De provincie heeft velerlei soort wateren.
Daar zijn in de eerste plaats de open wateren en de groote rivieren: de
Nieuwe Maas, de Noord, Beneden-Merwede, de Oude Maas, Dordtsche Kil,
Nieuwe Merwede, het Hollandsch Diep, Volkerak, Krammer, Grevelingen.
Verschillende van deze wateren, voor zoover zij niet tot de groote
rivieren behooren, zijn z.g. getijde-wateren, d.w.z. dat ebbe en vloed
hun invloed sterk daarop doen gelden. En de laatste drie, die ik
hierboven gaf, hebben eigenlijk reeds het karakter van zeegaten.
Eigenlijke rivieren zijn feitelijk alleen de Lek, de Boven-Merwede en
een stuk van den Hollandschen IJssel (van Gouda tot de Maas).
Dan zijn er natuurlijk in deze provincie een onnoemelijk aantal
kanalen: deels voor de afwatering, deels voor de scheepvaart van
beteekenis. Voor een deel zijn deze kanalen gegraven, voor een deel
echter ook ontstonden zij uit aanwezige kleine riviertjes, die hun
rivierkarakter evenwel geheel verloren hebben. Een typisch voorbeeld
van dat laatste biedt de waterweg van Amsterdam naar Rotterdam, waar
die geleid wordt langs Gouwe, Aar en Drecht!
Onder de kanalen, die voor de scheepvaart van beteekenis zijn, moeten
ook genoemd worden in het westen de Schie, de Vliet, de Leidsche
trekvaart, verder de Loosduinsche trekvaart en die van Delft naar
Vlaardingen.
De Oude Rijn, dat statige oude water, dat zich kronkelt dwars door de
provincie van Leiden naar Utrecht, dat kleur geeft aan het landschap en
dat dit doet leven, is een typisch voorbeeld van een gekanaliseerde
rivier. De oevers spreken er nog van dien ouden trots, toen deze Oude
Rijn nog werkelijk rivier was. In tijden, reeds lang vergeten....
En in het oosten van de provincie is het Zederikkanaal de belangrijke
verbinding van Vianen met Gorcum.