), dat hier veel meer de klokjesvorm vertoonde dan bij Haarlem, want

zijn bloempjes waren enkel. Elders weer groeit de mooie

weide-ooievaarsbek, die wel een meter hoog wordt en in Juli zijn rijpe

zaden ver in ’t rond slingert, of ook wel de salie (81) met zijn mooie

blauwe mecaniekbloemen.

Dat is weer een bloem, om mee te spelen, maar ook om je over te

verwonderen. ’t Is een lipbloem, dus familie van de doovenetel, en de

hondsdraf. Nu hebben die lipbloemen of labiaten in den regel vier

meeldraden, maar die salie heeft er twee en dan nog heel gekke. In

plaats van een gewoon gevormde helmknop, draagt iedere helmdraad een

soort van wip. Op ’t eene eind van die wip zit een goed,

stuifmeelhoudend helmknopje, aan ’t andere eind is niets anders dan een

kleine verdikking of verbreeding.

Nu komt er een hommel om honig. Hij steekt zijn kop in de bloem, want

hij moet nog al ver reiken, om met zijn langen tong den diep liggenden

honig te bereiken. Doordat hij buitengewoon vlijtig is en ook min of

meer zwak van gezicht, heeft hij geen erg in de onderstukken van de wip

en daar bonkt hij nu op zijn onbeholpen hommelmanier tegen aan. De wip

gaat nu wippen met dit gevolg, dat ’t andere uiteinde, dat met ’t

stuifmeelhoudende helmknopje, uit de bloem naar voren wipt en naar

beneden en ten slotte met een vaartje terecht komt op den harigen rug

van den hommel, die zoodoende met stuifmeel wordt bepoeierd.

Al die Saliehommels krijgen zoodoende bestoven ruggen. Intusschen

groeien ook de stijlen van de bloem uit, die worden heel lang en

boogvormig zoodat de stempels juist komen te staan midden voor den

ingang van de bloem, precies waar de hommel langs moet schuiven als hij

naar binnen wil.

Zoo krijgt dan die stempel stuifmeel in overvloed, de zaden kunnen zich

gaan vormen en de salie kan zich uitzaaien. Toch komt de plant nergens

in grooten overvloed voor, ’t is, of de kiemplantjes geen gelegenheid

hebben, om zich behoorlijk te ontwikkelen. Erg is dat niet, want ik

geloof niet, dat ’t vee bijzonder belust is op die droge bittere

kruiden.

Als al die mooie bloemen in vollen bloei staan, dan dansen op

windstille dagen duizenden vlindertjes boven de bonte wei. Zoo gauw het

een beetje waait, of erger nog, als de regen gaat striemen, dan zijn ze

opeens verdwenen.

Wie dan eens gaat zoeken, kan aardige dingen te zien krijgen. Wij zijn

eigenlijk veel te veel geneigd, om bij „leelijk weer” in huis te

blijven. Eigenlijk bestaat er geen leelijk weer, vooral niet voor

gezonde en frissche jongelui, die zich verheugen in ’t bezit van goede

klompen of waterdicht schoeisel.

Misschien is dat ook niet eens noodig. Een nat pak hindert niet.

Wanneer je maar weer bijtijds een droog pak kan aantrekken na je ferm

te hebben afgewreven zijn een aantal natte pakken op den duur zelfs te

verkiezen boven nooit heelemaal geen nat pak.

De vele honderden gietbuien, die al over mij zijn uitgestort, hebben

mij nooit gedeerd. Wel ben ik doodziek geworden, toen ik eens een

winter bijna niet buiten kwam en aldoor maar binnenshuis hard zat te

werken tot laat na middernacht. Toen ik weer beter was, waarschuwde de

dokter mij, dat ik weer zou instorten, als ik nat regende.

Natuurlijk kreeg ik toen een week daarna een gietbui te verduren,

terwijl ik rondwandelde tusschen de beide Slufters, ergens op het

Texelsche strand, een uur ver van de naastbijzijnde woning. Ik schrok

wel een beetje, doch stapte maar gauw naar De Koog, dronk een paar

koppen heete thee, leende een droge jekker en liet me vlug naar Den

Burg rijden. Uitkleeden, afwrijven, Zondagsche pak en klaar was Kees.

Alleen keken mijn vrienden de Texelaars een beetje vreemd, doordat ze

me midden in de week met een gekleede jas zagen rondloopen, dat waren

ze niet van me gewoon.

