Toen ik een jongetje was van een jaar of vier, waren de dieren buiten
nooit bang voor mij en ik ook niet voor hen. Wel lag ik ’s avonds in
mijn bed vaak te droomen van duivels en gedrochten, maar dat kwam door
de prenteboeken en door de verhalen van welmeenende ouders en vrienden.
Ook was ik er vrij zeker van, dat al die verschrikkelijkheden alleen
voorvielen in ver verwijderde landen of in ’t middernachtelijk uur en
zoo kuierde ik dan altijd welgemoed rond in onzen tuin, over de
fortwallen, of door de weiden. Wij woonden namelijk heel eenzaam in een
fort, dat ergens stond tusschen weiden en heiden.
Soms ging ik met mijn broers, maar ook dikwijls alleen en dan had ik
natuurlijk de mooiste ontmoetingen. Ik kan mij niet herinneren, dat ik
expres uitging, om naar dieren en planten te zien (dat doe ik
tegenwoordig wel) maar het liep er toch altijd op uit, dat ik ging
zitten op een plekje, waar veel mooie bloemen stonden en dan kwamen
vanzelf allerlei leuke dieren tusschen het gras of op de bloemen te
voorschijn.
Ik zie ze nog loopen, de groote gouden loopkevers, blinkend zwart van
onderen en met lange roode beenen, violette loopkevers (7), bronzen
loopkevers (8). Onzelievenheersbeestjes bij dozijnen liepen over de
wikken met de mooie blauwe bloemen. Een andermaal zag ik een groote
geel met zwarte wesp vechten met een groote groene bromvlieg en daar
stelde ik heel veel belang in, want ik had juist in een ouden „Mentor”
(een tijdschrift uit die dagen) een verhaal gelezen van een wesp, die
vocht met een vlieg. In dat verhaal heette die vlieg Esmeralda en ze
kwam er nog al goed af, want ze kon ontvluchten, nadat de wesp haar een
paar gaten in ’t lichaam gebeten had. Mijn vlieg evenwel was minder
gelukkig, want de wesp stak haar dood en droeg haar weg tusschen de
achterpooten.
Er kwamen soms kleine koddige muisjes zonder ooren en ook wel groote
groene glinsterende hagedissen. Maar ’t mooist van alles was een groote
bruinachtige vogel. Die stak zijn kop uit ’t gras, trok hem weer terug,
stak hem weer uit, een eindje verder en kwam zoo schoksgewijze te
voorschijn. Toen stond hij daar op twee lange beenen en begon te
kraken: krèk-krèk—krèk-krèk. Ik zat maar stil te kijken en toen de
vogel zijn redevoering uit had, verdween hij weer tusschen de
grashalmen. Dat was de spriet of kwartelkoning (56), maar dat wist ik
toen nog niet.
Tegenwoordig ken ik wel de namen van de meeste planten en dieren, die
je in ons land zoo gewoon zonder microscoop te zien kunt krijgen, maar
’t lijkt wel, of ik er lang zoo veel niet van zie, als in de dagen,
voor dat ik naar school ging. Zou er tegenwoordig minder wild gedierte
zijn dan vroeger, of ligt het soms aan mij? De album-vriendjes op het
platte land moesten mij daar eens iets van vertellen: Menno voor de
Achterhoek, Tjeert uit Zevenwoude, Guurtje van Heilo of Dirk van
Aarlanderveen. Voor de aardigheid zal ik dien eens vertellen, hoeveel
moeite het mij gekost heeft, om een spriet te zien te krijgen, toen ik
niet meer vier, maar veertig jaar oud was.
Ik hoorde dat dier altijd op zomernachten, als ik met een laten trein
uit Amsterdam was gekomen en dan uit Haarlem wandelde naar mijn huis in
’t Bloemendaalsche park. Eerst hoor je dan nog ’t gerij en gerangeer
van treinen, want dat duurt dag en nacht, maar gaandeweg wordt dat
minder merkbaar en krijgen de nachtgeluiden van de natuur de overhand.
In de verte ruischt de zee, van den duinkant schalt het lied der
nachtegalen, in de wei roept af en toe klagend of droomerig de kieviet
en onophoudelijk kraakt en knarst daar onze spriet.
’t Is niet makkelijk, dat geluid te beschrijven; ’t meest lijkt het nog
op den geleerden naam van ’t dier. Hij heet in de geleerde boeken
tegenwoordig „Crex crex” en als je dat eenmaal weet, dan lijkt het ook
werkelijk, alsof hij den heelen nacht en den heelen dag maar steeds
zijn eigen naam roept. „Crex, crex”, allebei de woordjes even luid en
even lang van duur (zoowat een halve seconde), dan een seconde rust,
dan weer „crex, crex” en zoo voort, soms een half uur achtereen.
