Het hooi is van ’t veld. De lange reepen, waar ’t gras lag te drogen en
de cirkelronde plekken, waar de hooiroken stonden, zijn weer
bijgekleurd, alles is weer effen groen. Haast al te groen, in ieder
geval te weinig bont. Wat verschilt de grasvlakte van Augustus van die
in Mei. In de groote vacantie ziet het weiland er dan vaak ook veel
kleuriger uit dan ’t hooiland, want tong en tanden van de koe ontzien
toch nog altijd meer dan de zeis van den maaier. De koe moet niets
hebben van boterbloemen, brandnetels of distels, die zijn hem te giftig
of te scherp en als de boer ze zelf niet opruimt, dan laat de koe
tevreden toe, dat ze zich in alle weelderigheid ontwikkelen. Ik heb van
de koeien in onze weiden nooit iets anders ondervonden dan
vriendelijkheid en belangstelling. Soms werd die belangstelling wel wat
opdringerig, maar je moet altijd den aard van ’t beestje in aanmerking
nemen en ze beoordeelen naar hun dagelijksch leven. En als je dan
midden in een weiland met koeien gaat zitten teekenen, dan moet je je
niet erover verwonderen, dat binnen tien minuten de heele cavalcade om
je heen komt staan, want ze zijn haast net zoo nieuwsgierig als een
mensch en hebben in hun wei weinig afwisseling.
Ze dringen hoe langer hoe meer op, één schuift zijn witten snoet vlak
langs je oor vooruit en snuift dan eventjes kort en hoorbaar en zoo
hevig dat de bladen van je schetsboek omdwarrelen als in een
wervelwind. Ze hebben allerlei schichtige bewegingen en als je al die
pooten om je heen ziet, dan komt onwillekeurig de gedachte op, dat je
daar wel eens een trap van zou kunnen oploopen, maar daarvoor zijn die
dieren toch veel te goedig en voorzichtig.
Ook zijn ze lang zoo schooierig niet als de Zwitsersche koeien, die je
altijd naloopen, bedelend om zout. De onze hebben zout genoeg, dat zit
in Holland om zoo te zeggen in de lucht, alleen de kalveren, als echte
kinderen, hebben nooit genoeg en die kun je dan wel eens trakteeren,
door ze even aan je hand te laten likken. Maar in ’t Berner Oberland
hebben we ons wel eens met steenworpen moeten verdedigen tegen een
bende geiten, die kwamen om zout en gezelligheid.
Een stier is altijd min of meer gevaarlijk, je moet nooit door een
weiland gaan waar stieren los loopen. Op een keer—’t is nu al haast
dertig jaar geleden—zocht ik naar witte orchideeën in de weilanden
tusschen Muiden en Muiderberg, niet de witte welriekende, maar witte
vormen, albino’s, van de gevlekte orchis. Toen ik niet gauw vond, wat
ik zocht, waagde ik het erop, om ook even een kijkje te nemen in een
weiland, waar een stier liep, ’t was een rood stiertje.
Ik klom het damhek over en ging heel bedaard mijn planten zoeken, net
alsof er geen stier in de wereld was. De stier van zijn kant deed even
argeloos, maar opeens hoor ik een zacht tevreden geloei en toen ik
opkeek begreep ik, dat ik in den val zat; hij was zoo om mij heen
gedraaid, dat mij de terugtocht naar het damhek geheel was afgesneden.
En nu kwam hij op een sukkeldrafje op mij af, keurig netjes loopend,
zijn stevig kopje met de kleine horentjes mooi recht omhoog. Of ik aan
den haal ging, en hij snuivend achter mij aan. Gelukkig was ik nog al
vlug in die dagen en niet bang voor een sloot van drie meter breed en
ik kende daar den weg.
Ik rende dus naar die sloot, vloog er over, kreeg een neusjebloed
doordat mijn plantenbus door de schok over mijn hoofd heenslingerde,
maar had de voldoening goeden middag te kunnen zeggen tot het stiertje,
dat aan den anderen kant tot zijn enkels in den kantmodder was gezakt
en daar nu stond te brullen, terwijl hij met zijn staart de maat
zwiepte. Toen trok hij een voor een zijn pooten uit den modder en ging
heel tevreden wat grazen.
Sedert dien tijd ben ik niet vrij van stierenvrees en ik heb een groote
bewondering voor de boeren en boerenkinderen, die voortdurend met die
woestelingen weten om te gaan.
