Ziezoo, nu wij ons hebben verzadigd aan al het wetenswaardigs, wat
steden en dorpen langs en in den duinrand ons vermogen te bieden,
willen wij—bij wijze van ontspanning—eens een kijkje gaan nemen in het
echt Zuidhollandsch merengebied, dat zich uitstrekt ten noorden van den
Ouden Rijn tot in Noord-Holland en beoosten daarvan zich voortzet tot
in Utrecht.
Wanneer men Leiden aan den oostkant verlaat, door de Zijl, dan voert de
weg regelrecht naar een der schoonste merengebieden, die ons land kent:
de Kagerplassen, een zeer geliefd water voor zeilers, waar ook elk jaar
een week lang zeer druk bezochte zeilwedstrijden worden gehouden (de
Kaagweek) en waar men dan allerlei schepen van velerlei afmeting en
tuigage te zien krijgt (pl. 72). In dit uitgestrekte watergebied rond
te varen, er te liggen tusschen het hoogopgaande riet, er te zwemmen,
te visschen, te zeilen, te roeien.... in één woord er te leven is een
genot, dat geen vergelijking kent.
Deze plassen met hun talrijke eilandjes, hun schuilhoeken, onderling
verbonden door nauwe geulen, in het wuivende riet als uitgesneden, die
plassen zijn van een bekoring, die eigenlijk geen enkel ander landsdeel
ons geven kan.
Hoe is de kleur van dit mooie waterland?
Ik weet het niet.
Ik heb wel eens geprobeerd vergelijkingen te maken, maar de wisseling
was te groot en het ging te snel. Dat water is soms leikleurig, soms
helderblauw, dan weer mosgroen of dof-grijs al naar gelang het waait of
al naar de wolken spelen boven het spiegelend watervlak.
En zooals het water is, zoo is de heele omgeving.
Wisselend van kleur met de wisseling van het weder.
In hellen zonneschijn met helderen blauwen hemel is deze
Kagerplassen-zee een paradijs van fijne schoonheid: dan trekken de
rietkragen felle lijnen groen langs den horizon, waarboven, vaag een
beetje, oplijnen de contouren van verafgelegen huizingen of hier en
daar als felle spietsen dunne kerktorentjes hoog-opflitsen in het
hemelblauw. Dan is het water lei-grijs, kabbelend in de forsche
rietstengels het eeuwige lied....
Maar als dan de hemel overstapeld is met donzig-dichte wolken van
velerlei kleur—van melkwit tot donker-grauw—en als dan de wind fel
waait en de rietkoppen altegaar en gelijktijdig buigen in den wilden
cadanz, dan is het beeld van deze plassen weer geheel anders. Dan
vervloeien de omtrekken van wat er omhenen staat tot een donkere breede
lijn, dan zien de kerktorentjes niet meer ijl en teer, dan wordt alles
knoestig en forsch. Dan is het alsof zelfs het eeuwig lied van het dan
loodkleurige water verandert. Een dof geborrel, een heftig gebrom en
bonzend klotsen in den sterken rietwal....
En daartusschen liggen vele, vele momenten van overgang.
Maar het liefst is mij het sterke, het machtige. Als die echt
Hollandsche wolkenhemel hangt boven het water, dan te varen op de Kaag,
op Zweiland, Norremeer en Dieperpoel, dan te scharrelen tusschen al die
eilanden van riet is een genot, dat alleen deze Kagerplassen kunnen
geven.
De Leede voert naar Warmond, naar dat schoone dorp, waarvan de bosschen
de noordwestelijke afscheiding van de Kagerplassen vormen. Een dorp met
vele oude huizingen, die alle aan het water liggen en waarvan er enkele
nog aan den waterkant zoon echt oud koepeltje hebben, waarin de
menschen vroeger plachten thee te drinken.
Maar wij houden ons daar niet op.
Varen weer terug over de Dieper Poel naar het dorpje de Kaag, dat daar
op den oostelijken oever verscholen ligt en komen daar weer in de
ringvaart van de Haarlemmermeer en zoo naar Oude Wetering.
Links waart het oog over Noord-Holland. In de diepte ligt de geweldige
polder. Een zeilschip komt ons tegen, de bruine zeilen bollen in den
wind. De Wetering is breed: de oevers tellen vele werven. Aan den wal
plassen de huisvrouwen in hun alles-overheerschende zucht naar
zindelijkheid....
Dan zijn wij op de Braassemermeer.
Alweer een van die Zuidhollandsche meren, niet zoo rijk misschien aan
schuilhoeken als de Kaag. Ook geen of althans weinig van die haast
onvindbare geulen, zooals daar over de geheele oppervlakte aanwezig
zijn. Maar toch ook niet minder mooi. Alleen anders.
Staande bij Beck’s hotelletje op den Westwal, waar een wedstrijdtoren
voor het zeilen is, kan men van dien toren af een prachtig gezicht
hebben op het heele meer, welks lage walle-randen bijna geheel met riet
bedekt zijn (pl. 99). Aan dezen kant spitst de toren van Roelof
Arendsveen omhoog boven de lage woningen. Recht voor ons ligt
Rijnsaterswoude (pl. 27).
Die Braassemermeer is weer van een geheel verschillende schoonheid. Een
schoonheid, die meer voorkomt uit de omgeving dan wel—gelijk op de
Kagerplassen—uit het water zelf. Want de Braassemer is meer open,
ronder zou ik haast willen zeggen. En de omgeving teekent zich hier
gemakkelijk en duidelijk af.
Naar het Noorden toe, weer langs de Ringvaart, ligt in het uiterste
noordpuntje van de provincie, het dorp Leimuiden (pl. 28). Een typisch
dorp met een breed kanaal er doorheenloopend, waarover talrijke
bruggetjes de verbinding met den overkant bewerkstelligen. „My home is
my castle” zeggen de menschen in dit waterland terecht. En zij maken er
een echt kasteel van: draaien ’s nachts hun „slotbrug” of plank over
het water weg!
Verder naar het Oosten toe, van Rijnsaterswoude gaande naar Nieuwveen,
komen wij in het echte polderwaterland. Door ter Aar en langs
Zevenhoven. Daar zijn de Nieuwkoopsche plassen, die een waar eldorado
zijn voor visschers en voor jagers. In het dorpje Noorden (pl. 79)
staan nog wel enkele jachthuizen en de echte liefhebbers komen er
jaarlijks een paar malen die tijdelijke woningen betrekken, om er zich
eenige dagen aan hun sportvermaak te wijden.