Er zijn wel menschen, die dat vervelend vinden, maar als je den vogel
van nabij kent en ook de omgeving, waarin hij zich ophoudt, dan denk je
daar wel anders over.
Nu dan, ik wou en zou dien Bloemendaalschen spriet in levenden lijve
aanschouwen en liefst nog zijn nest vinden ook. Ik wist ’t echter bij
ervaring, dat het niet gemakkelijk is, in Mei of Juni de Hollandsche
weiden te betreden. Niet om de slooten of hekken, daar is altijd wel
raad op, maar de boer of zijn knechts zijn den heelen dag ter plaatse,
om je er af te jagen, en daar hebben ze groot gelijk aan.
Nog onlangs had ik daar een gesprek over met een ouden landbouwer, nog
al een grappenmaker. „Weet je wat, mijnheer,” zei hij, „de dokters, die
moesten eigenlijk de kast in, wegens opruiing. Zoo gauw er iemand iets
mankeert en hij kan nog loopen, zeggen ze tegenwoordig: de patiënt moet
maar eens de wei in. En zoo krijgen wij troepen menschen in ons land,
die ’t vee verschrikken en den boel vertrappen, dat er geen maaien aan
is. Dat ze een bloemetje plukken, hindert niet, maar ’t vertreden van
’t gras geeft ons voor honderden guldens schade. Soms komt er een
meester met een heele school kinderen, dan weer een troep dames en ze
doen maar net of de wereld hun eigen is. Laat ze op de wegen en paden
blijven, daar groeit nog altijd meer, dan waar ze verstand van hebben.”
Ik kon evenwel mijn spriet niet vinden, zonder de paden te verlaten en
moest dus met de betrokken pachters en eigenaars aan ’t onderhandelen.
Dat liep nog al mee, ik kreeg voor bepaalde dagen verlof, om tijdens de
morgenuren de velden af te loopen en zoo stond ik dan op een mooien
Juni-morgen met een gerust geweten tusschen gras en bloemen.
Ik kon al dadelijk merken, dat ’t land nogal afgesloten lag en goed
bewaakt werd, want er nestelden heel wat vogels. Eerst was daar niet
veel van te zien; toen ik den hekdam over ging, hingen er alleen een
paar leeuweriken in de lucht te zingen. Maar ’t duurde niet lang of een
waakzame kievit (53) bespeurde onraad, hij vloog omhoog nu eens over
links, dan weer over rechts; zoo’n kievit schommelt haast altijd onder
’t vliegen. Hoe zenuwachtiger hij werd, hoe meer hij wiebelde en
eindelijk ging hij duikelen, of schermen, zooals het heet.
Dan bedacht hij zich, vloog wat rustiger rond en toen opeens, „joech,
joech, joech” gingen zijn vleugels, kwam hij vlak op me af en snorde
rakelings voorbij. Intusschen waren er ook een paar tureluurs (55)
opgevlogen, de mooie steltloopertjes met de roode pooten en die vlogen
langzaam mee, een meter of tien hoog in de lucht, terwijl ze kort en
onrustig hun „tuut, tuut” lieten hooren. Ook was er een groote grutto
(59), die jammerde voortdurend: „grie-ta, o, grie-ta”. Je kon zijn
langen snavel zien trillen en onder het vliegen hield hij zijn
zwart-met-witten staart wijd uitgespreid.
Dat was nu mijn eerewacht bij den tocht door ’t sprietenland: een
kievit, twee tureluurs en een grutto, en ik was er zeker van, dat aan
den overkant van de grenssloot een dergelijk gezelschap gereed stond,
om mij te begeleiden, wanneer ik zoover mocht komen.
Als de beesten mijn bedoeling hadden gekend, dan waren ze rustig op hun
nesten gebleven. Nu schrikten ze de heele buurt op en er kwam ook al
een boerenknecht aanstappen, maar toen hij mijn verrekijker zag, ging
hij er weer van door. Die verrekijker is zoo een soort van vrijbrief.
Zooveel als ik anders van grutto’s, kieviten en tureluurs houd, begon
ik ze nu reeds stilletjes een beetje te verwenschen, toen ik eindelijk
mijn spriet hoorde, nog al dichtbij en stellig wel in ’t zelfde stuk,
waar ik rondliep.
