III. ALS DE EEREPRIJS BLOEIT.

De mooie blauwe eereprijs (31) komt meestal in bloei omstreeks den

eersten Mei, soms een dagje eerder, soms wat later, maar heel dikwijls

heb ik haar voor ’t eerst gezien juist op den eersten en daar was ik

dan heel blij om, hoewel het niets te beduiden heeft. Ook blijft het

plantje wel doorbloeien tot in September, maar ’t mooist is het toch in

Mei.

’t Is nu, terwijl ik dit schrijf, Januari, maar ik verheug mij er al

op, dat iedere dag ons nader brengt tot de Mei en als ’t eenmaal zoover

is, dan ga ik lekkertjes weer uren lang zitten bij de eereprijsjes,

hetzij in mijn eigen tuin, waar ik ze een eereplaats heb ingeruimd,

hetzij aan den Vechtdijk of aan den Zuiderzeedijk, waar ik groote

plakkaten eereprijs weet te staan vlak bij meidoorns die in bloei gaan

komen. Groote bloeiende meidoorns aan den rand van de eindelooze wei.

Hun laagste takken hangen neer tusschen de graspluimen, zoodat de witte

meibloesem gezellig komt buurten bij boterbloem en vossestaart,

eereprijs en wilde zuring.

Uren lang bij de eereprijsjes. De witte wolken drijven langzaam langs

de blauwe lucht en tusschen ’t groene gras gaat telkens een nieuw blauw

oogje open. Eerst steekt een bleekblauw kegelspitsje uit groene

kelkblaadjes, dat zwelt en opent zich aan zijn top en dan ontrollen

zich de vier kroonslippen zoo snel, dat je de beweging duidelijk kunt

zien, maar altijd is ’t nog een verrassing, dat op eens een groot blauw

bloempje prijkt, waar eerst een bleeke knop was.

En overal in ’t eereprijsveldje zijn de bloempjes aan ’t opengaan. Als

je dat heel mooi wilt zien, ga dan kijken in de morgenuren. Je behoeft

niet zoo griezelig vroeg te gaan, als voor andere natuurverschijnselen

wel noodig is, ’t is al voldoende, als je er bij bent zoo tusschen

achten en tienen. Dan is ook het gras al droog, zoodat je ongestoord

kunt genieten.

Als alle oogjes open zijn, dan zie je, dat ze verschillen; sommige zijn

heel mooi diep donkerblauw, andere bleek, waterig, paarsachtig. Die

donkere zijn vandaag voor ’t eerst open, de andere hebben gisteren hun

beau-jour gehad, gaan misschien vanavond nog eens een keertje te ruste,

maar als ze zich dan weer morgen openen, dan vallen ze al heel gauw af,

hun tijd is voorbij en zoo krijgen ze allemaal hun beurt.

Geur verspreiden die bloempjes niet, maar de groote blauwe plas, die ze

in ’t grasveld vormen, wordt toch opgemerkt door de insecten en

buitengewoon aardig is het, om te zien, hoe gevleugelde snoepers van

allerlei soort de bloempjes komen bezoeken. Nu eens is het een klein

gouden vlindertje, dan weer een graafbijtje, dat pas uit den grond is

gekropen, maar meestal zijn het bonte, blinkende zweefvliegen.

Sommige zien er uit als wespen, andere als de gewone honigbij en ik ken

wel menschen, die ze om dat uiterlijk houden voor heel gevaarlijke

dieren, die ze nooit zouden durven beetpakken. ’t Aardigste is nog wel,

dat de eene, die veel op de honigbij lijkt, zich ook heeft aangewend,

om op bijenmanier te vliegen: hij houdt zijn achterpooten net, alsof

hij daar een heele vracht stuifmeel aan zal gaan meedragen.

Doch ’t is allemaal niets dan looze bangmakerij en als je een beetje

oplet, dan merk je dat hij niet alleen niet steken kan, maar zelfs niet

eens in staat is, om een behoorlijk gebrom ten gehoore te brengen.

Hij heet dan ook gewoon weg „blinde bij” (61), niet omdat hij een bij

zou zijn en niet kan zien, maar om dezelfde reden als de mooie

lipbloem, die zonder zijn bloemen zooveel op de brandnetel lijkt, den

naam van „doovenetel” (42) heeft gekregen. Er is er ook een, die weer

heel veel lijkt op een zwart met wit hommeltje, en die daarom dan ook

hommelzweefvlieg (64) genoemd wordt. Deze zweefvliegen zijn al even

trouwe bloemenvrienden als de bijen; ze eten niet anders dan honig en

stuifmeel. Maar ze nemen niets mee; want hun jongen komen op heel

andere manier aan den kost.

Die van de blinde bij en ook die van bosch-zweefvlieg (62) en

gestreepte zweefvlieg (63) hebben een nog al sombere jeugd. Onder den

naam van „rotjes” leven ze in modderslooten, stilstaande greppels en

ook wel in gootjes, waarlangs in dorpen en op ’t platte land het

afvalwater van de keuken naar de slooten loopt.