Na dien tijd ben ik alweer ik weet niet hoe dikwijls kletsnat geregend,

doordat ik de waarschuwingen van den barometer en van mijnheer van

Beukenslot in den wind had geslagen en nog vaker ben ik, maar dan

behoorlijk toegerust, er op uit gegaan, juist, om eens te zien, hoe de

planten en de dieren zich gedragen, wanneer het volgens sommige

menschen „leelijk weer” is.

’t Allereerste, wat je treft is, dat ze om zoo te zeggen lang niet zoo

gauw hun paraplu opsteken als wij, enkele fijngevoelige uitgezonderd.

Als ’t volgens ons vrij hard regent, is ’t voor hen nog mooi weer.

De eereprijsjes houden nog lang hun blauwe kijkertjes open, zonder te

knipoogen. De hommels en bijen gaan onverstoorbaar hun gang en vogels,

die aan ’t zingen waren, zingen lustig voort; er zijn er wel, zooals de

zanglijster, de merel en de groote lijster, die tegen de bui in al

luider en luider gaan zingen.

Als ’t nu wat lang aanhoudt, komt er verandering. Het eerst gaan de

vlindertjes schuil en alleraardigst is het, om te zien, hoe slim ze

zich weten te beschutten. De mooie blauwtjes (117) en de gele

hooibeestjes (128) vinden al voldoende beschutting door aan de lijzijde

van een grasblad te gaan zitten, hun vleugeltjes stijf omhoog tegen

elkaar gedrukt. Ze zijn dan zoo smal als een mes en schuilen letterlijk

tusschen de droppels.

Andere zoeken het wat dieper, en als er langs de wei hagen of boschjes

te vinden zijn, dan fladdert alles daarheen om aan den drogen kant van

boomstammen of takken of onder de groote bladeren van klis en wilde

zuring een schuilplaats te zoeken. Je vindt dan heel vreemde gezellen

bij elkaar.

Ik weet altijd wel een stuk of wat hommelnesten en wespennesten (125)

en amuseer mij dan dikwijls met toe te zien, hoe in een flinke regenbui

alles holderdebolder naar ’t nest komt vliegen. Heele troepen

geel-met-zwarten komen dan uit de lucht vallen, meer dan er in eens

door ’t vlieggat naar binnen kunnen gaan en dan krijg je voor den

ingang een formeel gedrang van kletsnatte werkstertjes.

Eindelijk houdt het op, maar dan zijn ze nog niet allemaal binnen; wie

wat te ver van huis door de bui overvallen zijn, zitten dan in

gezelschap van allerlei lotgenooten uit te blazen onder het klissenblad

in de heg. Daar zitten nu de vlindertjes van de wei, de zandoogjes en

de knollewitjes (12) broederlijk naast vlindertjes van de heg, de

hagedoornvlinder (137) en ’t gele distelvlindertje (136). Als je nu

rondkijkt in de wei, dan is er veel veranderd. Madeliefjes en

paardebloemen hebben zich gesloten, de pinksterbloemen hebben hun

nachtstand aangenomen, de eereprijsjes hebben ook hun bloemsteeltjes

gebogen en de bloemkroontjes van den derden dag zijn door den schok van

de regendroppels afgevallen.

Merkwaardig is het, dat maar heel weinig planten nat worden. Het blijkt

nu, dat de meeste een oliejasje dragen of een harig kleed, waar ’t

water wel in droppels aan kan blijven hangen, maar bij ’t minste

stootje wordt afgeschud. Haast iedere plant heeft daarvoor zijn eigen

maniertje.

De vogels, die eieren of jongen hadden, zijn bij ’t feller worden van

de bui dadelijk naar ’t nest gesneld. Daar zitten ze nu, den kop

ingetrokken, de borstveeren een weinig naar voren geheven, de vleugels

even afhangend en zoo vormen ze een volmaakt dak, waarlangs de regen

afgudst, op veiligen afstand buiten het nest.

O, dat is zoo mooi. Is de bui niet al te streng, dan zitten ze nog

gelaten rond te kijken, maar als ’t hagelt, dan knippen ze met de

oogen, of ze doen hun oogen heelemaal dicht. Je ziet dan de

hagelkorrels veerkrachtig terugspringen van hun veeren. Er zijn er wel,

die zich laten doodhagelen op ’t nest, andere geven het eindelijk op en

nemen de wijk, en dan sterven de jongen een ijzigen dood. Toch is ’t

zoo ’t beste, want dan kan de oude vogel, als ’t nog tijd is, weer een

tweede broedsel grootbrengen.