Rammen zijn al niet veel beter dan stieren, ofschoon niet zoo doodelijk
gevaarlijk. Op Texel liep ik eens, ondanks de waarschuwing van
menschen, die ’t beter wisten, door een weiland, waar een ram stond,
gelukkig een ongehoornde. Ik stapte vroolijk door, met een bloemrijk
boschje in ’t verschiet, toen ik opeens mijn beenen onder mij voelde
verdwijnen en ik lag op mijn rug.
De ram was in volle vaart om zoo te zeggen vlak onder mij doorgeloopen.
Waarschijnlijk echter had hij mijn gewicht overschat, tenminste hij kon
niet bijtijds zijn vaart stuiten, om om te keeren en bovenop mij te
gaan dansen, zooals dat het gebruik bij rammen is. Ik was weer gauw op
de been, rende weg uit alle macht, sprong over een dam met prikkeldraad
en kwam vrij met een paar winkelhaken. Meer griezeligheden heb ik niet
beleefd, maar ’t is zoo al welletjes. Van koeien of kalveren heb ik
nooit anders ondervonden dan plezier en genoegen.
Ik heb respect voor hun plantenkennis. Wat weten ze precies de
lekkerste grassoorten uit te zoeken en als je nu in de groote vacantie
hun weiland bekijkt, dan kun je net zien, wat ze niet lusten. ’t Is
heel kluchtig, hoe ze soms het weiland heel kort afgrazen, maar overal
de boterbloemen (32) laten staan op hooge spichtige stelen. ’t Gekste
is, dat ze diezelfde boterbloemen wel eten, als ze verdroogd tusschen
’t hooi zitten. Of dan echter de giftigheid van de boterbloemen is
vervlogen, dat zou ik niet durven beweren, ’t is even goed mogelijk,
dat de koe de droge kruiden niet zoo goed proeft als de versche.
Distels en doorns kunnen in ’t hooi heelemaal niet gebruikt worden,
daarom worden ze door de landbouwers dan ook uit alle macht bestreden.
Merkwaardig is het, hoe die distels er in slagen, om toch op een
ongenaakbaar plekje of in een verwaarloosd hoekje hun vruchten te
rijpen. Eén is er die zijn toevlucht ’t liefst zoekt op drassige
plaatsen, dat is de kale Jonker of moeras-vederdistel (93). ’t Is een
heel mooie plant, met veel rood en paars door ’t groen van stengels en
bladeren. De stengel is maar weinig vertakt, wordt kaarsrecht wel een
meter hoog en draagt aan zijn top veel mooie, donkerroode
distelbloemen.
De akkerdistel (92) is van veel minder allooi, heeft veel stugger
stengels en kan er naar omstandigheden heel armoedig uitzien. Zijn
bloemen zijn doorgaans bleekpaars, soms donkerder maar ook heel
dikwijls bijna wit. Dit is de meest geduchte distel en zeer moeilijk
uit te roeien.
In zandige streken, zoowel in de duinenstreek als in de heistreken,
groeit veel de knikkende distel (91), die is buitengewoon mooi; zijn
knikkende bloemhoofdjes zijn diep donkerpaars en wel zesmaal zoo dik
als die van de vorige soorten.
’t Is een lust, die distels te zien bloeien en je mag zoo’n bloem ook
wel eens van heel nabij bekijken, al was ’t maar alleen om te zien, hoe
in de bloempjes die pas opengaan het witte stuifmeel uit het
helmknoppenkokertje geperst wordt. Dit laatste kun je nog mooier zien
bij de wammesknoop (94) die in al zijn taaiheid en kriebeligheid wel
wat van een distel heeft, doch een verwant is van de mooie korenbloem.
En wat komen er een insecten op af. Soms zit de heele distelkop vol met
kleurige vlinders en dan lijkt hij in de verte een bloem van een heel
nieuwe soort. Ik heb het wel gezien dat op één enkele speerdistelplant
drie koninginnepages zaten met een parelmoervlinder, twee dagpauwoogen,
vier kleine aurelia’s en een vuurvlindertje. Dat was in den goeden
tijd, toen er nog overvloed van vlinders was. Misschien wordt het nog
wel weer eens zoo.
Maar niet alleen vlinders bezoeken onze distels, het wemelt er ook op
van hommels en allerlei soorten van wilde bijtjes en de knikkende
distel levert geregeld nachtverblijf aan de mannetjes bijen en hommels,
die geen ander nachtverblijf hebben. Ik heb al menig aardig mannetje
buitgemaakt door ’s avonds de knikkende distels af te zoeken.
Tamelijk gauw zijn de distels uitgebloeid; ’t is mij menigmaal
overkomen, dat ik met mijzelf had afgesproken om insecten te gaan
zoeken op de bloemen van een distelveldje en dat ik, als ik er
eindelijk een vrij uurtje aan geven kon, niets meer vond dan grijze
vruchthoofden en geen enkele bloem.
