DE SCHOONHEID VAN HET VLAKKE LAND.

Denk niet, dat Zuid-Holland met haar groote uitgestrektheid vlak land,

zonder heuvelen dan alleen in het westen, waar de duinenrij opstulpt

tegen den grauw-groenen achtergrond van hei-ige zeelucht, denk niet dat

dit vlakke land niet zijn bekoorlijkheden heeft.

Wie er gewandeld heeft en gefietst, maar vooral wie er gevaren heeft,

die weet, dat ook dat schijnbaar eentonige vlakke land prachtig mooi

kan zijn.

Ik wil er U doorheen voeren, stilstaande bij veel mooie, soms heel oude

dingen en nu en dan eens omziende, om toch vooral een sterken indruk te

krijgen en te bevestigen, dat dit land van polders en dijken en vaarten

overal heel verschillend, maar bijna overal van een pittoreske

schoonheid is.

Denk vooral niet, dat ik overdrijf.

Ga dan maar eens staan—zooals ik dat gedaan heb—op een kerktoren midden

in dat lage land en overzie het geheel. Bewonder dan—want dat zult ge

moeten—de oneindige vergezichten: hier langs een vaartje, dat in de

wijde verte door een popperig-lijkend dorp met roodgedaakte huizekes

wordt afgesloten; daar langs een dijk, die zich

aller-onwaarschijnlijkst kronkelt rond zoo’n polder, waaraan

Zuid-Holland ook rijk is.

Het is geen eentonig gezicht: want er is wisseling in kleur en in vorm.

En de frissche boerenhuizingen, waarvan er hier zoovele honderden zijn,

steken kantig af tegen het geel van den akker of gaan gedeeltelijk

schuil in een krans van—meestal hooge—boomen, wier wuivende kruinen

wiegen boven hun dak.

Heel ver in de wazige verte, grijs-grauw als in een sluier van mist,

ontdekt ge dan de vage omtrekken van een stad.... onwezenlijke

contouren tegen den horizon.

Voeg daarbij, dat gedurende den meesten tijd van het jaar de hemel hier

bedekt is met een uitgelezen verzameling wolken van allerlei kleur en

formatie—de „Hollandsche” lucht bij uitnemendheid—en gij kunt U

levendig voorstellen, dat gij van mij niet verwachten moet het

Zuid-Hollandsche landschap als niet-mooi of als eentonig te

qualificeeren.

Ik zal dan bij de beschrijving van het moois en merkwaardigs, dat deze

provincie biedt, allereerst de aandacht vragen voor het vasteland, om

dan later over de eilanden te wandelen of te rijden, al naar gelang de

schoonheid van het landschap zulks vordert.

Waar kunnen wij onzen rondgang door Zuid-Holland eigenlijk beter

aanvangen dan daar waar als het ware het hart van de provincie klopt:

’S-GRAVENHAGE, DE HOOFDSTAD.

De Residentie is de derde stad—wat grootte betreft—van Nederland. Is

met koopsteden als Amsterdam en Rotterdam echter in het geheel niet te

vergelijken. Heeft een volkomen eigen—deftig—cachet. De regeering van

het land is er gevestigd: de ministeries met den aankleve van die; de

Staten-Generaal vergadert er: het is een stad der diplomatie, waar alle

buitenlandsche gezanten hun zetel hebben, waar de groote conferenties

gehouden worden, als Nederland wordt aangewezen om als gastheer op te

treden in geval van internationale geschillen-oplossingen als

anderszins.

De kern van Den Haag—zooals de stad meestal genoemd wordt—wordt gevormd

door het Binnenhof met de Ridderzaal (plaatje 61), die beide nog

overblijfselen zijn van het oude grafelijke slot, waar ook later de

stadhouders nog verblijf hebben gehouden. Die Ridderzaal is wel een der

oudste monumenten van Den Haag, dagteekent reeds uit de dertiende eeuw.

De zuilengangen geven ook een sterken indruk van hoogen ouderdom en de

toegangspoorten tot het Binnenhof zijn nog vrijwel in denzelfden staat,

waarin zij vroeger waren.

Die oude gebouwen en poorten en gangen doen dien heelen belangwekkenden

ouden tijd je voor den geest komen. Je gaat er droomen van toen, je

ziet er als het ware de pralende edelen en edelvrouwen op hun

scharlaken-gedekte rossen uit komen rijden.....!

Hier in de binnenstad is ook het Mauritshuis, vroeger het verblijf van

Johan Maurits van Nassau, thans museum; verder de Gevangenpoort, waar

eens de gebroeders de Witt werden opgesloten, aleer zij het slachtoffer

werden van hun wraakzuchtige vijanden. Daar ligt de Hofvijver nog, als

een vergeten water, waar zwanen in ronddrijven, maar dat vroeger de

gravenburcht tegen overval beschermde.

In dat oude deel der stad staat het paleis van de Koningin—op het

Noordeinde—aan het Voorhout dat van de Koningin-Moeder, terwijl Prinses

Juliana daar vlak bij haar woning heeft.

Bijna in de stad nog ligt het fraaie Haagsche Bosch met zijn mooie

vijvers: het „Huis ten Bosch” (pl. 69) is daar eertijds voor Amalia van

Solms gebouwd.

Naar den Scheveningschen kant toe, daar waar de beroemde Oude

Scheveningsche weg begint, staat het meesterwerk van den Franschen

bouwmeester Cordonnier: het „Vredespaleis” (pl. 39) de zetel van het

Permanente Hof van Internationale Justitie.

Links van dien Ouden Scheveningschen weg ligt het landgoed Zorgvliet

(pl. 67), vroeger de woonplaats van Jacob Cats. Het is thans bestemd om

villapark te worden, is dat reeds voor een deel.

Den Haag is niet meer te scheiden van Scheveningen, dat is er geheel

mee samengegroeid. En alleen nog een klein deel: Oud-Scheveningen, met

z’n sloppen en stegen (pl. 20) en zijn, een bijzonder dialect sprekende

en nog een eigen kleeding dragende bevolking (pl. 50), staat feitelijk

geheel apart.

Scheveningen, dat thans onze meest luxueuze en verreweg drukste

badplaats is, ontstond als zoodanig in het begin van de negentiende

eeuw. Immers in 1818 werd er een badhuisje opgericht, in 1828 kwam er

reeds een groot badhuis, dat in 1883 plaats maakte voor het

tegenwoordige Kurhaus, vóór hetwelk in 1901 het „Wandelhoofd

Wilhelmina” kortweg Pier genaamd ontstond. (Pl. 71).

De onmiddellijke nabijheid van Den Haag, waarvan het praktisch een deel

uitmaakt, is zonder eenigen twijfel mee de oorzaak geweest van den

grooten bloei van deze badplaats, waar de diplomaten elkander kunnen

ontmoeten en waar allerlei regeeringspersonen komen uitrusten van de

vermoeienissen van hun werk.

Mijn Land, 03/11 · 第 7 / 21 题