Daar zitten ze soms in bij duizenden. Ik weet wel, dat wij als jongens

van een jaar of zes er met taaie vlijt jacht op maakten. Bij honderden

vischten we ze op uit de griezeligste modder, grauwe cilindervormige

diertjes met een soort van staart, die ze heel lang konden maken en ook

weer bijna heelemaal intrekken; later zijn we aan de weet gekomen, dat

’t geen staart, maar een soort van ademhalingswerktuig was.

Als we er een paar honderd van bij elkander hadden dan gingen we er

soldaatje mee spelen. We stelden ze op in rotten van vier, met

officieren en onderofficieren, de muziek voorop, een dikke was de

kolonel, allemaal juist precies, zooals bij het tweede regiment

infanterie, dat in die dagen in onze oogen het allerbeste was, wat er

op de wereld bestond. Ik kan mij niet herinneren, ooit later zooveel

rotjes bij elkaar gezien te hebben.

De larve van de bessenzweefvlieg (65) treft het beter. De oude vlieg

zoekt een plant op, die vol met bladluizen zit en legt dan zijn eitje

midden tusschen die sapzuigers. Als dan de larve uit ’t ei komt, heeft

hij dadelijk zijn voedsel bij de hand, want ’t is zijn natuur, dat hij

zich voedt met bladluizen. Met zijn achterlijf houdt hij zich vast aan

’t blad, met zijn kaken grijpt hij één voor één de bladluizen, die

tamelijk wel niets merken van ’t onheil, dat hen bedreigt, zuigt ze

uit, gooit de leege huiden weg en begint dan van voren af aan. Deze

woesteling heet bladluizenleeuw en vindt een naamgenoot en concurrent

in de larve van de prachtige gaasvlieg (66), een diertje, dat eigenlijk

heelemaal geen vlieg is en met zijn mooie ijle, groene, goudglanzige

vleugeltjes haast te fijn en te mooi lijkt, om zoo maar in ’t wild rond

te vliegen.

Maar laat ons terugkeeren naar onze zweefvliegen en eereprijsjes. Ik

heb al wat uren naar die vliegen liggen kijken en dat niet alleen in

een soort van zomerluiheid, maar heel dikwijls met veel inspanning en

wanhoop. Iedere jongen zal mij begrijpen. We denken tegenwoordig maar

altijd aan vliegmachines en nu is zoo’n vlieg wel een van de meest

voortreffelijke die er bestaan.

Het aardigste is, dat hij, naar ik geloof, veel meer op de

vliegmachines van Blériot en Henriot gelijkt, dan de vogels. Deze

laatste maken met hun vleugels een beweging die heel veel lijkt op

roeien, maar ik heb reden, om te gelooven dat de vliegen met hun

vleugels een snelle draaiende beweging maken, dus zoo iets als de

beweging van een schroef. Ze gaan dan ook mooi vast en gelijkmatig door

de lucht en als ze soms eens op één plek en op dezelfde hoogte willen

blijven dan weten ze dat te bereiken door met de vleugels tegengestelde

bewegingen te maken.

’t Is alleen maar jammer, dat het te vlug gaat, om precies het fijne

ervan te kunnen zien: honderden malen per seconde. Slimme geleerden

hebben wel middeltjes bedacht, om die vliegen hun eigen vliegbewegingen

te laten opschrijven, maar het fijne weten wij er toch nog lang niet

van.

Als nu de zweefvliegen de mooie eereprijsjes zien, blijven ze een

poosje op een kleinen afstand voor de bloem in de lucht zweven, ze

staan dan stil op eenzelfde plaats, maar je ziet de vlerkjes in razende

vaart ronddraaien.

Dan gaan ze langzaam zakken, schuin naar omlaag en ze weten hun machine

zoo te besturen, dat ze precies terechtkomen voor het midden van de

bloem, met hun groote oogen juist vlak voor ’t witte ringetje dat

midden in de bloem het vruchtbeginsel omgeeft. Ze grijpen met hun

pooten de twee meeldraden en kunnen dan met hun dikken slurf de honig

oplikken.

Wie nu eens iets heel moois wil zien, moet die meeldraden van nabij

bekijken. De helmdraden van het eereprijsbloempje zijn maar niet

eenvoudige, overal even dikke rolronde draden, maar heel sierlijk van

vorm, vlak bij de bloem heel dun en weer breeder, waar de vlieg ze

aanpakt.

Daardoor buigen ze onder de lichte greep en het geringe gewicht van de

vlieg zoo door, dat de helmknoppen langs zijn lichaam schuiven, zoodat

hij daar bepoederd wordt met stuifmeel. En als hij dan weer op een

andere eereprijsbloem komt, dan is er alle kans dat hij dat stuifmeel

onwillekeurig afstrijkt op de stempel, die op zijn dunne stijltje juist

tusschen de twee meeldraden in staat en dan kan de inhoud van zoo’n

stuifmeelkorrel door de stijl naar binnen groeien en de kleine

zaadknopjes, die binnen in het vruchtbeginsel zitten, aan den gang

maken, om tot zaden te rijpen.