Zoo gauw de hemel opklaart, komen alle vluchtelingen weer voor den dag.

Op stille plekjes kan het dan wemelen van vlindertjes, al heb ik dat in

ons land dan ook nog niet zoo mooi gezien als op sommige Zwitsersche

weiden, waar heel dikwijls meer vlinders dan bloemen zijn, en dat wil

heel wat zeggen, want aan bloemen is daar heusch geen gebrek.

Toch kan het bij ons ook nog al schikken, maar die vlindertjes van de

wei zijn op enkele uitzonderingen na lang zoo bont en kleurig niet als

de vlinders van wegzoom en boschkant, zooals de vannessa’s en page’s.

Ze zijn meest bruin en geel van kleur, hun voornaamste sieraad bestaat

hierin, dat ze op de vleugels een of meer ronde zwarte vlekjes hebben

met een wit kerntje in ’t midden, soms ook met een kringetje er om heen

en aan deze bescheiden tooi hebben ze dan den naam van zandoogjes te

danken. ’t Is heusch de moeite wel waard, ze te leeren onderscheiden.

Eén soort is er, die heeft niet minder dan vier duidelijke oogjes op de

achtervleugels en nog twee op de voorvleugels en ’t lijkt ons volkomen

in den haak, dat een zoo veeloogig vlindertje in vele talen den naam

van argusvlinder (106) draagt. Hij houdt van licht en zon en is

waarschijnlijk in verband daarmee meer oranje dan bruin, in

tegenstelling met zijn verwant, het bonte zandoogje (108), die van de

schaduw houdt en somberder van tint is, terwijl hij zich meestal

tevreden moet stellen met niet meer dan een drietal oogjes op elken

achtervleugel. ’t Moet echter gezegd worden, dat de oogjes vaak weer

heel mooi met wit zijn omzoomd.

De andere zandoogjes moeten het met nog minder oogjes stellen, althans

op de bovenzij van de vleugels. Het koevinkje (104) heeft er nog vier,

op elke vleugel een, soms zelfs tweemaal zooveel, maar het bruine (135)

en het oranje zandoogje (103) kunnen meestal op niet meer bogen, dan op

één oog op elken voorvleugel.

Ik wensch u van harte toe, dat ge al deze zandoogjes eens te zien

krijgt en ge kunt ook wel eens uitkijken naar de rupsen, doch die

houden zich overdag schuil. Ze zijn grijs of groen of okerkleurig met

donkere lengtestreepen, ’s nachts komen ze aan ’t gras knagen en als ze

verpoppen, dan komen ze met het spitse uiteinde van de pop te hangen

aan de onderzijde van een grasblad.

Het meest gewone grasvlindertje is het hooibeestje (128), dat ook bij

de zandoogjes behoort, maar zijn oogjes, één op elken voorvleugel, zijn

meestal alleen maar te zien aan den onderkant van de vleugels. Den

heelen zomer door vliegt dit diertje in de wei, van Mei tot in

September. De rupsen, groen, met donkere zijdestreep, zijn al eerder te

vinden, ze komen in Maart al uit de eieren, die door de

Septembervlinders gelegd zijn.

De hooibeestjes van Mei sterven spoedig, doch dan hebben ze al eitjes

gelegd en daaruit ontstaan de vlinders, die in Augustus en September

vliegen. De vlinders, die in Juli vliegen, zijn wellicht afkomstig van

eitjes van Septembervlinders, die wat laat uitkomen. Zoo krijg je dan

in den loop van een zomer driemaal een versche voorraad hooibeestjes.

Soms vindt ge, al wandelend door het hooiland, een stuk of zes

grassprietjes aan elkander vastgesponnen, vooral de zachtharige

blaadjes van de wollige witbol. Peuter je dat gevalletje open dan

buitelen er een stuk of vier, soms meer koddige kleine rupsjes uit, die

heel grappig naar alle kanten tusschen ’t gras wegkruipen. Misschien

ook vindt ge geen rupsjes maar een klein popje, doch in ieder geval

hebt ge dan te doen met jeugdige dikkopjes (115).