Toch is het wel de moeite waard, om ook dan eens een uurtje bij de
distels te toeven, want nu komen de puttertjes en kneutjes om er de
vruchten te eten.
Puttertjes zijn er in ons land niet veel meer, doch kneutjes in
overvloed en die zijn in de groote vacantie ook nog mooi genoeg. Wat is
het heerlijk een troepje, een heel gezin, al kwetterend te zien komen
aanvliegen, het mannetje nog met fel rood kapje en mooi roode borst, de
anderen in eenvoudiger kleed, maar toch heel mooi met bruine
manteltjes, witte vleugelzoompjes en witte vlaggetjes in de staart.
Onophoudelijk hebben ze elkaar wat te vertellen, terwijl ze rondpikken
in de distelkoppen, zoodat voor elk vruchtje, dat ze er uit halen, om
het te kraken tusschen hun dikke snaveltjes er drie andere de wijde
wereld ingaan, gedragen door het grijze vruchtpluis. Zoo worden de
distels wijd en zijd uitgezaaid en ieder jaar kan de boer van voren af
aan beginnen met ze uit te steken. Nu begrijpt ge meteen ook, hoe ’t
komt, dat tegen hekken en walletjes altijd distelgroepen staan; daar
toch hebben de vliegende vruchtjes de meeste kans van gestuit te
worden.
Het hek geeft altijd verrassingen; ’t is of daar altijd een troepje
planten staat te hunkeren naar een plaatsje in de wei, maar ’t gras en
zijn kornuiten wil hen niet toelaten. ’t Is ook meestal nog al nederig
gespuis: die schooier van een steenraket (95), het herderstaschje, de
heksenmelk (131), het hoefblad, maar ook wel fraaier lieden zooals de
geurige honigklaver (77), de gevlekte doovenetel (82), de pastinaak
(72), de akkerwinde (29), de mooie scabiose (96) of de peen (122) die
zoo graag wordt bezocht door allerlei mooie insecten; ik heb er wel
eens tegelijk een gouden tor, een penseelkever en vele weekschildkevers
op gevonden.
Penningkruid (121), zilverschoon (124) en vijfvingerkruid redden hun
bestaan door vlak bij den grond te blijven; de zeis gaat over hun hoofd
heen. Dat penningkruid kruipt zoo dicht langs den grond, dat zijn
groote gele bloemen haast onopgemerkt blijven, en toch zijn ze zoo
groot als een halve gulden, helder geel, dikwijls met vijf oranje
vlekken ontwikkelen zij zich tot krachtige planten, maar waar de grond
schraal is, daar blijven ze maar dun en spichtig, juist zooals de echte
paardebloem ook doet. Wanneer er gemaaid wordt, dan gaan ze er aan,
maar lang niet heelemaal, want de dikke wortel in den grond bevat
voedsel genoeg, om nog weer wat nieuwe bloeistengels te doen
ontspruiten. Zoo komt het dat drie weken na het hooien het land weer
heelemaal geel van de bloemen ziet.
Iemand, die in zijn tuin een mooi gaaf grasperk wil hebben, staat met
deze planten op een niet al te besten voet, vooral ook, doordat ze nog
al groote bladrozetten hebben die vlak uit op den grond liggen en dus
leelijke plekken vormen in het mollige grastapijt. Het lijkt dan soms
wenschelijk, om ze uit te steken en ’t is werkelijk voor een liefhebber
een heel aardige bezigheid om vlug en handig met een scherp schopje de
rozetten los te steken.
Je zamelt er dan al gauw eenige honderden in ’t uur bijeen en hebt dan
nog meteen de voldoening, dat je de eieren van de kleine grijze slak
blootlegt, die maar al te vaak heel veiligjes hun ontwikkeling
doormaken onder ’t beschuttend dek van de bladrozetten, beveiligd tegen
den onderzoekenden snavel van lijster of spreeuw. Ik heb wat een
plezier gehad, als ik met dat werk bezig was; de zanglijsters,
roodborstjes en heggemuschjes liepen formeel met me mee en betwistten
elkander de mooie glanzige, sappige slakkeneieren.