De zweefvlieg beseft natuurlijk heelemaal niet, wat voor weldaad hij

aan ’t bloempje bewijst. Ook gaat hij wel eens een enkelen keer

verkeerd zitten en ’t gebeurt ook dikwijls genoeg, dat de stempel

zonder hulp van vliegen in aanraking komt met helmknoppen in dezelfde

bloem en dan ontstaan toch ook goede rijpe zaden. Wie er aardigheid in

heeft, kan omtrent den omgang van insecten met bloemen nog menige

belangrijke bijzonderheid opmerken.

Al die lange zomerdagen zijn vliegen, bijen en vlinders met al die

bloemen bezig. Sommige bloemen hebben een bepaald stel van vriendjes,

andere zijn echte allemansvrienden. Op de paardebloem (34) is om zoo te

zeggen ieder tehuis, van de domste vlieg af tot de fijnste vlinder of

slimste bij toe. De koekoeksbloem (70) heeft ’t liefst met vlinders te

doen, de boterbloem (32) is vriendelijk tegenover kevertjes, vliegen en

kleine bijtjes en de orchideeën hebben in hun vreemdsoortig ingerichte

ontvangzaal weer ’t liefst vlinders en hommels.

Lang niet in iedere wei groeien van die orchideeën. Het moet er min of

meer vochtig zijn; ik geloof wel dat de beste orchideeënplekjes lang

niet altijd het meest waardevolle hooiland opleveren. Heel dikwijls

groeien ze in gezelschap van wollegras (48) en dan groeit er ook licht

veenmos en zeggen (39) en allerlei dingen, waar een boer het land aan

heeft.

Ik laat mij echter door die witte vlaggetjes van ’t wollegras gaarne

leiden, want waar dat groeit, vind je dan licht orchideeën en misschien

ook nog aardige addertongvarentjes of zonnedauw. En er is ook kans, dat

daar ringslangen rondkruipen, wat voor den oningewijde wel griezelig

mag lijken, maar den kenner met groote blijdschap vervult.

’t Is maar een kwestie van een paar centimeters hooger of lager,

misschien ook wel van de aanwezigheid van een kleilaag onder ’t veen.

Soms is zoo’n plekje nog niet eens honderd vierkante meter groot, maar

de plantengroei en de dierenwereld is er dadelijk anders dan in de rest

van de wei.

Licht schieten er ook een paar berkjes, wat lijsterbessen en bramen op

en wanneer de oeverzeggen er hoog en dicht genoeg worden krijg je daar

zelfs kans op het allermooiste en minst bekende slootkantvogeltje, de

vroolijke blauwborst (110).

Hij is familie van het roodborstje en staat net zoo parmantig op zijn

veerkrachtige dunne pootjes. Hij heeft een wit wenkbrauwstreepje over

het groote glinsterende oog en zijn borst is prachtig diep blauw met

een wit vlekje er midden in.

In April ontmoet ik hem al op zijn broedplaatsen en als ik hem niet

zie, dan zorgt hij er wel voor dat ik hem hoor, want hij blaast een

heel heldere schetterende fanfare, die geen een vogel hem kan nadoen.

Hij echter kan wel de andere vogels nadoen en amuseert zich er, met te

spelen voor leeuwerik, pieper, kieviet en kraai, al naar hij er trek in

heeft.

Zijn nest zit listig verborgen achter ’t hooge oevergras.

Op zulke plaatsen zwemmen ook, als de slooten niet al te smal zijn, de

vlugge dodaarsjes (111, 112), die op kleine eendjes zouden lijken als

ze maar een staart hadden en als hun zwemvliezen den gewonen vorm

hadden. Hun nest is een hoop rommel op ’t water en als de broedende

vogel onraad merkt, dan glijdt hij er stilletjes af maar verstopt eerst

de eieren onder modder en blaren. Dan duikt hij onder en je moet al

heel knap en geduldig wezen, om wat van hem te zien te krijgen. Er zijn

er veel meer in onze natte landen dan men wel meent, en wanneer ik op

zoo’n nat plekje het kartelblad (83) of de orchideeën ga liggen

bekijken, dan heb ik om zoo te zeggen altijd één oog gericht op het

verschiet der slooten, om zoo mogelijk een blauwborstje of een

dodaarsje te betrappen.

De schoolboeken geven je altijd den raad, om een potloodpunt in zoo’n

orchideeënbloem te steken. Als je dat in goede richting doet, dan komen

twee kleefplakjes van de bloem ermee in aanraking en als je dan ’t

potlood weer terugtrekt, blijven twee stuifmeelklompjes eraan kleven.

Je kunt het natuurlijk evengoed doen met je pink; eigenlijk veel beter,

want de top van een goed verzorgde niet al te dikke pink, lijkt toch

altijd nog meer op een hommelkop dan zoo’n spitse potloodpunt.

