Als in Februari de kievieten van hun korte winterreis terugkeeren in ’t
weiland, dan ziet het er veel minder frisch uit, dan toen zij het in
den voorwinter verlieten. De oude grasblaadjes zijn allemaal wit
geworden en liggen geplakt tegen den natten grond. Hier en daar groent
wat mos, doch meestal is dat zelf weer overdekt met duizenden
roodbruine draadfijne stengeltjes met sporendoosjes er bovenop. Enkele
verwaaide madeliefjes met bleekgele hartjes en waterige witte
lintbloempjes vertoonen zich langs den greppelkant, maar zij lijken eer
te behooren tot den ouden herfst dan tot de nieuwe lente.
Sneeuwklokjes bloeien in onze weiden niet, dat zijn eigenlijk niet
anders dan gekweekte tuinplantjes en als je ze vindt langs dijken en
wegen, dan zijn ze weggeloopen uit de boerentuintjes, met rommel op den
dijk gebracht, misschien ook uit aardigheid door een kind daar geplant.
De kievit kent den tijd van ’t jaar echter aan nog andere dingen dan
aan de kleur van ’t gras. Hij ziet de spreeuwen (52) in hun donker
voorjaarskleed, dat, even als ’t zijne, schittert in alle kleuren van
den regenboog; hij hoort de leeuwerik zingen hoog in de lucht en toen
hij onder de grasstengels rondpikte naar kleine grauwe slakjes, heeft
hij gezien, dat onder het grauwe gras de wei al heelemaal groen is, de
jonge spruiten behoeven nog maar een halven centimeter hooger te komen,
dan is de lente in het land. Het eene jaar gebeurt het wat vroeger dan
’t andere, maar midden Maart is de zaak toch meestal in orde.
Het eerst komen aan de beurt de zonnige plekjes en de greppelkanten, de
zuidhelling van den dijk, de noordoevers van de slooten. Wij hadden
vroeger een hekdam, die liep precies oost-west en had dus een
zuidhelling en een noordhelling. Welnu, de plantengroei aan beide
kanten van dien dam verschilde zoo, dat we de eene helling Nizza en de
andere Sewerowotstotsnoj noemden. Op den laatsten naam waren we niet
weinig grootsch en nieuwe vrienden moesten gemiddeld een half jaar in
hun Atlas snuffelen, eer ze recht wisten, wat er mee bedoeld werd.
Wat hebben we daar op Nizza heerlijke uren doorgebracht. De sloot
leverde een onuitputtelijken voorraad waterdieren. Het oeverrandje, dat
vol lag met kleine brokjes riet en rommel, was al warm en droog, nog
voordat het ijs uit ’t water was verdwenen en dan kwamen daar
goudbronzen oeverkevertjes rondloopen, pas uitgebroken uit hun
winterverblijf.
Zoo’n kever-overwinteringshol vonden we eens tegen den hekpaal, twee
decimeter diep onder den grond. We waren te weten gekomen—ik weet
waarlijk niet hoe—dat je in den winter aan zuidkanten van boomen en
palen onder den grond heele regimenten kevers kon vinden, die daar
gezellig overwinteren. Nu leken ons de hekpalen van Nizza al zeer
bijzonder voor dat doel geschikt. Wij aan ’t graven en jawel hoor, we
vonden een heele kluit van kevers, allemaal loopkevers, van die lange,
slanke torren met ranke pooten: een veertigtal van vier verschillende
soorten.
Daar had je de groote groene gouden loopkever, de vriend mijner jeugd,
dan nog een heel donkergroene met zes rijen koperen knoopen op zijn
rug, waar ik later nog wel eens van hoop te vertellen, dan nog een iets
kleinere groenbronzen (8) met allerlei strepen en kettinkjes over zijn
rug en eindelijk nog een heel donker violette (7). Van de beide laatste
waren er ’t meest, die komen dan ook trouwens ’t meest algemeen voor.
Ik mag hier wel even tusschen twee haakjes zeggen, dat de keverkundigen
bij de woorden „goud” en „brons” aan andere kleuren denken dan aan
gouden tientjes of bronzen centen. In de gauwigheid kan ik dat niet zoo
precies beschrijven, ’t best is maar, dat je probeert die kevers zelf
te pakken te krijgen, dan snap je meteen de bedoeling.