’t Was ten slotte een heele voldoening, al die rozetten op een hoop te
zien liggen op het gereinigd gazon. Maar drie weken later zag alles er
weer veel erger uit. Want die onthoofde wortels hebben een griezelig
herstellingsvermogen, het zijn echte draken met zeven koppen. Iedere
onthoofde wortel maakt op de wond weer nieuwe knoppen en voor elk
rozet, dat je hebt uitgestoken, komen er een stuk of wat nieuwe in de
plaats. Tegenwoordig laat ik ze dan ook maar groeien; alleen als ze
flinke sterke bloeistengels hebben ontwikkeld, dan pak ik ze daaraan
beet en trek dan de plant met wortel en al uit den grond. Dit is
afdoende.
Toch mag ik die planten graag lijden, als ze me maar niet in den weg
staan. Ze verschaffen nog heel wat honig en stuifmeel aan de bijen, als
er op hei en boekweit niets meer te halen valt en ze hebben ook weer
heel aardige gewoonten van zich te openen of te sluiten, al naar de
gelegenheid van weer of wind of den tijd van den dag, juist zooals bij
de boksbaard.
Behalve het geel van de boterbloem vertoonen de Augustus-weiden nog
ander geel en wel van tweeërlei slag van planten, al naar de manier
waarop ze den zeis van den maaier weten te overleven. Tot de eerste
groep behooren het biggekruid (100), de herfstpaardebloem (99) en de
thrincia (102), tot de tweede penningkruid (121), zilverschoon (124) en
vijfvingerkruid.
De herfstpaardebloem en zijn kornuiten lijken wel wat op de gewone
paardebloem, maar ze missen den mooien, gladden, hollen bloemstengel;
ze zijn grover, harder en meer vertakt. Maar ze zijn even krachtig en
opgewassen tegen allerlei tegenspoeden.
Ze willen wel groeien op iedere grondsoort. Is de bodem vet en
weelderig, dan in ’t hartje, op de manier van de primula’s, waar ze
trouwens ook mee verwant zijn.
In prachtige lange slingers groeien ze tusschen ’t gras, de mooie ronde
groene blaadjes twee aan twee langs den stengel, daar hebben ze dan ook
hun naam aan te danken. Ze leiden een tamelijk vergeten bestaan, door
insecten worden ze maar weinig bezocht en rijpe, kiembare zaden brengen
ze slechts zelden voort. Dat vergoeden ze echter weer, door maar overal
heen te kruipen en wortel te slaan.
De zilverschoon is ook zoo’n kruiper, maar die doet het nog handiger.
Deze plant maakt takken, heel dun en bladerloos, die heel snel over den
grond voortschieten. Alleen aan den top van den „uitlooper” zit een
pruikje van kleine blaadjes. Is hij ver genoeg gekomen, hoe ver dat
hangt van de omstandigheden af, dan gaan die blaadjes uitspruiten, er
komen ook worteltjes, zoodat zich een nieuw plantje heeft gevestigd,
dat op zijn beurt ook weer een aantal uitloopers uit kan zenden naar
alle zijden en zoo ontstaat dan een heel warnest van
zilverschoonplantjes.
De mooi geveerde bladeren zijn vaak zilverwit behaard, vooral aan de
onderzijde; hoe droger en zonniger ze staan, des te witter worden ze en
dan zijn de uitloopers meestal donkerrood. Op vochtige beschaduwde
plaatsen echter blijven bladeren en uitloopers groen; de bladeren zijn
dan meteen veel grooter, maar zulke planten dragen minder bloemen.
Alleen heel onoplettende menschen verwarren die bloemen met de
boterbloem, iemand, die maar een beetje uit zijn doppen kijkt kan
dadelijk bespeuren, dat de zilverschoon verwant is met de aardbei en
daardoor ook met de rozen. Hij is dus van heel hooge komaf.
Wat vinden we nog meer voor bloemen in Augustus en September? Een
partijtje duizendblad (107), met bladeren heel fijn verdeeld, en
bloemenmassa’s die doen denken aan schermbloemen, maar ’t is al heel
gauw te zien, dat we in dit opzicht te doen hebben met zeer
bedriegelijke namaak. Wel staan al de „bloempjes” in hetzelfde vlak,
maar hun steekjes zitten heelemaal niet parapluachtig bij elkaar.
En wanneer je de bloem terdege bekijkt en gaat zoeken naar meeldraden
en stampers, dan krijg je al heel gauw in de gaten, dat elk wit blaadje
een bloempje apart is en dat tusschen die witte straalbloempjes nog
weer heel kleine buisbloempjes zitten, ieder met zijn eigen stampers en
meeldraden. We hebben weer te doen met een lid van de groote familie
der samengestelde bloemen.