Ik doe dat nog altijd met evenveel plezier als dertig jaar geleden. ’t

Blijft altijd verrassend, hoe grif en stevig die dingen blijven kleven

en nog veel mooier en wonderlijker is het, dat onmiddellijk de

steeltjes van die stuifmeelklompjes gaan doorbuigen. Eindelijk gaan ze

niet meer verder en als je dan je pink weer in dezelfde houding van

straks in de bloem brengt, zul je merken, dat dan die stuifmeelklompjes

terechtkomen tegen het kleverig stempeloppervlak en een deel van het

stuifmeel blijft dan daarop vastzitten: de bloem is bestoven.

Veel aardiger dan die pinkgymnastiek is natuurlijk het bezoek van de

hommels zelf. Intusschen moet ik u waarschuwen, dat de eerste de beste

nieuwsgierige er niet op hoeft te rekenen, dit zoo maar eens in de

gauwigheid te zien te krijgen, door even te loopen door een weiland met

orchideeën.

Onze weide-orchideeën, de breedbladige (46), de gevlekte (44), de

harlekijn (43) krijgen soms in geen dagen bezoek van een enkel insect.

Je vindt dan bloeiaren, waarin haast alle bloemen nog ongeschonden

helmknoppen bezitten.

Bij mooi weer en in een hommelrijk jaar heeft een volhardend

onderzoeker echter wel kans, om die stuifmeelplakkerij in zijn volle

glorie te genieten. Er komt een weidehommel aangonzen, regelrecht op de

bloem af. Of de mooie vlekjes op de onderlip hem den weg wijzen naar

den ingang van de bloem? Sommige geleerden meenen van ja, en noemen die

vlekjes het honigmerk. Anderen spreken het tegen en daar kan dan weer

heel genoeglijk over gekibbeld worden.

De hommel gaat intusschen evengoed zijn gang; hij suist tamelijk

onzacht op de bloem neer, steekt twee lange glimmende kaken zoo diep

mogelijk in het zakje, dat aan een van de bloembladen zit, de spoor,

schuurt het weefsel daarvan kapot en gaat dan met zijn lange ruige tong

het sap oplikken. Al dien tijd heeft hij zijn kop juist tegen de

kleefplakjes, de zoogenaamde hechtkliertjes, gedrukt en wanneer hij nu

de bloem verlaat, dan zie je met bijzonder groot genoegen twee

lichtgele stuifmeelklompjes op dunne steeltjes boven op zijn kop staan.

Hij krabbelt naar een volgende bloem, drukt zonder het te willen of te

weten stuifmeel tegen den kleverigen stempel, maar doet tegelijkertijd

weer twee nieuwe stuifmeelklompjes op.

Als hij ergen honger heeft en bloem na bloem bezoekt, krijgt hij ten

slotte een heele pruik van die dingen op zijn kop en dan begint hij er

erg in te krijgen, vooral als er een stuk of zes geplakt zitten midden

op zijn oogen.

Hij heeft dan een heele tobberij, om zijn bol weer schoon te krijgen;

ik heb er wel gezien, die met vier van hun zes pooten uit alle macht

zaten te schrobben en te schuren en het ten slotte toch moesten

opgeven, zich heelemaal schoon te poetsen.

De mooie witte welriekende nachtorchis (45) wordt weinig door hommels,

maar drukker door vlinders bezocht. De lange spoor bevat veel honig,

dat kun je van buiten af wel zien en ’s avonds komen daar de vlinders

op af, aangelokt door den heerlijken geur, die de bloem dan gaat

verspreiden.

’t Is heusch wel de moeite waard, om die orchideeën in potten te

kweeken of een vochtig hoekje in den tuin voor hen in te ruimen. Bij

goede behandeling komen zij ieder jaar weer opnieuw te voorschijn uit

hun merkwaardigen wortelknol, telkens weer grooter en mooier dan eerst,

ik heb daar heel mooie dingen van gezien.

Maar ga mij nu niet al de orchideeën uitgraven, die ge tegenkomt. Aan

één hebt ge genoeg. Het uitgraven lijkt makkelijk genoeg, ja je kunt ze

soms zoo maar met knol en al uit den weeken moerasbodem trekken. Toch

is het dan tien tegen één, dat de worteluiteinden, waar ’t juist op

aankomt, afbreken en dan bloeit de plant wel dat ééne jaar, maar hij is

niet bij machte een behoorlijke nieuwe wortelknol voor ’t volgend jaar

te maken. Wil je ’t goed doen, neem dan een heele zode, twee decimeter

in middellijn, zoodat de plant tot in zijn fijnste deelen ongeschonden

blijft.

Nog veel aardiger is het, ze te kweeken uit het fijne zaad, dat ge in

den nazomer uit de bruine verdroogde vruchten kunt kloppen. Je hebt dan

meteen de voldoening iets te probeeren, wat lang niet iedereen gelukt.