De buit, die wij in Nizza behaalden, werd behoorlijk verdeeld en ik
stopte mijn portie in de brandspiritus. Nog al met een gerust geweten
ook, want ik meende, en ik geloof wel, dat ik gelijk had—dat in hun
winterverdooving die dieren niet zoo’n ergen doodstrijd zouden hebben.
Voor iemand, die juist in ’t drukst van ’t aanleggen van verzamelingen
was, had zoo’n vondst natuurlijk heel wat te beteekenen. Alles ging in
een groote stopflesch, die bij ons thuis om de kleur van de spiritus en
om ’t donkere rommeltje op den bodem schertsend de trekpot werd
genoemd. ’s Avonds, of als ’t slecht weer was, vischte ik uit die
trekpot al mijn dieren weer op en dan werden ze netjes opgezet met de
pooten mooi in de loophouding en de sprieten recht vooruit. Een aardig
geduldwerkje, vol verrassingen. Soms had je met negen spelden alles
kant en klaar, een andermaal waren de pooten zoo weerbarstig, dat er
zes spelden noodig waren, om er één behoorlijk op zijn plaats te
krijgen.
Wat heb ik een pleizier gehad van dat verzamelen. Ik had van alles:
planten, insecten, schelpen, steenen, versteeningen, krabbenpooten,
verdroogde zeesterren, alles wat maar buiten te verzamelen was. Van
heel veel dingen wist ik de juiste namen niet, maar heel veel kwam ik
te weten uit een Duitsch boek, dat ik in ’t begin maar half begreep en
voor een paar kwartjes gekocht had op een oude-boeken-stalletje. Later
kreeg ik hulp van alle kanten, maar die eerste tijd was toch de
leukste, allemaal vinden en ontdekken.
Natuurlijk tastte ik vaak mis. Door het onoplettend lezen van eene
beschrijving kwam ik er toe, om een paar jaar lang het roodstaartje te
betitelen met den naam van goudvink, maar dat kwam later wel terecht.
De tegenwoordige jongelui hebben het heel wat makkelijker dan wij in
onze jeugd, maar daarvoor wordt er ook al weer heel wat meer van hen
gevergd.
Maar we zouden Nizza heelemaal vergeten, ons toevluchtsoord in Maart.
Het eerste bloempje, dat er bloeide, was ’t klein hoefblad (11, 15) en
als dat in de warme zon zijn stralen uitspreidde, dan kwamen er uit den
grond ook al dikke paarse proppen te voorschijn, die aan hun top
openbarstten en daaruit verrees dan de bloeistengel van het groot
hoefblad (13, 14).
De aanwezigheid van die twee planten maakte, dat er haast geen gras op
dien dam groeide, want in den zomer werd er de grond geheel
overschaduwd door de groote bladeren van die planten, want je kunt de
bladeren van klein hoefblad ook gerust groot noemen. Die van het groote
zijn toch nog altijd weer viermaal zoo groot en zijn ook gemakkelijk te
kennen aan den mooien stijven rand, die ’t begin van de bladschijf
steunt en niets anders is dan een dikke zijnerf.
Wij vonden het klein hoefblad aardiger dan het groot; het leefde zoo
echt met de zon mee. Bij donker weer bleven de kopjes dicht, maar als
de zon te voorschijn kwam, dan zag je binnen enkele minuten de gele
straalbloempjes omslaan naar buiten en dan gingen ook de kleine
bekervormige bloempjes open, die het hartje vormen.
Dan kwamen vliegen, hommels en vlinders opdagen en dan was ’t aardig,
om te zien, hoe die hun zuigsnuiten in de bloempjes staken: de vlieg
een dik rond slurfje, de hommel iets dat wel leek op een blinkend mes
en de vlinder een dun zwart draadje, dat hij allerkoddigst kon knikken
en krommen.
Het groot hoefblad kreeg veel minder bezoek dan ’t klein en later in ’t
jaar had het ook lang niet zulke mooie vruchtjes. Dan prijkt het kleine
hoefblad met een mooi pluishoofdje, veel zachter en zijiger dan dat van
de paardebloem. Wie ’t wil nasnuffelen kan zien, dat die pluisvruchtjes
alleen afkomstig zijn van de stralende lintbloempjes, de mooie
bekerbloempjes middenin dienen alleen, om stuifmeel voort te brengen.