Dit duizendblad komt na het maaien in groote menigte te voorschijn;
meest met witte bloemen, maar ook wel met rooskleurige of donkerroode
en die vind ik altijd heel graag. Wat die kleur precies te beduiden
heeft, dat weet ik niet; ik vind roode en witte vlak bij elkander en
kan ook niet ontdekken of de gekleurde soms meer door insecten bezocht
worden, dan de witte. Er zijn nog een heele boel dingen, die we niet
weten.
Nu zie ik weer een groepje bloemen, waar we even bij kunnen gaan
liggen. Het zijn vlasleeuwebekjes(130), vroeger heetten ze „gemeene
vlasbek”, maar dat platte scheldwoord is nu gelukkig uit ons
plantkundig woordenboek geschrapt. Kinderen noemen deze bloemen wel
kanarietjes, om de aardige gele kleur.
Dit zijn bloemen, die als ze zich geopend hebben, nog dicht blijven. De
bloemkroon is tweelippig, de onderlip drukt stijf tegen de bovenlip
aan, het mondje blijft stuurs gesloten. In de plantkunde noemen we
zoo’n bloem „gemaskerd” en als de lippen elkander niet aanraken, dan
zeggen we, dat de bloem „grijnzend” is.
De bloemkroon van onze vlasleeuwenbekjes eindigt in een langen puntigen
zak, een spoor; als we door de bloem naar ’t licht kijken, zien we
duidelijk vloeistof daarin en ’t kost maar weinig moeite, om te
ontdekken, dat we te doen hebben met honig. Nu begrijpen we ook, waarom
die mooie kleine hommeltjes met gelen halskraag en rooden
achterlijfspunt zoo vlijtig deze bloemen opzoeken. Ze pakken onder het
neerdalen al de onderlip, drukken met hun kop onder- en bovenlip van
elkander en steken dan een heel lang tongetje uit, waarmee ze den honig
uit ’t diepst van de spoor kunnen oplikken.
Er komen nog andere hommeltjes opdagen, die hebben een witter
achterlijfspunt en twee gele dwarsstreepen over hun zwarte lijf. Die
pakken de bloem heel anders aan, ze gaan op de spoor zitten, bijten
daar een gat in en krijgen daardoor al de honig, die ze anders nooit
hadden kunnen bereiken, want hun tong is te kort.
Het spreekt van zelf, dat ze zoodoende niet in aanraking komen met
meeldraden of stempel en dus van geen nut zijn voor de bestuiving van
de bloem, daarom worden ze door de plantkundigen dan ook uitgemaakt
voor „inbrekers”.
Het ergste is nog, dat allerlei korttongige snoepers met de brave
honingbij vooraan komen profiteeren van de gelegenheid, om door ’t gat,
dat de aardhommel heeft gebeten, den honig te komen oplikken, die door
de verminkte spoor nog voortdurend wordt afgescheiden. Ook de
smeerwortel (40) heeft veel van inbraak te lijden.
Als ik vlasleeuwenbekjes zie bloeien, ga ik ook altijd zoeken naar
bloempjes met twee sporen of met nog meer, ’t mooiste zijn ze met vijf
sporen, maar die vind je niet zoo heel dikwijls.
’t Is haast alles geel wat we vinden, ook alweer wat mooie agrimonia
(101), met kleine gele rozenbloempjes langs den hoogen rechten stengel
en rijpe vruchtjes die zich met fijne haakjes vasthechten aan onze
kleeren. Aan den slootkant staan hooge planten met veel gele bloemen
die herinneren aan primula’s. ’t Is de wederik (132), een hoog
opgeschoten broer van het kruipende penningkruid. Zijn bloempjes worden
nog al druk door insecten bezocht, vooral door bijtjes; er is een soort
van wilde bijtjes, die een zeer bijzondere voorkeur voor deze bloemen
hebben, waarom, dat weet niemand, maar dat maakt de zaak natuurlijk
dubbel zoo aardig.
Eindelijk wat afwisseling! Aan den waterkant groeit heerlijke geurige
munt (84) met bleekpaarse bloemen, waar de vliegen zooveel van houden
en vlak daarnaast een plantje met prachtige blauwe bloempjes,
zachtblauw en toch helder, de blauwe Godsgenade of glidkruid (80), een
van onze allermooiste plantjes.
’t Is een lipbloem en de bouw van de bloem vertoont veel overeenkomst
met die van hondsdraf of doovenetel, maar de kelk ziet er heel anders
uit, daar zit een heel merkwaardig buitje aan. Daardoor krijgt de rijpe
vrucht ook een zeer bijzonder uiterlijk, de kelk sluit er heelemaal
omheen.