De orchideeënzaden ontkiemen alleen onder bepaalde omstandigheden; zorg

vooral, ze uit te zaaien in grond, afkomstig van ’t terrein zelf, waar

ge de zaden inzamelde en als daar mos groeide, neem dan ook maar wat

van dat mos mee, dat kan nooit geen kwaad, zou mijn grootmoeder zeggen.

Orchideeën zijn niet bepaald zeldzaam, maar toch altijd wel iets

aparts. ’t Is niet te ontkennen, dat wij houden van zeldzame en aparte

dingen en zoolang je daarom de gewone dingen niet verwaarloost, zit er

ook geen kwaad in. Ik ben altijd klaar, om zeldzame planten en dieren

te gaan opzoeken en als ik ze weet te vinden, dan sla ik meestal geen

enkel jaar over, om ze te gaan bekijken in den tijd, dat ze op hun

mooist bloeien.

Zoo doe ik iedere Meimaand een of meer tochten naar de Vechtstreek, om

de zomerklokjes (41) te gaan zien. Ze groeien ook wel vlak bij mij in

de buurt op een weide-eilandje in de Mooie Nel, maar daar staan er

slechts enkele honderden en dat is mij te weinig. Ik houd van

overvloed, van duizenden en millioenen, heele velden van eereprijsjes;

madeliefjes dicht geschaard zoover je zien kunt, boterbloem en zuring

samen één groot vlak vormend van rood en goud en dan weer rij aan rij

van orchideeën, alle rechtop en talrijk als klaverbloemen. Millioenen

graspluimen wapperen er tusschen en er boven, allemaal even frisch en

flink, met ieder uur hooger van gestalte en dieper van kleur. Aan den

slootkant bloeien heele plakkaten van mooie hemelsblauwe

vergeetmijnietjes (67) en de helling staat vol met een kleiner

bloempje, bleekblauw bij wit af, dat door sommige menschen wel valsch

vergeetmijnietje genoemd wordt, maar ’t is niets anders dan de lekkere

veldsla (67).

En waar de breede Vecht door bonte weiden kronkelt, heeft hij over een

lengte van eenige kilometers zijn boorden omzoomd met zomerklokjes. Aan

hooge stengels wiegelen ze in de morgenbries, vijf, zes hangende

bloempjes in een schermpje bij elkaar, roomwit met fijne groene

vlekjes: sneeuwklokjes in zomerkleed. Onze vrienden, de zweefvliegen

dartelen er tusschen door in gezelschap van kleurige hommels. De

bladeren van deze planten zijn donker groen, veel donkerder dan ’t

jonge riet, dat pas zijn eerste linten ontrolt. Donker blad en witte

bloemen; aan de overzijde van de rivier zijn ze ook duidelijk te zien

en ’t mooist zijn ze in een drassig hooilandje binnendijks, waar groote

pollen afzonderlijk staan tusschen jonge waterzuring en bloeiende

oeverzegge.

Hoogstwaarschijnlijk zijn deze zomerklokjes geen oorspronkelijke wilde

planten, maar sierplanten, die sinds overoude tijden uit slotgaarde of

kloostertuin zijn ontsnapt. Ze zijn er mij niet minder dierbaar om.

Integendeel, want evengoed als ze op die enkele plaatsen in Nederland

jaar in jaar uit trots den allerstrengsten winter zich weelderig willen

ontwikkelen, kunnen ze overal groeien, waar de grond maar niet al te

droog is. Bezat ik weilanden, dan zou ik mij niet ontzien, om een paar

hoekjes vol te zetten met deze zomerklokjes.

Ook zou ik de kievietsbloem (47) niet vergeten, ook waarschijnlijk een

ontsnapte tuinplant, een neefje van de trotsche keizerskroon. In

sommige weilanden groeit die bij honderden. ’t Is een heel genoegen, er

tusschen in te staan en toe te zien, hoe de hommels de neerhangende

bloemen opzoeken en hoe ze er in wegduikelen, om den honig te halen,

die in hoekjes van de bloembladen zit.

Die bloembladen zijn prachtig fijn geaderd en gekleurd met plekjes

paars en plekjes wit; daaraan heeft de bloem zijn naam van dambordbloem

te danken. Ook wordt zij wel kievietsei genoemd en dat is nog zoo mis

niet, want de nog niet geopende bloemen zijn werkelijk eivormig.

In plaats van paarse, vindt je ook witte, die zijn niet zuiver wit,

maar de vlekken zijn wel degelijk aanwezig, al zijn ze dan ook maar

flauwtjes groenachtig geel. Zoowel van kievietsbloem als van

zomerklokje zijn de bollen te koop bij den bloemist en duur zijn ze

niet, zoodat je voor een enkelen gulden of zoo je heele leven lang een

verrassend mooi plekje kunt hebben in een doodgewone wei.