Soms kwamen er ook hoefbladbloempjes te voorschijn binnen het hek, op
de wei zelf, maar dan kwam al heel gauw de boer opdagen, om ze uit te
spitten. Hij hield meer van gras in de wei en was ook al lang van plan,
die hoefbladplanten van den hekdam uit te roeien, want van daar woei
natuurlijk ’t zaad in de wei en ook maken ze lange uitloopers onder den
grond, die met plezier onder een hek doorkruipen en wijd en zijd de
buurt onveilig maken. Gelukkig kon hij er nooit den tijd voor vinden en
zoo bleven wij in ’t bezit van onze mooie bloemen.
In de wei zelf was in ’t heel vroege voorjaar niet zoo heel veel te
vinden. Schuins links achter het hek had je eerst een geheel kale plek,
waar ’t paard altijd stond te mijmeren in zijn vrijen tijd. Daarachter
lag het ruime veld met grijs oud gras met jonge sprietjes en met
allerlei klein goed, dat later bloeien zou en dat alles min of meer
pimpelpaars zag van de zon, het voorjaar en de lage temperatuur.
Het meest frisch zag nog de ruige veldkers (20) er uit, een verwant van
de zoozeer beroemde en geliefde pinksterbloem (37). Deze ruige veldkers
is meestal heelemaal niet ruig, maar gladjes en groen en hij bloeit ook
al heel vroeg, tegelijk met ’t hoefblad, met heel bescheiden witte
kruisbloempjes.
Zulke kruisbloemen of cruciferen behooren in hun bloem zes meeldraden
te hebben, vier lange en twee korte, maar die ruige veldkers schijnt
geen tijd en gelegenheid te hebben, om ze alle zes te fabriceeren en
vergenoegt zich dus in den regel met vier.
Hij slaagt er meestal in, mooi weer of geen mooi weer, om zijn lange
hauwvruchten te rijpen. Dat gebeurt dan in Mei en Juni en dan hebt ge
zooveel aandacht noodig voor al de andere duizenden planten en dieren,
dat ge dit nederig voorjaarsplantje allicht vergeet. Toch moet ge hem
dan nog eens opzoeken, en even de rijpe hauwen aanraken aan hun punt.
Dan springen ze met een ruk uit elkander en de kleine zaadjes worden
weggeslingerd tot wel drie of vier meter ver; dat moet ge bij
gelegenheid maar eens zelf nameten.
De ruige veldkers is dus de voorlooper van de pinksterbloem en zoo
mogen we de klimopbladige eereprijs (25) beschouwen als de voorlooper
van de beroemde blauwoog, de gamander-eereprijs, die we in Mei zullen
vinden.
’t Is anders niet zoo ineens te zien, dat die klimopbladige behoort tot
zoo’n doorluchtig geslacht. Alleen als je een van de bleekblauwe
bloemkroontjes, die zoo gemakkelijk afvallen, terdege bekijkt, ontdek
je de twee meeldraadjes, die hun voornaamste kenmerk uitmaken. De
stengelbladeren vertoonen den echten klimopvorm, dus de naam is goed
gekozen.
Dit kleine eereprijsje groeit niet in ’t dichtst van de wei, maar op
verwaarloosde plekken en langs heggen en boschkantjes, waar hij zich
heel gelukkig gevoelt in gezelschap van paarse doovenetel, sterremuur,
kruiskruid en meer dergelijk gespuis.
Evenals al die andere is hij een echte snelgroeier en niet bang voor
een beetje kou of barheid. Midden in den winter ontkiemen de zaadjes
al, zoodat begin Maart de bloempjes al voor den dag kunnen komen.
Toch blijft de wei de heele Lentemaand door nog stug van uiterlijk,
slechts gaandeweg wordt ’t beter en als ’t eerste kievietsei eenmaal
gevonden is, begint het er aardig uit te zien.
De groote groene donkere proppen, die dotterbloemen (1) zullen worden,
beginnen zich te ontrollen en gaan er werkelijk uitzien als stengels
met bladeren. De stengelstukken zijn in ’t eerst nog wel kort, maar de
bladeren vertoonen al hun mooien niervorm. ’t Is een lust te zien, hoe
mooi ze geaderd zijn en gekarteld langs den rand. Midden in elk
karteltje zit een wit plekje en daar eindigt ook een ader of nerf in.
Al die witte plekjes zijn een soort van zweetkliertjes, die helpen de
bladeren om het overtollige water weg te krijgen.
