_Twee menschen en vijf kinderen verbrand._
Even lei-ie 't krantje neer, verdwaasd, wezenloos, niet begrijpend. Dan
opstaand, rècht onder de lamp, zonder iets te gevoelen van uitputting
of moeheid, làs-ie, zonder hapering, zonder aandoening, alsof 't
'm niet aanging.
Simpel, eentonig, dor feiten-relaas sprak 't krantje.
"Op het eerste bericht van den brand rukte de brandweer van de
Agnietenstraat en het Weesperplein uit. Bij aankomst vond zij
de twee étages reeds in lichte-laaie. Onmiddellijk volgden
de stoomspuiten van de De Ruyterkade, het Weesperplein en
die van de Prinsengracht. Hiervan hebben echter slechts twee
gewerkt. De brandweer onder leiding van den hoofd-brandmeester
van de hoofdwacht aan het Weesperplein, bestreed de vlammen met
alle kracht; met de slang in de hand naderden de brandwachts
het gebouw over de daken. Het waren angstige oogenblikken, die
eerste minuten na aankomst der brandweer, daar men zekerheid
had, dat er nog menschen in het brandende huis waren. Men
stelle zich bovendien de verwarring, het hulpgeroep, het
geweeklaag in de overbevolkte buurt voor, het geloop over
de straat van een aantal jonge en oudere menschen in hun
nachtgewaad en men heeft zoo eenigszins een beeld van het
nachtelijk tooneel van angst en verschrikking. De politie had
dan ook niet altijd een even gemakkelijke taak om de orde te
handhaven. Wij hebben een kijkje in de verbrande perceelen
genomen. Uit het achterraam van het perceel naast de poort, dat
ook zwaar heeft geleden, maar waarvan de trappen onbeschadigd
zijn gebleven, ziet men een uitgebrande doolhof van smalle
gangen, kamertjes en hokjes; overal verkoolde wanden; allerwege
zwart gebrande houtspaanders en men vraagt zich verwonderd af,
hoe er niet meer onheilen bij dezen brand zijn voorgevallen. De
brand is ontstaan gelijkvloers bij de weduwe Reggie Prins,
vermoedelijk door het springen van een petroleumlamp, die
de laatst-thuisgekomen bewoner Dovid Prins waarschijnlijk
verzuimd heeft uit te blazen. Zekere Eleazar, naar men zegt
een neef van de weduwe Reggie Prins, bemerkte gelijktijdig met
een politie-agent dat er brand was. Hij smaakte de voldoening
met levensgevaar zijn tante die reeds bewusteloos was uit
de vlammen te redden, niet zonder zelf brandwonden op te
loopen. Beiden worden thans in het Israëlitisch gasthuis
verpleegd en bevinden zich geheel buiten levensgevaar. Vooral
de tante die blind is, is naar omstandigheden redelijk wel. Ook
de zwager Dovid Prins, die alleen door rook bevangen was, werd
naar het gasthuis vervoerd, doch hij heeft dit waarschijnlijk
reeds weder verlaten. Het mocht evenwel niet gelukken een
jongetje en een meisje uit de alkoof beneden te redden. De
verkoolde lijkjes werden onder de puinhoopen gevonden. Bij
de poging tot redding kregen nog verscheiden personen lichte
kwetsuren. Op de eerste étage vond de brandweer het lijk van
een handelaar in cigaretten, Rus van afkomst. Zijn zoon wist
zich over de daken te redden. Op de tweede étage wachtte
een afschuwelijk schouwspel. Hangend in een raamkozijn
vond men het verkoold lijk van een jonge vrouw, dochter van
den sigaretten-handelaar. En in het bovenste trapportaal,
waarschijnlijk belemmerd in hun poging tot ontvluchten lagen
drie kinderen, allen gestikt door den rook. Een meisje van
ongeveer tien of twaalf jaar, hield haar broertje nog in
de armen. Wat den omvang van deze ramp nog verhoogt, al is
het verlies niet onherstelbaar, is de omstandigheid, dat
verscheiden gezinnen hun inboedel niet verzekerd hadden en
thans alles wat zij bezaten, verloren hebben. De namen der
omgekomenen zijn: _Saartje Prins_, een meisje van ongeveer
zeven jaar; _Moosje Prins_, een jongetje van nog geen twee
jaar; de zieke Russische cigaretten-handelaar _Podnowsky_, meer
in de buurt als _Poddy_ bekend; zijn dochter _Rebecca_ nog geen
achttien jaar oud en zijn andere drie kinderen _Serre_, _Sally_
en _Rozetje_. Er heerscht in de Jodenhouttuinen een algemeene
verslagenheid. In ons volgend nummer komen wij uitvoeriger op
dezen brand terug en zullen aan de woning-toestanden in deze
wijk, die naar de meening van iedereen, oorzaak van zooveel
slachtoffers zijn, een hoofdartikel wijden."
Onbewogen stond Eleazar onder het suizend gewapper der gasvlam. Het
papier in z'n hand had geen trilling. Nòg eens las-ie 't slot,
nog eens als 'n vreemde bestaarden z'n troebele oogen de feller
gedrukte namen. Dan, dood van gebaar, lei-ie 't krantje op de tafel,
en de kleine ruimte die 'm van z'n bed scheidde met malle stappen
doorduizlend, trok-ie de deken over z'n hoofd, zonder gesnik,
zonder gekreun.
Den volgenden morgen vonden ze 'm bewusteloos. Hij kwam niet meer
bij. Juda, die 'm opzocht, om 'm te troosten, om 'm te vertellen van
de begrafenis van Poddy en de kinderen, 'n begrafenis waarbij de heele
jodenbuurt op de been was geweest--'n begrafenis waarbij de menschen op
straat hadden staan huilen, zoo aandoenlijk als de optocht was van twéé
groote en vìjf kleine kisten--Juda, die 'm óók had willen spreken over
de éérste gelukkig-gewonnen staking, Juda werd niet bij 'm toegelaten.
Maar Reggie, geleid door 'n pleegzuster, Reggie, die nog niets wist
van Saartje en Moosje, mocht bij 'm, zonder te praten.
Zittend bij 't bed, liet ze de dorre vingers van 'r niet gekwetste
hand over z'n gelaat glijden.
Schrikkend omdat ze geen adem bij z'n neus en z'n mond voelde, begon
ze beverig te huilen.
Uit het joodsch gasthuis werd-ie volgens den joodschen ritus op het
joodsch kerkhof begraven.