Maar als nu eens ergens geen zomerklokjes of kievietsbloemen bloeien,

dan is de wei toch nog mooi genoeg. Alleen de grassen geven je al

genoeg te doen. Een heele massa kinderen en menschen kijken naar de

grassen niet om, omdat ze zoo moeilijk te onderscheiden zijn. Nu zijn

alle dingen net zoo moeilijk, als je ze zelf maken wilt en ik voor mij

zou er heelemaal geen bezwaar in zien, om kinderen van acht of negen

jaar een vijf-en-twintigtal van de meest algemeene grassen te leeren.

Je kunt er ook heel gemakkelijk een verzameling van aanleggen, want ze

zijn prachtig om te drogen; als je maar zorgt, goed ontwikkelde pluimen

te nemen, dan krijg je vanzelf heel mooie, teekenachtige bladen. In ’t

vroege voorjaar hebben we al de beide reukgrassen gevonden, die gevolgd

worden door de vossestaart, die net zoo rond en zachtharig is, als zijn

naam aangeeft. Dit gras bloeit ook wel in de eerste dagen van Mei en al

naar het tijdperk van bloei ziet de staart grijs, paars, bruin of

groen.

Grijs is hij, wanneer uit alle bloempjes de witte stijlen naar buiten

komen, paars wanneer de stijlen zijn verschrompeld en in hun plaats

paarse helmknoppen op fijne witte draden uit de bloem zijn geschoven;

die helmknoppen verschrompelen tot een bruine massa, die afvalt en de

rijpende aar groen achterlaat. Je kunt die verschillende toestanden

vlak bij elkaar aantreffen.

Na de vossestaart komt de timothee, die er wel wat op lijkt, maar

altijd grijs is en tamelijk stijf; ieder apart bloempakje heeft wel wat

van een laarzenknecht. Tegelijk bloeien nu ook de wijdvertakte

pluimgrassen: op natte venige plekken het mooie trilgras, dat we ook

bevertjes noemen; elders weer de zachte pluimen van de dravik of de

mooie groote havergrassen, die eraan te herkennen zijn, dat ze in ieder

bloempakje één of meer geknikte kafnaalden hebben.

De pluimen met de fijne bloempakjes zijn meestal van beemdgras en heel

stellig vindt ge ook de witbol, die in dichte bossen groeit. Hij heeft

zeer zacht behaarde stengels en bladeren en zijn bloempakjes zijn

lichtgroen of bleekrose, soms ook met wat violet er in, bijzonder mooi.

Tegenwoordig heeft dat gras den eerwaardigen naam van witbol, vroeger

werd het „zorggras” genoemd, de landman houdt er niet veel van en ik

heb het ook niet graag in het effen grasperk, want het maakt zulke

onhandelbare proppen, die misstaan in de mooie effen zode.

Zuring (38) zien de boeren ook niet zoo bijster graag, doch ze moeten

er maar aan wennen, want die plant laat zich niet zoo gemakkelijk uit

het veld slaan. Er is eigenlijk geen enkele grondsoort, of er groeit de

eene of andere zuring: aan de waterkanten en op natte plaatsen de

reusachtige waterzuringen, op de schrale zandvlakten het tengere

schapenzurinkje en in de wei de lekkere malsche veldzuring, die ’t

zuurst van alle is.

Als je iemand vraagt, hoe de bloem van die zuring er uitziet, dan

blijft hij gewoonlijk ’t antwoord schuldig. Ja, ’t is iets roods, en al

die roode zuringbloemen geven met de gele boterbloemen dien heerlijken

tint van den vollen zomer op de bonte wei. Maar als ze zoo rood zien,

dan zijn de zuringen meestal bijna uitgebloeid, die roode kleur zit

door hun heele lichaam en hangt weer samen met hun zuurheid en met de

zon, doch ik zie geen kans, om u dat hier allemaal in een paar regels

uit te leggen.

De bloempjes van de zuring zijn maar kleine dingetjes met zes groene

bloemblaadjes. Sommige hebben een zestal meeldraadjes, die heel

gemakkelijk bewegen en hun stuifmeel door den wind laten meedragen,

andere hebben een stampertje met een mooien pluimstempel.

Als ’t vruchtje gaat rijpen, gebeurt er iets aardigs; drie van de

bloemblaadjes gaan uitgroeien en worden zoo groot dat ze elkander

verdrukken en verbuigen. Ze buigen dan naar buiten om en staan met de

omgebogen helften zoo tegen elkander aan, dat ze drie platte lijsten

over het vruchtje vormen, die den dienst doen van vleugels. Als de

plant niet werd afgemaaid, dan zou de vrucht op die vleugels door den

wind worden meegevoerd.

De kneutjes komen uit de struiken en uit de hagen naar de wei om van

die vruchtjes te eten, montere vogeltjes met roode kappen en roode

borstlappen op de roode zuring.

Dat is een van de mooiste tooneeltjes, die ik ooit gezien heb en als ik

ergens veel zuring weet te staan in een streek, waar ook de kneutjes

niet zeldzaam zijn, dan zorg ik er voor, dat ik daar ook niet al te

zeldzaam word, m.a.w. dan loop ik daar als ’t eenigszins kan ’s morgens

tusschen zessen en achten rond, om de roode snoepers te betrappen. ’t

Lukt dikwijls genoeg.