De eerste dotterbloem-bloem (2) vind ik ook nog in Maart, de laatste
nog in Juni en elk jaar zijn er ook weer van die dotters, die op ’t
eind nog weer eens in bloei komen en het uithouden tot laat in October.
Toch blijft Palmpaschen de mooiste dotterbloementijd, tegelijk met den
mooisten bloei van de waterwilgen.
Alles is dan geel in de wei en ’t is volkomen in den haak, dat dan ook
in groot aantal de gele kwikstaartjes (109) aankomen, mooie, vlugge
vogeltjes met lichtblauwe kopjes, keel en borst zoo geel als van een
kanarie en de staart, zooals alle kwikstaarten die hebben, lang en bont
en bewegelijk.
Ze komen aan in kleine troepjes; ’t is zeer goed mogelijk, dat elke
troep bestaat uit een of meer gezinnen van ’t vorig jaar, die bij
elkander zijn gebleven en al dien tijd elkanders lief en leed hebben
gedeeld. Ook nu blijven ze nog geruimen tijd bijeen, insecten zoekend
op en tusschen de schapen, krijgertje spelend in ’t gras of pronkend op
den zwarten bagger langs den slootkant. Daar zie je ze dan op hun
mooist.
Over een poosje maken zij hun nest, ook alweer verborgen onder ’t gras
in holten langs greppelranden en heel moeilijk te vinden. Er liggen tot
vijf of zes grijsbruin-gevlekte eieren in.
Eens heb ik er een gevonden bij ’t zoeken naar viooltjes. Als ’t Maart
werd, dan gingen wij jongens er altijd op uit met een zakmes en een
bloempot, om viooltjes (22) uit te steken. Ik herinner mij nog, hoe we
ze zochten op een kleiig plekje langs den Ouden Rijn, jaar in jaar uit
en altijd vonden wij er. Je sneed dan met je mes in een kring rondom ’t
polletje, zoodat je een afgeknotten kegel kreeg, die juist in de
bloempot paste, ik voel nog het inpersen van die vette klei. En hoe
aardig stonden de enkele grassprietjes om ’t plantje; een paar
donkerblauwe bloempjes verspreidden hun geuren, andere waren nog in
knop, we konden altijd wel een maand lang plezier van ons potje hebben.
Er waren nog al veel kinderen, die daar viooltjes haalden, maar
gelukkig was de voorraad groot genoeg; er groeiden er zooveel, dat de
heele wei er van geurde. Er stonden boomen om die wei, oude eiken.
Eigenlijk geloof ik, dat er op die plek vroeger een buiten of een
boerderij had gestaan en dat die viooltjes evenals de sneeuwklokjes
bijna altijd als ontsnapte tuinplanten moeten worden beschouwd.
Wij namen natuurlijk de mooiste polletjes en lieten de niet bloeiende
staan. We wisten toen niet, dat de viooltjes later in den tijd, in de
zomermaanden, nog eens bloeien, maar dan met heel kleine groene
bloempjes, die je nooit te zien krijgt, als je niet weet, dat ze
bestaan en als je er niet opzettelijk naar zoekt.
’t Zijn kleine groene spitse knopjes aan nogal lange steeltjes. Ze
liggen vlak bij den grond en de vruchten (24), die ze opleveren, komen
ook op den grond te liggen; die zijn groot en zwaar genoeg. Ze springen
open met drie kleppen en die krullen ineen, zoodat ze de dikke zaden
wegschieten net zooals iemand een kersepit tusschen duim en vinger
wegschiet. De mieren sjouwen die zaden weer verder en zoo kan dan een
heele buurt vol viooltjes raken.
Doch heel veel zijn er toch niet in onze Hollandsche wei; ’t meest vind
ik ze nog op de dijken en daar zie ik dan ook ’t meest de mooie
parelmoervlinder (105), die zijn eitjes op de viooltjes legt.
Als er heerlijke geuren uit de wei opstijgen in April en Mei, dan zijn
die meestal wel afkomstig van de beide reukgrassen. Het eene heet
„reukgras” zonder meer, het andere veenreukgras. Ze zijn allebei nog al
gemakkelijk te vinden, want ’t zijn de grassen, die het vroegst
bloeien, alleen de vossestaart houdt hen dan gezelschap en die is aan
zijn zachte cilindervormige aarpluim al heel gemakkelijk te
onderscheiden. Het veenreukgras groeit liefst op vochtige plaatsen,
langs slooten en greppels. Doorgaans heeft het een bruinachtig tintje.