Maar ’t is niet makkelijk, om enkel op ’t geluid af de plaats te
bepalen, waar een dier zich ophoudt. Als ’t een heel vreemd geluid is,
dan weet je echt niet, of ’t van recht, links, voor, achter, onder of
boven komt. Hier met de spriet wist ik, dat ik bij den grond moest
zoeken, want hij komt zelden of nooit boven ’t gras, maar dat hielp nog
niet veel. Ik luisterde eerst met ’t linkeroor, toen met ’t rechter
oor, toen met beide, daarna maakte ik een halve draai, luisterde nog
eens op dezelfde manier, hield ook rekening met den wind (die er
gelukkig niet was) en toen ik zeker meende te weten, waar mijn
schreeuwer zat, ging ik daar stilletjes op af, voetje voor voetje,
zonder den grond te schokken of in trilling te brengen. Op zulke
oogenblikken voel je verwantschap met Padvinder, Lederkous, den
Spoorzoeker, Chingangook en Winnetou.
„Snars, snars”, zong mijn schriek, „grieta”, jammerde de marel, de
kievit zwoegde langs mijn ooren en de tuten schokten voort langs de
blauwe lucht. Een leeuwerik vloog op en die ging dadelijk zwieren en
tierelieren, alsof de heele zaak hem niet aanging, maar de waarheid
was, dat hij in doodsangst zat over zijn nest, dat ik op anderhalven
meter links van mijn linkervoet vermoedde.
Ik kon mij daar echter niet mee bezighouden, maar schoof voetje voor
voetje voorwaarts. De slimmerd zat goed verborgen, want gras en kruiden
stonden op hun weligst en dit was opperbest hooiland. Ik kon nog
doorzien tusschen de hooge pluimen van de glanshaver, maar de roode
klaverbloesems stonden vlak tegen elkander en waar ze nog een plaatsje
overlieten, daar sloten de groene klaverblaadjes dicht ineen of
vlochten de smalle bladeren van gras en orchis een ondoordringbaar
gordijn. Alleen waar veel ruige weegbree (88) groeide, kon de blik wat
dieper doordringen, want die plant legt zijn bladeren vlak tegen den
bodem en heeft ijle, onbebladerde bloemstengels. Daar kon je dan schuin
tusschen de grashalmen door een stukje van den donkeren weidegrond
zien. Menigeen, die de bonte wei ziet stralen en pralen in de zomerzon,
beseft niet, hoe donker het op den grond zelve onder al die bloemen en
bladeren wezen moet.
Prettig, dat ’t niet woei. Want nu meende ik, dat ik aan de grastoppen
zou kunnen zien, of mijn spriet zich verplaatste. Ik gaf dan ook goed
acht, of de fijne bloempakjes van het beemdgras zich ook soms bewogen,
of er trilling kwam in een zuringtop, maar er was niets te bespeuren.
En juist toen ik meende, dat ik ’t fijne kopje van den vogel tusschen
gras en kruiden zou kunnen onderscheiden, hoorde ik hem roepen, stellig
wel vijftig meter vlak achter mij. Hij was in een grooten kring om mij
heen geloopen, zonder dat ik er iets van bespeurd had en dat in minder
dan een minuut, want langer had hij niet gezwegen.
Nu wist ik wel, dat zulke dingen mij te wachten stonden, want ik had
vroeger een spriet zoogenaamd in gevangenschap gehad. Dat wil zeggen,
ik stopte hem in een kooi, maar een kwartier later was hij al weer
weggeloopen, hoe nauw de tralies ook aan elkander stonden.
Ik heb eens een verhaal gelezen van een ridder, die ergens in een kerk
begraven ligt. ’s Nachts om twaalf uur gaat hij spoken, eigenlijk niet
hij zelf, maar zijn steenen beeld, dat boven op zijn graftombe ligt en
dat zich bij die gelegenheid zoo dun maakt als een velletje postpapier
om tusschen de tralieën van het koorhek door te komen.
Zoo iets doet de spriet ook. Hij heeft maar een heel smal borstbeen en
nu kan hij zijn ribbekast zoo inhalen dat zijn lichaam smaller wordt
dan zijn kop en als die dan ergens door is, dan volgt de rest van zelf.
Maar al weet je dit nu precies, dan moet je er je nog over verwonderen,
dat hij door ’t dichte gras kan hollen zonder merkbare beweging. Ik
begon maar weer van voren af aan en altijd was hij mij te gauw. Toen
herinnerde ik mij mijn kinderjaren en ik besloot, midden in de wei een
half uurtje stil te gaan zitten tusschen de klaver en de orchideeën;
meteen kon ik dan uitkijken naar insecten op de bloemen. Dat viel ook
al weer niet mee, ik kreeg niets te zien, dan een paar honigbijen op de
witte klaver (74), de orchideeën stonden te vergeefs te pralen, de
roode klaver (73) verspreidde zijn geuren zonder een enkelen hommel te
lokken. De schriek riep nu eens van links, dan weer van rechts, hij was
nog heel druk, al liep het ook tegen den middag. Eigenlijk roept hij ’t
meest in den voornacht en den nanacht (dus weinig om middernacht), maar
ik heb hem wel gehoord op alle uren van den dag en van den nacht.