In de groote vacantie komen de vlindertjes te voorschijn, kleine gele

beestjes met een voor dagvlinders nog al dik lichaam. Er vliegen meest

twee soorten, de eene heeft nagenoeg effen gele vleugels met een

zwarten zoom, de andere heeft breede zwarte zoomen om de vleugels en op

de voorvleugel zwarte vlekken; die in den voorvleugelhoek lijken wel op

oogvlekken. Deze laatste vlinder heet ook wel commabeestje (116), doch

ik noem ze maar door elkander dikkopjes en loop ze in de vacantie graag

na van bloem tot bloem. In Mei en Juni zoek ik wel naar hun poppen, om

te kijken of ik nog wel geduld genoeg heb en scherp genoeg kan

uitkijken. Meestal is de uitkomst bedroevend en moet ik het opgeven,

zonder iets te hebben gevonden. Doch als ik er eens eentje vind en zie

hoe verbazend kunstig het smalle popje ingesponnen is in de

grasblaadjes, dan ben ik toch alweer tevreden en vind ik mijzelf niet

zoo’n wanhopigen stumper.

Er vliegen ook groene vlindertjes door de wei en als die gaan

stilzitten, dan zijn ze opeens uit het oog verdwenen. De twee, die ’t

meest voorkomen, zullen wij maar noemen het groote groentje (118) en

het kleine groentje (126); ge vindt ze ’t meest, waar veel

vlinderbloemen in ’t hooiland staan, want daar leven hun rupsen op.

Ge zoudt al licht denken, dat de rupsen van al deze vlinders heel wat

schade in het hooiland doen, doch dat valt nog al mee; ik heb nog nooit

over de blauwtjes, de vuurvlindertjes, de zandoogjes, de hooibeestjes,

de dikkopjes of de groentjes hooren klagen.

Doch er zijn nog wel andere, die een minder goede reputatie hebben. In

huis of in school achter gordijnen vindt ge wel eens een tamelijk

groote vlinder, die er met zijn rechte grijze bovenvleugels in rust

eenvoudig genoeg uitziet, maar als hij gaat vliegen, dan vertoont hij

twee prachtige gele achtervleugels met een breeden zwarten streep er

over heen.

Dit is de huismoeder of geelbanduil (138), je ziet hem ’t meest in

zomer en herfst. Zijn rups is groenachtig bruin met heel mooie schuine

vlekken en die lust zoowat van alles, maar liefst gras. De oude vlinder

legt dan ook zijn eitjes meestal aan de toppen van grasbladeren,

honderden en honderden vlak tegen elkander, zoodat het grasblad er

geheel en al mee bedekt raakt. Als al die eitjes rupsen leverden en al

die rupsen volwassen werden, dan zou de koe er stellig bij te kort

komen.

Toch is deze geelbanduil nog lang de ergste niet; hij heeft een

verwant, de uil van de aardrups en dat is een van de allerschadelijkste

rupsen, die er zijn. Die rups verschuilt zich overdag in den grond,

maar in plaats van dan behoorlijk een dutje te doen, knaagt hij aan de

graswortels en aan de onderaardsche stengels en wanneer de avond daalt,

dan komt hij te voorschijn, om ook nog een groen blaadje te peuzelen.

Gelukkig dat het maaien zelf een middel brengt tegen deze plaag. Zoo

gauw het gras in rijen ligt komen allerlei vogels tusschen het zwad

gebruik maken van de gelegenheid. De torenvalk (113) komt er den heelen

dag muizen (142) vangen. Een boschvogel, de groene specht (114) komt er

de mierennesten uitpikken. De zwarte aaskever (9) komt om larven en

slakken. De roeken (60) leiden er hun kroost heen dat juist vlug begint

te worden. Ook komen heele zwermen jonge spreeuwen (49) opzetten, nog

heelemaal in ’t grijze jongenspak en zonder een enkel sprankje van den

glans, waarmee ze later zullen pronken, terwijl hun ouders al beginnen

het witgespikkelde winterkleed aan te trekken (51). En in de hooilanden

aan den zeekant komen goudplevieren in zomer en in winterkleed (57 en

58), langbeenige grijze grutto’s (59) en wulpen bij twintigtallen

rondstappen over de kaalgeschoren vlakte. Al die vogels zijn trouwe

vrienden van den boer, want den heelen langen zomerdag en een goed deel

van den nacht doen ze niet anders dan insecten en ander schadelijk

gedierte zoeken en verdelgen, zoowel onder als boven den grond.

De Bonte Wei · 第 7 / 9 题