De zuring heeft nog een ander vriendje, waar ik haast net zooveel van

houd als van de kneutjes; dat is het vuurvlindertje (127, 129), het

dartelste van alle vlindertjes.

Wat hebben onze Hollandsche dagvlinders over ’t algemeen toch prettige

namen, namen, die het onvergeeflijk maken, dat je de dieren zelf niet

herkent, als je ze buiten tegenkomt. Denk maar eens aan

parelmoervlinder, dagpauwoog, rouwmantel, zandoogje, blauwtje,

groentje, witje, citroenvlinder, oranjetip, weerschijnvlinder, allemaal

namen, die heel gelukkig aanduiden, hoe het dier er uitziet.

Het vuurvlindertje heeft ook zoo echt de kleur en den gloed van een

kooltje vuur, dat je op ’t eerste gezicht al zegt, dat moet hem zijn en

geen andere. ’t Is precies alsof je een gloeiend kooltje ziet gloren,

onder de asch. Wie een beetje thuis is in ’t Rijks-Museum heeft die

gloed wel gevonden in de brandende turfjes op een paar schilderijen van

Jan Steen; ik herinner mij op ’t oogenblik twee van zijn schilderijen

met van die vuurvlinder-gloeiende-turfjes in een test. De Engelschen,

die anders ook over heel mooie vlindernamen beschikken, noemen ons

vuurvlindertje Small Copper maar dat is lang zoo juist niet, die

vleugeltjes zijn veeleer vuur dan koper, let er maar eens op.

En in ’t vuur liggen weer mooie koolzwarte blokjes, bij sommige meer,

bij andere minder, want dat vuurvlindertje is een heel variabel

diertje. Wie er aardigheid in heeft kan zich een verzameling

vuurvlindertjes aanleggen, beginnende met diertjes waarvan de vleugels

bijna geheel vuur zijn, zonder zwarte vlekjes om te eindigen met

vormen, waarbij zooveel zwarte vlekjes voorkomen, dat ’t vuur er geheel

onder verscholen gaat.

Heel dikwijls vind ik er ook, die op de achtervleugels mooie blauwe

plekjes hebben; verleden jaar kwam er zoo een drie dagen achtereen in

mijn tuin altijd ’s middags tusschen één en drie uur, want die dartele

en vlugge diertjes hebben soms zeer vaste gewoonten. Het moet ook

voorkomen, maar dat heb ik nooit gezien, dat het vuurtintje heelemaal

vervangen is door een roomachtige of ook wel zilverachtige tint, je

zoudt kunnen zeggen: een vuurvlindertje in de grondverf.

Maar hoe ze er ook uitzien, altijd zijn die kleine rakkers vol

levenslust en overmoed. Niet alleen, dat ze elkander nazitten, zooals

alle vlinders doen, maar ze laten, om zoo te zeggen, geen enkel dier

met rust.

Ik heb het wel gezien, dat ze de vliegen verjoegen van de bloemen, ja,

dat ze dikke hommels te lijf gingen. Zoo brutaal kwamen ze op die

zuigbrommers af, dat die overhaast op de vlucht sloegen, alsof ze ik

weet niet wat van die kleine vlindertjes te vreezen hadden.

Zelfs heb ik me wel verbeeld, dat ze mij aanvielen, wanneer ik in de

wei zat te teekenen of te spionneeren. Onophoudelijk vlogen ze mij om

’t hoofd, ze gingen zitten op mijn handen, op mijn schetsboek en ik

geloof waarlijk dat ze, als ik opstond om ergens anders te gaan werken,

nog meenden dat ze mij uit het veld hadden geslagen. Nu, ik gunde hun

de pret van harte.

Ik denk wel, dat het hun in de meeste van die gevallen te doen is om te

kunnen komen bij hun geliefkoosde zuringplant, waarop ze hun eitjes

willen leggen. De larven, die uit die eitjes komen, zijn platte groene

rupsjes, bedekt met korte fijne roodachtige haartjes en hun pooten zijn

ook rood, dat schijnt nu eenmaal zoo bij de zuring te behooren.

Ik wed, om een kwartje, dat niet één op de duizend lezers van dit album

ze ooit gezien heeft. De slimmers schijnen alweer te beseffen, dat de

voornaamste zorg van een rups moet zijn: zooveel mogelijk te eten en

zoo weinig mogelijk opgegeten te worden. Daarom kruipen ze overdag

wijselijk in den grond en ’s avonds komen ze te voorschijn, om zich te

goed te doen aan de lekkere zuring.

Wie ze dus wil zien, moet ’s avonds er op uit met een lantaarntje en

met een paar goede waterdichte schoenen aan van wege de avonddauw. De

witte nevels, die zich verdichten boven de slooten en die ten slotte

een witte wade weven over het heele landschap, zullen ons niet deren.

Heel veel menschen vreezen de avondnevel alsof die uit vergiftige

dampen bestond, doch ’t is niets anders dan zuiver water en als je

overigens goed gezond bent, dan zal die nevel je niet ziek maken.

De leeuweriken hebben al lang uitgezongen, alleen de spriet kraakt zijn

lentegezang en af en toe jammert in eens een kieviet; je kunt eigenlijk

nooit zeggen of ’t bij hem vreugd of verdriet is. In ieder geval heeft

’t niet zijn instemming, dat wij met die lantaarn loopen te kruisen

door ’t natte gras.

Hoe heel anders ziet de weide er nu uit, dan in den zonneschijn. Haast

alle bloemen zijn gaan slapen. Alleen bij ’t hek van de wei zien we een

massa lichtgroene ballonnetjes met witte vlaggetjes er aan in de lucht

hangen en als we de lantaarn wat dichter bij houden, blijkt dat een nog

al vreemde plant te zijn, zoo’n echte dwaalgeest voor hekken en hoeken,

de silene (123) met de opgeblazen kelk, een vriend van de kleine

nachtvlindertjes.

En nu we wat verder komen, in het vochtig gedeelte, vinden we daar de

koekoeksbloemen ook nog wijd wakker en ze hebben bezoek ook van de

grauwe vlindertjes, die dat mooie zilveren pistooltje op den

voorvleugel dragen. Wij noemen ze dan ook pistooltjes, maar mijn neef

met de bril op, die zes uur per week op ’t gymnasium geplaagd wordt met

Grieksch, weet dat dat zilveren plekje meer lijkt op een Griekschen

letter en noemt het beest gamma-uil. Het dier bekommert er zich niet om

en vliegt even vroolijk van bloem tot bloem.

Die koekoeksbloemen geuren heel flauwtjes, maar een sterker geur lokt

ons naar een plek, waar witte orchideeën staan en die zijn nu op ’t

oogenblik ook in hunne volle kracht, je kunt ze letterlijk op den reuk

af vinden, als je tenminste niet door vroegtijdig of overvloedig rooken

je reukorganen verzwakt en verstompt hebt. We wachten even, of er ook

vlinders op komen, maar dat gaat ditmaal niet zoo gauw, dat kan zoo

gebeuren.

Je moet vooral niet meenen, dat de natuur een soort van kijkspel is,

waar je maar je dubbeltje behoeft te offeren en binnen te gaan, om

dadelijk allerlei moois en interessants te zien te krijgen. Soms kun je

uren zoeken en wachten, eer de merkwaardigheden opdagen. Intusschen heb

ik wel eens hooren beweren, dat juist dat zoeken en wachten een

bijzondere bekoring geeft aan het natuuronderzoek. Probeer het maar

eens.

Ieder vogeltje zingt zooals het gebekt is, en iedere bloem slaapt,

zooals zijn slaapmuts staat. De blauwe eereprijzen probeeren, om

heelemaal in hun schulp te kruipen, ze sluiten het blauwe kroontje en

trachten het te omgeven met het groene kelkje, maar daar ’t kroontje in

den loop van den dag sneller is gegroeid dan de kelk, kan het er niet

heelemaal meer in en zoo blijft er dan een blauw neusje buiten de deken

uitsteken.

De paardebloem (34) krult zijn omwindselblaadjes omhoog, zoodat al de

gele bloempjes tegelijk worden ingepakt en ’t madeliefje (35) gedraagt

zich op dezelfde manier. De mooie frissche lichtpaarse

Pinksterbloempjes buigen hun bloemstelen, zoodat de opening van de

bloem naar beneden wordt gericht; zoo doen ook de boterbloemen. Doch de

klavers en de wikken slapen ’t hevigst, die vouwen al hun blaadjes

samen en als ’t kan, dan wordt de bloementros daaronder weggeborgen.

Ze gaan te ruste op zeer ongelijke tijden, de meeste nog al vroeg, voor

zonsondergang reeds. ’t Is wel aardig, daar eens gedurende een zomer

aanteekeningen over te maken. De bijzonder oplettenden mogen ook eens

uitzien naar het slapen der grassen. Terwijl ge daarnaar uitkijkt,

vindt ge stellig ook weer een aantal slapende vlinders, net bleeke of

bruine blaadjes, die uit den stengel zijn opgegroeid, dat zijn vlinders

en die zijn meestal zoo diep in den dut, dat ge ze met plant en al naar

huis kunt dragen, zonder dat ze ontwaken.

Intusschen zijn we bij onze zuringen beland en met een beetje geluk

vinden we de vuurvlinderrupsjes, net kleine verroeste pissebedjes. Ze

hebben ook alweer de lastige gewoonte, om zich zoo maar te laten vallen

als ze gevaar bespeuren en ’t kost ons nog heel wat moeite, om er een

paar te bemachtigen voor onze rupsenkweekerij. Vindt ge nog andere,

grootere of grauwe rupsen, neem die dan ook maar mee, de vlinders

daarvan ontmoeten we in ’t volgend hoofdstuk.

De Bonte Wei · 第 6 / 9 题