De pluim is nog al wijd vertakt en bestaat uit veel bloempakjes, die
aan kronkelsteeltjes neerhangen. Dat maakt dat dit gras in den bloei
wel wat gelijkt op het meer bekende trilgras, dat we in Mei vinden.
Wie er lust in heeft en er niet tegen opziet, om even een loupe te
gebruiken kan op droge zonnige Aprildagen gemakkelijk de meeldraden en
stampers van dit gras te zien krijgen, als ze uit de bruine of violette
kafjes naar buiten groeien. Maar veel beter gaat dit nog bij het gewone
reukgras. Het begint te bloeien met een tamelijk dichte doch kleine
aarpluim, die uit langwerpige bloempakjes bestaat. ’s Morgens komen
daaruit nu de meeldraden te voorschijn, uit elk bloempje twee; bij de
meeste andere grassen bedraagt dat getal drie.
O, wat heb ik daar al dikwijls met genoegen naar zitten kijken! Je
kiest een bloempje, dat al de paarse helmknoppen laat zien, en blijft
dan wachten. Telkens komt dan met een schokje die helmknop een klein
eindje hooger, dat kun je vaak ook zonder loupe al zien. Eindelijk is
de helmknop er heelemaal uit, maar nu is ’t nog niet gedaan, want nu
schiet de helmdraad, een mooie witte helmdraad, al hooger en hooger op,
totdat de paarse helmknoppen twee centimeter buiten de bloem uitsteken
en daar bibberend en trillend met ieder zuchtje van den wind hun fijne
stuifmeel uitstrooien.
Je hebt in Münchhausen’s leugenboek wel eens gelezen van dien man, die
het gras kon hooren groeien en dat is wel aardig, om aan te denken.
Maar nog duizendmaal aardiger vind ik het, om met mijn eigen oogen het
gras te zien groeien en dat zie je nergens zoo goed als bij het
reukgras.
De geur van die reukgrassen is later de geur van ’t hooi, maar zoover
zijn we met Palmpaschen nog niet.
Er bloeit nog zoo’n klein dingetje, dat de meeste menschen over het
hoofd zien, maar dat eigenlijk toch veel te mooi is om vergeten te
worden. Het lijkt net een soort van gras, maar de bladeren zijn met
lange zijde-achtige haren bezet en als de bloempjes uit de bruine pluim
op een warmen lentemorgen goed open staan, dan zie je dat ’t mooie
zespuntige sterrebloempjes zijn, met aardige stampers en meeldraden en
’t is nog moeilijk genoeg, om een echt onderscheid te vinden tusschen
deze verschoppelingetjes en de trotsche lelies. Deze „veldbies” (18)
groeit ’t liefst in zandige niet al te natte weiden.
Daar komt dan ook de akkerpaardestaart (17) te voorschijn, die meer
lijkt op een stukje speelgoed, dan op een plant. De stengel is
opgebouwd uit een aantal verdiepingen die met mooie tandrandjes aan
elkaar sluiten. Bovenop zit een soort van bijenkorfje dat bestaat weer
uit kransen van aardige doosjes, waaruit een groen poeder te voorschijn
komt. Dat zijn de sporen en daaruit komen ten slotte na allerlei
avonturen weer nieuwe paardestaartplantjes opschieten. Behalve deze
sporendragende twijgen komen later groene twijgen te voorschijn met
kransen van takjes en die kan je ook al weer in stukjes trekken.
Als een boer je bezig ziet met ’t vernielen van paardestaarten dan
kijkt hij niet ontevreden, want hij beschouwt die paardestaarten als
een gevaarlijk onkruid.
Er zijn in ons land heel wat verschillende soorten van weiden en elke
soort is mooi op zijn eigen manier. Die van ’t Hollandsch laagveen
hebben in ’t vroege voorjaar niet hun allermooisten tijd, al gaan ze
soms heelemaal schuil onder de pracht en praal van de dotterbloemen. Ze
liggen dan nog veel te kil en te open in hun omlijsting van slooten. De
weiden langs den zeekant zijn ’t langste dor, alleen bloeit daar in
April het lepelblad, maar later komt er mooi Engelsch gras (16) en de
aardige zeespurrie (28).
