Zuid-Holland behoort tot die provincies, waaraan Nederland den bijnaam:
„de lage landen aan de zee” te danken heeft. Het overgroote deel der
provincie ligt beneden den zeespiegel—soms meters diep—en slechts de
duinenreeks en een deel der Zuidhollandsche eilanden steekt daarboven
uit.
Dit overgroote deel is derhalve polderland, dat wil zeggen land, dat in
den loop der laatste eeuwen door middel van indijking en uitmaling
bewoonbaar en bebouwbaar is gemaakt.
Het vasteland van Zuid-Holland—om dat nu zoo maar eens te
noemen—bestaat geheel uit polders, die naar het westen tegen het water
van de Noordzee beschermd worden door een duinenrij en aan de zijde der
groote rivieren door geweldig zware dijken. De duinenrij is hier en
daar maar erg dunnetjes, zoodat men bijv. in het Zuiden het Westland
door de zg. Westlandsche hoofden en bovendien nog door een slaperdijk
heeft moeten beschermen.
Wie wel eens uit een vliegtuig op Zuid-Holland heeft neergezien, weet
hoe eigenaardig het effect is van al die polders met hun dijken en
daaromheen hun ringvaarten. Dat zijn er talloos vele, want heel het
vasteland van de provincie bestaat uit feitelijk niets anders. Met
daartusschen hier en daar de spiegelende vlakten der Zuidhollandsche
meren, die mee de schoonheid uitmaken van dit vlakke, maar toch zoo
belangwekkende landschap.
Wat den aard van den bodem aangaat het volgende:
De duinenrij in het westen bestaat geheel uit zand, met daarachter een
mengsel van zand en veen, de z.g.n. geestgronden. De rest van
Zuid-Holland bestaat uit laagveen of klei (rivier- of zeeklei). Sommige
polders hebben naast laagveen heele stukken oude of blauwe zeeklei,
uiteraard een zeer vruchtbare, hoewel zwaar te bewerken bodembedekking.
Over het algemeen zijn de polders in Zuid-Holland klein van omvang—veel
kleiner dan in Noord-Holland, dat talrijke groote droogmakerijen
telt—en het gevolg daarvan is wel geweest, dat de vele plaatsen in deze
provincie meestal op en langs de dijken ontstaan zijn.
Een groot vraagstuk is bij al deze polders natuurlijk steeds: het
water. Teneinde het overtollige water uit die polders kwijt te raken,
werd daarom het land in boezemgebieden verdeeld. Het uitgebreidste
daarvan is Rijnland, dat feitelijk het geheele noordelijke deel der
provincie—op een klein stukje Amstellandboezem na—omvat. Verder
Woerdens boezem, de boezems van den Prins Alexander- en Zuidplaspolder,
de Rotte- en de Schieboezem.
De Zuid-Hollandsche eilanden zijn alle deltavormingen; aanslibbingen
der groote rivieren, die later ingedijkt en, waar noodig, drooggemalen
werden en die in hoofdzaak uit vruchtbare rivierklei bestaan. Ook hier
is bemaling natuurlijk noodzakelijk, omdat bijna alles er onder het
normale waterpeil ligt.
Heel oud is Voorne-Putten, heel oud is ook het eiland van Dordrecht,
eertijds een deel van „De Groote Waard”. Dit was een uitgestrekt
laagveengebied met steden als Dordrecht, Zevenbergen en Geertruidenberg
en verder met tal van kleinere stedekes en dorpen, kasteelen enz.
Totdat in het jaar 1421 de groote doorbraak van Strijen plaats had, die
een honderdduizend menschen het leven kostte en die wel 70 plaatsen en
gehuchten van den aardbodem deed verdwijnen. Toen ontstond de
Biesbosch. En Dordrecht, dat gespaard bleef, kwam op een eiland te
liggen.
Jonger zijn Beijerland of Hoeksche Waard en het tweelingeiland
Goeree-Overflakkee, waarvan de indijking eerst uit de zestiende en
zeventiende eeuw dagteekent. Nog jonger is bijv. Rozenburg, waar in de
vorige eeuw nog ingedijkt werd. En het eiland Tiengemeten is als
polderland het allerjongste (1860).