Toen ’t stil zitten mij begon te vervelen, ging ik ’t nog wat fijner
aanleggen. Je ziet ook veel in de velden, als je rustig de een of
andere bezigheid verricht. Indien de veldarbeiders eens alles konden
vertellen, wat er al zoo tijdens hun werk te zien en te beleven valt,
dan zou onze kennis van de levende natuur een heel eind opschieten.
Wat voor werk zou ik ter hand nemen? Wel, daar stond op een plek een
heel partijtje van den grooten gelen ratelaar (85) en ook hooger op wat
roode oogentroost (87). Die planten zijn halve woekerplanten, ze hebben
heel fijne zijworteltjes die met zuigplakjes vastzitten op de wortels
van ’t gras en daaraan dan het voedsel ontstelen. Dat is bijzonder
aardig om te zien, maar ’t lukt niet gauw, want die zijworteltjes zijn
zoo fijn, dat ze bij ’t hanteeren van de ratelaar- of
oogentroostplantjes dadelijk losgescheurd worden en dan zijn ze
tusschen de aarde niet gemakkelijk meer te vinden. Ik stak nu een paar
polletjes uit van ratelaar + gras en oogentroost + gras en ging die aan
den slootkant geduldig zitten uitspoelen. Dat was een heel goede inval.
Al dadelijk had ik het genoegen, dat de kieviet, de grutto en de
tureluurs tot rust kwamen. De leeuwerik bleef nog zingen, maar nu
werkelijk voor zijn plezier: een keer drie minuten, een keer zeven
minuten en een keer één minuut. Sommige menschen meenen, dat zoo’n
leeuwerik wel een half uur achtereen in de hoogte staat te zingen, maar
als je dat eens nagaat met ’t horloge in de hand, dan krijg je heel
andere uitkomsten.
Er ging nog een ander vogeltje zingend de lucht in, dat hield het niet
langer uit dan een halve minuut. Dat was de graspieper (50), een
diertje, dat wel op een leeuwerik lijkt, maar hij is meer groenachtig,
heeft een slanker lichaam en ook een fijn snaveltje. Hij klimt als ’t
ware langs een rechte lijn schuin omhoog, steeds fluitend en als hij
een meter of twintig gestegen is, dan daalt hij langzaam neer met
uitgespreide vleugels en staart „en vol plané”, aldoor allerliefst
fluitend.
Nergens komen leeuwerikken en graspiepers in zoo groot aantal voor als
op onze Noordzee-eilanden. Op Texel heb ik daar eens iets bijzonder
aardigs mee beleefd. Daar was in een polder een zilt grasveld en daar
groeiden natuurlijk weer heel andere planten dan in de gewone weiden.
Het zag er niet wit van de madeliefjes, maar op sommige plekken wel
rood van het Engelsch gras of strandkruid (16) en op kale slikkige
plekken groeide veel zeespurrie (28) met mooie rose sterrebloempjes.
Men had er ’t gras gemaaid en ingezameld, maar er waren kleine prakjes
blijven liggen, dat waren nu bruinachtige hooimassa’s op het
donkergroene kleed. En onder die hooipruikjes hadden nu de graspiepers
hun nestjes gemaakt, daar ze op het vlakke veld geen beter bescherming
tegen den guren Noordooster konden vinden. In minder dan geen tijd
hadden we een half dozijn nesten gevonden, elk nisje had zijn heilige.
En buitengewoon aardig was het, toen op een afstand te gaan liggen met
den kijker. De vogeltjes keerden terug op hun nest en je zag de zwarte
kraaloogjes vlak over de onderdeur kijken. Het was, om zoo te zeggen,
een heel kampement van graspiepers.
Als zich in de Wadden of de Zeeuwsche stroomen een nieuw eilandje vormt
en een slibbank achter een zandwal met gras begroeid raakt, dan is de
graspieper de eerste zangvogel, die de nieuwe weide koloniseert. Daarom
houd ik zooveel van hem.
Ik zat nu al een kwartier te spoelen en er was ook al heel wat gebeurd.
Behalve de leeuwerikken en de graspiepers had ik nog een klein zwart
monstertje gezien, dat de sloot overzwom: een waterspitsmuis, nog al
een rakkerd, want als hij geen insecten genoeg kan vinden, om zijn
eeuwig durenden honger eenigszins te bevredigen, dan doet hij zich te
goed aan eieren en jonge vogels.