Als nu de zaden goed rijp zijn, dan is de kelk droog geworden en ’t
steeltje waar hij op zit is stijf en veerkrachtig. Stoot je nu even
boven op den kelk, dan splijt hij in tweeën, één stuk valt af en ’t
onderstuk, dat op zijn steeltje naar omlaag was gebogen springt
veerkrachtig terug en schiet dan meteen de vruchtbrokjes weg, zoowat op
de manier van de ouderwetschen blijden, waar onze voorvaderen elkander
zoo dapper mee vernielden, voordat de kanonnen waren uitgevonden.
Nog een ander lipbloempje snappen wij, ook heel mooi blauw, het bekende
bijenkorfje of brunelle (79), dat al de eigenschappen van de lipbloemen
heel duidelijk vertoont en zeer in trek is bij onze oude vrinden, de
dikkopvlindertjes. En hier heb ik nog een andere vlindervriend en
tegelijk een vlinderbloem ook, de blauwe Luzerne klaver, een plant,
hier ingevoerd uit Zuid Europa, maar zoo algemeen verbouwd, dat hij wel
langzamerhand als inlander beschouwd mag worden. Op sommige plekken
langs het Noordhollandsch Kanaal ziet het er in den zomer blauw van en
in de kleistreken worden hektaren bij hektaren ermee bezaaid.
Geen wonder dan ook, dat zich ook reeds volgelingen van deze plant in
ons land komen vertoonen en wel twee buitengewoon mooie vlinders, de
oranje (133) en de gele luzernevlinder (134). Ze houden zoowat het
midden tusschen de witjes en citroentjes, het wijfje van de gele
luzernevlinder is soms zoo goed als wit, en met het citroentje komen ze
overeen, doordat ze juist midden op de vleugel een sterker gekleurd
vlekje hebben. ’t Zal u trouwens met behulp van onze plaatjes geen
moeite kosten, om ze te herkennen, wanneer ge eens het geluk moogt
hebben, ze te ontmoeten. De kans daarvoor is niet zoo heel gering, in
sommige jaren krijg je er nog al veel te zien, in andere jaren minder,
maar na zachte winters kunt ge er altijd vrij stellig op rekenen.
Dit hangt samen met hun levensgeschiedenis. De vlinders vliegen rond in
Augustus en September. Ze leggen dan eitjes en de rupsen, die daaruit
komen, zijn al tamelijk flink uit de kluiten gegroeid, wanneer de
winter invalt.
Dat is voor hen een tijd van beproevingen en gevaren. Ze moeten nu
overwinteren en ’t eenige, wat ze doen, om zich te beveiligen is, dat
ze op een blad of zoo iets een zijden vloertje spinnen en daar gaan ze
dan op zitten. Nu kunnen ze lang zooveel kou niet verdragen, als de
insecten, die hier al van oudsher thuis zijn en die met plezier
gedurende een winter driemaal achtereen bevriezen en weer ontdooien,
zonder er een haartje minder door te worden. Integendeel, bij een
flinke vorst gaan ze voor goed dood.
Nu zou je denken, dat dan meteen de luzernevlinders voor goed
uitgestorven zouden zijn in ons land, maar dat is toch niet zoo. De
vlinders trekken evengoed als de vogels. Iedereen, die buiten wat
oplet, kan daar wel eens wat van te zien krijgen. Ik heb eens op zee
een heele vlucht van gamma-uilen ontmoet en gedurende een donderbui heb
ik duizenden witjes over Amsterdam zien trekken.
Zoo komen in den zomertijd uit verre landen allerlei vlinders hier
terecht, behalve de luzernevlinders, ook doodshoofdvlinders,
windepijlstaarten, kolibrivlinders en distelvlinders.
Wanneer we nu een zachten winter hebben, dan is het mogelijk, dat die
rupsen op hun zijden matje niet sneuvelen. Vinden ze dan bij hun
ontwaken voldoende voedsel—behalve luzerneklaver lusten ze nog een
massa andere vlinderbloemen en er is altijd wel rolklaver (75),
heggewikke (78) of veldlathyrus (76) te vinden—dan bestaat er kans, dat
ze zich verpoppen en dat we dan in den zomer zuiver Hollandsche
luzernevlinders te zien krijgen, hoe langer hoe meer. Zoo zie je meteen
hoe een kleine verandering in het klimaat meteen verandering brengt in
de dieren- en plantenbevolking van een streek.
Er is in Augustus nog al veel insectenleven in onze weiden en doordat
het gras kort is, kun je er genoeg van te zien krijgen, in ’t eene jaar
wat meer dan in ’t andere. Zoo hebben we in het jaar 1910 maar heel
weinig wespen gehad. Ik herinner mij heel goed zomers, dat de maaiers
in de wei en de zichters op den akker ontzettend last hadden van de
wespen en dat ze keer op keer op de vlucht sloegen, wanneer ze per
ongeluk een nest hadden gestoord.
