In 't gasthuis kreeg-ie dienzelfden nacht tweemaal een
bloedspuwing. En den volgenden dag, koortsig door z'n brandwonden,
lag-ie in half-bewustlooze zinning, nauwlijks het gebeurde in nevel
herzienend. Dovid die in dezelfde zaal lag, bijna geen letsel had
opgeloopen, ging nog vóor donker heen. Hij wou met Eleazar praten,
'm opbeuren, kreeg geen antwoord.
Eerst in de stilte van den nacht, bij het slaapgerucht in de bedden
naastan, kwam de volle ruwe ellende tot 'm. Na Rebecca's folterende
woorden op 't portaaltje, na z'n doffe wanhoop in 't Park, was alles
in één koorts geschied, had-ie moeite de schakels te hervinden,
't Sterkst was 'm het benauwend geworstel met tante Reggie 's
slap-geknakt lichaam bijgebleven, 't lichaam dat-ie uit de alkoof
door de brandende kamer had gesleept.
In scherp-opkleurend herinneringsbeeld, zag-ie 'r vreemd zilverwit
hoofd, 't hoofd zonder den bandeau, 't onherkenbaar beenig hoofd
met de bleek-bewegende haren in den purpergloed der vlammen. In de
alkoof was-ie gestruikeld, had-ie getrapt op een van 'r afhangende
handen--getrapt--getràpt. 't Wreede gevoel van z'n hak, die de oude
hand kneusde, gaf 'm 'n weeë duizeling. Die hand zag-ie, werd-ie niet
kwijt, zag-ie zooals-ie 'r kende, met de dunne kootjes en bolblauwende
aêren. Over die hand, die den deurpost was langs geglejen toen ze in
verwijtende ontrusting de _mezoesos_ zocht, was-ie gestruikeld. Dat
most 'r pijn hebben gedaan, in 'r bewusteloosheid. Meer wist-ie
niet. Reggie kon-ie voor zich halen, Reggie met 'r zilverwit
haar--èn de bloeddronken poort--èn 't parelmoeren gekwijn van de
vischschubjes op 't dansend kozijn. Meer niet. Dan dacht-ie, dacht-ie
met wijd-starende pupillen an Poddy--of die bijtijds was gered--of
de kinderen... De trap was vrij geweest. Suikerpeer en Essie had-ie,
ja, diè had-ie op de plaats gehoord. Mijntje's gillend gekrijsch
had 'm wakker geslagen, toen-ie machteloos stond. Nee, 'r kònden
geen ongelukken zijn gebeurd. Als-ie bij Poddy was ingeslapen,
zooals-ie met hààr had afgesproken, zou 'r 'n ramp zijn gebeurd,
'n ontzettende ramp. Rebecca en Joozep en de kinderen waren zeker bij
buren opgenomen--en als straks de nachtzuster de ronde dee, zou-ie
'r vragen of Poddy ook in 't gasthuis was gebracht. Te moe en te
uitgeput om lang te murmureeren, zich overgevend aan de rust van de
ziekenzaal, blij dat-ie lag in de warme beslotenheid van 't bed, dat 'm
verkneuterde als 'n lieve koestering na de loodzware wanhoopsmoeheid,
dacht-ie nog even verdrietig aan de dingen van z'n kamer, de paperasen
en ouwe brochures, waarvan-ie zoo innig had gehouden, die nou wel
weg zouden zijn, als de brand zóóver had gewoekerd. God-dank--as
't bed was verbrand, 't bed waarin-ie nooit meer had kunnen slapen,
nou zìj 'r in had gelegen, zìj met 'r jammer-gedachten.
De oogen sluitend voor 't getemperd licht der zaal dat 'm hinderde,
zag-ie zonder verdriet, zonder wrevel, zonder afkeer 'r gelaat met
de zware lijn der brauwen en 't soepel-tuimlend zwart haar. Hij was
over z'n wanhoop heen. 'r Kon 'm niets, niets meer gebeuren. Hij lag
in de stilte der zaal--enkel de rust proevend--bijna zinlijk genietend
van de vrede der ademhalingen.
Toen de zuster langs kwam, richtte hij zich zwak in z'n bed op,
vroeg waar Poddy was.
"Wie is Poddy?", zei ze verwonderd.
"Me bovenbuurman", sprak hij: "me bovenbuurman, die ziek lei, toen de
brand uitbrak. En hoe is 't met tante Reggie, die 'k 'r bewusteloos
uit heb gehaald?"
"U mag niet vrage en niet prate, heeft de dokter gezegd", zei de
zuster, die 'm niet kòn vertellen van den afschuwelijken brand, waarvan
de heele stad vol was, den brand die Amsterdam bij het ontbijt met
kolommen verscheurende ellende had verrast: "u mag geen woord meer
spreke. Uw borst moet rùst hebben, niewaar?"
"Zeg u dan", zei hij vrindlijk-glimlachend om haar zorg: "of
de kinderen 't 'r góéd hebben afgebracht--en of die stumper van
'n Poddy..."
"Ik zeg niets--ik zeg geen woord--als u weer héélemaal beter is,
zullen we u àlles vertellen--nou niet.--En maak u maar niet bezorgd,
want--want..."--haperde ze--: "want 'r is niet één reden toe".
Ze duwde de deken om z'n schouders, liep voort langs de andere bedden.
Onrustig keek-ie 'r na, angstig door 'r ontwijkende woorden, 'r
zieketroost, waarvan-ie den zin begon te begrijpen. Misschien was tante
Reggie--misschien Poddy--misschien één van de kinderen.... Ineens
rauwde 'n angst door z'n hoofd. Wiè had Saartje en Moosje uit
de beneden-alkoof gehaald? Daar had niemand meer bij gekend. Die
waren--die konden... In vertwijfeling zat-ie op, hijgend voor zich
uit starend. De zuster was heen. Uit 'n bed aan de overzij, klonk
't gekreun van iemand die wakker lag. Toen stond-ie op, duizelig,
wankelend. Zich van bed naar bed vasthoudend, zocht-ie de ledikanten
der mannenzaal af, om aan Dovid, dien-ie 's middags niet herkend had,
te vragen, te vràgen. Bij de tafel van de verpleegsters kreeg-ie
'n ingeving. De grond ontzonk z'n voeten, toen-ie de kleine ruimte
doorstapte die 'm scheidde van 't volkskrantje, dat-ie had zien
liggen. Inzakkend op 'n stoel, zòcht-ie. Midden op 't eerste blad met
vette letters stond 'n klein bericht: DE STAKING DER DIAMANTBEWERKERS
GEWONNEN!--Op 't tweede blad, óók met 'n vet hoofdje zag-ie de
grijnzende letters: