XVI.

In 't gasthuis kreeg-ie dienzelfden nacht tweemaal een

bloedspuwing. En den volgenden dag, koortsig door z'n brandwonden,

lag-ie in half-bewustlooze zinning, nauwlijks het gebeurde in nevel

herzienend. Dovid die in dezelfde zaal lag, bijna geen letsel had

opgeloopen, ging nog vóor donker heen. Hij wou met Eleazar praten,

'm opbeuren, kreeg geen antwoord.

Eerst in de stilte van den nacht, bij het slaapgerucht in de bedden

naastan, kwam de volle ruwe ellende tot 'm. Na Rebecca's folterende

woorden op 't portaaltje, na z'n doffe wanhoop in 't Park, was alles

in één koorts geschied, had-ie moeite de schakels te hervinden,

't Sterkst was 'm het benauwend geworstel met tante Reggie 's

slap-geknakt lichaam bijgebleven, 't lichaam dat-ie uit de alkoof

door de brandende kamer had gesleept.

In scherp-opkleurend herinneringsbeeld, zag-ie 'r vreemd zilverwit

hoofd, 't hoofd zonder den bandeau, 't onherkenbaar beenig hoofd

met de bleek-bewegende haren in den purpergloed der vlammen. In de

alkoof was-ie gestruikeld, had-ie getrapt op een van 'r afhangende

handen--getrapt--getràpt. 't Wreede gevoel van z'n hak, die de oude

hand kneusde, gaf 'm 'n weeë duizeling. Die hand zag-ie, werd-ie niet

kwijt, zag-ie zooals-ie 'r kende, met de dunne kootjes en bolblauwende

aêren. Over die hand, die den deurpost was langs geglejen toen ze in

verwijtende ontrusting de _mezoesos_ zocht, was-ie gestruikeld. Dat

most 'r pijn hebben gedaan, in 'r bewusteloosheid. Meer wist-ie

niet. Reggie kon-ie voor zich halen, Reggie met 'r zilverwit

haar--èn de bloeddronken poort--èn 't parelmoeren gekwijn van de

vischschubjes op 't dansend kozijn. Meer niet. Dan dacht-ie, dacht-ie

met wijd-starende pupillen an Poddy--of die bijtijds was gered--of

de kinderen... De trap was vrij geweest. Suikerpeer en Essie had-ie,

ja, diè had-ie op de plaats gehoord. Mijntje's gillend gekrijsch

had 'm wakker geslagen, toen-ie machteloos stond. Nee, 'r kònden

geen ongelukken zijn gebeurd. Als-ie bij Poddy was ingeslapen,

zooals-ie met hààr had afgesproken, zou 'r 'n ramp zijn gebeurd,

'n ontzettende ramp. Rebecca en Joozep en de kinderen waren zeker bij

buren opgenomen--en als straks de nachtzuster de ronde dee, zou-ie

'r vragen of Poddy ook in 't gasthuis was gebracht. Te moe en te

uitgeput om lang te murmureeren, zich overgevend aan de rust van de

ziekenzaal, blij dat-ie lag in de warme beslotenheid van 't bed, dat 'm

verkneuterde als 'n lieve koestering na de loodzware wanhoopsmoeheid,

dacht-ie nog even verdrietig aan de dingen van z'n kamer, de paperasen

en ouwe brochures, waarvan-ie zoo innig had gehouden, die nou wel

weg zouden zijn, als de brand zóóver had gewoekerd. God-dank--as

't bed was verbrand, 't bed waarin-ie nooit meer had kunnen slapen,

nou zìj 'r in had gelegen, zìj met 'r jammer-gedachten.

De oogen sluitend voor 't getemperd licht der zaal dat 'm hinderde,

zag-ie zonder verdriet, zonder wrevel, zonder afkeer 'r gelaat met

de zware lijn der brauwen en 't soepel-tuimlend zwart haar. Hij was

over z'n wanhoop heen. 'r Kon 'm niets, niets meer gebeuren. Hij lag

in de stilte der zaal--enkel de rust proevend--bijna zinlijk genietend

van de vrede der ademhalingen.

Toen de zuster langs kwam, richtte hij zich zwak in z'n bed op,

vroeg waar Poddy was.

"Wie is Poddy?", zei ze verwonderd.

"Me bovenbuurman", sprak hij: "me bovenbuurman, die ziek lei, toen de

brand uitbrak. En hoe is 't met tante Reggie, die 'k 'r bewusteloos

uit heb gehaald?"

"U mag niet vrage en niet prate, heeft de dokter gezegd", zei de

zuster, die 'm niet kòn vertellen van den afschuwelijken brand, waarvan

de heele stad vol was, den brand die Amsterdam bij het ontbijt met

kolommen verscheurende ellende had verrast: "u mag geen woord meer

spreke. Uw borst moet rùst hebben, niewaar?"

"Zeg u dan", zei hij vrindlijk-glimlachend om haar zorg: "of

de kinderen 't 'r góéd hebben afgebracht--en of die stumper van

'n Poddy..."

"Ik zeg niets--ik zeg geen woord--als u weer héélemaal beter is,

zullen we u àlles vertellen--nou niet.--En maak u maar niet bezorgd,

want--want..."--haperde ze--: "want 'r is niet één reden toe".

Ze duwde de deken om z'n schouders, liep voort langs de andere bedden.

Onrustig keek-ie 'r na, angstig door 'r ontwijkende woorden, 'r

zieketroost, waarvan-ie den zin begon te begrijpen. Misschien was tante

Reggie--misschien Poddy--misschien één van de kinderen.... Ineens

rauwde 'n angst door z'n hoofd. Wiè had Saartje en Moosje uit

de beneden-alkoof gehaald? Daar had niemand meer bij gekend. Die

waren--die konden... In vertwijfeling zat-ie op, hijgend voor zich

uit starend. De zuster was heen. Uit 'n bed aan de overzij, klonk

't gekreun van iemand die wakker lag. Toen stond-ie op, duizelig,

wankelend. Zich van bed naar bed vasthoudend, zocht-ie de ledikanten

der mannenzaal af, om aan Dovid, dien-ie 's middags niet herkend had,

te vragen, te vràgen. Bij de tafel van de verpleegsters kreeg-ie

'n ingeving. De grond ontzonk z'n voeten, toen-ie de kleine ruimte

doorstapte die 'm scheidde van 't volkskrantje, dat-ie had zien

liggen. Inzakkend op 'n stoel, zòcht-ie. Midden op 't eerste blad met

vette letters stond 'n klein bericht: DE STAKING DER DIAMANTBEWERKERS

GEWONNEN!--Op 't tweede blad, óók met 'n vet hoofdje zag-ie de

grijnzende letters:

Diamantstad · 第 23 / 26 题