’s Avonds toog dan alleman er op uit, om die wespennesten uit te
branden, maar meestal hielp dat niet veel, doordat ze heel onverstandig
vuurtjes stookten boven op het wespennest, waar de geelrokken maar
weinig last van hadden; misschien vonden ze zelfs de warmte lekker.
Dat er tegenwoordig zoo weinig wespen zijn, moet wel toegeschreven
worden aan de koude in ’t voorjaar en de natte zomers. Daardoor zijn er
ook minder krekels, dat ook echte warmte-vriendjes zijn.
Wat is het heerlijk, op een heeten Augustusdag de krekels (140) te
hooren zingen in de hooge weiden. En wat is het moeilijk ze te zien
krijgen! Ze zitten meestal te zingen, of liever te musiceeren aan den
ingang van hun holen, maar op ’t gedreun van onze voetstappen vluchten
ze haastig naar binnen.
Er zit dan weer niets anders op, dan te gaan liggen in ’t gras op een
plek waar veel van die holen zijn en na een paar minuten, soms pas na
een kwartier, zie je het kleine zwarte duveltje voorzichtig te
voorschijn komen. En zit hij goed en wel in ’t zonnetje, dan gaan de
vleugeltjes over elkaar en je hoort het aardige geluid, een van de
hoogste, die je nog hooren kunt.
Menschen boven de vijftig krijgen hoe langer hoe meer moeite om dien
krekelzang te hooren; dat is geen doofheid, want fluisteren en ’t
tikken van een horloge en al de gewone geluiden van ’t dagelijksch
leven hooren ze nog opperbest. ’t Moet niet prettig zijn, als je zoo de
grenzen van je waarnemingsgebied kleiner voelt worden.
Ik zat eens met een zestiger in ’t koepeltje van Lombok, in ’t
Utrechtsche. ’t Was een echt heete zomerdag, de krekels gingen te keer
als razenden, de lucht was vol krekelgepiep, dat mijn ooren ervan
tuitten, maar mijn metgezel hoorde er niets van. Ik loop nu ook al naar
de vijftig en als ik in Augustus met jongens wandel en geen krekels
hoor, dan vraag ik altijd eventjes of zij ook krekels hooren. Tot nu
toe valt ’t nog al mee, ik hoor ze nog altijd, als de jongens ze hooren
en dat doet me goed.
De sprinkhaantjes (120) houden al evenveel van muziek als de
krekeltjes. In Augustus vindt je in de hooge weiden meestal het
sprinkhaantje met de blauwe ondervleugels en nog een kleiner soortje,
maar ze musiceeren op dezelfde manier. Ze hebben groote achterpooten,
dat is om goed te kunnen springen. Van zoo’n poot zie je duidelijk drie
deelen, er zijn er eigenlijk meer, maar die drie zie je het best. Ze
heeten van buiten af: voet, scheen en dij, de dij is ’t dikst.
Nu kun je met een goede loupe aan den binnenkant van die dij een streep
van fijne stippeltjes zien. Nog meer vergroot blijken dat heel aardig
gevormde harde uitsteekseltjes te zijn en als nu die sprinkhaan
vroolijk wordt, dan strijkt hij met zijn dij langs den vleugelrand en
dan raspt hij als ’t ware een liedje.
’t Is gemakkelijk genoeg, ze dat te zien doen en ’t gekste is wel, dat
ze soms een heele poos met hun poot zitten te peuteren voordat ze een
behoorlijk geluid produceeren. Nu zou ik wel eens willen weten, of ze
tijdens dat peuteren soms ook al geluid voortbrengen, dat wij niet
hooren.
Ik meen van wel. Op een middag n.l. had ik een hagedis in ’t vizier en
amuseerde mij er mee, om toe te zien, hoe dat beest voortsloop tusschen
’t dorre gras, één en al aandacht voor alles wat er in ’t rond
gebeurde. Toen zat ook zoo’n klein sprinkhaantje te stemmen, voor mij
onhoorbaar. Maar de hagedis keek dadelijk dien kant op en als ik de
kleine harpenaar niet aangepord had met een grassprietje, dan had
meester hagedis hem stellig opgevreten.
Daar zou hij een goed werk mee gedaan hebben ook, want die krekels en
sprinkhanen met hun neef de veenmol (139) zijn eerste grasveters en
wortelknagers en kunnen als ze met vereende krachten optreden, de meest
lachende landouwen doen verkeeren in dorre woestijnen.