De Zeeuwsche en Geldersche weiden echter hebben vaak hagen of brokken
heg van meidoorn (6), sleedoorn (5) met hondsroos (23) en braam (26) en
dat geeft weer heel wat afwisseling. Al in Maart begint de meidoorn
zich heelemaal met groen te bespikkelen, doordat de knoppen bersten en
zwellen en terzelfder tijd gaan aan de sleedoorn zich al bloemknoppen
ontwikkelen, zoodat met half April de hagen heelemaal in den bloesem
zitten en het na een buiïgen dag haast niet uit te maken is, of een
weirand onder de sneeuw ligt of met bloeiende sleedoorns is bezet. Als
ik zoo’n heestergroepje langs de wei zie, dan koers ik er dadelijk op
af, want ik weet zeker, dat daar altijd iets moois te zien of te
beleven is. Natuurlijk staat het speenkruid (4) er in grooten
overvloed, het aardig boterbloemachtig sterrebloempje, dat ook wel veel
staat in de wei zelf en langs de dijken, maar toch eigenlijk tehuis
behoort in heg en bosch.
Daar staat ook nog een ander heggekruid, de stinkende gouwe (21) of
liever kortweg „gouwe” of „groote gouwe”, want met dat stinken is het
zoo erg niet. Wel krijg je gele vlekken aan je vingers als je de bloem
plukt, want stengels en bladeren zijn geheel doortrokken met kanalen
vol geel melksap. Den eenen dag is het geler dan den anderen en in de
wortels is het dikwijls oranje bij steenrood af.
Als je haast nog niets van planten afweet en wel eens hebt hooren
praten van kruisbloemen, dan beschouw je de gouwe met zijn vier
kroonblaadjes ook al licht als een kruisbloem, dus als familie van
koolzaad, pinksterbloem of veldkers. Maar als je beter toekijkt, dan
zie je wel aan de groote menigte meeldraden, dat we hier met heel wat
anders te doen hebben en dat onze vriend met het gele melksap behoort
tot de familie van de klaprozen. In die zeer juiste meening wordt je
nog versterkt, als je ziet hoe bij ’t opengaan van de bloem de twee
kelkblaadjes worden afgestooten en hoe dan de vier kroonblaadjes
gekreukeld en verfomfaaid uit hun dichte omknelling te voorschijn
komen. De gouwe opent zijn eerste bloem in ’t midden van April en
blijft voortbloeien tot in October toe.
Op den bloeienden sleedoorn wemelt het van bijtjes (10), kleine wilde
bijtjes, die ook alle omtrent Palmpaschen uit den grond komen kruipen.
Ze hebben daar in de diepte, soms 5 c.M. diep, soms twee d.M., hun
heele jeugd doorgebracht; eerst als witte made peuzelend van den honig-
en stuifmeelvoorraad, die hun moeder daar voor hen had bijeengebracht,
in elk kamertje juist genoeg voor de ontwikkeling van een jong. Later
verpoppen ze en als de lente komt, zijn ze gereed, om zich een weg te
banen naar de frissche lucht en het heldere zonlicht, dat ze nog nooit
hebben gezien, en naar de mooie bloemen, waar niemand ter wereld hen
van verteld heeft en waarop ze toch dadelijk hun kost moeten zoeken.
Ik heb er vaak bijgestaan, dat die bijtjes uit den grond kwamen,
honderden bij honderden. Waar je ook keek, overal zag je kleine
openingetjes ontstaan, twee voelsprietjes wuifden onderzoekend in de
ruimte en dan volgde langzamerhand het harige kopje en ’t ruige lijf.
Die er al uit waren gekropen bleven nog een tijd rondvliegen boven het
opstandingsterrein, alsof ze er belang in stelden, hoeveel van de
familie er wel te voorschijn zouden komen.
Dan gingen de mannetjes de wijfjes jagen en ten slotte zwermde de heele
bende naar de bloemen, naar de sleedoorn, de gouwe, ’t speenkruid, de
dotterbloemen en het hoefblad. En na een paar dagen zag je telkens nu
hier dan daar weer zoo’n wijfjesbijtje hard bezig met graven in
denzelfden grond, waar ze juist uitgekropen was.
Dag aan dag doet ze niet anders dan kamertjes maken, die ze vult met
honig en stuifmeel en waarop ze het lange geelachtige eitje legt,
waaruit de witte made komt, die ’t volgend jaar als bij weer uit den
grond zal kruipen. Zoo gaat het voort, jaar in jaar uit, altijd weer
van voren af aan.