De spriet riep nog van tijd tot tijd. Ik had nog lang niet al de aarde
uit de wortels weggespoeld. Die grassen maken onder den grond zooveel
stengels en zijtakken, dat ze door elkander heen groeien tot een waar
vlechtwerk. Uit die stengels ontspringen ontelbare worteltjes, die
buitengewoon stevig de aardkorreltjes vasthouden en zoo vormt dan de
heele grasmassa van de wei een samenhangend geheel, dat men de graszode
noemt. De andere planten moeten nu maar zien, dat ze met hun wortels in
of onder die zode ook nog een plaatsje vinden, en wie daar niet in
slaagt, kan in de wei niet aarden.
De ratelaar, de oogentroost (86) en het kartelblad (85) hebben het
makkelijk genoeg, want hun zitten de graswortels niet in den weg,
integendeel. Hoe meer wortels, hoe liever, des te vlugger kunnen ze een
voldoenden voedselvoorraad bijeenstelen en dan behoeven hun
zuigworteltjes niet zoo bijzonder dik te zijn. En juist door die
dunheid breken ze zoo spoedig af en is het zoo moeilijk, er iets van te
zien te krijgen.
Ik weet niet of er onder de duizenden albumlezers wel veel zijn, die
zich de moeite willen getroosten, om eens de een of andere van die
„half-parasieten” uit te spoelen. Je moest het heusch eens probeeren.
Vroeg of laat echter ga je ongeduldig worden en trekken aan den
ratelaar zelf en dan is ’t meteen mis, want al de zuigworteltjes breken
af en je staat dan nog al onnoozel te kijken naar het kale karige
wortelstelletje, dat onder aan die plant zit. Wie het goed ten einde
brengt, moet gras met woekerplant voorzichtig drogen en bewaren, ’t is
iets waar je grootsch op kunt zijn, ik geloof niet, dat er op ’t
oogenblik tien jongens of meisjes in ons land zijn, die zoo iets in hun
plantenverzameling hebben.
Wel, met mijn spoelerij liep het ditmaal ook weer mis. Ik gooide den
heelen boel in de sloot en stapte op, om naar huis te gaan. De spriet
zat sarrend te roepen ergens, naar ik oordeelde, in een plekje vol
bloeiende orchideeën.
Juist toen ik de wei ging verlaten, kwam daar een spoorwegarbeider aan,
die ook belang in den spriet stelde, doch niet vriendschappelijk. Hij
had zich nu eenmaal in het hoofd gezet, dat hij een hekel aan het dier
had, omdat zijn geroep hem niet beviel en mij wel te kennen gegeven,
dat hij loerde op een gelegenheid, om dien vervelenden schreeuwleelijk
een stuk steenkoolslak naar zijn kop te gooien.
Hij had juist vrij en toen hij hoorde, dat ik er op uit was, om den
spriet te zien te krijgen, bood hij aan, om mij te helpen en toen
gingen wij er samen op los: liefde en haat. Ik hoopte stilletjes, dat
juist door die jacht de haat van den spoorwegman in liefde zou
verkeeren en dat is mooi uitgekomen ook. We jaagden den vogel ruim een
half uur, nu eens voorzichtig sluipend, dan weer hollend en dravend.
Wij raakten aardig opgewonden en de spriet ook, want die liep eenmaal
pardoes uit ’t gras tegen den baggerwal langs den slootkant op en stond
daar toen uit alle macht te kraken.
„Wat een klein mormel”, zei de spoorwegman, maar ik hoorde al
liefkoozing in zijn ruwe uitdrukking. We hadden ons doel bereikt en
gingen tevreden heen. Of de spriet tevreden was, dat zou ik niet durven
zeggen, in ieder geval had hij een goede oefening gehad. En geschaad
heeft ’t hem niet, want hij heeft er een vriend door gewonnen. De
spoorwegman wist mij zelfs te vertellen, dat hij later een troepje van
kleine zwarte vogeltjes langs den slootkant heeft zien hollen en dat
kunnen niet anders geweest zijn dan de jonge sprietjes. Hij had er echt
schik in.
Het vinden van een sprietennest is altijd een meevallertje. Het ligt
diep onder ’t gras, de grashalmen zijn er over heen gebogen. Zoo als ’t
bekende versje zegt: „In Mei leggen alle vogeltjes een ei, behalve de
kwartel en de spriet, die leggen in de Meimaand niet” wacht onze vogel
met broeden, totdat hij in de hooge Junigrassen een veilige nestplaats
vindt.