De veenmol bedrijft zijn kwaad meest onder den grond. Hij heeft een
paar voorpooten, die eenig zijn in de insectenwereld en volmaakt
gelijken op die van den mol. Als ’t er op aankomt, kan hij naar
verhouding van zijn lichaamsgewicht nog beter graven dan de mol zelf en
al ’t kwaad van wortels eten en kiemplantjes verslinden, waar de mol
van wordt beticht, wordt door den veenmol verricht.
De mol (141) doet dus in dubbel opzicht een goed werk door hem in zijn
kraag te pakken. O, dat molletje, wat kan hij ons helpen. Niet alleen
vangt hij de veenmollen, maar ook de vette engerlingen (144), larven
van den meikever.
Als dikke witte wurmen knagen die aan de wortels van ’t gras met hun
harde gele kaken. Is een plekje leeggevreten dan krabbelen ze met hun
zes rare pootjes naar een ander hoekje en zoo gaat dat jaren lang,
totdat ze eindelijk in de herfst gaan verpoppen en als meikever
overwinteren.
Een ander boosdoener is de ritnaald of koperworm, een geelachtige,
dunne harde larve, afkomstig van een kevertje, waar ge stellig wel eens
mee gespeeld hebt. ’t Is een langwerpig grijs torretje, anderhalven of
twee centimeter lang en een halven centimeter breed, nog al plat van
lijf en met korte pootjes. Als je hem pakt, dan houdt hij zich dood.
Leg hem dan op zijn rug en wacht af, wat er gaat gebeuren. Hij wibbelt
heen en weer, buigt zijn borst en kop omhoog, strekt zich dan opeens,
en flap, gaat hij de lucht in. Onderweg keert hij zich om en zoo komt
hij dan op zijn pootjes terecht, om weg te loopen. Deze grappenmaker
heet kniptor (143) en zijn kroost wordt door de boeren nog meer
gevreesd dan de engerlingen. Daarom moeten ze vooral den lieven
leeuwerik in eere houden en zijn dubbelganger den graspieper, want deze
vogeltjes kennen geen grooter genoegen, dan van die harde kniptorren op
te pikken en door te slikken. De larf, de ritnaald, wordt achtervolgd
door den mol onder den grond en van boven komen de spitse snavels van
spreeuwen, roeken en lijsters hem opzoeken.
Tegelijk pakken ze de emelten, dat zijn de larven van de langpoot-mug
(119). Let er maar eens op, hoe die groote muggen, spekdieven noemt ge
ze misschien, op hooge beenen rondloopen door ’t gras en dan telkens
met hun achterlijf een tikje geven tegen den grond. Iederen keer, dat
zij dat doen, leggen zij een eitje en uit elk eitje komt alweer zoo’n
graswortelwegknaaglarve en die heet dan in dit geval emelt.
Wat dat gras al te lijden heeft, is niet zoo gemakkelijk te beseffen:
Tel maar eens op: Veldmuizen, velerlei rupsen, de engerling, ritnaald,
emelt, veenmol, krekel, sprinkhanen, slakken (27) etc. ’t Is eigenlijk
een wonder, dat er nog gras groeit en we kunnen onze helpers niet
dankbaar genoeg zijn. Een van de voornaamste helpers is de mol en toch
houden de boeren niet veel van hem. Hij moest ook andere manieren
aanschaffen, niet zooveel omsmijten en niet het land ongeschikt maken
om gemaaid of beweid te worden. In de Vaderlandsche Geschiedenis zijn
tal van paarden in molshoopen gestruikeld en dat heeft de berijders
menig sleutelbeen en soms het leven gekost; ge kent die gevallen. Maar
nu kun je ook een beetje begrijpen, hoe vaak een gewone koe of een
werkpaard, waar de Geschiedenis niets mee te maken heeft, op die manier
zijn pooten komt te breken. Dat zijn allemaal heel leelijke dingen en
daarom spreekt een boer de jongelui, die uit de stad komen en daar uit
een boek geleerd hebben, hoe verbazend nuttig de mollen zijn, altijd
tegen. En als ze hem vertellen, dat de mol zoo’n kunstig nest maakt met
een kringgang boven, een kringgang onder en allerlei kruisverbindingen
tusschen de kringgangen en het eigenlijke hol, dan lacht hij ze uit en
zegt dat er honderden verschillende vormen van mollennesten zijn en
niet één dat lijkt op die ouderwetsche teekening, dat een verzinsel
was.
En als je van al die verkeerde begrippen bevrijd wil worden, dan moet
je maar eens de wei in.
Jac. P. Th.